Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 4 OKTOBER 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN VERENIGD KONINKRIJK. - VISSERIJ - REGISTRATIE VAN VAARTUIGEN - VOORWAARDE BETREFFENDE NATIONALITEIT. - ZAAK C-246/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-04585
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Lid-Staten - Verplichtingen - Uitoefening van behouden bevoegdheden inzake registratie van vaartuigen - Eerbiediging van gemeenschapsrecht
2. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Registratie van vissersvaartuig in Lid-Staat -Voorwaarden inzake nationaliteit van eigenaars, bevrachters en exploitanten van vaartuig - Ontoelaatbaarheid - Stelsel van vangstquota - Irrelevantie
(EEG-Verdrag, art. 52)
Samenvatting1. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht staat het aan de Lid-Staten, overeenkomstig de regels van het volkenrecht de voorwaarden vast te stellen waaraan moet zijn voldaan voordat een vaartuig in hun registers kan worden ingeschreven en aan dit vaartuig het recht kan worden verleend om hun vlag te voeren. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten de Lid-Staten evenwel de voorschriften van het gemeenschapsrecht eerbiedigen.
2. De bepalingen van het gemeenschapsrecht en inzonderheid artikel 52 EEG-Verdrag verzetten zich ertegen, dat een Lid-Staat voor de registratie van een vissersvaartuig in zijn nationaal register als voorwaarden stelt dat de eigenaars, de bevrachters, de beheerders en de exploitanten van het vaartuig onderdanen van die Lid-Staat of vennootschappen naar het recht van deze Lid-Staat zijn en dat in dit laatste geval ten minste 75 % van de aandelen in eigendom toebehoren aan onderdanen van die Lid-Staat of aan vennootschappen die aan dezelfde voorwaarden voldoen, en dat 75 % van de bestuurders onderdaan van die Lid-Staat zijn.
Aangezien het gemeenschappelijk visserijbeleid, ook al omvat het een stelsel van nationale vangstquota, niet op de nationaliteit van personen is gebaseerd, kan het geen rechtvaardiging vormen om op het gebied van de registratie van vissersvaartuigen af te wijken van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.
PartijenIn zaak C-246/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, R. C. Fischer en P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en door R. Silva de Lapuerta, Abogado dello Stato voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4 en 6,
interveniënt,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door T. J. G. Pratt, Principal Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door Sir Nicholas Lyell, QC, Solicitor General, en door C. Bellamy, QC, C. Vajda, Barrister, en A. Macnab, Barrister-at-Law, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
verweerder,
ondersteund door
Ierland, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, bijgestaan door J. O' Reilly, Senior Council bij de balie van Ierland, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Ierse ambassade, Route d' Arlon 28,
interveniënt,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de in de Sections 13 en 14 van de Merchant Shipping Act 1988 vervatte nationaliteitsvereisten te stellen, de krachtens de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: J.-G. Giraud
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 17 januari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 augustus 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot de vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk, door de in de Sections 13 en 14 van de Merchant Shipping Act 1988 (hierna "de wet van 1988") vervatte nationaliteitsvereisten te stellen, de krachtens de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Section 13 (1) van de wet van 1988 voorziet in de invoering van een nieuw register van Britse vissersvaartuigen, waarin vissersvaartuigen die voldoen aan de voorwaarden, neergelegd in Section 14 van die wet, kunnen worden ingeschreven. Section 13 (2) sluit in wezen de inschrijving van vissersvaartuigen in enig ander Brits register uit. Section 13 (3) verlengt echter voor een overgangsperiode de geldigheid van de bestaande registraties in afwachting van de inschrijving in het nieuwe register.
3 De wet van 1988 is in werking getreden op 1 december 1988 en de in Section 13 (3) bedoelde overgangsperiode is verstreken op 31 maart 1989.
4 Section 14 (1) van de wet van 1988 bepaalt dat, behoudens andersluidende beslissing van de Secretary of State for Transport, een vissersvaartuig slechts in het nieuwe register kan worden ingeschreven indien:
"a) het vaartuig in Brits eigendom is;
b) het vaartuig wordt beheerd, en zijn exploitatie wordt bestuurd en gecontroleerd vanuit het Verenigd Koninkrijk; en
c) iedere bevrachter, beheerder of exploitant van het vaartuig een bevoegde persoon of vennootschap is."
Volgens Section 14 (2) is een vissersvaartuig Brits eigendom indien de "legal title" met betrekking tot het vaartuig volledig wordt gehouden door een of meer bevoegde personen of vennootschappen en indien het vaartuig beneficiair in eigendom is (beneficially owned) van een of meer bevoegde vennootschappen of voor niet minder dan 75 % in beneficiair eigendom is van een of meer bevoegde personen. (1) Volgens Section 14 (7) wordt onder "bevoegd persoon" verstaan een Brits onderdaan, die metterwoon gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, en onder "bevoegde vennootschap" een vennootschap naar Brits recht die haar centrum van werkzaamheid in het Verenigd Koninkrijk heeft, en waarvan tenminste 75 % van de aandelen eigendom is van één of meer bevoegde personen of vennootschappen en ten minste 75 % van de bestuurders bevoegde personen zijn.
5 Van oordeel dat de nationaliteitsvereisten van de wet van 1988 in strijd zijn met de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag, heeft de Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid.
6 Bij twee beschikkingen, beide van 4 oktober 1989, heeft het Hof enerzijds het Koninkrijk Spanje toegestaan te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, en anderzijds Ierland toegestaan te interveniëren aan de zijde van het Verenigd Koninkrijk.
7 Bij beschikking van 10 oktober 1989 (zaak 246/89 R, Jurispr. 1989, blz. 3125) heeft de president van het Hof een verzoek in kort geding van de Commissie toegewezen, dat ertoe strekte, dat het Verenigd Koninkrijk werd gelast, de toepassing van de nationaliteitsvereisten van de wet van 1988 op te schorten. Ter uitvoering van die beschikking en hangende het arrest in de hoofdzaak, stelde het Verenigd Koninkrijk een Order vast, waarbij Section 14 van de wet van 1988 per 2 november 1989 werd gewijzigd.
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 De Commissie is van mening, dat de in de wet van 1988 gestelde vereisten inzake de nationaliteit van de eigenaars en exploitanten van Britse vissersvaartuigen en inzake de nationaliteit van de aandeelhouders en bestuurders van vennootschappen die dergelijke vaartuigen in eigendom hebben, bevrachten of exploiteren, een discriminatie op grond van nationaliteit opleveren. Zij zouden verboden zijn op grond van de algemene regel van artikel 7, alsmede op grond van de meer specifieke bepalingen van de artikelen 52 en 221 EEG-Verdrag.
De bevoegdheid van de Lid-Staten om nationaliteitsvereisten voor vaartuigen vast te stellen
10 Het Verenigd Koninkrijk betoogt om te beginnen, dat het EEG-Verdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten de bevoegdheid ontneemt om regelen te stellen betreffende de nationaliteit van hun vaartuigen, met inbegrip van regelen die de nationaliteit van de eigenaars betreffen.
11 In de eerste plaats zij opgemerkt dat, gelijk het Hof in het arrest van 25 juli 1991 (zaak C-221/89, Factortame II, Jurispr. 1991, blz. I-3905, r.o. 13) heeft verklaard, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de Lid-Staten bevoegd zijn om de voorwaarden voor registratie van vaartuigen vast te stellen. Inzonderheid met betrekking tot vissersvaartuigen wordt in de bepalingen van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19) gesproken van vissersvaartuigen "die onder de vlag" van een Lid-Staat varen of op diens grondgebied staan "ingeschreven", doch wordt het omschrijven van die begrippen aan de nationale wetgever overgelaten (arresten van 25 juli 1991, Factortame II, reeds aangehaald, r.o. 13, en 19 januari 1988, zaak 223/86, Pesca Valentia, Jurispr. 1988, blz. 83, r.o. 13).
12 Dat neemt niet weg, dat de Lid-Staten verplicht zijn, de bevoegdheden die zij hebben behouden, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen (zie laatstelijk de arresten van 7 juni 1988, zaak 57/86, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 2855, r.o. 9, en 21 juni 1988, zaak 127/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 3333, r.o. 7).
13 De Britse regering betoogt evenwel, dat de situatie anders ligt wanneer het gaat om de bevoegdheid die elke staat krachtens het volkenrecht heeft, om soeverein de voorwaarden voor het voeren van zijn vlag vast te stellen. Dienaangaande verwijst zij naar artikel 5, lid 1, van het verdrag van Genève inzake de volle zee (United Nations Treaty Series 450, nr. 6465, dat luidt als volgt:
"Iedere staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Schepen hebben de nationaliteit van de staat wiens vlag zij het recht hebben te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de staat en het schip; in het bijzonder dient de staat op administratief, technisch en sociaal gebied zijn rechtsmacht en toezicht op doeltreffende wijze uit te oefenen."
14 Dat argument kan slechts opgaan, indien de in het gemeenschapsrecht gestelde eisen volgens welke de Lid-Staten hun bevoegdheden op het gebied van de registratie van vaartuigen dienen uit te oefenen, in strijd zijn met de regels van het volkenrecht.
15 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht aan de Lid-Staten staat, overeenkomstig de algemene regels van het volkenrecht de voorwaarden vast te stellen waaraan moet zijn voldaan voordat een vaartuig in hun register kan worden ingeschreven en aan dit vaartuig het recht kan worden verleend om hun vlag te voeren, doch dat de Lid-Staten bij de uitoefening van die bevoegdheid de voorschriften van het gemeenschapsrecht moeten eerbiedigen.
16 Bijgevolg moet worden onderzocht, of de nationaliteitsvereisten zich verdragen met het gemeenschapsrecht, en inzonderheid met de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag.
De verenigbaarheid van de onderhavige nationaliteitsvereisten met de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag
Artikel 7 EEG-Verdrag
17 Het is vaste rechtspraak van het Hof (zie bij voorbeeld het arrest van 30 mei 1989, zaak 305/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 1461, r.o. 13), dat artikel 7 EEG-Verdrag autonoom slechts toepassing kan vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet.
18 In hetzelfde arrest (r.o. 12) preciseerde het Hof, dat het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat is neergelegd in artikel 7 EEG-Verdrag, in artikel 52 EEG-Verdrag voor de aldaar geregelde bijzondere gebieden nader is uitgewerkt, zodat iedere regeling die onverenigbaar is met laatstgenoemde bepaling, eveneens onverenigbaar is met artikel 7 EEG-Verdrag.
Artikel 52 EEG-Verdrag
19 Met betrekking tot artikel 52 EEG-Verdrag betoogt de Commissie, dat de weigering om vaartuigen die eigendom zijn van of bevracht, beheerd of geëxploiteerd worden door onderdanen van andere Lid-Staten, ongeacht of het om natuurlijke dan wel om rechtspersonen gaat, als Britse vissersvaartuigen te registreren, deze onderdanen van het recht berooft, zich in het Verenigd Koninkrijk te vestigen en aldaar de visserij uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk. Bovendien worden aandeelhouders en bestuurders van vennootschappen door de op hen toepasselijke nationaliteitsvereisten beroofd van het recht om vennootschappen op te richten en te besturen in de visserijsector in het Verenigd Koninkrijk. Ten slotte beperken deze vereisten de mogelijkheid voor vennootschappen van andere Lid-Staten vanuit het Verenigd Koninkrijk deze visserij uit te oefenen door middel van agentschappen, filialen of dochterondernemingen, in de zin van artikel 58.
20 Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd, dat de registratie van een vaartuig als zodanig een vestigingshandeling in de zin van de artikelen 52 en volgende EEG-Verdrag is, en dat derhalve de regels inzake de vrijheid van vestiging van toepassing zijn.
21 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het begrip vestiging in de artikelen 52 en volgende EEG-Verdrag inhoudt, dat daadwerkelijk een economische activiteit wordt uitgeoefend door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd in een andere Lid-Staat.
22 Bijgevolg brengt de registratie van een vaartuig niet noodzakelijkerwijs een vestiging in de zin van het Verdrag mee, in het bijzonder wanneer het vaartuig niet wordt gebruikt voor de uitoefening van een economische activiteit, of wanneer de aanvraag tot registratie wordt gedaan door of namens een persoon die niet in de betrokken Lid-Staat is gevestigd en evenmin voornemens is zich aldaar te vestigen.
23 Wanneer daarentegen het vaartuig een instrument voor de uitoefening van een economische activiteit is die gepaard gaat met een duurzame vestiging in de betrokken Lid-Staat, kan de registratie van dat vaartuig niet los worden gezien van de uitoefening van het recht van vrije vestiging.
24 Daaruit volgt, dat de voorwaarden voor registratie van vaartuigen geen belemmering van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 52 en volgende van het Verdrag mogen vormen.
25 De Britse regering betoogt evenwel, dat de registratie van een vaartuig in een Lid-Staat geen conditio sine qua non voor een vestiging in die Lid-Staat is, daar natuurlijke of rechtspersonen die zulks willen, geen strobreed in de weg wordt gelegd om vanuit bij voorbeeld het Verenigd Koninkrijk, vaartuigen, zelfs vissersvaartuigen, te exploiteren in het kader van verrichtingen waarbij het grondgebied van die Lid-Staat betrokken is. Een dergelijke vestiging in het Verenigd Koninkrijk zou mogelijk zijn voor alle vaartuigen die in een van de andere Lid-Staten zijn geregistreerd.
26 Dat argument faalt. Volgens artikel 52, tweede alinea, EEG-Verdrag omvat de vrijheid van vestiging voor de onderdanen van een Lid-Staat "de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst (...) overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld".
27 De Britse regering is van mening, dat het Verdrag niet in de weg staat aan het onderhavige nationaliteitsvereiste, omdat van discriminatie op grond van nationaliteit slechts sprake kan zijn, wanneer de wetgeving van een Lid-Staat de rechtssubjecten verschillend zou behandelen op grond van hun nationaliteit. In het onderhavige geval daarentegen zou het niet om een discriminatie op grond van nationaliteit gaan, doch om een voorwaarde voor het verlenen van de nationaliteit, en zouden de Lid-Staten vrij kunnen bepalen, aan wie zij hun nationaliteit verlenen dan wel weigeren, ongeacht of het om natuurlijke personen dan wel om vaartuigen gaat.
28 In dit verband moet worden opgemerkt, dat "nationaliteit" van vaartuigen, die geen rechtssubjecten zijn, iets anders betekent dan "nationaliteit" van natuurlijke personen.
29 Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, zoals dat inzonderheid met betrekking tot het recht van vestiging is neergelegd in artikel 52 EEG-Verdrag, betreft de verschillende behandeling van natuurlijke personen die onderdaan van de Lid-Staten zijn, alsook van vennootschappen, welke krachtens artikel 58 met natuurlijke personen zijn gelijkgesteld.
30 Bijgevolg moet elke Lid-Staat bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ter zake van de vaststelling van de voorwaarden voor het verlenen van zijn "nationaliteit" aan een vaartuig, het verbod van discriminatie van de onderdanen van de Lid-Staten op grond van hun nationaliteit eerbiedigen.
31 Uit het voorgaande volgt, dat de gewraakte nationaliteitsvereisten die inhouden dat wanneer een vaartuig eigendom is van of wordt bevracht door natuurlijke personen, zij de Britse nationaliteit moeten hebben, en wanneer het vaartuig in eigendom aan een vennootschap toebehoort of door een vennootschap wordt bevracht, de aandeelhouders of de bestuurders van die vennootschap de Britse nationaliteit moeten hebben, wil het vaartuig in het Britse register voor vissersvaartuigen kunnen worden ingeschreven, in strijd zijn met artikel 52 EEG-Verdrag.
Artikel 221 EEG-Verdrag
32 De Commissie is van mening, dat de betrokken Britse voorwaarden, voor zover zij betrekking hebben op het bestuur van "bevoegde" vennootschappen, onderdanen van andere Lid-Staten discrimineren, die aandelen wensen te kopen van vennootschappen die Britse vissersvaartuigen in eigendom hebben, bevrachten, beheren of exploiteren, en dus in strijd zijn met artikel 221 EEG-Verdrag.
33 Vastgesteld moet worden, dat de onderhavige nationaliteitsvereisten, voor zover zij het bestuur van vennootschappen betreffen, in strijd zijn met artikel 221 EEG-Verdrag, krachtens hetwelk de Lid-Staten nationale behandeling moeten verlenen wat betreft de financiële deelneming door de onderdanen van de andere Lid-Staten in het kapitaal van rechtspersonen in de zin van artikel 58.
De mogelijkheid om de onderhavige nationaliteitsvereisten te rechtvaardigen op grond van het gemeenschappelijk visserijbeleid en in het bijzonder op grond van het quotastelsel
34 De Britse regering is van mening, dat de bij de wet van 1988 ingevoerde nationaliteitsvereisten gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de huidige gemeenschapsregels inzake de visserij. Deze regels, die weliswaar een gemeenschappelijke regeling tot stand brengen, zijn voor de verdeling van de vangstquota gebaseerd op een nationaliteitsbeginsel. Krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 dienen de Lid-Staten de voorschriften voor het gebruik van de hun toegewezen quota vast te stellen, zodat zij de voorwaarden moeten vaststellen, waaraan de vaartuigen moeten voldoen, die onder die quota mogen vissen.
35 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het Hof in de arresten van 14 december 1989 (zaak C-3/87, Agegate, Jurispr. 1989, blz. 4459 en zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4509) heeft opgemerkt dat de Lid-Staten bij de uitoefening van de hun toegekende bevoegdheid om de regels voor het gebruik van hun quota vast te stellen, mogen bepalen, welke vaartuigen onder hun nationale quota mogen vissen, mits de daarbij gehanteerde criteria verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. In laatstgenoemd arrest verklaarde het Hof inzonderheid voor recht, dat een Lid-Staat voorwaarden mag stellen die moeten verzekeren dat het vaartuig een daadwerkelijke economische band met die Lid-Staat heeft, voor zover die band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van dat vaartuig en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën betreft.
36 Voorts moet worden opgemerkt, dat de onderhavige nationale wettelijke regeling betreffende de registratie van vaartuigen, niet ten doel heeft, regels voor het gebruik van de quota vast te stellen. Bijgevolg kan een dergelijke wettelijke regeling, ongeacht de door de nationale wetgever beoogde doeleinden, niet worden gerechtvaardigd door de omstandigheid, dat er een communautair stelsel van nationale quota bestaat.
37 Ten slotte betoogt de Britse regering, dat indien iedere onderdaan van een Lid-Staat zijn vaartuig in een andere Lid-Staat zou kunnen registreren en dus dezelfde vangstrechten zou kunnen uitoefenen als de onderdanen van laatstgenoemde Lid-Staat, zulks de regeling die geldt voor plaatselijke gemeenschappen die bijzonder afhankelijk zijn van de visserij en de aanverwante industrieën, bedoeld in bijlage VII bij de resolutie van 's-Gravenhage van 1976 ("de preferenties van 's-Gravenhage"), de regeling betreffende de visserij in de kustzone, de zorgvuldig afgewogen visserijmechanismen van de artikelen 156 tot en met 166 en 346 tot en met 353 van de Toetredingsakte van 1985 en de inspanningen van de andere Lid-Staten met betrekking tot de herstructurering van hun vissersvloten overeenkomstig de meerjarige programma' s van de Gemeenschap zou ondermijnen.
38 Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking, dat de regelingen waarop het Verenigd Koninkrijk zich beroept, niet gebaseerd zijn op de nationaliteit van personen en dus geen rechtvaardiging kunnen vormen om op het gebied van de registratie van vissersvaartuigen af te wijken van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.
39 Uit het voorgaande volgt, dat het Verenigd Koninkrijk, door voor de registratie van een vissersvaartuig in zijn nationaal register als voorwaarde te stellen dat de eigenaars (de "legal owners" en voor ten minste 75 % de "beneficial owners" wanneer deze laatsten natuurlijke personen zijn), de bevrachters en de exploitanten van het vaartuig Britse onderdanen zijn of vennootschappen naar Brits recht, en dat in dat laatste geval ten minste 75 % van de aandelen van een dergelijke vennootschap eigendom is van Britse onderdanen of van vennootschappen die aan dezelfde voorwaarden voldoen, en dat 75 % van de bestuurders van een dergelijke vennootschap Brits onderdaan is, de krachtens de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
40 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, dient het te worden verwezen in de kosten van de Commissie, met inbegrip van de kosten die op het kort geding zijn gevallen, en van het Koninkrijk Spanje. Ierland dient zijn eigen kosten te dragen, met inbegrip van de kosten die op het kort geding zijn gevallen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE
rechtdoende, verstaat:
1) Door voor de registratie van een vissersvaartuig in zijn nationaal register als voorwaarde te stellen dat de eigenaars (de "legal owners" en voor ten minste 75 % de "beneficial owners" wanneer deze laatsten natuurlijke personen zijn), de bevrachters en de exploitanten van het vaartuig Britse onderdanen zijn of vennootschappen naar Brits recht, en dat in dat laatste geval ten minste 75 % van de aandelen van een dergelijke vennootschap eigendom is van Britse onderdanen of van vennootschappen die aan dezelfde voorwaarden voldoen, en dat 75 % van de bestuurders van een dergelijke vennootschap Brits onderdaan is, is het Verenigd Koninkrijk de krachtens de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk wordt verwezen in de kosten van de Commissie, met inbegrip van de kosten die op het kort geding zijn gevallen, en van het Koninkrijk Spanje.
3) Ierland zal zijn eigen kosten dragen, met inbegrip van de kosten die op de procedure in kort geding zijn gevallen.
Top