Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 8 MEI 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - NIET-NAKOMING - STATISTISCHE REGISTRATIE VAN HET GOEDERENVERVOER OVER DE WEG - NIET-UITVOERING VAN EEN ARREST VAN HET HOF. - ZAAK C-266/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02411
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Beroep wegens niet-nakoming - Arrest van Hof, waarbij niet-nakoming wordt vastgesteld - Niet-uitvoering
(EEG-Verdrag, art. 169 en 171)
PartijenIn zaak C-266/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door professor L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niettegenstaande het arrest van het Hof van Justitie van 11 juli 1985 (zaak 101/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 2629) nog steeds geen uitvoering te geven aan richtlijn 78/546/EEG van de Raad van 12 juni 1978 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg in het kader van een regionale statistiek (PB 1978, L 168, blz. 29),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins en G. C. Moitinho de Almeida, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon,
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 januari 1991, waar de Commissie was vertegenwoordigd door A. Aresu en G. Berardis, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, en de Italiaanse Republiek door I. Braguglia, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 augustus 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 11 juli 1985 (zaak 101/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 2629).
2 In dat arrest stelde het Hof vast:
"Door niet te zijn overgegaan tot de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg volgens de modaliteiten voorzien in richtlijn nr. 78/546/EEG van de Raad van 12 juni 1978 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg in het kader van een regionale statistiek (PB 1978, L 168, blz. 29), is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen."
3 Verschillende maanden na dit arrest van het Hof maande de Commissie, die van mening was dat de Italiaanse Republiek zich niet naar het arrest had gevoegd, de Italiaanse Republiek bij brief van 22 juni 1988 aan, haar verplichtingen na te komen. Van oordeel dat het antwoord van de Italiaanse Republiek ontoereikend was, stuurde de Commissie haar op 10 april 1989 een met redenen omkleed advies. Als antwoord verstrekte de Italiaanse Republiek bij brief van 28 juni 1989 nadere gegevens. Daar de Commissie van oordeel was dat deze gegevens onvolledig waren, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de voorgeschiedenis van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 De Italiaanse Republiek is niet opgekomen tegen de stelling van de Commissie, dat zij geen behoorlijke uitvoering heeft gegeven aan het arrest.
6 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Italiaanse Republiek evenwel voor het eerst aangevoerd, dat de in het onderhavige beroep aan de orde gestelde niet-nakoming betrekking heeft op haar verzuim aangaande de door richtlijn 78/546 geëiste statistische registratie van het goederenvervoer over de weg tijdens de jaren na het arrest van 11 juli 1985. Indien dit verzuim een inbreuk op de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen vormt, is het een nieuwe inbreuk en geen schending van artikel 171 EEG-Verdrag, daar de in het arrest van 11 juli 1985 vastgestelde niet-nakoming de daaraan voorafgaande jaren betrof.
7 Het betoog van de Italiaanse Republiek gaat uit van de opvatting, dat de Lid-Staten elk jaar een losstaande verplichting hebben om de door richtlijn 78/546 geëiste statistische gegevens te verstrekken. Daar deze gegevens jaarlijks moeten worden verstrekt, zou er elk jaar een afzonderlijke niet-nakoming zijn. Derhalve zouden de grieven van de Commissie betreffende de niet-uitvoering van de richtlijn in de jaren ná 1985 buiten de werkingssfeer van het arrest van 11 juli 1985 vallen en zou het op grond van artikel 171 EEG-Verdrag ingestelde beroep moeten worden verworpen.
8 Nog afgezien van de tardiviteit ervan, kan het betoog van de Italiaanse Republiek niet worden aanvaard.
9 Het is waar, dat de Commissie, om haar grieven te staven, in het verzoekschrift slechts gewag maakt van inbreuken tijdens de jaren 1986 tot 1988 en dat zij de Italiaanse Republiek niet verwijt, dat deze voor de jaren vóór 1985 geen statistische gegevens heeft verstrekt. Het is ook zo, dat de Lid-Staten volgens richtlijn 78/546 jaarlijks de voorgeschreven statistische gegevens moeten verstrekken.
10 Niettemin moet worden vastgesteld, dat artikel 10 van de richtlijn de Lid-Staten op algemene wijze verplicht de nodige maatregelen te treffen om zich uiterlijk per 1 januari 1979 naar de richtlijn te voegen.
11 Uit deze bepaling volgt, dat de Lid-Staten ertoe gehouden zijn een regeling vast te stellen die een permanente en stipte mededeling van de in de richtlijn bedoelde statistische gegevens verzekert. Derhalve is de dienaangaande op de Lid-Staten rustende verplichting eenmalig, ook al moet zij elk jaar effect sorteren.
12 Het arrest van het Hof van 11 juli 1985 heeft betrekking op deze basisverplichting. Derhalve vormt het feit dat de Italiaanse Republiek nog steeds geen statistische gegevens verstrekt voor de jaren ná 1985, een niet-nakoming van dezelfde verplichting als die waarvan het verzuim in dat arrest is vastgesteld.
13 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door nog steeds niet over te gaan tot statistische registratie van het goederenvervoer over de weg overeenkomstig richtlijn 78/546 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg in het kader van een regionale statistiek, de krachtens deze richtlijn en artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
14 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door nog steeds niet over te gaan tot statistische registratie van het goederenvervoer over de weg overeenkomstig richtlijn 78/546/EEG van de Raad van 12 juni 1978 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg in de het kader van een regionale statistiek, is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn en artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Top