Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 7 NOVEMBER 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK SPANJE. - NIET-NAKOMING - RICHTLIJN 80/155/EEG - OPLEIDING VAN VERLOSKUNDIGEN. - ZAAK C-313/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05231
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging ontleend aan onrechtmatig en onredelijk karakter van omzettingstermijn als bepaald bij Toetredingsakte Spanje en Portugal - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdag, art. 169; Toetredingsakte Spanje en Portugal, art. 392 en 395)
SamenvattingEen Lid-Staat kan de niet-nakoming, bestaande in het niet binnen de gestelde termijn uitvoeren van een richtlijn, niet rechtvaardigen met een beroep op de omstandigheid dat die termijn, zoals die was vastgesteld bij de artikelen 392 en 395 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, rechtmatig noch redelijk was, aangezien het verstrijken ervan samenviel met het tijdstip van toetreding; een toetredingsakte is immers geen handeling van de instellingen, waarvan de geldigheid van de bepalingen voor het Hof kan worden aangevochten.
PartijenIn zaak C-313/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Calleja y Crespo, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, vervolgens door C. Bastarreche Saguees, in dezelfde functie, en door A. Hierro Hernández-Mora, Abogado del Estado, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard E. Servais 4-6,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om zich te voegen naar richtlijn 80/155/EEG van de Raad van 21 januari 1980 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van verloskundige, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, kamerpresidenten, J. C. Moitinho de Almeida en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de vertegenwoordigers van partijen in hun pleidooien ter terechtzitting van 2 juli 1991, alwaar het Koninkrijk Spanje werd vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta, Abogado del Estado, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 oktober 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag bij het Hof beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling, dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om zich te voegen naar richtlijn 80/155/EEG van de Raad van 21 januari 1980 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van verloskundige (PB 1980, L 33, blz. 8, hierna: de "richtlijn").
2 Volgens de eerste overweging van de considerans legt de richtlijn minimumnormen vast met betrekking tot de opleiding van verloskundigen.
3 Luidens artikel 1, lid 2, van de richtlijn moet die opleiding omvatten:
"- hetzij een specifieke full-time opleiding tot verloskundige van ten minste drie jaar praktisch en theoretisch onderwijs; voor de toelating tot deze opleiding is vereist dat de eerste tien jaar van de algemene schoolopleiding met goed gevolg zijn doorlopen;
- hetzij een specifieke full-time opleiding tot verloskundige van ten minste achttien maanden, voor de toelating waartoe men in het bezit moet zijn van een diploma, certificaat of een andere titel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 77/452/EEG."
4 Bij de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen was de opleiding van verloskundigen in die staat geregeld in een decreet van 18 januari 1957 (BOE van 12.2.1957). Bij Koninklijk decreet 992/1987 van 3 juli 1987 houdende een regeling voor het verkrijgen van de titel van gespecialiseerd ziekenverpleger (BOE nr. 183 van 1.8.1987, blz. 23642), werd naderhand een titel van gespecialiseerd ziekenverpleger ingevoerd, die zeven specialismen omvat, waaronder dat van "obstetrische en gynaecologische verpleging (verloskunde)". Bij dit Koninklijk decreet werd een nieuw studieprogramma voor die specialismen vastgesteld en werden de tegenstrijdige bepalingen van het decreet van 18 januari 1957 ingetrokken.
5 Van mening dat het Koninkrijk Spanje zich niet binnen de gestelde termijn naar de richtlijn had gevoegd, heeft de Commissie het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
6 Voor een nadere uiteenzetting van de relevante nationale en communautaire bepalingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Het Koninkrijk Spanje erkent, dat de richtlijn niet tijdig is omgezet, dat wil zeggen noch op het tijdstip van de toetreding, noch naderhand op het tijdstip waarop de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies van 19 april 1989 gestelde termijn van twee maanden verstreek.
8 Het Koninkrijk Spanje maakt evenwel een aantal opmerkingen, waarvan moet worden nagegaan of zij eraan in de weg staan, dat de aldus erkende niet-nakoming wordt vastgesteld.
9 Verweerder betoogt in de eerste plaats, dat de verplichting om de richtlijn overeenkomstig de artikelen 392 en 395 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23) op het tijdstip van de toetreding van Spanje tot de Europese Gemeenschappen, dat wil zeggen op 1 januari 1986, om te zetten, rechtmatig noch redelijk was. Die verplichting hield geen rekening met het ingewikkelde karakter van de voorschriften waaraan uitvoering moest worden gegeven, noch met het probleem om binnen korte tijd de bepalingen tot omzetting van de richtlijn vast te stellen. Voorts was ten aanzien van die verplichting geen enkele overgangsmaatregel voorzien ter bescherming van de rechten van degenen die vóór de toetreding met hun studie aan een school voor verloskundigen waren begonnen en met die opleiding bezig waren.
10 Deze redenering van het Koninkrijk Spanje, waarmee de gegrondheid wordt betwist van een verplichting die het zelf is aangegaan bij de toetreding tot de Europese Gemeenschappen, kan in geen geval worden aanvaard. Een Toetredingsakte is namelijk geen handeling van de instellingen, waarvan de geldigheid van de daarin vervatte bepalingen voor het Hof kan worden aangevochten (zie in die zin het arrest van 28 april 1988, gevoegde zaken 31/86 en 35/86, LAISA/Raad, blz. 2285, r.o. 17).
11 Het Koninkrijk Spanje betoogt in de tweede plaats, dat de opleiding van verloskundigen in Spanje bij de toetreding weliswaar verschilde van, doch niet van lagere kwaliteit was dan de in de richtlijn voorziene opleiding. Voor toelating tot de specifieke opleiding voor verloskundige moesten de betrokkenen, na een universitaire studie van drie jaar, slagen voor een toelatingsexamen voor het specialisme of anders een voorbereidende cursus van zes maanden volgen.
12 Deze overwegingen betreffende de ten tijde van de toetreding geldende wijze van toelating tot de opleiding van verloskundige, hebben geen invloed op het bestaan van de gestelde niet-nakoming. Het volstaat namelijk, vast te stellen dat de specifieke opleiding tot verloskundige, zoals die toen bij voornoemd decreet van 18 januari 1957 was geregeld, slechts een jaar duurde, terwijl in artikel 1, lid 2, van de richtlijn een opleiding van ten minste achttien maanden vereist is.
13 Tot slot betoogt het Koninkrijk Spanje, dat bij Koninklijk decreet 992/1987 de bepalingen van het decreet van 18 januari 1957 zijn ingetrokken en elke nieuwe inschrijving voor een van de bij de oude regeling voorziene specialismen is verboden. Zoals verweerder overigens zelf erkent, zijn die maatregelen onvoldoende ter verzekering van een volledige omzetting van de richtlijn, daar geen uitvoeringsbepalingen van het Koninklijk decreet zijn vastgesteld, waarbij een nieuw studieprogramma wordt ingevoerd, dat in overeenstemming is met de communautaire voorschriften.
14 Blijkens het voorgaande kan terecht worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door de richtlijn niet binnen de gestelde termijn om te zetten, zijn verplichtingen niet is nagekomen.
15 Met de constatering van die niet-nakoming wordt ten volle recht gedaan aan de conclusies van het door de Commissie ingestelde beroep. De door de Commissie "accessoir" en "subsidiair" tot staving van deze conclusie aangevoerde argumenten betreffende het feit dat een aantal bepalingen van het Koninklijk decreet 992/1987 op zich al inbreuk op de richtlijn maken, zijn bijgevolg niet van invloed op de oplossing van het geschil.
16 Overeenkomstig de conclusies van het onderhavige beroep dient derhalve te worden vastgesteld, dat het Koninkrijk Spanje, door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om zich te voegen naar richtlijn 80/155 van de Raad, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
17 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om zich te voegen naar richtlijn 80/155/EEG van de Raad van 21 januari 1980 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van verloskundige, is het Koninkrijk Spanje de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Top