Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 21 MAART 1991. - SIEGFRIED RAUH TEGEN HAUPTZOLLAMT NUERNBERG-FUERTH. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT MUENCHEN - DUITSLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-314/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01647
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Methoden
2 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Begunstigden - Producenten die bedrijf door vererving verwerven na afloop van door erflater aangegane verbintenis om geen melk in handel te brengen -Daaronder begrepen
( Verordeningen van de Raad nrs . 1078/77 en 857/84, art . 3 bis )
Samenvatting1 . Wanneer een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht voor meer dan één uitleg vatbaar is, moet die bepaling voor zover mogelijk in overeenstemming met het Verdrag en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht worden uitgelegd .
2 . Artikel 3 bis van verordening nr . 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, zoals gewijzigd bij verordening nr . 764/89, moet aldus worden uitgelegd, dat onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening nr . 1078/77 aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen .
PartijenIn zaak C-314/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen ( Bondsrepubliek Duitsland ), in het aldaar aanhangig geding tussen
S . Rauh
en
Hauptzollamt Nuernberg-Fuerth ( Bondsrepubliek Duitsland ),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van artikel 3 bis van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 ( PB 1989, L 84, blz . 2 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresident, G . C . Rodríguez Iglesias, Sir Gordon Slynn, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo,
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier,
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Rauh, verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G . Gorewoda en H . Heinrich, advocaten te Muenchen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D . Booss, juridisch adviseur, en K.-D . Borchardt, lid van de juridische dienst, als gemachtigden,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A . Brautigam, hoofdadministrateur, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 13 november 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 2 oktober 1989, ingekomen ten Hove op 13 oktober daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 3 bis van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 ( PB 1989, L 84, blz . 2 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen S . Rauh, exploitant van een landbouwbedrijf, en het Hauptzollamt Nuernberg-Fuerth over een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing op melk .
3 Rauh nam het betrokken bedrijf op 1 januari 1985 op grond van een met zijn ouders gesloten exploitatieovereenkomst als toekomstig erfgenaam over . Voordien waren de ouders van Rauh een verbintenis aangegaan om geen melk in de handel te brengen, uit hoofde van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand ( PB 1977, L 131, blz . 1 ). De periode van vijf jaar gedurende welke geen melk mocht worden geleverd, liep af op 21 december 1984, dat wil zeggen vlak voordat het bedrijf door Rauh werd overgenomen .
4 Nadat bij wijzigingsverordening nr . 764/89 artikel 3 bis was ingevoegd in verordening nr . 857/84, diende Rauh in 1989 bij de bevoegde Duitse autoriteiten een aanvraag in om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid ingevolge deze nieuwe bepaling . Zijn aanvraag werd afgewezen op grond dat hij het bedrijf eerst na afloop van de niet-leveringsperiode had overgenomen, zodat hij aan deze bepaling geen enkel recht kon ontlenen . Tegen deze afwijzende beschikking stelde Rauh beroep in bij het Finanzgericht Muenchen .
5 Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging en, in voorkomend geval, de geldigheid van de desbetreffende gemeenschapsregeling, heeft het Finanzgericht Muenchen de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Kan krachtens artikel 3 bis van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, ook aan producenten die een melkbedrijf eerst na afloop van de verbintenis om geen melk in de handel te brengen, door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze verwerven, een specifieke referentiehoeveelheid worden toegekend?
2 ) Zo neen : is verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, geldig voor zover aan producenten die een melkbedrijf eerst na afloop van de verbintenis om geen melk in de handel te brengen, door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze verkrijgen, geen specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken gemeenschapsregeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
7 Met de eerste vraag wordt in wezen beoogd te vernemen of artikel 3 bis van verordening nr . 857/84 aldus moet worden uitgelegd, dat onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op overeenkomstige wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen, als bedoeld in verordening nr . 1078/77 .
8 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk aanvankelijk geen specifieke bepaling bevatte op grond waarvan een referentiehoeveelheid kon worden toegekend aan producenten die, ter uitvoering van een verbintenis uit hoofde van verordening nr . 1078/77, gedurende het door de betrokken Lid-Staat aangehouden referentiejaar geen melk hadden geleverd . In de arresten van 28 april 1988 ( zaak 120/86, Mulder, Jurispr . 1988, blz . 2321, en zaak 170/86, von Deetzen, Jurispr . 1988, blz . 2355 ) heeft het Hof deze regeling echter ongeldig verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel, voor zover hierin niet was voorzien in toekenning van een dergelijke hoeveelheid .
9 In deze arresten heeft het Hof enerzijds overwogen, dat een ondernemer die zijn produktie gedurende een zekere tijd vrijwillig heeft gestaakt, niet mag verwachten dat hij die produktie op dezelfde voorwaarden als voorheen zal kunnen hervatten, of dat eventueel in tussentijd vastgestelde markt - of structuurpolitieke regels voor hem niet zullen gelden ( arrest Mulder, r.o . 23, en arrest von Deetzen, r.o . 12 ), maar anderzijds dat een ondernemer die door een gemeenschapshandeling is aangemoedigd om in het algemeen belang en tegen betaling van een premie gedurende een beperkte periode geen melk in de handel te brengen, gerechtigd is te verwachten, dat hij na afloop van zijn verbintenis niet gesteld zal worden voor beperkingen die hem in het bijzonder treffen juist omdat hij gebruik heeft gemaakt van door die gemeenschapsregeling geboden mogelijkheden ( arrest Mulder, r.o . 24, en arrest von Deetzen, r.o . 13 ).
10 Naar aanleiding van deze arresten heeft de Raad op 20 maart 1989 voornoemde verordening nr . 764/89 vastgesteld . Bij deze verordening is aan verordening nr . 857/84 een nieuw artikel 3 bis toegevoegd, dat zakelijk weergegeven bepaalt, dat producenten die, ter uitvoering van een verbintenis als bedoeld in verordening nr . 1078/77, gedurende het referentiejaar geen melk hebben geleverd, onder bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid krijgen, die wordt berekend op basis van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling .
11 Deze bepaling is aangevuld door artikel 7 bis van verordening ( EEG ) nr . 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ingestelde extra heffing ( PB 1988, L 139, blz . 12 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 ( PB 1989, L 110, blz . 27 ), waarin in de eerste alinea onder meer wordt bepaald, dat "in geval van overgang van een bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang, (...) de volgens artikel 3 bis van verordening ( EEG ) nr . 857/84 toegewezen specifieke referentiehoeveelheid (...) ( wordt ) overgedragen op voorwaarde dat de producent die het bedrijf geheel of gedeeltelijk overneemt, zich schriftelijk ertoe verbindt de door zijn voorganger aangegane verbintenissen na te leven ".
12 Voornoemd artikel 7 bis, eerste alinea, ziet echter alleen op het geval waarin het betrokken bedrijf op het moment van de vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang reeds op grond van artikel 3 bis van verordening nr . 857/84 over een specifieke referentiehoeveelheid beschikt . Het bevat daarentegen geen regeling voor een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en waarin de erflater zelf nog geen specifieke referentiehoeveelheid had gekregen .
13 Hetzelfde geldt voor artikel 7, lid 1, van verordening nr . 857/84, waarvan de bepalingen inzake de overdracht van een bedrijf door vererving in elk geval geen betrekking hebben op het geval waarin een bedrijf op het moment van de overdracht niet over een referentiehoeveelheid beschikt .
14 Hieruit volgt dat een producent die zich in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding bevindt, zijn aanspraak op een referentiehoeveelheid uitsluitend kan baseren op artikel 3 bis van verordening nr . 857/84 .
15 Dienaangaande stelt de Commissie, dat de door artikel 3 bis van verordening nr . 857/84 verleende aanspraak op een referentiehoeveelheid, de tegenprestatie is voor de verbintenis om geen melk in de handel te brengen . Derhalve kan enkel een producent die zelf een dergelijke verbintenis heeft uitgevoerd, zich op deze bepaling beroepen . Op artikel 3 bis zou wel een beroep kunnen worden gedaan door een erfgenaam of daarmee gelijkgestelde die het bedrijf tijdens de niet-leveringsperiode overneemt, indien hij althans de door de erflater aangegane verplichtingen nakomt, doch niet door een erfgenaam of daarmee gelijkgestelde die, zoals in het onderhavige geval, het bedrijf verwerft na afloop van de door de erflater aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen .
16 Dit standpunt kan niet worden aanvaard .
17 Het is immers vaste rechtspraak ( zie, laatstelijk, het arrest van 25 november 1986, gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch e.a ., Jurispr . 1986, blz . 3477, r.o . 21 ), dat wanneer een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht voor meer dan één uitleg vatbaar is, die bepaling voor zover mogelijk in overeenstemming met het Verdrag en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd .
18 Hier dient te worden vastgesteld, dat een producent die, zoals in het door de nationale rechter bedoelde geval, op grond van gemeenschapsbepalingen die inbreuk maken op het vertrouwensbeginsel, na afloop van zijn verbintenis uit hoofde van verordening nr . 1078/77 geen referentiehoeveelheid kon krijgen, dientengevolge ook niet aan zijn erfgenaam of aan zijn rechtsopvolger in het kader van een met vererving vergelijkbare wijze van overgang, het voordeel van de toekenning van een referentiehoeveelheid kon overdragen . Een dergelijke producent is dus gesteld voor beperkingen die hem in het bijzonder treffen, juist omdat hij zich ertoe heeft verbonden, geen melk in de handel te brengen .
19 Deze beperkingen zouden worden gehandhaafd, indien artikel 3 bis van verordening nr . 857/84 aldus zou worden uitgelegd, dat op grond van deze bepaling aan deze erfgenaam of rechtsopvolger, zoals ook het geval is met betrekking tot de producent zelf, niet een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend onder de in de bepalingen van dit artikel bedoelde voorwaarden .
20 De Commissie voert hiertegen aan, dat zelfs wanneer een producent die een verbintenis uit hoofde van verordening nr . 1078/77 heeft aangegaan, met een beroep op het vertrouwensbeginsel zijn erfgenaam of een daarmee gelijkgestelde die het bedrijf na afloop van de niet-leveringsperiode overneemt, de mogelijkheid zou kunnen bieden om een specifieke referentiehoeveelheid te verkrijgen, deze mogelijkheid in elk geval dient te worden beperkt tot het geval waarin de erflater vóór de overdracht van het bedrijf al het nodige heeft gedaan opdat aan het bedrijf een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen, hetgeen vooral betekent, dat hij een aanvraag daartoe moet hebben ingediend .
21 Deze tegenwerping kan niet worden aanvaard, omdat een producent niet kan worden verweten, dat hij geen aanvraag voor een referentiehoeveelheid heeft ingediend, waarop hij krachtens de toen geldende gemeenschapsregeling geen recht had .
22 Hieruit volgt dat artikel 3 bis van verordening nr . 857/84, indien het zou worden uitgelegd in de door de Commissie voorgestane zin, onverenigbaar zou zijn met de eisen die voortvloeien uit het vertrouwensbeginsel zoals dat is toegepast in de genoemde arresten Mulder en von Deetzen .
23 Een dergelijke onverenigbaarheid kan daarentegen worden voorkomen, indien dit artikel aldus wordt uitgelegd, dat onder de daarin bedoelde "producenten", naast de exploitanten van landbouwbedrijven die zelf een verbintenis uit hoofde van verordening nr . 1078/77 hebben aangegaan, ook zij worden begrepen, die het betrokken bedrijf na afloop van de door de exploitant aangegane verbintenis door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze van overgang hebben verworven .
24 Zo gezien moet deze laatste uitlegging worden aanvaard .
25 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, aldus moet worden uitgelegd, dat onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen .
De tweede vraag
26 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord .
Beslissing inzake de kostenKosten
27 De kosten door de Raad van de Europese Gemeenschappen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 2 oktober 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
Artikel 3 bis van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen .
Top