Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 17 OKTOBER 1991. - BONDSREPUBLIEK DUITSLAND TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - EOGFL - MAANDELIJKSE VOORSCHOTTEN - CONTROLEBEVOEGDHEID VAN COMMISSIE. - ZAAK C-342/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05031
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Financiering door EOGFL - Regeling van aan Lid-Staten betaalde maandelijkse voorschotten - Vaststelling van onregelmatigheden bij toepassing door nationale organen van maatregelen van gemeenschappelijke marktordening - Bevoegdheid van Commissie, bij wege van voorschot betaalde bedragen te verminderen
(Verordening nr. 729/70 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 3183/87 en 2048/88)
2. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Recht van verweer - Eerbiediging bij vaststelling door Commissie van voorlopige beschikkingen in kader van beheer van EOGFL - Grenzen
Samenvatting1. De verplichting van de Commissie om bij het beheer van het EOGFL alleen middelen ter beschikking te stellen voor uitgaven die stroken met de communautaire voorschriften, is niet alleen dwingend voor de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen, maar ook wanneer zij in de loop van het jaar maandelijkse voorschotten betaalt als bedoeld in verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 3183/87 en 2048/88. Bijgevolg is de Commissie bevoegd, in afwachting van de definitieve goedkeuring van de jaarrekeningen de maandelijkse voorschotten overeenkomstig de boekhoudkundige situatie van iedere Lid-Staat bij het EOGFL te verminderen, wanneer zij vaststelt dat het bevoegde nationale orgaan het gemeenschapsrecht heeft geschonden, hetzij bij het innen van heffingen ten behoeve van het EOGFL, hetzij bij de uitgaven waarvan de financiering voor rekening van laatstgenoemde komt.
2. Voor het beginsel inzake de eerbiediging van het recht van verweer is het niet nodig, dat de maandelijkse voorschotbeschikkingen betreffende de door het EOGFL gefinancierde uitgaven worden gegeven volgens de ingewikkelde, voor de goedkeuring van de nationale jaarrekeningen geldende procedure op tegenspraak; om aan die vereisten te voldoen, volstaat het dat beschikkingen worden gegeven nadat de betrokken Lid-Staat zijn zienswijze heeft kunnen uiteenzetten. Deze beschikkingen hebben slechts een voorlopig karakter en blijven vatbaar voor herziening tot de vaststelling van de beschikking inzake de goedkeuring van de jaarrekeningen, die de enige is die de financiële positie van de Lid-Staat ten opzichte van het EOGFL definitief vastlegt.
PartijenIn zaak C-342/89,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor bij het Bundesministerium fuer Wirtschaft, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Duitse ambassade, Avenue Émile Reuter 20-22,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Booss, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(89)1525 van de Commissie van 30 augustus 1989 betreffende de toekenning van een voorschot op de boeking van de door het EOGFL, afdeling Garantie, te financieren uitgaven, voor zover de Commissie daarbij het gevraagde voorschot heeft verminderd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 16 april 1991, waar de Bondsrepubliek Duitsland was vertegenwoordigd door J. Karl, Oberregierungsrat bij het Bundesministerium fuer Wirtschaft, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 november 1989, heeft de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking nr. C(89)1525 van de Commissie van 30 augustus 1989 betreffende de toekenning van een voorschot op de boeking van de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (hierna: "EOGFL"), te financieren uitgaven, voor zover de Commissie daarbij het gevraagde voorschot heeft verminderd.
2 Ingevolge artikel 1, lid 2, en de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13) financiert de afdeling Garantie van het EOGFL de restituties bij uitvoer naar derde landen en de interventies ter reguliering van de landbouwmarkten. Ingevolge artikel 4, lid 2, derde alinea, in de versie van verordening (EEG) nr. 3183/87 van de Raad van 19 oktober 1987 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1987, L 304, blz. 1), worden de financiële middelen ter dekking van de in artikel 1, lid 2, bedoelde uitgaven door de Lid-Staten ter beschikking gesteld naar gelang van de behoeften van hun betaaldiensten.
3 Overeenkomstig artikel 5, lid 2, sub a van verordening nr. 729/70 stort de Commissie, na raadpleging van het Comité van het Fonds, bij de aanvang van het jaar een voorschot en in de loop van het jaar aanvullende betalingen. Op grond van de laatste alinea van die bepaling, toegevoegd bij verordening nr. 3183/87 en gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2048/88 van de Raad van 24 juni 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 729/70 (PB 1988, L 185, blz. 1), beslist de Commissie met ingang van januari 1988 over de maandelijkse voorschotten uitsluitend op basis van de boeking van de uitgaven die met de in artikel 4, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 729/70 bedoelde financiële middelen zijn gedaan.
4 De modaliteiten van de betaling van de maandelijkse voorschotten worden geregeld in verordening (EEG) nr. 2776/88 van de Commissie van 7 september 1988 betreffende de gegevens die de Lid-Staten moeten verstrekken voor de boeking van de uit de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) gefinancierde uitgaven (PB 1988, L 249, blz. 9). Volgens artikel 3, lid 1, van die verordening zijn de Lid-Staten verplicht de Commissie de gedane uitgaven regelmatig mee te delen. De Commissie kan krachtens artikel 4, lid 2, tweede alinea, de betaling van voorschotten echter uitstellen voor de Lid-Staten waarvan de mededelingen niet tijdig zijn ontvangen of tegenstrijdigheden bevatten die nadere controle preciseren.
5 Op grond dat de Bondsrepubliek Duitsland had nagelaten bepaalde heffingen in het kader van de melkquotaregeling tijdens het boekjaar 1988/1989 te innen en de betrokken bedragen vóór 30 juni 1989 aan de Commissie te betalen, bracht de Commissie in de litigieuze beschikking een bedrag van 34 236 729,47 DM in mindering op de uitgaven die de Bondsrepubliek Duitsland volgens haar opgave in juli 1989 had gedaan.
6 Blijkens het dossier was aan de vaststelling van die beschikking een briefwisseling tussen de Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland voorafgegaan, waarin beide partijen hun standpunt hadden toegelicht.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Vooraf moet het onderwerp van het onderhavige beroep worden vastgesteld. De door de Bondsrepubliek Duitsland aangevoerde nietigheidsgronden en de discussies tussen partijen hebben geen betrekking op de vraag of de Duitse instanties, door bepaalde heffingen in het kader van de melkquotaregeling voor het boekjaar 1988/1989 niet te innen, inbreuk op de gemeenschapsregeling hebben gemaakt, maar om de vraag of de Commissie bevoegd is bij haar beslissing over de maandelijkse voorschotten te controleren of de Lid-Staten de uitgaven in overeenstemming met het gemeenschapsrecht hebben gedaan.
9 Tot staving van haar beroep stelt de Bondsrepubliek Duitsland in de eerste plaats, dat de Commissie niet bevoegd is de door een Lid-Staat op basis van de werkelijke uitgaven in een referentieperiode aangevraagde voorschotten te verminderen. Door de bij de verordeningen nrs. 3183/87, 2048/88 en 2776/88 ingevoerde procedure is voorschotregeling juridisch gezien niet veranderd in een restitutieregeling, en de Commissie kan ingevolge artikel 4 van verordening nr. 2776/88 enkel de betaling van voorschotten uitstellen wanneer de mededelingen niet tijdig zijn ontvangen of tegenstrijdigheden bevatten die nadere controles vereisen. Een bevoegdheid van de Commissie om bij schending van het gemeenschapsrecht de voorschotten te verminderen, betekent voorts dat vooruit wordt gelopen op de procedure van goedkeuring van de rekeningen en dat recht van verweer van de Lid-Staten wordt miskend. Ten slotte verwijt de Bondsrepubliek de Commissie, dat zij de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
10 Het verweer van de Commissie komt erop neer, dat bij de verordeningen nrs. 3183/87 en 2048/88 de voorschotregeling is omgezet in een stelsel van maandelijkse betalingen op basis van de werkelijke uitgaven. In de artikelen 1, 2 en 3 van verordening nr. 729/70 komt het algemene beginsel tot uitdrukking, dat de Commissie alleen uitgaven mag financieren die in overeenstemming het gemeenschapsrecht zijn gedaan. De Commissie betwist, dat het recht van verweer is geschonden en dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd.
11 Wat in de eerste plaats het middel betreft, dat de Commissie niet bevoegd is de maandelijkse voorschotten te verminderen, zij eraan herinnerd, dat volgens de artikelen 1, 2 en 3 van verordening nr. 729/70 door de afdeling Garantie van het EOGFL worden gefinancierd de restituties bij uitvoer naar derde landen en de interventies ter regulering van de landbouwmarkten, die "volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten" zijn verleend.
12 Volgens vaste rechtspraak (zie de arresten van 15 december 1987, zaak 326/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5091, r.o. 7 en zaak 332/85, Duitsland/Commissie, ibid. 1987, blz. 5143, r.o. 7; arrest van 24 maart 1988, zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1749, r.o. 11) mag de Commissie krachtens die voorschriften slechts ten laste van het EOGFL brengen de bedragen die overeenkomstig de in de verschillende landbouwsectoren gestelde regels zijn betaald. Alle overigens betaalde bedragen, met name die waarvan de nationale autoriteiten ten onrechte hebben aangenomen dat zij ze in het raam van de gemeenschappelijke marktordeningen mochten betalen, blijven ten laste van de Lid-Staten.
13 Deze uitlegging van de voorwaarden waaronder uitgaven ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht, vloeit voorts dwingend voort uit de doelstelling van verordening nr. 729/70. Het voeren van een gemeenschappelijk landbouwbeleid waarbij de economische subjecten in alle Lid-Staten gelijk worden behandeld, laat immers niet toe, dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat met behulp van een ruime uitlegging van een bepaald voorschrift de economische subjecten in deze staat bevoordelen ten koste van die in andere Lid-Staten waar een engere uitlegging wordt toegepast.
14 Bijgevolg is de Commissie niet bevoegd bij het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betalingsverplichtingen aan te gaan die niet stroken met de voorschriften van de betrokken gemeenschappelijke marktordening.
15 Deze regel geldt algemeen; zij is niet alleen dwingend voor de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen van de nationale diensten en organen, maar ook voor de aanvullende betalingen in de loop van het jaar, die sinds de omzetting van de voorschotregeling bij de verordeningen nrs. 3183/87 en 2048/88 gedaan worden op basis van de boeking van de gedurende een bepaalde voorafgaande periode verrichte uitgaven worden gedaan.
16 Mitsdien is de Commissie bevoegd, in afwachting van de definitieve goedkeuring van de jaarrekeningen, de maandelijkse voorschotten overeenkomstig de boekhoudkundige situatie van iedere Lid-Staat bij het EOGFL te verminderen, wanneer zij vaststelt dat het nationale orgaan in strijd met het gemeenschapsrecht bepaalde heffingen ten behoeve van het EOGFL niet heeft geïnd of bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL heeft gedaan.
17 Wat in de tweede plaats het middel van schending van het recht van verweer betreft, moet erop worden gewezen, dat de strekking van dit beginsel moet worden bepaald in het licht van de aard van de in geding zijnde beschikking.
18 De maandelijkse voorschotbeschikkingen, die in de loop van het begrotingsjaar alleen op basis van de op dat moment beschikbare gegevens worden gegeven, hebben slechts een voorlopig karakter en kunnen de uiteindelijke beschikking over de goedkeuring van de jaarrekeningen niet prejudiciëren. Deze laatste beschikking wordt gegeven na een bijzondere procedure op tegenspraak, die de Lid-Staten alle waarborgen biedt dat ij hun standpunt uiteen kunnen zetten.
19 Een voorschot beschikking van de Commissie blijkt derhalve tot de goedkeuring van de jaarrekeningen vatbaar voor herziening en kan de financiële belangen van de betrokken Lid-Staat dus niet definitief schaden. Enkel de beschikking inzake de goedkeuring van de jaarrekeningen legt immers definitief de financiële positie van de Lid-Staat ten opzichte van het EOGFL vast. Mocht daarbij blijken dat de Commissie de voorschotten ten onrechte heeft verminderd, dan dient zij de voor de betrokken Lid-Staat ontstane schade te vergoeden.
20 Gezien het speciale karakter van de maandelijkse voorschotbeschikkingen, is voor de eerbiediging van het recht van verweer, waarvan het Hof steeds de fundamentele betekenis heeft beklemtoond, dus niet nodig, dat die beschikkingen worden gegeven volgens de ingewikkelde voor de goedkeuring van de jaarrekeningen geldende procedure op tegenspraak.
21 Derhalve moet worden vastgesteld, dat door de aan de Bondsrepubliek Duitsland geboden mogelijkheid haar zienswijze uiteen te zetten in de briefwisseling die aan de vaststelling van de bestreden beschikking vooraf is gegaan, in casu is voldaan aan de vereisten van het beginsel inzake de eerbiediging van het recht van verweer.
22 Met betrekking tot het middel van onvoldoende motivering van de bestreden beschikking is het vaste rechtspraak dat, gelet op de bijzondere omstandigheden bij beschikkingen op het gebied van het EOGFL, de motivering van een beschikking als voldoende moet worden aangemerkt wanneer de staat tot wie zij beschikking is gericht, nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming ervan en de redenen kende waarom de Commissie meende was het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te kunnen brengen.
23 De briefwisseling tussen de Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland maakt duidelijk, dat deze, het voorlopige karakter van de bestreden beschikking in aanmerking genomen, voldoende betrokken was bij de totstandkoming van die beschikking en niet in het ongewisse kon verkeren omtrent de redenen waardoor de Commissie zich had laten leiden.
24 Mitsdien moet het beroep worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
24 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten.
Top