Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 14 MAART 1991. - STRAFZAAK TEGEN PATRICE DI PINTO. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE PARIS - FRANKRIJK. - CONSUMENTENBESCHERMING - VERKOOP AAN HUIS. - ZAAK C-361/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01189
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Harmonisatie van wetgevingen - Bescherming van consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten - Richtlijn 85/577 - Consument die bescherming geniet - Begrip - Handelaar die door acquisiteur wordt benaderd met oog op sluiten van advertentiecontract in verband met verkoop van handelszaak - Daarvan uitgesloten
( Richtlijn 85/577 van de Raad, art . 2 )
2 . Harmonisatie van wetgevingen - Bescherming van consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten - Richtlijn 85/577 - Nationale wettelijke regeling die door richtlijn geboden bescherming uitbreidt tot handelaren - Toelaatbaarheid
( Richtlijn 85/577 van de Raad, art . 8 )
Samenvatting1 . Een handelaar die door een acquisiteur wordt benaderd met het oog op het sluiten van een advertentiecontract in verband met de verkoop van zijn handelszaak, is niet te beschouwen als een consument die de bescherming van richtlijn 85/577 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten geniet .
Uit artikel 2 van deze richtlijn blijkt namelijk, dat de relatie tussen de transacties waarvoor de handelaar wordt benaderd, en zijn beroepsactiviteit bepalend is voor de vraag of hij de bescherming van de richtlijn geniet . Een handelaar kan derhalve slechts aanspraak maken op toepassing van de richtlijn, indien de transactie waarvoor hij wordt benaderd, buiten het kader van zijn beroepsactiviteiten valt . De handelingen ter voorbereiding van de verkoop van een handelszaak houden verband met de beroepsactiviteit van de handelaar . Weliswaar kunnen deze handelingen ertoe leiden dat deze activiteit wordt beëindigd, maar het zijn niettemin beheersdaden die met een ander doel worden verricht dan om te voorzien in de privé-behoeften van de handelaar of in de behoeften van zijn gezin .
2 . Richtlijn 85/577 staat er niet aan in de weg, dat een nationale wettelijke regeling inzake colportage de door de richtlijn geboden bescherming uitbreidt tot handelaren, wanneer deze handelingen verrichten met het oog op de verkoop van hun handelszaak .
Artikel 8 van deze richtlijn, krachtens hetwelk de Lid-Staten gunstiger bepalingen mogen vaststellen of handhaven met het oog op de bescherming van de consument op het gebied dat door de richtlijn wordt bestreken, kan niet aldus worden uitgelegd, dat het deze Lid-Staten verboden is, maatregelen te nemen op een niet door de richtlijn bestreken gebied, zoals de bescherming van de handelaar .
PartijenIn zaak C-361/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour d' appel de Paris, in de aldaar dienende strafzaak tegen
P . Di Pinto,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten ( PB 1985, L 372, blz . 31 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo,
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- P . Di Pinto, vertegenwoordigd door M . Hayat, advocaat te Parijs,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door E . Belliard, adjunct-directeur van de Directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C . Chavance, hoofd-attaché bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R . M . Caudwell van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Condou-Durande, lid van de juridische dienst, en G . Pons, een Frans ambtenaar die ter beschikking is gesteld van de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van P . Di Pinto, de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M . Paines, barrister, en de Commissie ter terechtzitting van 14 november 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 17 november 1989, ingekomen ten Hove op 29 november daaropvolgend, heeft de Cour d' appel de Paris krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten ( PB 1985, L 372, blz . 31, hierna : "de richtlijn ").
2 De vragen zijn gerezen in het kader van een strafzaak die tegen Di Pinto is ingesteld wegens overtreding van wet nr . 72-1137 van 22 december 1972 betreffende de bescherming van de consument op het gebied van de colportage en de verkoop aan huis ( JORF van 23 december 1972, hierna : wet op de colportage ). Evenals in de richtlijn wordt in deze wet bepaald, dat de benaderde consument zijn verbintenis binnen een termijn van zeven dagen kan opzeggen en dat deze mogelijkheid in de overeenkomst moet worden vermeld .
3 Di Pinto is bedrijfsleider van de SARL "Groupement de l' immobilier et du fonds de commerce" die een tijdschrift uitgeeft, genaamd GI commerce . Le partenaire du commerçant et de la franchise, waarin advertenties worden opgenomen betreffende de verkoop van handelszaken . Om deze advertentieopdrachten te verkrijgen, stuurt Di Pinto zijn vertegenwoordigers naar het huis - of bedrijfsadres van handelaren die tijdens een eerste telefonisch contact te kennen hebben gegeven, dat zij hun zaak willen verkopen .
4 Op 28 maart 1989 werd Di Pinto door het Tribunal de grande instance de Paris veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar en een boete van 15 000 FF op grond dat hij in juli 1985 en in de loop van 1986 en 1987 de wet op de colportage had overtreden . Ofschoon acquisiteurs krachtens artikel 4 van deze wet geen betaling in contanten in ontvangst mochten nemen vóór afloop van de bedenktijd van zeven dagen, moest bij de door vertegenwoordigers van Di Pinto tijdens hun bezoeken gesloten overeenkomsten de prijs van de advertenties onmiddellijk worden betaald : tussen 3 000 FF en 30 000 FF, afhankelijk van de grootte van de advertentie . In deze overeenkomsten was verder niet vermeld, dat de consumenten hun verbintenis vóór afloop van de bedenktijd mochten opzeggen .
5 Op 4 april 1989 gingen Di Pinto en de procureur de la République van dit vonnis in hoger beroep bij de Cour d' appel de Paris . Op 7 juli 1989 werd het vonnis van het gerecht van eerste aanleg waarbij Di Pinto schuldig is verklaard, bekrachtigd en werd hij bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar en een boete van 15 000 FF . Op 11 juli 1989 deed Di Pinto verzet tegen de tenuitvoerlegging van dit arrest .
6 In het kader van deze procedure betoogde Di Pinto dat, in tegenstelling tot hetgeen diverse malen door de Franse Cour de cassation is geoordeeld, de handelaren die door een acquisiteur worden benaderd met het oog op de verkoop van hun handelszaak, niet de in de wet op de colportage bedoelde bescherming genieten en dat, zo dit wel het geval is, deze wet in strijd is met de richtlijn .
7 Blijkens artikel 1 is de Franse wet op de colportage in beginsel van toepassing op
"een ieder die een natuurlijke persoon te zijnen huize of ter plaatse waar hij verblijf houdt of werkzaam is, bezoekt of laat bezoeken met het oog op de verkoop, de verhuur of de huurkoop van goederen of voorwerpen of om diensten aan te bieden ".
8 In artikel 8-I-e worden echter van de werkingssfeer van de wet uitgesloten :
"de verkoop, de verhuur of de huurkoop van goederen of voorwerpen of het verrichten van diensten ten behoeve van landbouwbedrijven, industriële of commerciële bedrijven, of van een beroepsactiviteit ".
9 De richtlijn is volgens artikel 1 van toepassing op
"overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten :
(...)
- tijdens een bezoek van de handelaar
i ) ten huize van deze consument of van een andere consument;
ii ) ter plaatse waar de consument werkzaam is,
indien het bezoek niet op uitdrukkelijk verzoek van de consument plaatsvindt ."
10 Volgens artikel 2 moet worden verstaan onder :
"- 'consument' , een natuurlijk persoon die ten aanzien van de onder deze richtlijn vallende transacties handelt voor een gebruik dat als niet bedrijfs - of beroepsmatig kan worden beschouwd;
- 'handelaar' , een natuurlijk of rechtspersoon die de betrokken transactie sluit in het kader van zijn commerciële of beroepsactiviteit alsmede een persoon die namens of voor rekening van een handelaar optreedt ."
11 Krachtens het bepaalde in artikel 9 moesten de Lid-Staten vóór 23 december 1987 aan de richtlijn voldoen .
12 Daar zij twijfelde, hoe de richtlijn moest worden uitgelegd, heeft de Cour d' appel de Paris aan het Hof de volgende twee prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Geniet de handelaar die te zijnen huize door een acquisiteur wordt benaderd met het oog op de verkoop van zijn handelszaak, de in de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 bedoelde bescherming van de consument?
2 ) Verdraagt artikel 8-I-e van de wet van 22 december 1972 zich met voormelde richtlijn en met de andere bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende de bescherming van de consument die te zijnen huize door een acquisiteur wordt benaderd?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste prejudiciële vraag
14 Met de eerste vraag wenst de Cour d' appel de Paris in wezen te vernemen, of een handelaar die door een acquisiteur wordt benaderd met het oog op het sluiten van een advertentiecontract in verband met de verkoop van zijn handelszaak, is te beschouwen als een consument die de bescherming van de richtlijn geniet .
15 Ter zake zij verwezen naar artikel 2 van de richtlijn . Uit deze bepaling blijkt, dat de relatie tussen de transacties waarvoor de handelaar wordt benaderd, en zijn beroepsactiviteit bepalend is voor de vraag of hij de bescherming van de richtlijn geniet . Een handelaar kan derhalve slechts aanspraak maken op toepassing van de richtlijn, indien de transactie waarvoor hij wordt benaderd, buiten het kader van zijn beroepsactiviteiten valt . Bij de binnen het kader van deze beroepsactiviteiten verrichte handelingen kan niet ingevolge artikel 2, dat in algemene bewoordingen is gesteld, worden onderscheiden tussen handelingen die tot de dagelijkse praktijk behoren, en handelingen die een uitzondering vormen .
16 De handelingen ter voorbereiding van de verkoop van een handelszaak, zoals het sluiten van een overeenkomst tot plaatsing van een advertentie in een tijdschrift, houden verband met de beroepsactiviteit van de handelaar . Weliswaar kunnen deze handelingen ertoe leiden dat deze activiteit wordt beëindigd, maar het zijn beheersdaden die met een ander doel worden verricht dan om te voorzien in de privé-behoeften van de handelaar of in de behoeften van zijn gezin .
17 De Commissie, die de toepassing van de richtlijn in een dergelijk geval voorstaat, voert als bezwaar aan, dat een handelaar, wanneer hij door een acquisiteur wordt benaderd met het oog op de verkoop van zijn handelszaak, onvoorbereid is, en in dit opzicht te vergelijken is met een gewone consument . Derhalve zou hij ook de door de richtlijn geboden bescherming moeten genieten .
18 Dit argument kan niet worden aanvaard . Aangenomen moet immers worden dat een gewoonlijk bedachtzaam handelaar weet wat de waarde is van zijn zaak en van elk van de handelingen die nodig zijn met het oog op de verkoop ervan, zodat hij, indien hij een verbintenis aangaat, zulks niet ondoordacht en enkel omdat hij is overrompeld, zal doen .
19 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat een handelaar die door een acquisiteur wordt benaderd met het oog op het sluiten van een advertentiecontract in verband met de verkoop van zijn handelszaak, niet is te beschouwen als een consument die de bescherming van richtlijn 85/577 geniet .
De tweede prejudiciële vraag
20 Met haar tweede vraag wenst de Cour d' appel de Paris in wezen te vernemen, of bovengenoemde richtlijn eraan in de weg staat, dat een nationale wettelijke regeling inzake colportage de door de richtlijn geboden bescherming uitbreidt tot handelaren, wanneer deze handelingen verrichten met het oog op de verkoop van hun handelszaak .
21 Krachtens artikel 8 belet de richtlijn "niet (...) dat de Lid-Staten gunstiger bepalingen vaststellen of handhaven met het oog op de bescherming van de consument op het gebied dat door deze richtlijn wordt bestreken ".
22 Deze bepaling beoogt vast te stellen welke vrijheid de Lid-Staten wordt gelaten op het gebied dat door de richtlijn wordt bestreken, te weten de bescherming van de consument . Zij kan dus niet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten verboden is, maatregelen te nemen op een gebied waarop zij geen betrekking heeft, zoals de bescherming van de handelaar .
23 Derhalve moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de richtlijn er niet aan in de weg staat, dat een nationale wettelijke regeling inzake colportage de door de richtlijn geboden bescherming uitbreidt tot handelaren, wanneer deze handelingen verrichten met het oog op de verkoop van hun handelszaak .
Beslissing inzake de kostenKosten
24 De kosten door de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
uitspraak doende op de door de Cour d' appel de Paris bij arrest van 17 november 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 . Een handelaar die door een acquisiteur wordt benaderd met het oog op het sluiten van een advertentiecontract in verband met de verkoop van zijn handelszaak, is niet te beschouwen als een consument die de bescherming van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten geniet .
2 . De richtlijn staat er niet aan in de weg, dat een nationale wettelijke regeling inzake colportage de door de richtlijn geboden bescherming uitbreidt tot handelaren, wanneer deze handelingen verrichten met het oog op de verkoop van hun handelszaak .
Top