Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (TWEEDE KAMER) VAN 26 FEBRUARI 1992. - HANS HERKENRATH EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - BEZOLDIGINGEN - MORATOIRE EN COMPENSATOIRE INTERESSEN. - ZAAK T-16/89.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-00275
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Ambtenaren - Bezoldiging - Vijfjaarlijkse aanpassing - Salarisnabetaling - Recht op moratoire interessen - Geen recht bij gebreke van vaststaande of bepaalbare vordering
(Ambtenarenstatuut, art. 65)
2. Ambtenaren - Bezoldiging - Aanpassingscoëfficiënten - Vijfjaarlijkse aanpassing - Salarisnabetaling - Schade als gevolg van geldontwaarding - Vordering van compensatoire interessen - Afwijzing bij gebreke van dienstfout van administratie
(Ambtenarenstatuut, art. 65, lid 2)
Samenvatting1. Een verplichting moratoire interessen te betalen, is slechts denkbaar wanneer het bedrag van de hoofdvordering vaststaat, althans op grond van vaststaande objectieve gegevens kan worden bepaald. Aangezien de op grond van artikel 65 Ambtenarenstatuut aan de Raad toekomende bevoegdheid de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden aan te passen en de hierop van toepassing zijnde aanpassingscoëfficiënten vast te stellen, een zekere discretionaire bevoegdheid inhoudt, bestaat dus over de hoogte van die aanpassingen en coëfficiënten geen enkele zekerheid zolang de Raad die bevoegdheid niet heeft uitgeoefend en de desbetreffende verordening niet heeft vastgesteld, zodat, wanneer zulks niet het geval is, de achterstallige salarissen, zodra zij na de vaststelling van bedoelde verordening zonder ongerechtvaardigde vertraging worden uitbetaald, niet vergezeld behoeven te gaan van moratoire interessen.
2. Uit artikel 65, lid 2, Ambtenarenstatuut volgt, dat de besluiten tot wijziging van de op de salarissen van toepassing zijnde aanpassingscoëfficiënten zonder ongerechtvaardigde vertraging moeten worden genomen. Iedere niet te verontschuldigen vertraging bij de vaststelling van de regeling moet derhalve als een dienstfout worden beschouwd. Voor de vraag of een vertraging ongerechtvaardigd is, moet er rekening mee worden gehouden, dat de instellingen dienen te beschikken over een redelijke termijn, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval en de ingewikkeldheid van het dossier, om hun voorstellen of besluiten uit te werken.
Wanneer een besluit tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten wordt behandeld, en vervolgens vastgesteld, binnen een door de omstandigheden van het geval gerechtvaardigde termijn, kan de schade die voor betrokkenen voortvloeit uit het verlies aan koopkracht van het achterstallige salaris, bij gebreke van een aan de administratie verwijtbare dienstfout, geen recht geven op betaling van compensatoire interessen.
PartijenIn zaak T-16/89,
H. Herkenrath e.a., ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Potthast en H. J. Rueber, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Étienne, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende de toekenning van moratoire en compenserende interessen ter vergoeding van de schade die verzoekers stellen te hebben geleden als gevolg van de vertraagde wijziging van de op hun bezoldigingen toepasselijke aanpassingscoëfficiënten na het vijfjaarlijks onderzoek van 1986,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Saggio, kamerpresident, Chr. Yeraris, C. P. Briët, D. Barrington en B. Vesterdorf, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 29 mei 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 23 december 1986, hebben H. Herkenrath en 197 andere ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, tewerkgesteld bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra (Varese, Italië), na uitputting van de voorafgaande precontentieuze procedure beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van enkele van hun in 1986 vastgestelde salarisafrekeningen alsmede tot de toekenning van moratoire en compenserende interessen ter vergoeding van de financiële schade die zij stellen te hebben geleden door de huns inziens vertraagde wijziging van de op hun bezoldigingen toepasselijke aanpassingscoëfficiënten na het vijfjaarlijks onderzoek van 1986.
Aangezien de gemeenschapsregeling met betrekking tot de periodieke aanpassing van de bezoldigingen van de ambtenaren ingewikkeld is, is het dienstig om de inhoud van de toepasselijke bepalingen in herinnering te brengen, alvorens de verschillende procedures die aan het betrokken vijfjaarlijks onderzoek vooraf zijn gegaan, te beschrijven.
Rechtskader van de zaak
2 De artikelen 64 en 65 van het Statuut van de Ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "het Statuut") voorzien in periodieke aanpassing van de bezoldigingen van de ambtenaren. Krachtens de artikelen 20 en 64 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, gelden deze bepalingen ook voor tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen.
Bovengenoemde artikelen van het Statuut luiden, voor zover voor de beslechting van het onderhavige geschil van belang, als volgt:
"Artikel 64
Op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in Belgische franken, wordt, na aftrek van de verplichte inhoudingen genoemd in dit statuut of in de ter toepassing daarvan vastgestelde verordeningen, een aanpassingscoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 % toegepast, naar gelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling.
(...)
Artikel 65
1. De Raad stelt jaarlijks een onderzoek in naar het bezoldigingspeil van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen. Dit onderzoek vindt in september plaats op de grondslag van een door de Commissie ingediend gemeenschappelijk rapport, gegrond op de stand per 1 juli in elk land van de Gemeenschappen van een gemeenschappelijke index, vastgesteld door het Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen met instemming van de nationale diensten voor de statistiek van de Lid-Staten.
Bij dit onderzoek gaat de Raad na of het in het kader van de economische en sociale politiek van de Gemeenschappen aangewezen is de bezoldigingen aan te passen. Eventuele verhogingen van de salarissen van het overheidspersoneel en de behoefte tot aanwerving van personeel worden in het bijzonder in aanmerking genomen.
2. Bij aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud beslist de Raad binnen een termijn van ten hoogste twee maanden, welke maatregelen tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten dienen te worden getroffen en, zo nodig, of dit met terugwerkende kracht dient te geschieden.
3. (...)"
3 Met het oog op de praktische toepassing van deze regels heeft de Raad een aanpassingsmethode vastgesteld. Voor het tijdvak 1 juli 1981 tot en met 30 juni 1991 is deze methode nader geregeld in besluit 81/1061/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 15 december 1981 tot wijziging van de methode voor de aanpassing van de bezoldigingen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Gemeenschappen (PB 1981, L 386, blz. 6, hierna: "het besluit van 1981"). Volgens dit besluit worden de aanpassingscoëfficiënten voor de standplaatsen in andere landen dan België en Luxemburg periodiek aangepast aan de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud in de verschillende Lid-Staten (bijlage bij het besluit, punt II, 4, sub c, laatste streepje). Uit het besluit blijkt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de jaarlijkse en de vijfjaarlijkse aanpassingen. Volgens deze regels verricht de Raad jaarlijks aanpassingen op grond van voorstellen van de Commissie, die zijn gebaseerd op gegevens van de nationale diensten voor de statistiek. Die gegevens weerspiegelen het consumptiepatroon van de bevolking in het algemeen en de prijzen in de hoofdsteden van de Lid-Staten. Aangezien deze methode soms evenwel tot een vertekening van de werkelijke levensomstandigheden van de Europese ambtenaren in hun standplaatsen leidt, bepaalt het besluit, dat de Commissie om de vijf jaar een onderzoek instelt naar het consumptiepatroon van de Europese ambtenaren en naar de prijzen die zij betalen ten einde, zoals artikel 64 van het Statuut vereist, "de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling" te bepalen (bijlage, punt II, 1.1, tweede alinea). Op basis van een voorstel van de Commissie, dat steunt op de resultaten van die onderzoeken, gaat de Raad vervolgens over tot de eventuele vijfjaarlijkse wijziging van de aanpassingscoëfficiënten.
De aan dit beroep voorafgegane administratieve, wetgevings- en gerechtelijke procedures
4 In het kader van de voor 1981 voorziene vijfjaarlijkse herziening van de aanpassingscoëfficiënten stelde de Raad op 26 november 1986 verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 3619/86 vast houdende correctie van de aanpassingscoëfficiënten welke in Denemarken, Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn op de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (PB 1986, L 336, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3619/86"). De Raad week daarbij op twee punten af van het voorstel dat hem overeenkomstig de hiervoor beschreven procedure door de Commissie was voorgelegd. Deze stelde op 15 januari 1987 bij het Hof van Justitie beroep in tegen de Raad, strekkende tot nietigverklaring van genoemde verordening.
5 In het arrest van 28 juni 1988 (zaak 7/87, Commissie/Raad, Jurispr. 1988, blz. 3401), verklaarde het Hof verordening nr. 3619/86 van de Raad nietig wegens strijd met artikel 64 van het Statuut, op grond dat in deze verordening
a) aanpassingscoëfficiënten waren vastgesteld die voor het element "huisvesting" waren berekend aan de hand van de algemene huisvestingskosten van de gehele bevolking in de betrokken Lid-Staat, en niet aan de hand van de kosten die alleen de Europese ambtenaren voor hun huisvesting droegen;
b) als datum van inwerkingtreding van de nieuwe aanpassingscoëfficiënten 1 juli 1986 was gekozen in plaats van 1 januari 1981, de datum waarop het onderzoek betrekking had.
6 Ter uitvoering van dit arrest stelde de Raad, op voorstel van de Commissie van 5 juli 1988, verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 3294/88 van 24 oktober 1988 vast tot rectificatie met ingang van 1 januari 1981 van de aanpassingscoëfficiënten welke onder meer in Italië van toepassing zijn op de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 293, blz. 1). Bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 3295/88, van dezelfde datum, wijzigde de Raad met ingang van 1 januari 1986 ook de aanpassingscoëfficiënten die in het kader van de volgende vijfjaarlijkse periode van toepassing waren (PB 1988, L 293, blz. 5). Voorwerp van het onderhavige geschil is de bij verordening nr. 3295/88 ingevoerde wijziging van de aanpassingscoëfficiënten.
7 Nadat de Raad deze beide verordeningen had vastgesteld, ging de Commissie in november 1988 over tot de berekening en de betaling van de op grond daarvan verschuldigde achterstallige bedragen. In het kader van een minnelijke schikking in een reeks soortgelijke zaken, was de Commissie bereid om de ambtenaren moratoire interessen toe te kennen voor de periode van december 1986 tot de datum waarop de achterstallige bedragen werden betaald, maar enkel met betrekking tot de achterstallige bedragen die verschuldigd waren uit hoofde van verordening nr. 3294/88 en voortvloeiden uit het in 1981 verrichte vijfjaarlijks onderzoek.
Het procesverloop voor het Hof en voor het Gerecht
8 Reeds in het verzoekschrift hebben verzoekers verzocht om schorsing van de zaak totdat de Raad zou hebben beslist op het voorstel van de Commissie betreffende de wijziging van de aanpassingscoëfficiënten in het kader van het vijfjaarlijks onderzoek van 1981. Bij brief van 21 januari 1987 heeft de Commissie met dit voorstel ingestemd. In dezelfde brief heeft zij geconcludeerd tot verwerping van het beroep en verwijzing van verzoekers in de kosten. Op 27 januari 1987 heeft het Hof, alwaar de zaak toen aanhangig was, de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van de uitspraak van het arrest in zaak 7/87 (Commissie/Raad, reeds aangehaald). Na de uitspraak van dit arrest hebben partijen verzocht, de behandeling van de zaak geschorst te laten totdat de Raad de ter uitvoering van dit arrest noodzakelijke maatregelen zou hebben genomen. Op 30 november 1988 heeft het Hof besloten, de schorsing tot 16 januari 1989 te verlengen.
9 Na afloop van deze termijn hebben partijen het Hof in kennis gesteld van de stand van de onderhandelingen die werden gevoerd ten einde de nog resterende problemen rond de gevorderde moratoire en compenserende interessen op te lossen. Partijen waren kennelijk niet tot overeenstemming gekomen.
10 In dit verband hebben verzoekers in bijlage bij de opmerkingen die zij op 13 januari 1989 hebben ingediend over de hervatting van de behandeling, het verslag overgelegd van een onderhoud dat op 29 november 1988 had plaatsgehad tussen hun vertegenwoordiger en de gemachtigde van de Commissie in de onderhavige zaak. Op 8 maart 1989 heeft de Commissie een brief neergelegd en het Hof verzocht, de behandeling van de zaak te hervatten en haar een termijn te stellen voor de indiening van haar verweerschrift. Ten slotte heeft zij verzocht om verwijdering uit het dossier van het verslag dat bij de op 13 januari 1989 door verzoekers ingediende opmerkingen was gevoegd, daar dit op onregelmatige wijze in hun bezit zou zijn geraakt.
11 Bij beschikking van 14 april 1989 heeft het Hof de schorsing van de behandeling beëindigd en de termijn waarbinnen de Commissie haar verweerschrift kon indienen, gesteld op 22 mei 1989. Aangezien binnen de gestelde termijn geen verweerschrift is ingediend, heeft het Hof op 30 mei 1989 besloten, verzoekers te vragen of zij overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering vorderden, dat het Hof hun conclusies zou toewijzen. Op 2 juni 1989 is een daartoe strekkende brief aan verzoekers gezonden. Bij beschikking van 15 juni 1989 heeft het Hof de verwijdering uit het dossier gevorderd van het verslag dat in bijlage bij de op 13 januari 1989 door verzoekers ingediende opmerkingen was gevoegd.
12 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak krachtens het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen naar het Gerecht verwezen.
13 Bij brief van 23 mei 1990 heeft de griffier van het Gerecht verzoekers meegedeeld, te hebben vastgesteld dat verweerster op 8 maart 1989 schriftelijk haar standpunt in deze zaak had kenbaar gemaakt en dat verzoekers de brief die het Hof op 2 juni 1989 aan hen had gericht, niet hadden beantwoord, waarop het Gerecht had besloten verzoekers een termijn te stellen voor de indiening van een repliek.
14 Bij memorie van 12 juni 1990 hebben verzoekers gevorderd:
a) de ter uitvoering van de beschikking van het Hof van 15 juli 1989 uit het dossier verwijderde bijlage weer in het dossier op te nemen;
b) de onderhavige zaak te voegen met de zaken T-17/89, Brazzelli, T-21/89, Bertolo, en T-25/89, Alex;
c) ingeval de "kamer hun (overige) conclusies niet zou toewijzen", een arrest bij verstek te wijzen.
15 Bij brief van 22 juni 1990 heeft de griffier van het Gerecht verzoekers meegedeeld, dat verweerster een termijn was gesteld voor de indiening van haar dupliek. De Commissie heeft haar dupliek op 24 juli 1990, binnen de gestelde termijn, ingediend.
16 Bij beschikking van 13 november 1990 heeft het Gerecht de eerste twee door verzoekers op 12 juni 1990 ingediende vorderingen afgewezen en de beslissing over hun verzoek om een arrest bij verstek te wijzen, aangehouden.
17 Op voorstel van de Derde kamer, tot de kennisneming waarvan de zaak behoorde, heeft het Gerecht op 6 december 1990 besloten de zaak naar een kamer met vijf rechters te verwijzen en haar aan de Tweede kamer toe te wijzen.
18 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
19 Partijen zijn ter terechtzitting van 29 mei 1991 in hun pleidooien gehoord. Na afloop hiervan heeft de President de mondelinge behandeling gesloten verklaard.
Conclusies van partijen
20 In hun verzoekschrift vorderen verzoekers:
1) voor recht te verklaren, dat de resultaten van het vijfjaarlijks onderzoek van de aanpassingscoëfficiënten van 1985 vanaf 1 januari 1986 in aanmerking moeten worden genomen;
2) hun salarisafrekeningen vanaf 1 januari 1986 onrechtmatig en nietig te verklaren, voor zover in de gevolgde berekeningen de resultaten van het vijfjaarlijks onderzoek van de aanpassingscoëfficiënten van 1985 niet in aanmerking zijn genomen;
3) verweerster te veroordelen om de bedragen die ingevolge de sub 2 gevorderde berekeningen nog verschuldigd zijn, vanaf 1 januari 1986 te betalen;
4) verweerster te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoekers hebben geleden door de vertraagde toepassing van de resultaten van het vijfjaarlijks onderzoek van de aanpassingscoëfficiënten van 1985;
5) verweerster te veroordelen de achterstallige bedragen aan te passen aan de wijzigingen van de kosten van levensonderhoud in de plaats van tewerkstelling en over dit bedrag moratoire interessen van 6 % te betalen;
6) verweerster in de kosten te verwijzen.
Ter terechtzitting hebben verzoekers afstand gedaan van het eerste, tweede en derde onderdeel van hun conclusies, alsmede van het in hun memorie van 12 juni 1990 vervatte verzoek aan het Gerecht om een arrest bij verstek te wijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren;
2) verzoekers in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
21 Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk, daar ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, op 23 december 1986, de vaststelling van de bezoldigingen van verzoekers zonder wijziging van de toepasselijke aanpassingscoëfficiënten per 1 januari 1986, geen voor hen bezwarende handeling kon zijn. Het door verzoekers geïntroduceerde begrip "voorlopig beroep" is onverenigbaar met de artikelen 90 en 91 van het Statuut, die een bezwarend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag onderstellen. Volgens verweerster was het eerste onderdeel van de conclusies in het verzoekschrift niet tegen haar gericht in haar hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag en uitvoerend orgaan, maar tegen de instelling in haar hoedanigheid van wetgevend orgaan. Verzoekers konden geen belang hebben bij een uitspraak van de gemeenschapsrechter over een rechtshandeling die nog moest worden vastgesteld. Bijgevolg is het eerste onderdeel van de conclusies óf een inmenging in nog uit te oefenen bevoegdheden van de instellingen, óf een verzoek om vastlegging van een abstract beginsel zonder verband met een voor de ambtenaar bezwarend besluit. Aangezien de primaire vordering niet-ontvankelijk is, moeten de subsidiaire vorderingen eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
22 Verzoekers stellen, dat voor zover het beroep strekte tot nietigverklaring van hun salarisafrekeningen vanaf januari 1986, het hierop steunde, dat een op basis van een verordening van de Raad genomen administratief besluit onrechtmatig wordt wanneer de verordening die eraan ten grondslag ligt, gebrekkig is. Hoewel deze verordening in casu jarenlang vrij van gebreken is geweest, is zij niettemin onrechtmatig geworden op het tijdstip waarop de bepalingen ervan niet meer in overeenstemming waren met de statutaire rechten van de ambtenaren, dat wil zeggen op het moment waarop de Raad de wijziging van de aanpassingscoëfficiënten, die volgens het besluit van 1981 op 1 januari 1986 moest plaatsvinden, achterwege heeft gelaten.
23 Met betrekking tot deze argumentatie herinnert het Gerecht er om te beginnen aan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een salarisafrekening als zodanig een besluit is waardoor de ambtenaar zich bezwaard kan achten en waartegen dus krachtens de artikelen 90 en 91 van het Statuut een klacht kan worden ingediend en eventueel beroep kan worden ingesteld, ook wanneer de verwerende instelling enkel de geldende verordeningen heeft toegepast (zie bij voorbeeld arrest Hof van 19 januari 1984, zaak 262/80, Andersen, Jurispr. 1984, blz. 195, r.o. 4).
24 Aangaande de vraag of het beroep te vroeg is ingesteld, moet worden opgemerkt dat het beroep niet, zoals verweerster ten onrechte beweert, steunt op het (onwettig) nalaten om een verordening vast te stellen, maar op schending van de artikelen 64 en 65 van het Statuut en van het besluit van 1981, voor zover dit voorziet in een vijfjaarlijkse wijziging van de aanpassingscoëfficiënten. Onder die omstandigheden konden verzoekers nietigverklaring van hun salarisafrekeningen vanaf 1986 vorderen met het betoog, dat de verordening op basis waarvan die afrekeningen waren vastgesteld vanaf die datum gebrekkig was voor zover zij niet meer in overeenstemming was met de vereisten van het besluit van 1986, dat een wijziging van de aanpassingscoëfficiënten op 1 januari 1986 voorschreef.
Hieruit volgt, dat het tweede en het derde onderdeel van de conclusies van het verzoekschrift ontvankelijk waren en dat bijgevolg de hiermee samenhangende onderdelen vier en vijf van die conclusies, die het voorwerp van het onderhavige geschil vormen, ontvankelijk moeten worden verklaard.
25 Het beroep is derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
De moratoire interessen
26 Tot staving van hun verzoek om betaling van moratoire interessen voeren verzoekers één middel aan, dat is ontleend aan de ongerechtvaardigde vertraging waarmee de Commissie de hun verschuldigde achterstallige salarisbedragen heeft betaald.
27 Ter ondersteuning van dit middel stellen verzoekers, dat volgens de rechtsorde van alle Lid-Staten de schuldenaar uit de vertraagde betaling van verschuldigde bedragen geen voordeel mag trekken. De schuldeiser mag niet worden beroofd van de vruchten van deze bedragen, waarmee hij vanaf de vervaldatum in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien.
28 De Commissie stelt, dat voor het tijdvak waarop het onderhavige geding betrekking heeft, dat wil zeggen voor het tijdvak van 1 januari 1986 tot en met november 1988, toen de uit hoofde van verordening nr. 3295/88 verschuldigde achterstallen zijn betaald, niet is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van moratoire interessen. De krachtens deze verordening verschuldigde bedragen zijn minder dan drie jaar na de als referentiedatum gekozen datum, te weten op 1 januari 1986, betaald. De onderzoeken die voor de vijfjaarlijkse controle van 1986 noodzakelijk waren, zijn binnen de termijn, in 1985, verricht, en de Commissie heeft op 7 oktober 1987 haar voorstel bij de Raad ingediend. Volgens de Commissie was de tijd die zij nodig had voor de verwerking van de gegevens en de voorbereiding van haar voorstel voor een verordening niet buitensporig. Zij voegt hieraan toe, dat het feit dat de autoriteiten een onaanvechtbaar voorstel hebben willen indienen, ook zijn vruchten heeft afgeworpen, daar het voorstel op 24/25 oktober 1988 ongewijzigd is aangenomen.
29 Ter ondersteuning van deze argumenten beroept de Commissie zich op de rechtspraak van het Hof, volgens welke voor de toekenning van moratoire interessen vereist is dat het verschuldigde bedrag bepaald of bepaalbaar is, tenzij de voor de vaststelling van het bedrag benodigde termijn aan een onrechtmatige gedraging van de instelling is te wijten.
30 Het Gerecht stelt in de eerste plaats vast, dat vóór 24 oktober 1988, de datum waarop de Raad verordening nr. 3295/88 vaststelde, geen enkele gemeenschapsinstelling wist of de geldende aanpassingscoëfficiënten zouden worden gewijzigd en, zo ja, welke nieuwe coëfficiënten zouden gaan gelden. Vóór die datum hadden verzoekers derhalve geen verworven recht op betaling van achterstallig salaris, evenmin als de gemeenschapsinstellingen verplicht waren of de mogelijkheid hadden, dergelijke achterstallen te betalen. Onder die omstandigheden kon er tot die datum geen sprake zijn van de vertraagde vereffening van een opeisbare schuld.
31 Deze gedachtengang vindt steun in het arrest van het Hof van 30 september 1986 (zaak 174/83, Ammann e.a., Jurispr. 1983, blz. 2647). In dit arrest oordeelde het Hof in voltallige zitting, dat een verplichting om moratoire interessen te betalen, slechts denkbaar is wanneer het bedrag van de hoofdvordering vaststaat althans op grond van vaststaande objectieve gegevens kan worden bepaald. Het Hof overwoog, dat de op grond van artikel 65 Ambtenarenstatuut aan de Raad toekomende bevoegdheid om de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden aan te passen en om de hierop van toepassing zijnde aanpassingscoëfficiënten vast te stellen, een zekere discretionaire bevoegdheid inhoudt, en dat dus over de hoogte van die aanpassingen en coëfficiënten geen enkele zekerheid bestaat zolang de Raad die bevoegdheid niet heeft uitgeoefend en de desbetreffende verordening niet heeft vastgesteld. In een eerder arrest, zo vervolgde het Hof (in casu het arrest van 6 oktober 1982, zaak 59/81, Commissie/Raad, Jurispr. 1982, blz. 3329), waarin een eerste onwettige verordening van de Raad nietig was verklaard, had het weliswaar beslist, dat de Raad bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid met bepaalde factoren rekening moest houden, maar had het noch de bedragen bepaald die ingevolge artikel 65 Ambtenarenstatuut daadwerkelijk aan de ambtenaren en andere personeelsleden verschuldigd waren, noch de objectieve factoren aangewezen aan de hand waarvan die bedragen met voldoende nauwkeurigheid konden worden vastgesteld.
32 In de tweede plaats constateert het Gerecht, dat de Commissie, nadat de Raad op 24 oktober 1988 verordening nr. 3295/88 had vastgesteld, in november 1988 is overgegaan tot de berekening en betaling van de uit hoofde van deze verordening verschuldigde achterstallen. De Commissie heeft zich dus vanaf het moment waarop vaststond dat die achterstallen moesten worden betaald en het bedrag ervan was bepaald, met zorg van haar betalingsverplichting gekweten. In dit opzicht kan haar dus geen enkele vertraging worden tegengeworpen.
33 Hieruit volgt, dat de verzoeken om betaling van moratoire interessen moeten worden afgewezen.
De schade voortvloeiend uit het verlies aan koopkracht
34 Voor hun vordering dienaangaande voeren verzoekers één middel aan, dat is ontleend aan schending van de artikelen 64 en 65 van het Statuut. Ter ondersteuning van dit middel betogen zij, dat het Statuut de gelijkwaardigheid van de bezoldigingen van het personeel van de instellingen in termen van reële waarde waarborgt en dat de Commissie, door niet meer dan het numerieke bedrag voortvloeiend uit de berekening van de achterstallige salarissen te betalen, de artikelen 64 en 65 van het Statuut heeft geschonden, daar enkel de nominale waarde van de achterstallen is betaald. Daardoor kan de gelijkwaardigheid van de bezoldigingen in termen van koopkracht niet worden verzekerd. Verzoekers stellen dat zij hierdoor schade hebben geleden, omdat zij vanaf 1 januari 1986 op de vijftiende van elke maand niet over een gedeelte van de hen verschuldigde bezoldiging konden beschikken. Ter verduidelijking van deze schade verklaren verzoekers, dat zij met het gedeelte van het salaris dat hun pas naderhand in de vorm van achterstallen is betaald, obligaties van de Italiaanse Staat zouden hebben gekocht, waarvan de rente op 1 april 1986 12,5 % bedroeg.
35 De Commissie merkt op dat de overeenkomstig het besluit van 1981 gewijzigde aanpassingscoëfficiënten rekening houden met de geldontwaarding en alle problemen regelen die verband houden met de omstandigheid dat de wijziging noodzakelijkerwijs terugwerkende kracht heeft. De nieuwe aanpassingscoëfficiënten dekken dus de schade die eventueel uit deze situatie zou kunnen voortvloeien. De vereisten van het Statuut zijn in casu derhalve in acht genomen.
36 Aangaande de door verzoekers gevorderde toekenning van compenserende interessen ter vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden door het verlies aan koopkracht van de achterstallige salarissen die hen uit hoofde van verordening nr. 3295/88 zijn betaald, wijst het Gerecht er allereerst op, dat "een uit de dienstbetrekking voorkomend schadegeding tussen een ambtenaar en de instelling waarbij hij in dienst was (...) binnen het kader van artikel 179 EEG-Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut ligt" (arrest Hof van 22 oktober 1975, zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171.) Ingevolge vaste rechtspraak kunnen verzoekers slechts aanspraak maken op toekenning van compenserende interessen, indien zij aantonen dat de instelling een dienstfout heeft begaan, dat er inderdaad een vaststaande en meetbare schade is ontstaan en dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de dienstfout en de gestelde schade (arrest Gerecht van 13 december 1990, zaak T-20/89, Moritz, Jurispr. 1990, blz. II-769).
37 Het Gerecht herinnert eraan, dat het besluit van de Raad van 1981 weliswaar geen termijn stelt waarbinnen de hierin voorziene vijfjaarlijkse aanpassing dient plaats te vinden, maar dat artikel 65, lid 2, van het Statuut, dat voorziet in een maximumtermijn van twee maanden waarbinnen maatregelen tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten dienen te worden getroffen, moet worden uitgelegd als de uitdrukking van een algemeen beginsel volgens hetwelk de besluiten op dit gebied zonder ongerechtvaardigde vertraging moeten worden genomen. Iedere niet te verontschuldigen vertraging bij de vaststelling van de regeling die als rechtsgrondslag dient voor de aanpassing van de bezoldigingen van de ambtenaren en andere personeelsleden, moet derhalve als een dienstfout worden beschouwd.
38 Voor de vraag wanneer er sprake is van vertraging en of deze ongerechtvaardigd is, moet er rekening mee worden gehouden dat de instellingen dienen te beschikken over een redelijke termijn, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval en de ingewikkeldheid van het dossier, om hun voorstellen of besluiten uit te werken. Bijgevolg is het niet mogelijk om algemeen een termijn te stellen waarbinnen een regeling als de onderhavige moet worden vastgesteld.
39 In casu moet worden beklemtoond, dat het voorstel voor een verordening van de Commissie op 7 oktober 1987 bij de Raad is ingediend, dat wil zeggen minder dan twee jaar na het begin van het betrokken vijfjaarlijks onderzoek. Gelet op de ingewikkeldheid van het dossier en rekening houdend met de procedure van overleg met het personeel, die deel uitmaakt van de aanpassingsmethode, kan deze vertraging niet als buitensporig lang worden aangemerkt.
40 Wat de vaststelling door de Raad van het voorstel van de Commissie betreft, moet eraan worden herinnerd, dat er destijds bij het Hof een zaak aanhangig was tussen de Commissie en de Raad over de wijze van berekening van de aanpassingscoëfficiënten. Van de beslissing in deze zaak hing ook de berekening van de nieuwe aanpassingscoëfficiënten in het kader van het vijfjaarlijkse onderzoek van 1986 af.
41 Onder die omstandigheden, en in aanmerking nemende dat het voorstel voor een verordening van de Commissie in oktober 1987 is ingediend, dat het arrest van het Hof in de zaak tussen de Commissie en de Raad op 26 juni 1988 is gewezen en dat volgens de door de Raad vastgestelde procedure voor de behandeling en de vaststelling van voorstellen voor verordeningen, het onderzoek van een voorstel van de Commissie voor een verordening een onderzoek op verschillende niveaus binnen de Raad omvat, kan de Raad niet worden verweten, dat hij het voorstel van de Commissie niet eerder dan in oktober 1988 heeft aangenomen. De tijd die is verstreken tussen de referentiedatum voor de vijfjaarlijkse aanpassing (1 januari 1986) en de datum waarop de verordening is vastgesteld (24 oktober 1988), kan over het geheel genomen, gezien de omstandigheden van het geval, niet buitensporig lang worden geacht. Derhalve moet worden vastgesteld, dat een dienstfout van de Commissie of van de Raad niet is aangetoond.
42 Hieruit volgt, dat het verzoek om toekenning van compenserende interessen moet worden afgewezen.
43 Blijkens het voorgaande moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
44 Ingevolge het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. De kosten in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, blijven evenwel te hunnen laste.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Top