Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIJFDE KAMER) VAN 8 MAART 1990. - GEORG SCHWEDLER TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAREN - BELASTINGVERLAGING - KIND TEN LASTE. - ZAAK T-41/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00079
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Bezoldiging - Belasting - Aftrek voor kind ten laste - Voorwaarden - Daadwerkelijk onderhoud van kind door ambtenaar - Begrip - Kinderen in militaire dienst uitgesloten
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 2, lid 2; verordening nr . 260/68 van de Raad, artikel 3, lid 4, 2e alinea )
2 . Ambtenaren - Bezoldiging - Gezinstoelagen - Kindertoelage - Voorwaarden - Kinderen in militaire dienst uitgesloten
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 2 )
3 . Gemeenschapsrecht - Uitlegging - Beginselen - Autonome en eenvormige uitlegging
4 . Ambtenaren - Bezoldiging - Belasting - Aftrek voor kind ten laste - Autonome regeling
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 2, lid 2; verordening nr . 260/68 van de Raad, artikel 3, lid 4, 2e alinea )
5 . Procedure - Inleidend verzoekschrift - Bepaling van voorwerp van beroep - Nieuwe vordering in repliek - Niet-ontvankelijkheid
( Reglement voor de procesvoering, artikelen 38, paragraaf 1, en 42, paragraaf 2 )
Samenvatting1 . De belastingaftrek voor kinderen ten laste van gemeenschapsambtenaren heeft slechts zin, wanneer hij wordt toegekend om sociale redenen, verband houdend met het bestaan van het kind en de kosten van zijn levensonderhoud, dat wil zeggen aan degene die de materiële last draagt van alle wezenlijke behoeften van het kind .
Hieruit volgt, dat een kind niet kan worden geacht daadwerkelijk te worden onderhouden, in de zin van artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut, door meer personen of organen tegelijk, en dat het derhalve niet kan worden geacht ten laste te komen van meer personen of organen tegelijk .
Wanneer vaststaat dat het leger in de wezenlijke behoeften van jonge dienstplichtigen voorziet, kan een ambtenaar met betrekking tot de periode waarin zijn zoon onder de wapenen was, niet staande houden, dat hij zijn zoon in diezelfde periode daadwerkelijk heeft onderhouden . Daarvoor behoeven de bijzondere omstandigheden waaronder de dienstplicht werd vervuld, niet voor elk geval afzonderlijk te worden onderzocht .
2 . De bepalingen van het Statuut, met name artikel 2, leden 3, sub b, en 4, van bijlage VII, bevatten weliswaar een bijzondere regeling voor kinderen tussen de 18 en 26 jaar die een school - of beroepsopleiding ontvangen, alsmede een buitengewone regeling voor met kinderen ten laste gelijkgestelde personen ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft die hem zware lasten oplegt, doch zij voorzien niet in een bijzondere regeling voor kinderen die hun militaire dienstplicht vervullen, die recht zou geven op toekenning van de toelage voor ten laste komende kinderen . De bepalingen van het gemeenschapsrecht die recht geven op financiële prestaties, moeten eng worden uitgelegd .
3 . De termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, moeten in de regel in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling .
4 . De belastingaftrekregeling voor kinderen ten laste van gemeenschapsambtenaren is een autonome regeling die onafhankelijk van de nationale stelsels wordt toegepast .
Bij de uitlegging van de term ten laste komend kind, in de zin van artikel 3 van verordening nr . 260/68 van de Raad en artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, dient een gemeenschapsinstelling dus geen aansluiting te zoeken bij een nationale wettelijke regeling .
5 . Het voorwerp van het geding moet in het verzoekschrift worden bepaald; een voor het eerst in repliek geformuleerde vordering wijzigt het oorspronkelijke voorwerp van het beroep en is als een nieuwe en bijgevolg niet-ontvankelijke vordering te beschouwen .
PartijenIn zaak T-41/89,
Georg Schwedler, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Steinsel ( Luxemburg ), vertegenwoordigd door V . Elvinger, advocaat te Luxemburg, ter terechtzitting bijgestaan door J . Junker, advocaat, domicilie gekozen hebbende bij V . Elvinger voornoemd, 11 A, boulevard Joseph-II,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigde, bijgestaan door F . Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Plateau de Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van twee besluiten van verweerder, waarbij verzoeker belastingaftrek voor een kind ten laste is geweigerd,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : H . Kirschner, kamerpresident, C . P . Briët en J . Biancarelli, rechters,
griffier : H . Jung
gelet op de stukken en na de mondelinge behandeling op 13 februari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 Verzoeker Schwedler, ambtenaar van het Europees Parlement, kreeg tot 1 september 1987 belastingaftrek voor zijn als kind ten laste geldende zoon Christoph, alsook de kindertoelage en reiskostenvergoeding . Vanaf die datum onthield het Parlement hem die voordelen, op grond dat genoemde zoon in Duitsland zijn militaire dienst vervulde, en wel voor de duur van die militaire dienst .
2 Op 6 november 1987 richtte Schwedler een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut tot de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën van het Europees Parlement, waarin hij verzocht om toepassing van de vermindering van de gemeenschapsbelasting voor een kind ten laste . Hij stelde vast, dat hij de belastingaftrek sedert 1 september 1987 niet meer kreeg, en verzocht om toepassing van die aftrek met ingang van september 1987 en voor de duur van de militaire dienst van zijn zoon .
3 Bij brief van 22 december 1987 wees de directeur-generaal dit verzoek af, waarbij hij erop wees, dat artikel 3, lid 4, van verordening nr . 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen ( PB 1968, L 56, blz . 8 ), dat voorziet in belastingaftrek voor kinderen ten laste, niet van toepassing is wanneer het kind zijn militaire dienst vervult, omdat het kind dan ten laste van het leger komt .
4 Bij brief van 12 januari 1988 diende verzoeker bij de voorzitter van het Europees Parlement een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen bovenbedoeld besluit van 22 december 1987 . Daarin vroeg hij in de eerste plaats om toepassing van de belastingaftrek over de maand september 1987, omdat zijn zoon pas op 1 oktober 1987 in dienst was gegaan, en in de tweede plaats dat men zijn zoon niet zou beschouwen als niet ten laste komend gedurende de periode van militaire dienst . In dit verband vermeldde hij de volgende feiten : a ) zijn zoon bracht zijn weekeinden en zijn verlof thuis door en in die perioden voorzag verzoeker in zijn behoeften; b ) de soldij die zijn zoon ontving, was onvoldoende om zijn persoonlijke behoeften, met name de vervoerkosten, te dekken; c ) in de Bondsrepubliek Duitsland werd belastingaftrek toegekend voor kinderen in militaire dienst en dat zou dus ook onder de gemeenschapsregeling het geval moeten zijn .
5 Deze klacht werd afgewezen bij brief van 2 mei 1988 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement . Deze herinnerde eraan, dat artikel 3, lid 4, van verordening nr . 260/68 enkel van toepassing is wanneer het kind daadwerkelijk door de ambtenaar wordt onderhouden, hetgeen in casu niet het geval was; dat de vergelijking met de Duitse regeling niet opging, omdat volgens een door het Hof van Justitie erkend beginsel de communautaire belastingregeling autonoom is en losstaat van de nationale regelingen, en, ten slotte, dat de klacht was toegewezen voor zover het de belastingaftrek over september 1987 betrof .
6 Daarop heeft verzoeker bij op 1 augustus 1988 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift het onderhavige beroep tegen het Parlement ingesteld .
Het procesverloop
7 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage :
- nietig te verklaren het besluit van 22 december 1987 van de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën, en het besluit van 2 mei 1988 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement;
- verweerder te verwijzen in de kosten van het geding .
8 Het Europees Parlement concludeert dat het het Gerecht behage :
- het beroep te verwerpen;
- verzoeker in de kosten te verwijzen, overeenkomstig de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering .
9 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak naar het Gerecht verwezen krachtens het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen .
10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan . Het heeft het Europees Parlement evenwel verzocht, vóór de terechtzitting de circulaire van 31 oktober 1963 van zijn secretaris-generaal Nord over te leggen, alsook conclusie 49/80 van het college van hoofden van administratie van juli 1980 . Deze stukken zijn op 26 januari 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegd .
11 De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 1990 plaatsgehad . Daar in deze zaak geen advocaat-generaal was aangewezen, heeft de president na de terechtzitting de mondelinge behandeling gesloten verklaard .
Ten gronde
12 Verzoeker heeft tot staving van zijn beroep tweeledige conclusies voorgedragen, strekkende tot nietigverklaring van de beide voornoemde besluiten van het Europees Parlement, voor zover deze hem enerzijds toepassing van de belastingaftrek en anderzijds de toelage voor een kind ten laste ontzeggen .
De conclusies inzake toepassing van de belastingaftrek
13 Tot staving van deze conclusies voert verzoeker twee middelen aan : a ) verkeerde toepassing door het Parlement van artikel 3, lid 4, van verordening nr . 260/68 van de Raad; b ) verzuim van het Parlement om voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te rade te gaan met bepaalde nationale wettelijke regelingen .
Het middel ontleend aan verkeerde toepassing van artikel 3, lid 4, van verordening nr . 260/68 van de Raad
14 Verzoeker stelt, dat men voor de uitlegging van de termen kind ten laste en daadwerkelijk onderhoud elk geval op zijn eigen merites dient te bezien en de bijzondere omstandigheden waaronder iedere jongeman zijn militaire dienst vervult, in aanmerking dient te nemen . Waar in de definitie van kind ten laste in artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut wordt gesproken van daadwerkelijk onderhoud, zou dat zijn om een al te strikte toepassing van verordening nr . 260/68 te corrigeren . Het Parlement nu zou onvoldoende oog hebben gehad voor de bijzondere situatie van zijn zoon, die de vier volgende bijzonderheden vertoont : a ) naar uit verklaringen van de militaire autoriteiten blijkt, heeft zijn zoon meer dan de helft van zijn militaire dienst buiten de kazerne doorgebracht, en wel ten huize van zijn vader; b ) zijn soldij, 294,50 DM per maand, was onvoldoende om in zijn behoeften buiten de kazerne te voorzien, met name gezien de reiskosten die hij moest maken; c ) daar zijn zoon een medische behandeling in Luxemburg onderging, zijn de daaraan verbonden kosten slechts voor 85 % vergoed; en d ) het betreft, aldus verzoeker, "een bijna volwassen jongeman, die zich in een bepaald sociaal-cultureel milieu beweegt en een zekere intellectuele bagage heeft, waardoor het begrip (( onderhoud )) ruimer wordt en niet enkel de strikt noodzakelijke behoeften - onderdak, voedsel en kleding - omvat ".
15 Het Parlement verwijst naar het bepaalde in artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut en naar de rechtspraak van het Hof, en meent dat niet valt te betwisten, dat de Duitse staat in de behoeften van verzoekers zoon voorziet . Daar deze dus ten laste van zijn land van herkomst is, kan hij niet tegelijkertijd daadwerkelijk worden onderhouden door zijn vader . Volgens het Parlement gaat het hier om een principieel standpunt, en dient men niet het geval van ieder kind in militaire dienst afzonderlijk te bezien bij de vraag of het daadwerkelijk ten laste van zijn ouders is . In elk geval heeft verzoeker niet aangetoond, dat hij uiteindelijk alle, althans de meeste onderhoudskosten voor zijn zoon gedurende de periode van diens militaire dienst draagt, daar diens veelvuldig verblijf buiten de kazerne het gevolg is van een persoonlijke keuze . Ten slotte verwijst het Parlement voor zijn standpunt naar de "Instructie betreffende de toepassing van artikel 2 van bijlage VII" van secretaris-generaal Nord van 31 oktober 1963 en naar conclusie 49/80 van de hoofden van administratie van juli 1980 .
16 Volgens artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening nr . 260/68 van de Raad ( reeds aangehaald ) "wordt voor elk ten laste van de belastingplichtige komend kind, alsmede voor elke met een ten laste komend kind gelijkgestelde persoon in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII van het Statuut van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen, een bedrag afgetrokken, gelijk aan tweemaal de kindertoelage ". Voor de definitie van het begrip ten laste komend kind verwijst verordening nr . 260/68 daarmee naar artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, betreffende de kindertoelage .
17 Ingevolge dat artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut geniet de ambtenaar die een of meer kinderen ten laste heeft, voor elk van die kinderen een maandelijkse toelage tot een zeker bedrag . Lid 2 van dat artikel preciseert : "Als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt : een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden ." Ter bepaling van de toepassingsvoorwaarden van voornoemde bepaling van verordening nr . 260/68 komt het dus aan op de uitlegging van het begrip daadwerkelijk onderhoud .
18 Dienaangaande zij herinnerd aan het arrest van het Hof van 27 november 1980 ( gevoegde zaken 81/79, 82/79 en 146/79, Sorasio-Allo e.a ., Jurispr . 1980, blz . 3557 ), waarin het Hof opmerkte, dat vóór alles moet worden nagegaan, wat het doel en de opzet van de aftrekregeling voor kinderen ten laste is . Een dergelijke aftrek heeft slechts zin, wanneer hij wordt toegekend om sociale redenen, verband houdend met het bestaan van het kind en de kosten van zijn levensonderhoud, dat wil zeggen aan degene die de materiële last draagt van alle wezenlijke behoeften van het kind .
19 Hieruit volgt, dat een kind niet kan worden geacht daadwerkelijk te worden onderhouden, in de zin van artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut, door meer personen of organen tegelijk, en dat het derhalve niet kan worden geacht ten laste te komen van meer personen of organen tegelijk .
20 Uit het dossier blijkt onweersproken, dat het Duitse leger voorziet in de behoeften van jonge dienstplichtigen, met name met betrekking tot huisvesting, voeding, medische verzorging en de kosten daarvan, de verstrekking van uitrusting en uniformen alsmede bewassing, en hun bovendien een soldij van bijna 300 DM betaalt ter dekking van hun persoonlijke uitgaven .
21 Waar vaststaat dat het leger in de wezenlijke behoeften van jonge dienstplichtigen voorziet, kan verzoeker met betrekking tot de periode waarin zijn zoon onder de wapenen was, niet staande houden, dat hij zijn zoon in diezelfde periode daadwerkelijk heeft onderhouden . Om tot deze slotsom te komen, behoeven de bijzondere omstandigheden waaronder de dienstplicht werd vervuld, niet voor elk geval afzonderlijk te worden onderzocht .
22 Steun voor deze slotsom is te vinden wanneer men ziet naar de voorwaarden voor toekenning van de toelage voor ten laste komende kinderen . Artikel 2, leden 3, 4 en 6, van bijlage VII bij het Statuut bepaalt als volgt :
"...
3 . De toelage wordt toegekend
a ) ambtshalve, voor een kind dat de 18-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt;
b ) op een met redenen omkleed verzoek van de ambtenaar, voor een kind tussen de 18 en de 26 jaar, dat een school - of beroepsopleiding ontvangt .
4 . In uitzonderlijke gevallen kan een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, bij bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld .
...
6 . Voor een ten laste komend kind in de zin van dit artikel kan slechts één enkele kindertoelage worden genoten, ook indien de ouders tot twee verschillende instellingen der drie Europese Gemeenschappen behoren ."
23 Hieruit blijkt, dat de bepalingen van het Statuut, met name artikel 2, leden 3, sub b, en 4, van bijlage VII, weliswaar een bijzondere regeling bevatten voor kinderen tussen de 18 en 26 jaar die een school - of beroepsopleiding ontvangen, en een buitengewone regeling voor met kinderen ten laste gelijkgestelde personen ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft die hem zware lasten oplegt, doch geen bijzondere regeling voor kinderen die hun militaire dienstplicht vervullen, die recht zou geven op toekenning van de toelage voor ten laste komende kinderen . En zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 6 mei 1982 ( gevoegde zaken 146/81, 192/81 en 193/81, BayWa, Jurispr . 1982, blz . 1503 ), moeten de bepalingen van het gemeenschapsrecht die recht geven op financiële prestaties, eng worden uitgelegd .
24 Bijgevolg, en hoe men de zaak ook keert, falen de door verzoeker tot staving van dit middel aangevoerde argumenten; immers, dat zijn zoon, in de eerste plaats, ongeveer de helft van zijn periode van militaire dienst bij zijn ouders thuis heeft doorgebracht, is een zaak van persoonlijke keuze van de betrokkene; dat hij, in de tweede plaats, medische kosten in Luxemburg heeft gemaakt, is eveneens een zaak van persoonlijke keuze, terwijl bovendien vaststaat dat die kosten zijn vergoed volgens de gewone voorwaarden van de gemeenschappelijke regeling; en dat, in de derde plaats, het daadwerkelijk onderhoud van een kind van 20 jaar, zoals zijn zoon, gelet op diens "sociaal-cultureel milieu" en intellectueel niveau, niet beperkt kan zijn tot het strikt noodzakelijke op het gebied van onderdak, voeding en kleding, maar aanzienlijke extra kosten meebrengt, hierbij gaat het om omstandigheden die geen rol kunnen spelen bij de bepaling, in het algemeen, van de belastingregeling die op ambtenaren met een kind in militaire dienst van toepassing is .
Het middel inhoudende dat het Europees Parlement voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te rade had moeten gaan met bepaalde nationale wettelijke regelingen
25 Verzoeker stelt, dat waar de Duitse en de Luxemburgse wetgeving voorzien in een belastingaftrek voor belastingplichtigen met een kind in militaire dienst, de gemeenschapsbepalingen in dezelfde zin moeten worden uitgelegd en dat een vergelijking met de nationale wettelijke regelingen in elk geval niet uitgesloten mag worden .
26 Het Parlement betoogt, dat verzoekers verwijzing naar de Duitse en de Luxemburgse wetgeving niet ter zake dienend is, gelet op het autonome karakter van het communautaire belastingstelsel . Overigens bevatten die nationale regelingen een uitdrukkelijke bepaling met betrekking tot die belastingaftrek, hetgeen in het Statuut niet het geval is .
27 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de communautaire rechtsorde voor de omschrijving van haar begrippen niet beoogt aan te knopen bij een of meer nationale rechtsstelsels, tenzij dit uitdrukkelijk zou zijn bepaald ( zie, onder meer, het arrest van het Hof van 14.1.1982, zaak 64/81, Corman, Jurispr . 1982, blz . 13 ). De termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, moeten in de regel in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling ( zie, onder meer, het arrest van het Hof van 18.1.1984, zaak 327/92, Ekro, Jurispr . 1984, blz . 107 ).
28 Juist met betrekking tot de belastingaftrek voor kinderen ten laste overwoog het Hof in zijn arrest van 27 november 1980 ( Sorasio e.a ., reeds aangehaald ), dat het communautaire belastingstelsel een autonome regeling is, die onafhankelijk van de nationale stelsels wordt toegepast .
29 Bij de uitlegging van de term ten laste komend kind, in de zin van artikel 3 van verordening nr . 260/68 van de Raad en artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut, heeft het Parlement dus terecht geen aansluiting gezocht bij de Duitse en de Luxemburgse belastingwetgeving .
30 Hieruit volgt, dat dit middel van verzoeker moet worden afgewezen .
De vordering tot toekenning van de kindertoelage
31 In repliek en ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard, dat het beroep niet slechts strekt tot toepassing van de belastingaftrek, doch ook tot toekenning van de kindertoelage .
32 In dupliek en ter terechtzitting heeft het Parlement betoogd, dat verzoeker in dat stadium van de procedure het voorwerp van zijn beroep niet meer mag uitbreiden .
33 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat, zoals het Hof overwoog in een arrest van 7 mei 1986 ( zaak 52/85, Rihoux, Jurispr . 1986, blz . 1555 ), het voorwerp van de klacht en dat van het beroep voldoende overeenkomst moeten vertonen om een minnelijke schikking van een geschil tussen de ambtenaar en de administratie mogelijk te maken en te bevorderen . Uit de processtukken, met name uit het verzoek dat verzoeker op 6 november 1987 tot de bevoegde directeur-generaal heeft gericht, en uit de klacht die hij op 12 januari 1988 tot de voorzitter van het Parlement heeft gericht, blijkt dat verzoeker in dat verzoek en in die klacht enkel is opgekomen tegen de weigering van het Parlement de belastingaftrek voor een kind ten laste toe te passen, doch niet toekenning van de kindertoelage heeft verlangd .
34 In de tweede plaats moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie, onder meer, het arrest van 7.5.1986, zaak 191/84, Barcella e.a ., Jurispr . 1986, blz . 1541 ), blijkens artikel 38, paragraaf 1, juncto artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, het voorwerp van het geding in het verzoekschrift worden bepaald; een voor het eerst in repliek geformuleerde vordering wijzigt het oorspronkelijke voorwerp van het beroep en is als een nieuwe en, bijgevolg, niet-ontvankelijke vordering te beschouwen . Het door verzoeker ingediende inleidend verzoekschrift nu betrof enkel de weigering van het Parlement belastingaftrek toe te passen voor een kind dat volgens verzoeker te zijnen laste was . Eerst in repliek heeft verzoeker het voorwerp van het geschil uitgebreid en dus gewijzigd, door te stellen dat het beroep ook betrekking had op toekenning van de kindertoelage .
35 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeker in deze vordering niet kan worden ontvangen . Mitsdien moet het beroep woren verworpen .
Beslissing inzake de kostenKosten
36 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Top