Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 30 JANUARI 1990. - WOLFDIETER GRAF YORCK VON WARTENBURG TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAREN - INRICHTINGSVERGOEDING. - ZAAK T-42/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00031
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Kostenvergoeding - Inrichtingsvergoeding - Vrijwillige beëindiging van dienst vóór verstrijken van tijdvak van twee jaar - Terugbetaling door ambtenaar - Aanvangstijdstip van tijdvak - Datum van indiensttreding bij Gemeenschappen
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 5, lid 5 )
2 . Ambtenaren - Kostenvergoeding - Inrichtingsvergoeding - Vrijwillige beëindiging van dienst vóór verstrijken van tijdvak van twee jaar - Terugbetaling door ambtenaar - Doel
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 5, lid 5 )
3 . Ambtenaren - Kostenvergoeding - Inrichtingsvergoeding - Toekenningsvoorwaarden - Ambtenaar die zich met zijn gezin vestigt
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 5, lid 3 )
Samenvatting1 . Het in artikel 5, lid 5, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut bedoelde tijdvak van twee jaar moet worden berekend vanaf de indiensttreding van de betrokkene bij de Gemeenschappen, en niet vanaf de indiensttreding die tot toekenning van de inrichtingsvergoeding leidt .
2 . De terugbetaling door de ambtenaar van een gedeelte van de inrichtingsvergoeding, naar rato van het resterende deel van het tijdvak van twee jaar, wanneer de betrokkene eigener beweging de dienst van de Gemeenschappen verlaat, is niet bedoeld om rekening te houden met de duur van de vestiging, want de kosten van vestiging van korte duur zijn dezelfde als die van vestiging voor een langere periode .
Het doel ervan is, de gehele bij de tewerkstelling van de ambtenaar in een standplaats betaalde inrichtingsvergoeding slechts ten laste van de Gemeenschappen te brengen, voor zover het dienstverband tussen de Gemeenschappen en de ambtenaar voldoende is geconsolideerd door een tijdsverloop van twee jaar in dienst van de Gemeenschappen . Daarentegen komt de inrichtingsvergoeding slechts gedeeltelijk ten laste van de Gemeenschappen, wanneer de ambtenaar minder dan twee jaar na zijn indiensttreding de Gemeenschappen verlaat . Een goed beheer van de openbare middelen laat immers niet toe, dat de Gemeenschappen de inrichtingsvergoeding van een ambtenaar wiens dienstverband door zijn eigen toedoen niet kon worden geconsolideerd, geheel voor hun rekening nemen .
3 . Wanneer is bewezen dat de ambtenaar en zijn gezin zich hebben gevestigd, behoeft de ambtenaar noch het bestaan van werkelijke uitgaven noch de duur van de vestiging van zijn gezin aan te tonen om in aanmerking te komen voor een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris .
PartijenIn zaak T-42/89,
W . Graf Yorck von Wartenburg, tijdelijk functionaris bij de fractie van de Europese Volkspartij in het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door V . Elvinger, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, 11 A, boulevard Joseph-II,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 29 februari 1988, houdende weigering om verzoeker de in artikel 5 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut bedoelde inrichtingsvergoeding, gelijk aan twee maanden basissalaris, toe te kennen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : A . Saggio, kamerpresident, C . Yeraris en K . Lenaerts ( rapporteur ), rechters,
griffier : H . Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 16 januari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof van Justitie op 11 augustus 1988, heeft W . Graf Yorck von Wartenburg, tijdelijk functionaris bij de fractie van de Europese Volkspartij in het Europees Parlement, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 29 februari 1988, houdende weigering om hem de inrichtingsvergoeding toe te kennen, en, voor zoveel als nodig, van de besluiten van het Parlement van 11 mei en 18 juli 1988, waarbij de na die weigering ingediende klachten zijn afgewezen . Hij verzoekt het Gerecht bovendien, het Parlement te veroordelen om hem de inrichtingsvergoeding, gelijk aan twee maanden basissalaris, te betalen en om de kosten van het geding te dragen .
2 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgehad .
3 Het Parlement heeft niet binnen de voorgeschreven termijn een verweerschrift ingediend . Nadat de termijn voor indiening van het verweerschrift, die oorspronkelijk op 17 oktober 1988 verstreek, eerst tot 17 november en vervolgens tot 17 december 1988 was verlengd, verzocht het Parlement bij op 19 december 1988 ter griffie van het Hof neergelegde brief om een derde termijnverlenging . Dit laatste verzoek werd afgewezen op grond dat het te laat was ingediend .
4 Bij op 6 januari 1989 ter griffie van het Hof ingeschreven brief verzocht het Parlement het Hof, krachtens artikel 42 van 's Hofs Statuut de termijn voor indiening van het verweerschrift te heropenen . Tot staving van zijn verzoek beriep het zich op pogingen om met verzoeker tot een minnelijke regeling van het geschil te komen, en op een misverstand omtrent het verstrijken van de betrokken termijn op het secretariaat van het met de zaak belaste afdelingshoofd van de juridische dienst van het Parlement . Bij schrijven van 18 januari 1989 deed het Hof het Parlement weten, dat uit de in vorenbedoelde brief geschetste omstandigheden niet bleek van een geval als bedoeld in artikel 42 van 's Hofs Statuut, en dat zijn verzoek derhalve werd afgewezen .
5 Bij op 30 januari 1989 ter griffie van het Hof neergelegde en daags daarna ingeschreven memorie heeft verzoeker overeenkomstig artikel 94, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering gevorderd, dat het Hof zijn conclusies toewijst .
6 Na afloop van de schriftelijke behandeling heeft het Hof krachtens het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, de zaak naar het Gerecht verwezen . Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
7 De feiten, zoals blijkende uit het dossier, zijn de volgende :
- bij overeenkomst van 12 juni 1974 werd verzoeker door de fractie van de Europese Volkspartij aangeworven als tijdelijk functionaris van het Europees Parlement . Als zodanig werkte hij te Luxemburg tot 31 oktober 1987;
- bij aanvullende overeenkomst van 27 oktober 1987 bij de overeenkomst van 12 juni 1974 kwamen partijen overeen, dat verzoeker met ingang van 1 november 1987 te Brussel zou worden tewerkgesteld ( post nr . 5051 );
- op 4 januari 1988 verhuisden verzoeker en zijn echtgenote met hun eigen auto van Mamer ( Groothertogdom Luxemburg ) naar Brussel;
- op 4 maart 1988 nam de echtgenote van verzoeker weer haar intrek in hun vroegere woning te Mamer;
- op 31 december 1988 beëindigde verzoeker zijn dienst als tijdelijk functionaris bij het Parlement, nadat het Parlement hem een voorstel in die zin had gedaan ter gelegenheid van de uitbreiding van de Gemeenschappen met Spanje en Portugal; hij woont nog steeds te Brussel .
8 Krachtens artikel 94, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, dient het Gerecht, alvorens bij verstek arrest te wijzen, de ontvankelijkheid van het verzoekschrift te onderzoeken, alsmede of de vormvoorschriften behoorlijk in acht zijn genomen en of de conclusies van verzoeker gegrond voorkomen .
De ontvankelijkheid
9 De ontvankelijkheid van het beroep moet worden getoetst aan artikel 91, leden 2 en 3, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : "Statuut "). Blijkens het dossier zijn de navolgende handelingen verricht :
- op 3 december 1987 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek ingediend tot verkrijging van een inrichtingsvergoeding in de zin van artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut . Op 29 februari 1988 wees de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën van het Parlement dit verzoek van de hand;
- op 5 april 1988 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen dit afwijzend besluit . Op 11 mei 1988 wees de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën van het Parlement ook deze klacht af;
- op 24 mei 1988 heeft verzoeker een nieuwe klacht ingediend, die op 18 juli 1988 eveneens werd afgewezen;
- op 11 augustus 1988 heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld .
10 Waar vóór de instelling van het beroep tijdig een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, is ingediend bij het tot aanstelling bevoegd gezag, deze klacht formeel is afgewezen en het onderhavige beroep is ingesteld binnen drie maanden na het afwijzend besluit, is het beroep ontvankelijk .
De inachtneming van de vormvoorschriften
11 Uit de stukken blijkt, dat het verzoekschrift behoorlijk aan het Parlement is betekend . Dit is dus regelmatig in het geding geroepen in de zin van artikel 94, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering .
Ten gronde
12 In zijn verzoekschrift betwist verzoeker de twee gronden die het Parlement in zijn brief van 29 februari 1988 aanvoert om de afwijzing van het verzoek om toekenning van de inrichtingsvergoeding te rechtvaardigen . Het betrokken gedeelte van deze brief luidt als volgt :
"Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie 'bestaat het kennelijke doel van een installatievergoeding erin, de ambtenaar in staat te stellen om naast zijn verhuiskosten de onvermijdelijke lasten te dragen die het gevolg zijn van zijn integratie gedurende een onbepaalde maar langere periode in een nieuwe omgeving' .
Ik stel echter vast :
1 ) dat u sinds 1981 eigenaar bent van uw huis te Elsene en dat u niet van plan bent te verhuizen, hetgeen het vermoeden wettigt, dat uw tewerkstelling te Brussel voor u geen inrichtingskosten meebrengt, behoudens door u te leveren tegenbewijs;
2 ) dat u gevraagd hebt om eind 1988 te mogen afvloeien, en dat u dus wellicht niet van plan bent 'u gedurende een onbepaalde maar langere periode in die nieuwe omgeving te integreren' , opnieuw behoudens tegenbewijs ."
13 In zijn op 30 januari 1989 neergelegde memorie verwijst verzoeker naar een tussen hem en het Parlement gevoerde briefwisseling - die hij overlegt -, waaronder een brief van het Parlement aan verzoeker van 17 november 1988 en het antwoord van verzoekers raadsman van 12 januari 1989 .
14 In zijn brief van 17 november 1988 erkent het Parlement, dat bij heronderzoek van verzoekers dossier is gebleken, dat er wel degelijk sprake was van vestiging in de zin van artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut . De brief vervolgt dan als volgt :
"Lid 5 van dat artikel bepaalt echter :
' De ambtenaar in vaste dienst die de inrichtingsvergoeding heeft ontvangen en die eigener beweging binnen twee jaar na zijn indiensttreding de dienst der Gemeenschappen verlaat, is verplicht bij zijn vertrek een gedeelte van de vergoeding terug te betalen, en wel naar rato van het resterende deel van dat tijdvak .'
Nu het zeker is, dat u aan het einde van dit jaar het Europees Parlement zult verlaten en dat uw echtgenote zich begin maart 1988 weer te Luxemburg heeft gevestigd ( zoals zij bij brief van 17 maart 1988 heeft meegedeeld ), is het duidelijk dat, volgens het hierboven weergegeven lid, de bedragen waarop u recht zou hebben, gelijk zijn aan 14/24 ( veertien maanden op een minimum van vierentwintig ) voor het gedeelte dat u rechtstreeks aangaat, plus 4/24 voor het gedeelte van de vergoeding dat uw echtgenote betreft, dus in totaal 3/4 van een salaris ."
Het Parlement voegt er nog aan toe, dat het de kosten van het onderhavige beroep op het Hof van Justitie voor zijn rekening zal nemen .
15 In zijn brief aan het Parlement van 12 januari 1989 wijst verzoeker de door het Parlement voorgestelde oplossing, zowel wat hemzelf als wat zijn echtgenote betreft, van de hand . Naar zijn mening is er geen reden voor toepassing van lid 5 van artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut, omdat "zijn 'indiensttreding' veel verder terug ligt dan de in genoemd lid 5 bedoelde twee jaar ". Daarmee kant verzoeker zich tegen de door het Europees Parlement in zijn brief van 17 november 1988 stilzwijgend aangenomen uitlegging van lid 5, volgens welke het in dit lid genoemde tijdvak van twee jaar eerst ingaat bij de indiensttreding die tot toekenning van de inrichtingsvergoeding leidt, dat wil in casu zeggen op 1 november 1987, ofwel veertien maanden vóór verzoeker de dienst verliet .
16 Artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut is in het onderhavige geval van toepassing krachtens artikel 22 van de Regeling andere personeelsleden . Beziet men de tekst van lid 5 van artikel 5 in de negen talen van de Gemeenschap, dan blijken de Duitse, de Engelse, de Deense, de Spaanse, de Italiaanse en de Nederlandse versie uitsluitend aan te knopen bij het begrip dienst van de Gemeenschappen, zowel voor het tijdstip waarop het in die bepaling bedoelde tijdvak van twee jaar ingaat ( indiensttreding ), als voor het tijdstip waarop dat tijdvak moet worden beoordeeld ( tijdstip waarop de ambtenaar de dienst van de Gemeenschappen verlaat ). Daarentegen knopen de Franse, de Griekse en de Portugese versie voor het tijdstip waarop het tijdvak van twee jaar moet worden beoordeeld ( tijdstip waarop de ambtenaar de dienst van de Gemeenschappen verlaat ), weliswaar eveneens aan bij het begrip dienst van de Gemeenschappen, maar voor het tijdstip waarop dat tijdvak ingaat, knopen zij aan bij het begrip indiensttreding . Deze laatste versies zouden ruimte kunnen laten voor de door het Parlement voorgestane uitlegging .
17 Deze uitlegging wordt echter tegengesproken door de andere taalversies van de betrokken bepaling, waaruit duidelijk blijkt, dat het tijdvak van twee jaar moet worden berekend vanaf de indiensttreding van de ambtenaar bij de Gemeenschappen, en niet vanaf de indiensttreding die tot toekenning van de inrichtingsvergoeding leidt .
18 Deze oplossing vindt steun in de opzet van de betrokken bepaling . De terugbetaling door de ambtenaar van een gedeelte van de inrichtingsvergoeding, naar rato van het resterende deel van het tijdvak van twee jaar, is niet bedoeld om rekening te houden met de duur van de vestiging, want de kosten van vestiging van korte duur zijn dezelfde als die van vestiging voor een langere periode . Het doel ervan is, de gehele bij de tewerkstelling van de ambtenaar in een standplaats betaalde inrichtingsvergoeding slechts ten laste van de Gemeenschappen te brengen, voor zover het dienstverband tussen de Gemeenschappen en de ambtenaar voldoende is geconsolideerd door een tijdsverloop van twee jaar in dienst van de Gemeenschappen . Daarentegen komt de inrichtingsvergoeding slechts gedeeltelijk ten laste van de Gemeenschappen, wanneer de ambtenaar minder dan twee jaar na zijn indiensttreding de Gemeenschappen verlaat . Een goed beheer van de openbare middelen laat immers niet toe, dat de Gemeenschappen de inrichtingsvergoeding van een ambtenaar wiens dienstverband door zijn eigen toedoen niet kon worden geconsolideerd, geheel voor hun rekening nemen .
19 Om zich te overtuigen van de juistheid van deze oplossing, denke men zich het geval in van een ambtenaar met dertig jaar anciënniteit, die zes maanden vóór hij eigener beweging de dienst verlaat, in een nieuwe standplaats wordt tewerkgesteld . Volgens de stelling van het Parlement zou hij wegens de korte duur van zijn vestiging slechts recht hebben op een kwart van de inrichtingsvergoeding, hetgeen niet alleen onbillijk is, maar ook in strijd met de letter en de geest van lid 5 van artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut .
20 In dit verband zij er verder op gewezen, dat tewerkstelling in een ambt volgens artikel 7 van het Statuut uitsluitend geschiedt in het belang van de dienst, dus ongeacht of die tewerkstelling met de wensen van de betrokkene overeenkomt . Dit betekent, dat verzoeker slechts in een nieuwe standplaats kon worden tewerkgesteld omdat het dienstbelang dat vereiste .
21 Voorts bestaat er geen enkele bepaling die tot grondslag zou kunnen dienen voor de door het Parlement in zijn brief van 17 november 1988 voorgestelde vermindering tot 4/24 "voor het gedeelte" dat de echtgenote van verzoeker betreft, welke vermindering overigens onverenigbaar zou zijn met de zopas ontwikkelde redenering . Zij miskent ook de onsplitsbaarheid van de inrichtingsvergoeding die, naar uit artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut blijkt, toekomt aan de ambtenaar die zich vestigt met zijn gezin .
22 In dit verband moet worden gewezen op de forfaitaire aard van de inrichtingsvergoeding, zoals die voortvloeit uit artikel 5, leden 1 tot 3 . Krachtens artikel 5, leden 1 en 2, wordt een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris toegekend aan de ambtenaar die recht heeft op de kostwinnerstoelage en die in een andere standplaats wordt tewerkgesteld en daardoor genoodzaakt is van woonplaats te veranderen ten einde de in artikel 20 van het Statuut vermelde verplichting na te komen . Volgens lid 3 van artikel 5 wordt deze vergoeding berekend volgens de burgerlijke staat en het salaris van de ambtenaar op het tijdstip van tewerkstelling in de nieuwe standplaats en wordt zij uitbetaald na overlegging van bewijsstukken waaruit blijkt dat de ambtenaar zich met zijn gezin in zijn standplaats heeft gevestigd .
23 Hieruit volgt, dat wanneer is bewezen dat de ambtenaar en zijn gezin zich hebben gevestigd, de ambtenaar noch het bestaan van werkelijke uitgaven noch de duur van de vestiging van zijn gezin moet aantonen om in aanmerking te komen voor een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris .
24 Verzoeker heeft derhalve recht op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris, aangezien hij zich met zijn echtgenote in zijn nieuwe standplaats heeft gevestigd en op het moment waarop hij de dienst verliet, sedert meer dan twee jaar in dienst was bij de Gemeenschappen .
25 Bijgevolg moet het beroep worden toegewezen .
Beslissing inzake de kostenKosten
26 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd . Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van het Parlement, waarbij verzoeker toekenning van de inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris is geweigerd .
2 ) Veroordeelt het Parlement tot betaling aan verzoeker van de in artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris .
3 ) Verwijst het Parlement in de kosten van het geding .
Top