Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 23 MAART 1993. - WALTER GILL TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - INVALIDITEITSPENSIOEN - BEROEPSZIEKTE. - ZAAK T-43/89 RV.
Jurisprudentie 1993 bladzijde II-00303
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Ambtenaren ° Invaliditeit ° Invaliditeitscommissie ° Rechterlijk toezicht ° Draagwijdte ° Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 78)
2. Ambtenaren ° Invaliditeit ° Invaliditeitscommissie ° Inaanmerkingneming van eerdere medische rapporten ° Beoordelingsbevoegdheid van invaliditeitscommissie
(Ambtenarenstatuut, art. 78)
3. Ambtenaren ° Invaliditeit ° Vaststelling van beroepsmatige oorsprong van invaliditeit ° Niet-mededeling aan ambtenaar van resultaat van door Statuut voorgeschreven medische onderzoeken ° Bewijs van beroepsmatige oorsprong van invaliditeit of van verergering ervan ° Afwezigheid
(Ambtenarenstatuut, art. 78, tweede alinea)
4. Procedure ° Voordragen van nieuwe middelen in loop van geding ° Voorwaarden ° Toepassing op procedure na verwijzing, volgend op hogere voorziening
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2, en 120)
5. Ambtenaren ° Invaliditeit ° Invaliditeitscommissie ° Beroepsmatige oorsprong van invaliditeit ° Noodzaak van duidelijke en precieze vaststelling
(Ambtenarenstatuut, art. 78, tweede alinea; bijlage VIII, art. 13)
Samenvatting1. Hoewel de rechterlijke toetsing zich niet uitstrekt tot de eigenlijke medische beoordelingen, is het Gerecht niettemin bevoegd om na te gaan of het advies van een invaliditeitscommissie een motivering bevat aan de hand waarvan de overwegingen kunnen worden beoordeeld waarop de conclusies van het advies zijn gebaseerd.
Regelmatige conclusies van een invaliditeitscommissie kunnen voor het Gerecht niet worden betwist, zolang geen nieuw feit aan het licht is gekomen. Dit nieuwe feit kan niet bestaan in de overlegging door de verzoeker van medische verklaringen waarin de conclusies van de invaliditeitscommissie in twijfel worden getrokken, maar die niets bevatten op grond waarvan men zou kunnen menen, dat de invaliditeitscommissie geen kennis heeft gehad van de voornaamste gegevens van het dossier van de betrokkene.
2. Het staat aan de invaliditeitscommissie, te beslissen in hoeverre eerdere medische rapporten in aanmerking moeten worden genomen.
Dat de invaliditeitscommissie tot een andere conclusie is gekomen dan een van de artsen die verzoeker vroeger hadden onderzocht, volstaat op zich niet om de regelmatigheid van de conclusies van de invaliditeitscommissie in twijfel te trekken.
3. Het door artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, verlangde bewijs van een oorzakelijk verband tussen een beroepsziekte of de verergering daarvan en de werkzaamheden van een ambtenaar in dienst van de Gemeenschappen, kan niet worden geleverd door de enkele verklaring van die ambtenaar, dat hij niet op de hoogte was gesteld van de uitslagen van de medische onderzoeken voor of na zijn indiensttreding, zelfs niet indien als vaststaand wordt aangenomen dat deze verklaring en de uitlegging die de ambtenaar aan de resultaten van deze onderzoeken geeft, juist zijn. De vraag naar de eventuele aansprakelijkheid van de administratie in verband met de niet-mededeling aan een ambtenaar van gegevens die zijn verkregen bij door het Statuut voorgeschreven medische onderzoeken, staat geheel los van de vraag of de ambtenaar lijdt aan een beroepsziekte.
4. Ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat ingevolge artikel 120 van dat Reglement ook van toepassing is op de procedure na verwijzing, mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
Zo gezien, zijn ontvankelijk, ofschoon zij voor het eerst in de loop van de procedure na verwijzing zijn voorgedragen, een middel betreffende feitelijke vaststellingen van het Gerecht in het vernietigde arrest, een middel dat ten dele steunt op opmerkingen van het Hof in zijn arrest in hogere voorziening en voor het overige een herformulering is van een van de argumenten die verzoeker vanaf het begin van de procedure heeft aangevoerd, en een middel betreffende feitelijke elementen waarvan verzoeker ten tijde van de indiening van zijn inleidend verzoekschrift geen kennis had.
5. Van het bestaan van een beroepsziekte moet duidelijk en bepaaldelijk blijken uit de conclusies van de invaliditeitscommissie als bedoeld in artikel 13 van bijlage VIII bij het Statuut.
Zulks is kennelijk niet het geval wanneer het volgens deze conclusies onwaarschijnlijk is dat er een oorzakelijk verband zou bestaan tussen de ziekte die de invaliditeit van de ambtenaar heeft teweeggebracht en de uitoefening van zijn werkzaamheden.
PartijenIn zaak T-43/89 RV,
W. Gill, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Stoke-by-Clare (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. May, advocaat te Luxemburg, aldaar domicilie gekozen hebbende te diens kantore, Grand-Rue 31,
verzoeker,
ondersteund door
Union syndicale-Luxembourg, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 20 mei 1988 houdende weigering om ten aanzien van verzoeker artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut toe te passen en houdende vaststelling van zijn invaliditeitspensioen op basis van artikel 78, derde alinea, Ambtenarenstatuut,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 14 maart 1990,
gezien het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 1991,
gezien de na verwijzing ingediende stukken, en na de mondelinge behandeling op 8 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Het onderhavige arrest van het Gerecht wordt gewezen naar aanleiding van een verwijzing van de zaak door het Hof van Justitie (arrest van 4 oktober 1991, zaak C-185/90 P, Commissie/Gill, Jurispr. 1991, blz. I-4779, hierna: "arrest in hogere voorziening"), nadat verweerster hogere voorziening had ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 6 april 1990 (zaak T-43/89, Gill/Commissie, Jurispr. 1990, blz. II-173, hierna: "vernietigde arrest"). Inmiddels is een door verzoeker ingediend verzoek om herziening van het arrest in hogere voorziening door het Hof niet-ontvankelijk verklaard (beschikking van 25 februari 1992, zaak C-185/90 P-Rev., Gill/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-993).
De feiten en het procesverloop vóór verwijzing
2 Wat de voorgeschiedenis van het geding en het verloop van de eerdere stadia van de procedure betreft, zij verwezen naar de hierboven genoemde arresten en beschikking.
3 Artikel 78 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Ambtenarenstatuut") luidt:
"Overeenkomstig de artikelen 13 t/m 16 van bijlage VIII heeft de ambtenaar recht op invaliditeitspensioen wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen.
Indien de invaliditeit het gevolg is van een (...) beroepsziekte (...) bedraagt het invaliditeitspensioen 70 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar.
Indien de invaliditeit aan een andere oorzaak is te wijten, bedraagt het invaliditeitspensioen evenveel als het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht gehad zou hebben bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, indien hij tot deze leeftijd in dienst zou zijn gebleven (...)"
4 Verzoeker heeft in het Verenigd Koninkrijk 26 jaar lang in de kolenmijnen gewerkt in functies waarvoor hij regelmatig ondergronds moest gaan (gedurende de eerste 23 jaar bijna dagelijks en daarna enkele keren per maand). In 1974 werd hij aangeworven door de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Commissie"), waar hij zeven jaar lang ambten bekleedde waarvoor hij slechts zelden ondergronds behoefde te gaan (vier tot zes maal per jaar).
5 Op 11 juni 1981 vroeg verzoeker een invaliditeitspensioen aan. Hij beriep zich op een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut. Volgens een bijgevoegde medische verklaring was verzoeker arbeidsongeschikt "wegens een obstructieve broncho-pneumopathie, waarschijnlijk te wijten aan de inademing van stof (werk in de mijnen)".
6 Na aanzienlijke administratieve vertragingen bracht de in artikel 13 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut bedoelde invaliditeitscommissie op 31 maart 1987 haar rapport uit. Inmiddels had het tot aanstelling bevoegd gezag van de Commissie op 21 oktober 1983 een voorlopig besluit genomen om verzoeker een invaliditeitspensioen toe te kennen, berekend op basis van artikel 78, derde alinea, Ambtenarenstatuut.
7 De invaliditeitscommissie stelde zich in haar rapport op het standpunt, "dat het onwaarschijnlijk is, dat de zeldzame ondergrondse afdalingen sinds 1974 hebben bijgedragen tot de verergering van de reeds aanwezige ziekte" (blz. 3 van het rapport), en kwam eenstemmig tot de volgende conclusie:
"De heer Gill is nog steeds blijvend algeheel invalide (...)
[Hij] lijdt niet aan een van de ziekten vermeld in de lijst van beroepsziekten van de Europese Gemeenschappen. De invaliditeitscommissie is evenwel van oordeel, dat er een waarschijnlijk oorzakelijk en voldoende rechtstreeks verband bestaat met een specifiek en typisch, aan de tussen 1948 en 1971 uitgeoefende werkzaamheden inherent risico. Zij acht een oorzakelijk verband evenwel niet erg waarschijnlijk voor het tijdvak van 1974 tot 1981, toen betrokkene in Luxemburg ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen was."
8 Bij besluit van 4 november 1987 deelde de Commissie verzoeker mee, dat het bestaan van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, niet met voldoende zekerheid was komen vast te staan en dat zijn pensioen ook in het vervolg overeenkomstig artikel 78, derde alinea, zou worden vastgesteld.
9 Tegen dit besluit van 4 november 1987 diende verzoeker een klacht in, die bij besluit van de Commissie van 20 mei 1988 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing stelde hij op 18 augustus 1988 beroep in bij het Hof van Justitie, dat de zaak bij beschikking van 15 november 1989 naar het Gerecht verwees.
10 In zijn verzoekschrift concludeerde verzoeker, dat het het Gerecht behage:
° het besluit van 20 mei 1988 nietig te verklaren;
° te verklaren dat verzoeker blijvend algeheel invalide is als gevolg van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut;
° te verklaren dat verzoeker recht heeft op een invaliditeitspensioen gelijk aan 70 % van zijn laatste basissalaris, te rekenen vanaf de datum van zijn pensionering wegens invaliditeit, dat wil zeggen vanaf 1 november 1983;
° verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
11 In haar verweerschrift concludeerde de Commissie, dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;
° te beslissen over de kosten naar recht.
12 Ter terechtzitting van 14 maart 1990 heeft de Commissie haar exceptie van niet-ontvankelijkheid ingetrokken.
13 In het reeds genoemde arrest van 6 april 1990 verklaarde het Gerecht het besluit van de Commissie van 20 mei 1988 nietig.
14 De Commissie heeft tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld. Bij beschikking van 21 november 1990 heeft het Hof de Union syndicale-Luxembourg toegelaten tot interventie aan de zijde van Gill.
15 In zijn arrest in hogere voorziening van 4 oktober 1991 heeft het Hof het arrest van het Gerecht van 6 april 1990 vernietigd, de zaak naar het Gerecht verwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
16 Op 2 december 1991 heeft verzoeker om herziening van het arrest in hogere voorziening verzocht. Dit verzoek is door het Hof bij beschikking van 25 februari 1992 niet-ontvankelijk verklaard. In zijn beschikking wees het Hof erop dat, nu de zaak naar het Gerecht was verwezen, het geschil in zijn geheel aldaar aanhangig was.
Het procesverloop na verwijzing
17 Tegelijk met zijn verzoek om herziening van het arrest in hogere voorziening had verzoeker om schorsing verzocht van de procedure na verwijzing naar het Gerecht. Bij beschikking van 16 januari 1992 willigde het Gerecht dit verzoek in. Na de beschikking van het Hof van 25 februari 1992 is de procedure voor het Gerecht op 25 maart 1992 hervat.
18 Overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hebben verzoeker, verweerster en interveniënte elk een memorie van opmerkingen ingediend.
19 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot een nieuwe mondelinge behandeling over te gaan.
20 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 1992. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben geantwoord op de door het Gerecht gestelde vragen.
21 In zijn memorie van opmerkingen concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
° te verklaren, dat zijn memorie van opmerkingen binnen de gestelde termijn is ingediend en dus ontvankelijk is;
° nietig te verklaren het besluit van 20 mei 1988 waarbij de Commissie heeft geweigerd ten aanzien van verzoeker artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut toe te passen en zijn invaliditeitspensioen op basis van artikel 78, derde alinea, Ambtenarenstatuut heeft vastgesteld;
° het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 april 1990 te bevestigen;
° mitsdien te verklaren dat verzoeker blijvend algeheel invalide is als gevolg van een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut;
° te verklaren dat verzoeker recht heeft op een invaliditeitspensioen gelijk aan 70 % van zijn laatste basissalaris, te rekenen vanaf de datum van zijn pensionering wegens invaliditeit, dat wil zeggen vanaf 1 november 1983;
° verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
subsidiair:
° zo het Gerecht zich onvoldoende voorgelicht acht, een nieuwe invaliditeitscommissie te gelasten zich uit te spreken over het oorzakelijk verband tussen verzoekers werkzaamheden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de verslechtering van zijn gezondheidstoestand, of althans, overeenkomstig de artikelen 65, 70 e.v. van het Reglement voor de procesvoering bij beschikking de feiten aan te geven waarvan bewijs wordt verlangd en een deskundigenonderzoek te gelasten wat bedoeld oorzakelijk verband betreft.
22 Verweerster concludeert in haar memorie van opmerkingen dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° te beslissen over de kosten naar recht.
23 Interveniënte concludeert in haar memorie van opmerkingen, dat het het Gerecht behage:
° alvorens recht te doen, een nieuwe invaliditeitscommissie te gelasten zich uit te spreken over het oorzakelijk verband tussen verzoekers werkzaamheden en zijn ziekte, met name gelet op het medisch attest van Dr. Schneider van 1 oktober 1991;
° de beslissing omtrent de kosten aan te houden als naar recht.
De tussenkomst
24 De Union syndicale-Luxembourg is krachtens artikel 123 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof toegelaten als interveniënte voor het Hof aan de zijde van Gill. Voor het Hof concludeerde deze onder meer tot toewijzing van zijn vordering in eerste aanleg. In zijn arrest in hogere voorziening heeft het Hof geen beslissing genomen omtrent de kosten van interveniënte maar heeft het de zaak in haar geheel naar het Gerecht verwezen. Onder die omstandigheden stelt het Gerecht vast, dat de Union syndicale-Luxembourg in de procedure voor het Gerecht na verwijzing van de zaak, haar hoedanigheid van interveniënte heeft behouden.
De conclusies en middelen van partijen in eerste aanleg
Ontvankelijkheid
25 Met de tweede en de derde conclusie in zijn verzoekschrift (zie hiervoor, rechtsoverweging 10) verlangt verzoeker van het Gerecht verschillende verklaringen voor recht die er in werkelijkheid toe strekken de gegrondheid te doen erkennen van een aantal tot staving van zijn beroep aangevoerde middelen. In het kader van de wettigheidstoetsing krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut staat het evenwel niet aan het Gerecht om dergelijke verklaringen af te geven. In zoverre moet de vordering dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
26 Hoewel in de door verzoeker in eerste aanleg ingediende memories de aangevoerde middelen niet expliciet van elkaar worden onderscheiden, moet er volgens het Gerecht van worden uitgegaan, dat vier middelen worden aangevoerd: ten eerste, dat artikel 78, tweede alinea, niet het bewijs verlangt van een oorzakelijk verband tussen een beroepsziekte en de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen; ten tweede, dat de opdracht aan de invaliditeitscommissie in casu onnauwkeurig was geformuleerd; ten derde, dat het rapport van de invaliditeitscommissie onvoldoende met redenen was omkleed en/of gebrekkig was wegens dwaling ten aanzien van de feiten en het recht; en ten vierde, dat de resultaten van de medische onderzoeken die verzoeker heeft ondergaan, hem niet zijn medegedeeld.
Eerste middel: artikel 78, tweede alinea, verlangt geen bewijs van een oorzakelijk verband tussen een beroepsziekte en de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen
27 In repliek stelde verzoeker subsidiair, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de voorwaarden voor de toepassing van artikel 73 en van artikel 78 Ambtenarenstatuut. Artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut verlangt niet de vaststelling van een oorzakelijk verband tussen de beroepsziekte en de werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen.
28 In zijn arrest in hogere voorziening (rechtsoverwegingen 14-17) besliste het Hof, dat verzoekers chronische long- en luchtwegaandoening enkel als beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, kan worden aangemerkt, indien met voldoende zekerheid komt vast te staan, dat zij is ontstaan of verergerd in of bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen.
29 In de memorie van opmerkingen die verzoeker na de verwijzing van de zaak naar het Gerecht heeft ingediend, heeft hij deze uitlegging aanvaard.
30 Dit middel moet dus worden verworpen.
Tweede middel: onnauwkeurige formulering van de opdracht aan de invaliditeitscommissie
Argumenten van partijen
31 In zijn verzoekschrift stelt verzoeker onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 26 januari 1984 (zaak 189/82, Seiler, Jurispr. 1984, blz. 229), dat de opdracht aan de invaliditeitscommissie onvoldoende nauwkeurig was geformuleerd. Verweerster antwoordt hierop, dat de invaliditeitscommissie zelf de strekking van haar taak had gepreciseerd door op de eerste bladzijde van haar rapport rechtsoverweging 10 van het arrest van het Hof van 21 januari 1987 (zaak 76/84, Rienzi, Jurispr. 1987, blz. 315) aan te halen, naar luid waarvan haar taak erin bestond de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid te bepalen en na te gaan of er een voldoende nauw verband bestaat tussen verzoekers ziektetoestand en een aan de uitoefening van zijn werkzaamheden inherent, specifiek en kenmerkend risico. In de procedure na verwijzing steunt interveniënte verzoekers standpunt.
Beoordeling door het Gerecht
32 Blijkens haar rapport van 31 maart 1987 had de invaliditeitscommissie de opdracht gekregen "zich uit te spreken over de vraag of er sprake is van een beroepsziekte, en zo ja, over het verband tussen die ziekte en verzoekers werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen, waarbij zijn eerdere staat van dienst buiten beschouwing moet blijven".
33 Allereerst zij opgemerkt, dat deze opdracht niet zeer logisch is geformuleerd; de invaliditeitscommissie kon zich immers niet uitspreken over de vraag of de ziekte van Gill een beroepsziekte was, zonder eerst het eventuele verband te hebben onderzocht tussen zijn ziekte en zijn werkzaamheden. Toch stelt het Gerecht vast, dat de invaliditeitscommissie blijkens haar rapport heeft onderzocht waardoor verzoekers ziekte is ontstaan en of er een verband bestaat tussen die ziekte of de verergering daarvan en zijn werkzaamheden bij de Commissie, en zich daarbij heeft beperkt tot beoordelingen van medische aard. De formulering van de opdracht aan de invaliditeitscommissie heeft haar dus niet belet de strekking van haar opdracht duidelijk te begrijpen en de opdracht te vervullen.
34 Dit middel moet dus worden verworpen.
Derde middel: het rapport van de invaliditeitscommissie is onvoldoende met redenen omkleed en/of gebrekkig wegens dwaling ten aanzien van de feiten en het recht
Argumenten van partijen
35 Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift, dat de invaliditeitscommissie zich in haar rapport dubbelzinnig en bijzonder vaag heeft uitgedrukt. Zij zou hebben nagelaten te vermelden welk soort werkzaamheden Gill bij de Commissie had verricht en wat de eventuele invloed daarvan was op zijn ziekte of de verergering daarvan. De conclusies van de commissie waren in tegenspraak met die van eerdere medische rapporten, in het bijzonder die van Dr. McLintock, die aan de vorige medische procedure had deelgenomen. De Commissie antwoordde hierop, dat de invaliditeitscommissie, hoewel zij niet gebonden was aan eerdere medische rapporten of standpunten, in casu wel kennis had genomen van de eerdere medische rapporten en dus met volledige kennis van het dossier een definitieve medische eindbeoordeling had vastgesteld.
Beoordeling door het Gerecht
36 Hoewel de rechterlijke toetsing zich niet uitstrekt tot de eigenlijke medische beoordelingen, is het Gerecht niettemin bevoegd om na te gaan of het advies van een invaliditeitscommissie een motivering bevat aan de hand waarvan de overwegingen kunnen worden beoordeeld waarop de conclusies van het advies zijn gebaseerd (laatstelijk arrest Gerecht van 27 februari 1992, zaak T-165/89, Plug, Jurispr. 1992, blz. II-367, r.o. 75, en de daarin aangehaalde rechtspraak).
37 Blijkens haar rapport van 31 maart 1987 heeft de invaliditeitscommissie kennis genomen van de eerdere medische rapporten; zij heeft verzoeker gehoord en onderzocht, en is in het bijzonder ingegaan op de evolutie van zijn ziekte sinds 1981; zij heeft de uitslagen in aanmerking genomen van de onderzoeken door een van haar leden, Dr. Schneider, bij wie verzoeker regelmatig kwam voor controle; zij heeft de rol van verzoekers arbeidsomstandigheden tussen 1948 en 1971 geëvalueerd; en tenslotte heeft zij onderzocht of de ondergrondse afdalingen die hij na 1974 is blijven maken tot de verergering van zijn ziekte hebben kunnen bijdragen.
38 Onder de gegeven omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het rapport van de invaliditeitscommissie een motivering bevat aan de hand waarvan de overwegingen kunnen worden getoetst waarop de conclusies van het rapport zijn gebaseerd.
39 Met betrekking tot het verwijt, dat de conclusies van het rapport van de invaliditeitscommissie ingaan tegen die van de eerdere medische rapporten, kan worden volstaan met te verwijzen naar de vaste rechtspraak betreffende medische commissies, die naar analogie ook voor een invaliditeitscommissie geldt, zodat het aan de invaliditeitscommissie staat, te beslissen in hoeverre eerdere medische rapporten in aanmerking moeten worden genomen (arrest Hof van 19 januari 1988, zaak 2/87, Biedermann, Jurispr. 1988, blz. 143, r.o. 19). Dat de invaliditeitscommissie tot een andere conclusie is gekomen dan een van de artsen die verzoeker vroeger hadden onderzocht (Dr. McLintock), volstaat op zich niet om de regelmatigheid van de conclusies van de invaliditeitscommissie in twijfel te trekken.
40 Dit middel moet dus worden verworpen.
Vierde middel: de resultaten van de medische onderzoeken die verzoeker heeft ondergaan, zijn hem niet meegedeeld
Argumenten van partijen
41 In zijn schriftelijke opmerkingen stelt verzoeker, dat hem nooit is meegedeeld dat hij blijkens de roentgenfoto' s van zijn borstkas, die bij zijn indiensttreding bij de Commissie en daarna jaarlijks zijn gemaakt, een longkwaal heeft; dientengevolge heeft hij nooit de preventieve behandeling gekregen die de voortgang van zijn ziekte had kunnen afremmen, op welke grond de instelling een onrechtmatige daad kan worden verweten. Anderzijds stelt hij ook, dat het medisch onderzoek dat aan zijn aanwerving was voorafgegaan, in zoverre niet naar behoren was verricht, dat daarbij niet aan het licht was gekomen, dat hij een ernstige aandoening had, of dat hij enkel aan zijn ziekte aangepaste werkzaamheden kon verrichten. De Commissie stelt hier enerzijds tegenover, dat de invaliditeitscommissie heeft vastgesteld, dat verzoekers chronische long- en luchtwegaandoening begin 1974 aan het licht is getreden, en anderzijds, dat de in het rapport van de invaliditeitscommissie genoemde roentgenfoto van 1973 geen specifieke, zich ontwikkelende dan wel geconsolideerde, aandoening te zien gaf.
Beoordeling door het Gerecht
42 De vraag naar de eventuele aansprakelijkheid van de administratie met betrekking tot de mededeling aan een ambtenaar van gegevens betreffende zijn gezondheidstoestand, staat geheel los van de vraag of de ambtenaar lijdt aan een beroepsziekte in de zin van artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut. Het door dat artikel verlangde bewijs van een oorzakelijk verband tussen een beroepsziekte of de verergering daarvan en de werkzaamheden van een ambtenaar in dienst van de Gemeenschappen, kan niet worden geleverd door de enkele verklaring van die ambtenaar, dat hij niet op de hoogte was gesteld van de uitslagen van roentgenfoto' s die waren gemaakt bij de medische onderzoeken voor of na zijn indiensttreding, zelfs niet indien als vaststaand wordt aangenomen, dat deze verklaring en de uitlegging die de ambtenaar aan de roentgenfoto' s geeft, juist zijn, wat in casu door verweerster wordt betwist.
43 Overigens heeft het Hof in de rechtsoverwegingen 19 en 20 van zijn arrest in hogere voorziening overwogen, dat de eventuele bekendheid van de Commissie met verzoekers ziekte, op grond van de uitslag van het voorafgaande medische onderzoek, geen invloed kan hebben op de inhoud van het rechtsbegrip "beroepsziekte", zelfs niet indien als vaststaand moet worden aangenomen, dat de Commissie van zijn ziekte op de hoogte was.
44 Onder de gegeven omstandigheden acht het Gerecht de door verzoeker ter ondersteuning van dit middel aangevoerde gegevens ontoereikend om de regelmatigheid te kunnen aantasten van de medische conclusies van de invaliditeitscommissie of van de daarop gebaseerde besluiten van de Commissie van 4 november 1987 en 20 mei 1988.
45 Dit middel moet dus worden verworpen.
Conclusies en middelen van partijen in de procedure na verwijzing
46 In zijn memorie van opmerkingen na verwijzing voert verzoeker drie aanvullende middelen aan betreffende ten eerste, de vaststelling in het vernietigde arrest van het vereiste oorzakelijk verband, ten tweede de vaststelling van dit oorzakelijk verband in het rapport van de invaliditeitscommissie; en ten derde, nieuwe feiten.
Ontvankelijkheid
47 Ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat ingevolge artikel 120 van dat Reglement ook van toepassing is op de procedure na verwijzing, mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Het Gerecht moet bijgevolg nagaan of de aanvullende middelen en/of argumenten die verzoeker in zijn memorie van opmerkingen na verwijzing heeft voorgedragen, binnen de in het verzoekschrift vastgestelde grenzen blijven en, zo niet, of het middelen zijn die steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
48 Zoals hierna zal worden uiteengezet, heeft het eerste aanvullende middel betrekking op feitelijke vaststellingen van het Gerecht in het vernietigde arrest. Het tweede middel steunt ten dele op opmerkingen van het Hof in zijn arrest in hogere voorziening, en voor het overige is het een herformulering van een van de argumenten die verzoeker vanaf het begin van de procedure heeft aangevoerd met betrekking tot de aanwezigheid van het vereiste oorzakelijk verband. Het derde middel gaat over aanvullende medische beoordelingen, waarmee verzoeker ten tijde van de indiening van zijn verzoekschrift niet bekend was.
49 Onder deze omstandigheden acht het Gerecht deze drie middelen ontvankelijk.
Ten gronde
Het middel betreffende de vaststelling in het vernietigde arrest van een oorzakelijk verband
Argumenten van partijen
50 Volgens verzoeker kon het Gerecht bij de uitoefening van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de feiten, in rechtsoverweging 26 van het vernietigde arrest gevoeglijk tot de conclusie komen, dat de omstandigheid dat de Commissie vanaf het begin met het bestaan van de ziekte bekend was en dat een verergering van de ziekte voorzienbaar was, "een reeks voldoende overeenstemmende aanwijzingen" vormde om vast te stellen, dat de verergering van verzoekers ziekte is ontstaan in of bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen. Verweerster acht dit argument irrelevant, gelet op de overwegingen rechtens die het Hof in het arrest in hogere voorziening heeft geformuleerd.
Beoordeling door het Gerecht
51 Het Hof heeft in zijn arrest in hogere voorziening het arrest van het Gerecht in zijn geheel vernietigd. Deze vernietiging brengt mee dat de feitelijke vaststellingen in het vernietigde arrest niet meer bestaan. Verzoekers argument is dus niet gegrond voor zover het op de in het vernietigde arrest vastgestelde feiten is gebaseerd.
52 Zou het onderhavige middel kunnen worden uitgelegd als een uitnodiging aan het Gerecht om opnieuw dezelfde feiten vast te stellen als in het vernietigde arrest, dan moet worden gewezen op de rechtsoverwegingen 22 tot 26 van het arrest in hogere voorziening, waarin het Hof met nadruk heeft verklaard, dat het niet aan het Gerecht staat om vaststellingen te doen met betrekking tot het ontstaan van een ziekte.
53 Dit middel moet dus worden verworpen.
Het middel betreffende de vaststelling van een oorzakelijk verband in het rapport van de invaliditeitscommissie
Argumenten van partijen
54 Verzoeker betwist de verklaring van het Hof in rechtsoverweging 26 van het arrest in hogere voorziening, dat "de invaliditeitscommissie (...) het bestaan van elk causaal verband tussen de ziekte van Gill en diens werkzaamheden bij de Gemeenschappen had ontkend". De invaliditeitscommissie had enkel verklaard, dat "zij een oorzakelijk verband (...) niet erg waarschijnlijk acht voor het tijdvak van 1974 tot 1981, toen betrokkene in Luxemburg ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen was". De invaliditeitscommissie heeft dus hooguit vastgesteld, dat er twijfel leek te bestaan over het oorzakelijk verband en heeft een dergelijk verband dus niet formeel uitgesloten. De mogelijkheid van een oorzakelijk verband, hoe klein ook, moet steeds in het voordeel van het slachtoffer worden uitgelegd. Volgens verweerster daarentegen concludeert het rapport van de invaliditeitscommissie ondubbelzinnig, dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de aandoening van Gill en zijn werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen. Deze interpretatie van het rapport is door verzoeker tot nu toe ook nog nooit serieus in twijfel getrokken.
Beoordeling door het Gerecht
55 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet van het bestaan van een beroepsziekte duidelijk en bepaaldelijk blijken uit de conclusies van de invaliditeitscommissie (arrest Hof van 12 juni 1980, zaak 107/79, Schuerer, Jurispr. 1980, blz. 1845, r.o. 7).
56 In casu heeft de invaliditeitscommissie verklaard, dat het haars inziens "onwaarschijnlijk is, dat de zeldzame ondergrondse afdalingen sinds 1974 hebben bijgedragen tot de verergering van de reeds aanwezige ziekte", en heeft zij in haar conclusie herhaald, dat "zij een oorzakelijk verband (...) niet erg waarschijnlijk acht voor het tijdvak van 1974 tot 1981, toen betrokkene in Luxemburg ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen was".
57 De invaliditeitscommissie heeft in haar rapport van 31 maart 1987 dus niet het bestaan vastgesteld van enig oorzakelijk verband of van een beroepsziekte, zodat het middel ontleend aan het bestaan van een dergelijke vaststelling moet worden verworpen.
Het middel betreffende nieuwe feiten
Argumenten van partijen
58 In de procedure na verwijzing maakt verzoeker melding van twee medische attesten van Dr. Schneider, die verzoekers toestand sedert 1981 regelmatig controleert. In het eerste attest, van 24 februari 1989, die reeds ter terechtzitting van 14 maart 1990 was overgelegd, staat, dat verzoekers ademhalingstoestand stabiel is gebleven sinds hij zijn beroepswerkzaamheden heeft gestaakt. In het tweede attest, van 1 oktober 1991, heet het: "Sedert 1981 is zijn irreversibele longaandoening niet verslechterd; er is zelfs een lichte verbetering ingetreden. Er is inmiddels voldoende tijd verstreken om te kunnen vaststellen, dat zijn toestand is geconsolideerd. Dit heeft hiermee te maken, dat hij zijn beroepswerkzaamheden heeft gestaakt, medisch wordt behandeld, en zijn levenswijze heeft aangepast."
59 Volgens verzoeker kan aan bedoelde consolidatie de gevolgtrekking worden verbonden, dat er een causaal verband bestaat tussen de verslechtering van zijn gezondheidstoestand en zijn werkzaamheden in dienst van de Commissie. Volgens verweerster daarentegen staat vast, dat de invaliditeitscommissie ten volle rekening heeft gehouden met de ontwikkeling in de tijd van verzoekers symptomen, zelfs na de datum van zijn pensionering. Overigens is het volgens haar niet uitzonderlijk, dat de gezondheidstoestand van iemand die met invaliditeitspensioen gaat, licht verbetert nadat hij zijn beroepswerkzaamheden heeft gestaakt, wat zeker geen beslissende invloed kan hebben ten aanzien van het betwiste advies van de invaliditeitscommissie.
60 Volgens interveniënte, die verzoekers standpunt steunt, blijkt uit deze attesten op zijn minst, dat de zaak aan een nieuwe invaliditeitscommissie moet worden voorgelegd.
Beoordeling door het Gerecht
61 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen regelmatige conclusies van een invaliditeitscommissie niet worden betwist, zolang geen nieuw feit aan het licht is gekomen. Dit nieuwe feit kan niet bestaan in de overlegging door de verzoeker van medische attesten waarin de conclusies van de invaliditeitscommissie in twijfel worden getrokken, maar die niets bevatten op grond waarvan men zou kunnen menen, dat de invaliditeitscommissie geen kennis heeft gehad van de voornaamste gegevens van het dossier van betrokkene (arrest Schuerer, reeds aangehaald, r.o. 11 en 12).
62 Zoals hierboven reeds werd opgemerkt (rechtsoverweging 37), blijkt duidelijk uit het rapport van de invaliditeitscommissie van 31 maart 1987, dat deze commissie, waarvan ook Dr. Schneider, die door verzoeker als lid was aangewezen, deel uitmaakte, verzoeker heeft gehoord en onderzocht, en zich in het bijzonder op de hoogte heeft gesteld van de ontwikkeling van zijn ziekte sinds 1981, en dat zij een aantal onderzoeken van Dr. Schneider, die verzoeker regelmatig controleerde, in aanmerking heeft genomen. Opgemerkt zij overigens, dat Dr. Schneider het rapport van de invaliditeitscommissie zonder enig voorbehoud heeft ondertekend.
63 Onder die omstandigheden kunnen de door verzoeker overgelegde attesten niet als een nieuw feit worden aangemerkt. Zij bevatten geen nieuwe elementen op grond waarvan men zou kunnen menen, dat de invaliditeitscommissie geen kennis heeft gehad van de voornaamste gegevens van verzoekers medische dossier en kunnen de conclusies van de invaliditeitscommissie dus niet aantasten. Het desbetreffende middel moet dan ook worden verworpen.
Het verzoek om een nieuwe invaliditeitscommissie te doen bijeenroepen of om een deskundigenonderzoek te gelasten inzake de oorzaken van verzoekers ziekte
64 Zo het eerste verzoek, dat door verzoeker en interveniënte is gedaan, al ontvankelijk is, is er gelet op bovenstaande overwegingen geen reden om een nieuwe invaliditeitscommissie te doen bijeenroepen. Evenmin zijn gronden aanwezig om een medisch deskundigenonderzoek te gelasten, hoewel het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in die mogelijkheid voorziet.
65 Uit een en ander volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
66 Het arrest van het Gerecht van 6 april 1990, waarbij de Commissie in de kosten was verwezen, is vernietigd. In zijn arrest in hogere voorziening heeft het Hof de beslissing omtrent de kosten aangehouden. In zijn beschikking van 25 februari 1992 op het verzoek tot herziening van het arrest in hogere voorziening, heeft het Hof gelast, dat elk der partijen haar eigen kosten zou dragen. In het onderhavige arrest moet het Gerecht dus een beslissing nemen over alle kosten in verband met de verschillende stadia van de procedure, met uitzondering van de op het verzoek tot herziening van het arrest in hogere voorziening gevallen kosten.
67 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van genoemd Reglement blijven evenwel in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Alle partijen, met inbegrip van interveniënte, moeten dus in de eigen kosten worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen, met inbegrip van interveniënte, alle eigen kosten zal dragen betreffende de procedure voor het Gerecht en die voor het Hof, met uitzondering van de kosten waarover het Hof reeds heeft beslist.
Top