Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 13 MAART 1990. - MICHEL DAUTREMONT EN ANDEREN TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAREN - REISKOSTEN. - ZAAK T-71/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00111
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Vergoeding van kosten - Vervoerkosten - Kosten van dienstreizen - Onderscheidingscriteria
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikelen 11 tot en met 15 )
2 . Ambtenaren - Vergoeding van kosten - Vervoerkosten - Verplaatsingen binnen gebied van standplaats - Vaste vergoeding
( Ambtenarenstatuut, artikel 71; bijlage VII, artikel 15, 2e alinea )
Samenvatting1 . Voor de vergoeding van de kosten van vervoer die personeelsleden van de Gemeenschappen in de uitoefening van hun functie maken, heeft de gemeenschapswetgever in afdeling 3 van bijlage VII bij het Statuut twee onderscheiden regelingen getroffen, te weten vergoeding van "kosten van dienstreizen" en een vaste vergoeding van "verplaatsingskosten" in de zin van artikel 15 van die bijlage .
Blijkens de opzet van onderafdeling F (" Kosten van dienstreizen ") van bijlage VII is de regeling van de artikelen 11 tot en met 13 bedoeld voor verplaatsingen - dat wil zeggen reizen - over een zekere afstand, die recht geven op vergoeding van vervoerkosten en op dagvergoedingen . Artikel 15 daarentegen heeft duidelijk betrekking op tamelijk frequente verplaatsingen over korte afstand binnen een geografisch klein gebied . Laatstbedoelde verplaatsingen kunnen aanleiding geven tot vergoeding niet van de exacte kosten op vertoon van bewijsstukken, maar, eenvoudshalve, tot een vaste vergoeding in de vorm van een toelage, zonder overlegging van bewijsstukken .
2 . Regelmatige verplaatsingen van ambtenaren, om dienstredenen en met hun eigen auto, tussen twee in het gebied van hun standplaats gelegen werkplekken, welke verplaatsingen voorts geen recht geven op toekenning van de in artikel 13 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde dagvergoedingen, kunnen niet op één lijn worden gesteld met "dienstreizen" in de zin van onderafdeling F (" Kosten van dienstreizen ") van die bijlage, waarvan de toepassing in de regel een reis buiten het gebied van de standplaats onderstelt .
Gelet op het in artikel 71 van het Statuut vervatte grondbeginsel, volgens hetwelk de ambtenaar recht heeft op vergoeding van de kosten die hij in of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn functie heeft gemaakt, moet echter de verplaatsingskostenvergoeding krachtens artikel 15, tweede alinea, van bijlage VII ook worden toegekend aan ambtenaren van lagere rang dan A 2, wanneer deze zich om dienstredenen regelmatig moeten verplaatsen tussen twee in het gebied van hun standplaats gelegen werkplekken en hun privé auto daarbij hun enige vervoermiddel is .
PartijenIn zaak T-71/89,
Michel Dautremont, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, en anderen, vertegenwoordigd door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson, 6-8, rue Origer,
verzoekers,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door F . Pasetti Bombardella, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A . Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, 22, Côte d' Eich,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van het Europees Parlement tot afwijzing van de klacht van verzoekers inzake de vergoeding van de dagelijks in de uitoefening van hun functie gemaakte verplaatsingskosten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : A . Saggio, kamerpresident, C . Yeraris en B . Vesterdorf, rechters,
griffier : H . Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 30 januari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten en het procesverloop
1 Verzoekers, Michel Dautremont, Daniel Barboni, Johan Christiaens, Henry Connolly, Julien Maebe, Detlef Schaal, Robert Fourny en Douglas Eeles, ambtenaren van het Europees Parlement, zijn tewerkgesteld bij het Directoraat-generaal voorlichting en public relations, meer bepaald bij de te Luxemburg gevestigde dienst "Televisie ". Bij deze dienst werken negen personen, waaronder de acht verzoekers . De werkzaamheden van de dienst Televisie zijn verdeeld tussen de centra Senningerberg en Kirchberg, voornamelijk in verband met het feit dat het zware produktiemateriaal is opgeslagen te Senningerberg, terwijl de archieven en de administratie van de afdeling zich op Kirchberg bevinden . De afstand tussen de twee werkplekken bedraagt enkele kilometers . Verzoekers moeten zich vaak tussen Senningerberg en Kirchberg verplaatsen en wel - omdat openbaar vervoer ontbreekt - met hun eigen vervoermiddel ( privé-auto ) en op eigen kosten . Als voorbeeld vermelden verzoekers, dat er in de week van 1 tot 5 december 1987 voor de negen personeelsleden 38 verplaatsingen waren . Verweerder bestrijdt deze feiten niet .
2 Op 20 januari 1988 dienden verzoekers op grond van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut ( hierna : "Statuut ") ieder een verzoek in om vergoeding - ten titel van kosten van dienstreizen - van de kosten die zij voor hun verplaatsingen tussen Senningerberg en Kirchberg moeten maken . Na afloop van de bij genoemde statutaire bepaling bepaalde antwoordtermijn dienden verzoekers op 13 augustus 1988 ieder een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut . Toen verweerder binnen de gestelde termijn niet op die klachten had gereageerd, hebben verzoekers bij op 13 maart 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld .
3 De schriftelijke procedure heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden . Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof de zaak krachtens het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen naar het Gerecht verwezen . Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
4 Partijen hebben geconcludeerd als volgt .
Verzoekers hebben geconcludeerd dat het het Gerecht behage :
a ) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
b ) nietig te verklaren :
- het op 20 mei 1988 stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van 20 januari 1988 om toekenning van een vergoeding voor de verplaatsingskosten die verzoekers in het kader van hun dagelijkse dienstreizen genoodzaakt zijn te maken;
- voor zoveel nodig, het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de door verzoekers op 13 augustus 1988 krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut ingediende administratieve klacht;
c ) de wederpartij te veroordelen om aan verzoekers de kosten terug te betalen die zij in de uitoefening van hun functie hebben gemaakt, meer in het bijzonder de verplaatsingskosten die zij dagelijks moeten maken, en dit ten minste sedert de datum van hun op 20 januari 1988 krachtens artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut ingediend verzoek, en vermeerderd met moratoire en compensatoire interessen;
d ) de wederpartij te veroordelen in de kosten van het geding, hetzij op grond van artikel 69, paragraaf 2, hetzij op grond van artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering, met name in de kosten van domiciliekeuze en de reis - en verblijfkosten en het honorarium van de advocaat, overeenkomstig artikel 73, sub b, van genoemd Reglement .
Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage :
a ) het beroep te verwerpen;
b ) overeenkomstig de toepasselijke statutaire bepalingen over de kosten te beslissen .
Ten gronde
5 Tot staving van hun beroep stellen verzoekers, dat de bestreden stilzwijgend genomen besluiten schending opleveren van artikel 71 van het Statuut en van de artikelen 12, lid 4, en 15, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut . Zij vorderen vergoeding van bedoelde kosten op kilometerbasis krachtens voornoemd artikel 12, lid 4, subsidiair een forfaitaire vergoeding ingevolge voornoemd artikel 15, tweede alinea . Verzoekers beroepen zich voorts op de op verweerder rustende zorgplicht en op het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling .
6 Met betrekking tot het aan artikel 12, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut ontleende middel betogen verzoekers, dat aan de door dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan en dat er bijgevolg termen zijn om hun een reisopdracht in de zin van artikel 11 van die bijlage te verstrekken .
7 Tegen dit betoog brengt verweerder in, dat onder "dienstreis" is te verstaan ieder traject dat buiten de gewone feitelijke arbeidsplaats van een personeelslid wordt afgelegd; een dienstreis geeft echter slechts recht op toepassing van artikel 11 van bijlage VII bij het Statuut wanneer er sprake is van een "reis" in de zin van dat artikel . Voor vergoeding van de kosten van dienstreizen bestaat volgens verweerder geen aanleiding, wanneer het traject van de ene werkplek naar een andere binnen een geografisch klein gebied ligt; er is dan eerder sprake van een verplaatsing dan van een reis in de zin van artikel 11 van bijlage VII .
8 Vooraf zij erop gewezen, dat artikel 71 van het Statuut uitgaat van het beginsel, dat de ambtenaar recht heeft op vergoeding van de kosten die hij in of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn functie heeft gemaakt . De wijze van toepassing van dat beginsel is geregeld in bijlage VII bij het Statuut .
9 Voor de vergoeding van de kosten van vervoer die personeelsleden van de Gemeenschappen in de uitoefening van hun functie maken, heeft de gemeenschapswetgever in afdeling 3 van bijlage VII bij het Statuut twee onderscheiden regelingen getroffen, te weten vergoeding van "kosten van dienstreizen" en een vaste vergoeding van "verplaatsingskosten" in de zin van artikel 15 van die bijlage .
10 Blijkens de opzet van onderafdeling "F ) Kosten van dienstreizen" van bijlage VII is de regeling van de artikelen 11 tot en met 13 bedoeld voor verplaatsingen - dat wil zeggen reizen - over een zekere afstand, die recht geven op vergoeding van vervoerkosten en op dagvergoedingen . Artikel 15 daarentegen heeft duidelijk betrekking op tamelijk frequente verplaatsingen over korte afstand binnen een geografisch klein gebied . Laatstbedoelde verplaatsingen kunnen aanleiding geven tot vergoeding niet van de exacte kosten op vertoon van bewijsstukken, maar, eenvoudshalve, tot een vaste vergoeding in de vorm van een toelage, zonder overlegging van bewijsstukken .
11 In casu gaat het om twee werkplekken die op slechts enkele kilometers afstand van elkaar zijn gelegen . Die twee werkplekken liggen in het gebied van de "standplaats" van verzoekers en de hier bedoelde trajecten worden binnen dat gebied afgelegd . De verplaatsingen zijn voorts niet van dien aard, dat zij recht zouden geven op toekenning van de in artikel 13 van bijlage VII bedoelde dagvergoedingen . Zij kunnen derhalve niet op één lijn worden gesteld met "dienstreizen" in de zin van onderafdeling F van die bijlage, waarvan de toepassing in de regel een reis buiten het gebied van de standplaats onderstelt .
12 Het middel strekkende tot vergoeding van de vervoerkosten ingevolge artikel 12, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, faalt derhalve .
13 Met betrekking tot het aan artikel 15, tweede alinea, van bijlage VII ontleende middel betogen verzoekers, dat deze bepaling het mogelijk maakt, de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde vergoeding toe te kennen aan iedere ambtenaar wiens werkzaamheden geregeld verplaatsingen van welke aard ook meebrengen .
14 Verweerder brengt hiertegen in, dat hij deze bepaling niet heeft kunnen toepassen, omdat het uitzonderingskarakter ervan het gebruik ervan beperkt .
15 Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 15, eerste alinea, van bijlage VII aan ambtenaren van de rangen A 1 en A 2, die niet over een dienstauto beschikken, een vaste vergoeding tot een bepaald maximum per jaar kan worden toegekend voor hun vervoerkosten binnen het gebied van hun standplaats . Krachtens de tweede alinea van artikel 15 kan die verplaatsingskostenvergoeding bij met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag eveneens worden toegekend aan ambtenaren van lagere rang, indien dezen zich geregeld binnen het gebied van hun standplaats moeten verplaatsen en daartoe van hun privé-auto gebruikmaken .
16 Vaststaat dat verzoekers zich om dienstredenen geregeld tussen twee, enkele kilometers van elkaar gelegen werkplekken moeten verplaatsen en dat hun privé-auto daarbij hun enige vervoermiddel is . Zij zijn derhalve gedwongen in de uitoefening van hun functie kosten te maken .
17 In deze omstandigheden en gelet op het in artikel 71 van het Statuut vervatte grondbeginsel, moet worden vastgesteld dat artikel 15, tweede alinea, in het geval van verzoekers van toepassing is . Hieruit volgt, dat de stilzwijgend genomen besluiten van verweerder tot afwijzing van de verzoeken van verzoekers schending opleveren van het gemeenschapsrecht en mitsdien nietig moeten worden verklaard .
18 Ten aanzien van de vordering van verzoekers om verweerder te veroordelen tot betaling van de verplaatsingskosten die zij in de uitoefening van hun functie hebben gemaakt, moet in de eerste plaats worden beklemtoond, dat verzoekers het Gerecht geen enkel gegeven hebben meegedeeld aan de hand waarvan dit zou kunnen beoordelen, wie van hen daadwerkelijk verplaatsingskosten heeft gemaakt en hoe hoog ieders kosten zijn . In deze omstandigheden en gelet op de verplichting die krachtens de artikelen 168 A, lid 2, en 176, EEG-Verdrag op het Parlement rust om de ter uitvoering van het arrest van het Gerecht noodzakelijke maatregelen te nemen, behoeft op deze vordering niet te worden beslist .
19 Hieraan moet worden toegevoegd, dat het Parlement bij de uitvoering van dit arrest dient te onderzoeken, of en in welke mate elk van de verzoekers daadwerkelijk verplaatsingskosten heeft gemaakt, en afhankelijk van hetgeen daarbij wordt vastgesteld, en binnen de grenzen van het in artikel 15, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut genoemde bedrag, de besluiten te nemen bedoeld in artikel 15, tweede alinea, van die bijlage . Daarbij zij opgemerkt, dat verweerder de conclusies van verzoekers, strekkende tot vermeerdering van de aldus verschuldigde bedragen met moratoire interessen, niet heeft betwist .
Beslissing inzake de kostenKosten
20 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het stilzwijgend genomen besluit van het Europees Parlement tot afwijzing van de door verzoekers op 20 januari 1988 ingediende verzoeken en houdende weigering om de verplaatsingskosten van verzoekers te vergoeden .
2 ) Verwijst het Europees Parlement in de kosten van het geding .
Top