Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIJFDE KAMER) VAN 28 FEBRUARI 1991. - EBERHARD KORMEIER TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - KINDERTOELAGE - TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE. - ZAAK T-124/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-00125
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Ambtenaren - Terugvordering van het onverschuldigd betaalde - Voorwaarden - Voor de hand liggende onregelmatigheid van betaling - Kennis van betrokkene - Criteria
( Ambtenarenstatuut, art . 85 )
SamenvattingBij de vraag of de onregelmatigheid van een betaling die onverschuldigd aan een ambtenaar is gedaan, zo voor de hand lag, dat de betrokkene daarvan kennis had moeten dragen - in welk geval het betaalde ingevolge artikel 85 van het Statuut moet worden teruggevorderd -, dient in concreto te worden nagegaan of de betrokken ambtenaar de bekwaamheid bezat om de nodige verificaties te verrichten .
PartijenIn zaak T-124/89,
E . Kormeier, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Everberg ( België ), vertegenwoordigd door M . Slusny, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E . Arendt, avenue Marie-Thérèse 4,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om op verzoekers salaris de ten onrechte uitgekeerde kindertoelagen in te houden, en tot veroordeling van de Commissie tot terugbetaling van de reeds ingehouden bedragen, vermeerderd met moratoire interessen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : C . P . Briët, kamerpresident, H . Kirschner en J . Biancarelli, rechters,
griffier : B . Pastor, administrateur,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 oktober 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, aangeworven in 1960, was ten tijde van de hier relevante feiten tewerkgesteld als hoofdassistent van de rang B 1, salaristrap 8, bij het kabinet van de heer Narjes, vice-voorzitter van de Commissie van de Europese Gemeenschappen .
2 Tot 31 oktober 1986 ontving verzoeker voor zijn drie kinderen de kindertoelage en de schooltoelage, bedoeld in artikel 2 respectievelijk artikel 3 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut . Op 3 oktober 1986 ontving hij bericht van afdeling IXI (" administratieve en financiële rechten ") van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, dat hij met ingang van 1 november 1986 geen recht meer zou hebben op die toelagen voor zijn op 18 oktober 1960 geboren zoon Michael .
3 Verzoeker bevestigde de ontvangst van die mededeling bij nota van 15 oktober 1986 . Na erop te hebben gewezen, dat hij met ingang van 1 december 1986 ook geen recht op die toelagen meer zou hebben voor zijn op 25 november 1960 geboren zoon Dirk, verzocht hij om toekenning van de belastingvermindering voor kinderen ten laste overeenkomstig artikel 3, lid 4, tweede alinea, van verordening ( EEG, Euratom, EGKS ) nr . 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen ( PB 1968, L 56, blz . 8 ). Bij nota van 18 november 1986 deed de administratie hem weten, dat aan zijn verzoek zou worden voldaan, en wel voor zijn zoon Michael vanaf 1 november 1986 en voor zijn zoon Dirk vanaf 1 december 1986 .
4 Na 1 december 1986 bleef de administratie echter bij vergissing kindertoelagen betalen voor verzoekers zoon Dirk . Nadat die vergissing was bemerkt, nam de Commissie het besluit - bij nota van 11 november 1988 aan verzoeker meegedeeld - de onverschuldigde bedragen ( in totaal 238 649 BFR ) terug te vorderen door middel van inhouding van 13 649 BFR op verzoekers salaris over december 1988 en van 15 000 BFR op zijn salaris over de volgende maanden tot en met maart 1990 .
5 Bij nota van 23 november 1988, ingeschreven op 28 november daaraanvolgend, diende verzoeker een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in . Deze klacht werd door de Commissie afgewezen bij besluit van 22 maart 1989, aan verzoeker ter kennis gebracht op 11 april 1989 .
6 Bij op 10 juli 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld .
7 Na de indiening van het verweerschrift heeft het Hof krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, de zaak bij beschikking van 15 november 1989 naar het Gerecht verwezen .
8 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
9 De mondelinge behandeling heeft op 11 oktober 1990 plaatsgevonden . De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord .
10 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage :
1 ) het besluit van de Commissie van 11 november 1988 nietig en van onwaarde te verklaren;
2 ) de wederpartij te veroordelen tot terugbetaling van alle reeds ingehouden bedragen;
3 ) de wederpartij te veroordelen om aan verzoeker 8 % rente over die bedragen te betalen, vanaf de datum waarop zij op de aan verzoeker uitbetaalde bezoldigingen zijn ingehouden;
4 ) de wederpartij te verwijzen in de kosten van het geding .
11 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage :
1 ) het beroep te verwerpen;
2 ) te beslissen over de kosten naar recht .
Ten gronde
12 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker één middel aan, namelijk miskenning van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende artikel 85 van het Statuut . Met een beroep op, met name, 's Hofs arrest van 11 oktober 1979 ( zaak 142/78, Berghmans, Jurispr . 1979, blz . 3125 ) betoogt hij, dat die bepaling, volgens welke elk onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, niet van toepassing is wanneer de betrokken ambtenaar zich niet ervan bewust kon zijn dat er een vergissing was gemaakt . Hij wijst erop, dat hij in januari 1987, na te hebben geconstateerd dat er vaak veranderingen optraden in zijn salarisafrekeningen, een telefoongesprek heeft gevoerd met een ambtenaar die zich met de salarissen bezighield, en hem een fotokopie van zijn salarisafrekening over januari 1987 heeft toegestuurd met een briefje waarin hij verklaarde dat hij niets meer begreep van die salarisafrekeningen en dat hij voor de toekomst op meer duidelijkheid hoopte .
13 Onder verwijzing naar 's Hofs arresten van 27 juni 1973 ( zaak 71/72, Kuhl, Jurispr . 1973, blz . 705 ), 11 juli 1979 ( zaak 252/78, Broe, Jurispr . 1979, blz . 2393 ) en 17 januari 1989 ( zaak 310/87, Stempels, Jurispr . 1989, blz . 43 ) herinnert verzoeker eraan, dat men bij de vraag of het gaat om een vergissing die aan een normaal zorgvuldig ambtenaar niet had kunnen ontgaan, niet enkel de rang van de betrokken ambtenaar in aanmerking dient te nemen, maar ook of hij in staat is het nodige te verifiëren . Hij merkt op, dat het arrest van 17 januari 1989 ( zaak 310/87, Stempels, reeds aangehaald ), waarin het Hof oordeelde dat de vergissing van de administratie omtrent een onderdeel van de bezoldiging niet aan de verzoeker had kunnen ontgaan, hem niet kan worden tegengeworpen . Anders dan de ambtenaar waarom het in die zaak ging, bezit hij immers geen speciale financiële kennis . Ten slotte merkt hij op, dat volgens 's Hofs arresten van 11 november 1979 ( zaak 142/78, Berghmans, reeds aangehaald ) en 30 mei 1973 ( zaak 36/72, Meganck, Jurispr . 1973, blz . 527 ) in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de goede trouw van de betrokken ambtenaar . In zo' n geval kan deze de betaalde bedragen behouden en is de administratie niet gerechtigd ze terug te vorderen .
14 De Commissie betoogt, dat verzoeker wel degelijk kennis droeg van de onregelmatigheid van de hem gedane betalingen, althans dat die onregelmatigheid zo voor de hand lag, dat hij er kennis van had moeten dragen . Het bedrag van de kindertoelage wordt bij de jaarlijke aanpassing van de ambtenarensalarissen vastgesteld bij een verordening van de Raad en die verordeningen worden in het Publikatieblad bekendgemaakt en aan iedere ambtenaar persoonlijk in zijn moedertaal toegezonden . Aangezien verzoeker wist dat hij nog slechts voor één kind recht had op de kindertoelage, had, met name gezien zijn rang en anciënniteit, één blik op zijn salarisafrekeningen voor hem voldoende moeten zijn om de variaties in de hem als kindertoelage betaalde bedragen te begrijpen en vast te stellen dat daarmee iets niet in de haak was .
15 Met het oog op dit geschil herinnert het Gerecht aan het bepaalde in artikel 85 van het Statuut, namelijk dat "een onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag, dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen ."
16 Het Gerecht is van oordeel, dat blijkens de stukken die verzoeker in het dossier heeft doen opnemen - met name de hem op 3 oktober 1986 toegezonden nota van de afdeling Administratieve en financiële rechten en zijn antwoord daarop van 15 oktober 1986 -, verzoeker zeer wel wist dat hij met ingang van 1 november respectievelijk 1 december 1986 geen recht meer had op de kindertoelage voor zijn kinderen Michael en Dirk .
17 De verklaring van de Commissie, dat in de hier van belang zijnde periode de in het Publikatieblad bekendgemaakte regelingen inzake de periodieke aanpassing van het bedrag van de kindertoelage, aan iedere ambtenaar persoonlijk in zijn moedertaal werden toegezonden, is door verzoeker niet betwist . Bij onderzoek van de door verzoeker aan het dossier toegevoegde salarisafrekeningen is voorts gebleken, dat de als kindertoelage betaalde bedragen daarin duidelijk zijn gespecificeerd . Een en ander volstaat als bewijs, dat verzoeker, die geïnformeerd was over het exacte bedrag van de kindertoelage en die, afgaande op de stukken in het dossier, niet anders dan als een normaal zorgvuldig ambtenaar is te beschouwen, kennis moet hebben gehad van de onregelmatigheid van de hem ten onrechte gedane betalingen .
18 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( arresten van 27 juni 1973, Kuhl, 11 juli 1979, Broe, en 17 januari 1989, Stempels, alle reeds aangehaald ) moet er in elk concreet geval rekening mee worden gehouden, of de betrokken ambtenaar in staat was het nodige te verifiëren . Gezien de aard van de door verzoeker vervulde functie, zijn lange loopbaan bij de Commissie en de inhoud van de door hem aan het dossier toegevoegde beoordelingsrapporten, kan er in casu niet aan worden getwijfeld, dat hij alleszins in staat was niet enkel om het aanzienlijke verschil te constateren tussen het bedrag aan kindertoelagen dat hij ontving, en het bedrag waarop hij recht had, maar ook om een en ander te verifiëren . Hij zou dan een antwoord hebben gekregen dat aan duidelijkheid niets te wensen overliet .
19 Daarenboven is het Gerecht van oordeel, dat het telefoongesprek dat verzoeker - zonder door de Commissie te worden weersproken - zegt te hebben gevoerd met een ambtenaar die zich met de salarissen bezighield, en het feit dat hij die ambtenaar een fotokopie heeft gestuurd van zijn salarisafrekening over januari 1987 met een briefje waarin hij meedeelde niets van die afrekeningen te begrijpen, veeleer steun geven aan de opvatting dat hij in staat was een onjuistheid in die afrekeningen op te merken . Hoe dan ook, die handelwijze kan geen bewijs zijn van de goede trouw waarop verzoeker zich beroept, waar in bedoeld briefje nergens wordt gesproken van problemen in verband met de berekening van de kindertoelage en verzoeker bovendien niet heeft aangetoond of zelfs maar gesteld, dat de administratie als reactie op zijn opmerkingen hem een uitleg had verstrekt die zijn twijfel aan de juistheid van de salarisafrekeningen kon wegnemen .
20 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen .
Beslissing inzake de kostenKosten
21 Ingevolge artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat wordt gevorderd .
Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten in beroepen van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elke partij de eigen kosten zal dragen .
Top