Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 6 APRIL 1995. - TREFILEUROPE SALES SARL TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - INBREUK OP ARTIKEL 85 EEG-VERDRAG. - ZAAK T-141/89.
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-00791
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Mededinging - Mededingingsregelingen - Relevante markt - Afbakening - Betonstaalmatten
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging - Mededingingsregelingen - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten - Mededinging wegens kenmerken van produkt geconcentreerd in grensgebieden van Lid-Staten
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3. Mededinging - Mededingingsregelingen - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten - Toeneming van intracommunautaire handel ten gevolge van overeenkomst - Niet relevant
(EEG-Verdrag, art, 85, lid 1)
4. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Deelneming vermeendelijk onder dwang - Omstandigheid geen rechtvaardigingsgrond voor onderneming die geen gebruik heeft gemaakt van mogelijkheid van aangifte bij bevoegde autoriteiten
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1; verordening nr. 17 van de Raad, art. 3)
5. Mededinging - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Beoordelingscriteria - Mededingingsverstorend doel - Vaststelling toereikend
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
6. Mededinging - Mededingingsregelingen - Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren - Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daarop volgende mededingingsregeling
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
7. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - "Gentlemen's agreement" betreffende te volgen marktgedrag
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
8. Mededinging - Administratieve procedure - Verklaringen van ambtenaren die daartoe niet gemachtigd zijn - Geen toezegging van Commissie
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
9. Mededinging - Mededingingsregelingen - Exclusiviteitsovereenkomsten - Groepsvrijstellingen - Verordening nr. 67/67 - Alleenverkoopovereenkomst zonder uitvoerverbod - Bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedraging, gericht op beperking van parallelimporten - Geen vrijstelling
(Verordening nr. 67/67 van de Commissie, art. 1 en 3)
10. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Mededingingsverstorend doel of gevolg - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten - Criteria - Globale beoordeling en niet met betrekking tot iedere deelnemer afzonderlijk
(EEG-Verdrag, art, 85, lid 1)
11. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Overeenkomsten tussen moedermaatschappij en dochterondernemingen zonder werkelijke zelfstandigheid - Daarvan uitgesloten - Voorwaarde - Vennootschap die daadwerkelijke zeggenschap heeft over andere vennootschap, en niet slechts houder is van minderheidsaandeel
(EEG-Verdrag, art. 85)
12. Mededinging - Mededingingsregelingen - Exportclausules in verkoopovereenkomst - Verplichting van wederverkoop in bepaald land - Verbod - Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
13. Mededinging - Geldboeten - Meerdere inbreuken - Oplegging van één geldboete - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
14. Mededinging - Gemeenschapsregels - Inbreuken - Opzet - Begrip
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
15. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Communautaire sancties en sancties, door instanties van Lid-Staat opgelegd wegens schending van nationaal kartelrecht - Cumulatie - Toelaatbaarheid - Verplichting van Commissie rekening te houden met wegens zelfde feiten opgelegde nationale sanctie
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
16. Mededinging - Gemeenschapsregels - Toepassing door Commissie - Autonomie ten opzichte van toepassing van vergelijkbare nationale regels door nationale instantie
(EEG-Verdrag, art. 85 en 86)
Samenvatting1. De markt voor de verschillende soorten betonstaalmatten (onder meer voorraadmatten, lijstmatten, "Listenmatten" en pasmatten) vormt voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag één enkele markt voor betonstaalmatten: enerzijds kan een prijsdaling bij de voorraadmatten tot gevolg hebben dat zij "Listenmatten" en pasmatten kunnen substitueren en dat de afnemers overgaan op voorraadmatten, en anderzijds bestaat in de betrokken industrietak een zekere mogelijkheid om de produktieinstallaties aan te passen om de verschillende soorten betonstaalmatten te produceren.
2. Het feit dat de mededinging voor het betrokken produkt vooral in de verschillende grensgebieden van de betrokken Lid-Staten bestaat, sluit niet uit dat mededingingsregelingen in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt en dus de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloeden. Integendeel, dit feit impliceert noodzakelijkerwijs, dat de nationale markt wordt beïnvloed in het natuurlijke afzetgebied, en de omstandigheid dat dit gebied slechts een deel van het grondgebied van een Lid-Staat bestrijkt, sluit niet uit dat de nationale markt in haar geheel wordt beïnvloed.
3. Ook wanneer een overeenkomst tussen ondernemingen in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag - wellicht zelfs in aanzienlijke mate - tot een toeneming van de handel tussen Lid-Staten leidt, kan zij niettemin zeer wel de handel op zodanige wijze ongunstig beïnvloeden dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt wordt geschaad.
4. Een onderneming die samen met andere ondernemingen deelneemt aan met de mededingingsregels strijdige activiteiten, die ertoe strekken prijzen en quota vast te stellen, kan zich niet beroepen op het feit dat zij dat deed onder dwang van de andere deelnemers. Zij had immers de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan die activiteiten mee te werken.
5. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag behoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst niet in aanmerking te worden genomen wanneer blijkt, dat de overeenkomst ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Het feit dat een onderneming die deelneemt aan een overeenkomst tot verdeling van de markten, de overeengekomen prijzen en quota later niet respecteert, disculpeert haar niet.
6. Wanneer een onderneming, zelfs zonder daarin een actief aandeel te hebben gehad, aan vergaderingen tussen ondernemingen deelneemt, die ertoe strekken de prijzen van hun produkten vast te stellen, en zij zich niet publiekelijk van de inhoud ervan distantieert, waardoor zij bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij instemt met het resultaat van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zal houden, kan als bewezen worden beschouwd, dat zij deelneemt aan de uit deze vergaderingen resulterende mededingingsregeling.
7. Voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag volstaat het, dat de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht, om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen. Dat is het geval wanneer tussen verschillende ondernemingen een "gentlemen's agreement" bestaat dat de getrouwe weergave is van een dergelijke gezamenlijke wil en dat strekt tot beperking van de mededinging.
8. In het kader van een administratieve procedure betreffende een mededingingsregeling in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kunnen verklaringen van ambtenaren van de Commissie niet de indruk wekken een toezegging te zijn van de Commissie, wanneer die ambtenaren niet bevoegd zijn een dergelijke toezegging te doen.
9. De strekking van verordening nr. 67/67, zoals deze tot uiting komt in de considerans en artikel 3, sub b, onder 2, is dat de daarin vervatte vrijstelling afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de gebruikers door de mogelijkheid van nevenimport een billijk aandeel in de uit de alleenverkoop voortvloeiende voordelen krijgen. Derhalve kan een alleenverkoopovereenkomst die op zichzelf geen verbod van uitvoer van de contractprodukten bevat, niet in aanmerking komen voor de groepsvrijstelling van verordening nr. 67/67, wanneer de betrokken ondernemingen deelnemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging, gericht op de beperking van parallelimporten.
10. Teneinde vast te stellen of een onderneming een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag ten laste kan worden gelegd, zijn de enige relevante vragen, of zij heeft deelgenomen aan een overeenkomst met andere ondernemingen, die ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging werd beperkt, en of deze overeenkomst de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden. De vraag of de individuele deelneming van de betrokken onderneming aan de overeenkomst, in weerwil van haar geringe omvang, de mededinging kon beperken of de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden, is niet relevant.
Overigens vereist dit artikel niet, dat de vastgestelde beperkingen van de mededinging het handelsverkeer tussen Lid-Staten daadwerkelijk merkbaar hebben beïnvloed, doch enkel dat wordt aangetoond dat zij een dergelijk gevolg kunnen hebben gehad.
11. Artikel 85 van het Verdrag is niet van toepassing op overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die als moedermaatschappij en dochteronderneming tot een en hetzelfde concern behoren, wanneer die ondernemingen een economische eenheid vormen waarin de dochteronderneming haar marktgedrag niet werkelijk zelfstandig kan bepalen. Daarvan is evenwel geen sprake wanneer een onderneming over een andere onderneming geen andere zeggenschap heeft dan die welke zij ontleent aan haar deelneming in het kapitaal, die verre van een meerderheid is.
12. Exportclausules in een verkoopovereenkomst, die de wederverkoper verplichten de waar naar een bepaald land uit te voeren, leveren een inbreuk op artikel 85 op, wanneer zij voornamelijk ertoe strekken de wederuitvoer van de waar naar het land van produktie te verhinderen, teneinde een stelsel van dubbele prijzen op de gemeenschappelijke markt in stand te houden en daarmede de mededinging binnen die markt te beperken.
13. Krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 kan de Commissie voor verschillende inbreuken één geldboete opleggen. Dit geldt te meer wanneer de inbreuken hetzelfde soort van gedragingen op verschillende markten betroffen, in het bijzonder de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie, en de ondernemingen die bij die inbreuken betrokken waren, grotendeels dezelfde waren.
Bovendien wordt door het opleggen van één enkele geldboete de betrokken onderneming niet de mogelijkheid ontnomen om te beoordelen of de Commissie de zwaarte en de duur van de inbreuken correct heeft beoordeeld. De gemeenschapsrechter wordt evenmin de mogelijkheid ontnomen om zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, daar de betrokken beschikking, in haar geheel bezien, de onderneming de nodige gegevens verstrekt om te weten welke inbreuken haar ten laste worden gelegd en welke de specifieke omstandigheden van haar gedrag zijn.
14. Het is niet noodzakelijk dat de onderneming zich ervan bewust was dat zij inbreuk maakte op de mededingingsregels van het Verdrag, om de inbreuk op deze regels als een opzettelijke inbreuk te kunnen beschouwen; het volstaat dat zij niet onkundig kon zijn dat haar gedrag ertoe strekte de mededinging te beperken.
15. Ofschoon een cumulatie van sancties mogelijk is als gevolg van het feit dat er twee parallelle procedures met verschillende doelstellingen bestaan, wat toelaatbaar is op grond van de bijzondere bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten inzake mededingingsregelingen, houdt een algemene billijkheidseis in, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 verplicht is rekening te houden met sancties welke dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit mochten zijn opgelegd wanneer die sancties zijn opgelegd wegens een inbreuk op het kartelrecht van een Lid-Staat, die bijgevolg op het grondgebied van de Gemeenschap is begaan.
16. Eventuele punten van overeenkomst tussen de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake mededinging en het stelsel van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag kunnen in geen geval afdoen aan de autonomie waarover de Commissie bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 beschikt, noch haar ertoe verplichten om zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als de instanties die met de toepassing van die nationale wettelijke regeling zijn belast
PartijenIn zaak T-141/89,
Tréfileurope Sales SARL, voorheen Tréfilarbed SA, vervolgens Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL, vennootschap naar Luxemburgs recht, gevestigd te Luxemburg, vertegenwoordigd door D. Voillemot, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Koch, E. Traversa en J. Currall, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door N. Coutrelis en A. Coutrelis, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 - Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1),
Overwegingen van het arrestDe aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 - Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1, hierna: de "beschikking"), waarbij zij aan veertien producenten van betonstaalmatten een geldboete heeft opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. De produkten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zijn betonstaalmatten, een geprefabriceerd wapeningsprodukt dat is gemaakt van gladde of geribde koudgetrokken betonstaaldraden die door puntlassing in een rechte hoek met elkaar zijn verbonden om een netwerk te vormen. Dit produkt wordt op bijna alle terreinen van de gewapend-betonconstructie gebruikt.
2 Vanaf 1980 zouden in deze sector een aantal kartels en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de aanleiding voor de beschikking hebben gevormd, tot stand zijn gekomen op de Duitse, de Franse en de Benelux-markt.
3 Voor de Duitse markt verleende het Bundeskartellamt op 31 mei 1983 de Duitse producenten van betonstaalmatten toestemming voor de oprichting van een structuurcrisiskartel. Na één maal te zijn verlengd liep deze toestemming in 1988 af. Het kartel had tot doel de capaciteit te verminderen; het voorzag ook in leveringsquota en prijsregelingen, die echter slechts werden goedgekeurd voor de eerste twee jaar van de toepassing van de kartelovereenkomst (punten 126 en 127 van de beschikking).
4 Op 20 juni 1985 bracht de Franse Commission de la concurrence een advies omtrent de toestand van de mededinging op de markt voor betonstaalmatten in Frankrijk uit, waarna de Franse minister van Economische zaken, Financiën en Begroting beschikking nr. 85-6 DC van 3 september 1985 heeft vastgesteld, waarbij aan verschillende Franse ondernemingen een geldboete is opgelegd wegens handelingen en feitelijke gedragingen die ertoe strekten of ten gevolge hadden, dat gedurende het tijdvak 1982-1984 de mededinging werd beperkt of vervalst en de normale werking van de markt werd belemmerd. Verzoekster werd een geldboete van 10 000 FF opgelegd voor haar deelneming aan een afspraak die ertoe strekte en ten gevolge had dat de mededinging van eind september 1983 tot april 1984 werd vervalst.
5 Op 6 en 7 november 1985 verrichtten ambtenaren van de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), gelijktijdig en zonder voorafgaande waarschuwing verificaties ten kantore van zeven ondernemingen en twee ondernemersverenigingen, te weten Tréfilunion SA, Sotralentz SA, Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL, Ferriere Nord SpA (Pittini), Baustahlgewebe GmbH (BStG), Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (Thibodraad), NV Bekaert, Syndicat national du tréfilage d'acier (STA) en Fachverband Betonstahlmatten eV. Op 4 en 5 december 1985 verrichtten zij verder verificaties ten kantore van de ondernemingen ILRO SpA, GB Martinelli, NV Usines Gustave Boël (afdeling Trébos), Tréfileries de Fontaine-l'Évêque (TFE), Frère-Bourgeois Commerciale SA (FBC), Van Merksteijn Staalbouw BV en ZND Bouwstaal BV.
6 Op grond van de bij deze verificaties gevonden documenten, alsmede van de gegevens die zij krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 in handen had gekregen, kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1980 en 1985 inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag hadden gemaakt door een reeks overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake leveringsquota en prijzen voor betonstaalmatten. De Commissie leidde de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in en op 12 maart 1987 werden de betrokken ondernemingen op de hoogte gesteld van de punten van bezwaar, waarop die ondernemingen hebben gereageerd. Op 23 en 24 november 1987 vond een hoorzitting met hun vertegenwoordigers plaats.
7 Na afloop van deze procedure gaf de Commissie de beschikking. Volgens deze beschikking (punt 22) bestonden de concurrentiebeperkingen in een aantal overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de vaststelling van prijzen en/of leveringsquota alsmede op de verdeling van de markten voor betonstaalmatten. Deze afspraken betroffen in hoofdzaak telkens een deelmarkt (de Franse markt, de Benelux-markt, de Duitse markt), doch beperkten de handel tussen de Lid-Staten, aangezien daaraan werd deelgenomen door in verschillende Lid-Staten gevestigde ondernemingen. Volgens de beschikking "gaat het niet zozeer om een globale afspraak tussen alle producenten uit alle betrokken Lid-Staten, maar veeleer om een geheel van verschillende afspraken met ten dele wisselende deelnemers. Door de reglementering van de afzonderlijke deelmarkten heeft dit geheel van afspraken echter geleid tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt."
8 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
Tréfilunion SA, Société métallurgique de Normandie (SMN), CCG (Tecnor), Société de treillis et panneaux soudés (STPS), Sotralentz SA, Tréfilarbed SA, respectievelijk Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL, Tréfileries de Fontaine-l'Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale SA (thans Steelinter SA), NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos, Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (thans Thibo Bouwstaal BV), Van Merksteijn Staalbouw BV, ZND Bouwstaal BV, Baustahlgewebe GmbH, ILRO SpA, Ferriere Nord SpA (Pittini) en GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door in de periode van 27 mei 1980 tot 5 november 1985 in een of meer gevallen deel te nemen aan een of meer overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (afspraken) die bestonden uit het bepalen van verkoopprijzen, het beperken van de afzet, de verdeling van de markten, alsmede uit maatregelen voor de toepassing van deze afspraken en voor de controle daarop.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de betonstaalmattensector in de Gemeenschap, moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, en zich voortaan met betrekking tot hun betonstaalmattenactiviteiten onthouden van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel beogen of tot gevolg hebben.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
1. Tréfilunion SA (TU): een geldboete van 1 375 000 ECU;
2. Société métallurgique de Normandie (SMN): een geldboete van 50 000 ECU;
3. Société des treillis et panneaux soudés (STPS): een geldboete van 150 000 ECU;
4. Sotralentz SA: een geldboete van 228 000 ECU;
5. Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL: een geldboete van 1 143 000 ECU;
6. Steelinter SA: een geldboete van 315 000 ECU;
7. NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos: een geldboete van 550 000 ECU;
8. Thibo Bouwstaal BV: een geldboete van 420 000 ECU;
9. Van Merksteijn Staalbouw BV: een geldboete van 375 000 ECU;
10. ZND Bouwstaal BV: een geldboete van 42 000 ECU;
11. Baustahlgewebe GmbH (BStG): een geldboete van 4 500 000 ECU;
12. ILRO SpA: een geldboete van 13 000 ECU;
13. Ferriere Nord SpA (Pittini): een geldboete van 320 000 ECU;
14. GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA: een geldboete van 20 000 ECU.
(...)"
9 Vóór 1 augustus 1984 was Tréfilarbed SA, dochter van de Arbed-groep, een beheers- en verkoopmaatschappij die te Gent (België), Roermond (Nederland) en St. Ingbert (Duitsland) gevestigde ondernemingen die betonstaalmatten produceerden, alsmede onder meer te Parijs en Gent gevestigde draadtrekkerijen en verkoopkantoren controleerde. In 1984 werd Tréfilarbed SA omgezet in een verkoopmaatschappij, Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL genaamd, waarvan het kapitaal telkens voor de helft in handen was van Arbed SA en Techno Saarstahl GmbH (een volle dochter van Saarstahl). Volgens punt 195, sub d, van de beschikking moet Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken derhalve als rechtsopvolger van Tréfilarbed SA worden beschouwd en aansprakelijk worden geacht voor de handelingen van laatstgenoemde onderneming, alsook voor haar eigen handelingen die na 1 augustus 1984 werden begaan. In de beschikking wordt gepreciseerd, dat tot de handelingen waarvoor Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL aansprakelijk moet worden geacht, ook de handelingen van haar dochtervennootschappen in Frankrijk, België en Nederland behoren, daar Tréfilarbed SA of Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL moet worden beschouwd als een onderneming die met deze dochtervennootschappen een eenheid vormt. Na de beslissing van Arbed en Usinor-Sacilor/Saarstahl om de draadtrekkerijen Schmerbeck & Kuhlmann, Techno Saarstahl, Tréfilarbed Bissen en Tréfileurope France te hergroeperen, veranderde Tréfilarbed Luxembourg-Saarbruecken SARL de naam van de vennootschap in Tréfileurope Sales SARL (hierna: "Tréfilarbed").
De procedure
10 In deze omstandigheden heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 oktober 1989, het onderhavig beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Tien van de dertien andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, hebben eveneens beroep ingesteld.
11 Bij beschikkingen van 15 november 1989 heeft het Hof deze zaak en de tien andere zaken krachtens artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1) naar het Gerecht verwezen. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-141/89-T-145/89 en T-147/89-T-152/89.
12 Bij beschikking van 13 oktober 1992 heeft het Gerecht deze zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling.
13 Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 22 april en 7 mei 1993, hebben partijen de hun door het Gerecht gestelde vragen beantwoord.
14 Gezien de antwoorden op die vragen en het rapport van de rechter-rapporteur, heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
15 Ter terechtzitting, die van 14 tot en met 18 juni 1993 plaatsvond, zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
16 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- de artikelen 1 en 3 van de beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover zij betrekking hebben op Tréfilarbed;
- voor het geval het Gerecht deze vordering niet toewijst, artikel 3 van de beschikking aldus te wijzigen dat de aan Tréfilarbed opgelegde geldboete wordt ingetrokken of aanzienlijk verlaagd;
- de Commissie te verwijzen in alle kosten, waarvan de bewijsstukken later zullen worden overgelegd.
17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ten gronde
18 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag en schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
Het middel: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
I - De relevante markt
A - De produktmarkt
Argumenten van partijen
19 Verzoekster betoogt, dat de Commissie in haar beschikking de markt op algemene en oppervlakkige wijze heeft geanalyseerd en dat zij bij de bepaling van de relevante markt kennelijk heeft gedwaald.
20 In punt 3 van de beschikking wordt gesteld, dat er verschillende soorten betonstaalmatten zijn: voorraad- of standaardmatten, lijstmatten en pasmatten. Anders dan in de beschikking wordt gesteld, bestaat volgens verzoekster tussen deze drie soorten betonstaalmatten geen concurrentie en is er geen sprake van één en dezelfde markt. Haars inziens bestaan er twee afzonderlijke markten: een markt voor voorraadmatten of "Lagermatten" en een markt voor pasmatten of "Zeichnungsmatten". Deze twee soorten betonstaalmatten worden op verschillende wijze vervaardigd, hebben andere externe kenmerken, voorzien in verschillende behoeften van de gebruikers en verschillen in prijs. Voorraadmatten zijn plat, het formaat en het maaswerk is gestandaardiseerd, zij worden machinaal en volautomatisch vervaardigd en kunnen tot de verkoop worden opgeslagen. Pasmatten worden vervaardigd volgens de bijzondere specificaties van het adviesbureau van het project waarvoor zij zijn bestemd; zij kunnen niet worden opgeslagen, maar worden rechtstreeks op de bouwplaats geleverd. Vaak eist de bouwer dat zij "just in time" worden geleverd, hetgeen de leverancier voor bijzondere transportproblemen stelt. De zogenoemde lijstmatten en "Listenmatten" zijn niet van hetzelfde type en vormen geen homogene categorie. Het begrip "Listenmatten" dekt in beginsel het begrip "pasmatten". Er bestaan evenwel "Listenmatten" van een eenvoudig type, die geen voorraadmatten zijn, maar wel zijn gestandaardiseerd.
21 Verzoekster wijst met nadruk op het verschil in prijs tussen deze twee soorten betonstaalmatten, dat het gevolg is van het verschil in toegevoegde waarde, die voor voorraadmatten zeer gering is - 20 tot 25 % van de verkoopprijs - en veel hoger - 50 tot 80 %, en zelfs 100 % - voor pasmatten. De elementen die de kostprijs van voorraadmatten bepalen, zijn vrij eenvoudig, terwijl die voor pasmatten variëren naargelang van het daarvoor vereiste werk. In dit verband en op grond van een bij het verzoekschrift gevoegde grafiek stelt verzoekster, dat hoewel de prijsevolutie van deze twee soorten betonstaalmatten niet geheel is ontkoppeld, de twee prijzen zich toch onafhankelijk van elkaar ontwikkelen. Met betrekking tot de invloed van de prijs van voorraadmatten op de prijs van pasmatten stelt verzoekster, dat een gebruiker slechts in uitzonderlijke omstandigheden - zoals een scherpe daling van de prijs van voorraadmatten - ervan zal afzien pasmatten te bestellen en voorraadmatten zal gebruiken, hetgeen in de periode 1980-1985 niet het geval was.
22 Verzoekster concludeert, dat deze twee soorten betonstaalmatten vanuit het oogpunt van de gebruiker niet substitueerbaar zijn en derhalve afzonderlijke markten vormen. De echte concurrentie voor pasmatten wordt gevormd door betonstaafstaal.
23 Volgens de Commissie lijkt verzoeksters omschrijving van de markt in geen enkel opzicht in tegenspraak met de hare. Zij erkent het verschil tussen voorraad- en pasmatten, met name wat de kostprijs betreft, en daarom heeft zij in punt 3 van de beschikking de pasmatten als een secundaire markt aangemerkt. Haars inziens is er evenwel geen sprake van twee afzonderlijke markten. Wat de wederzijdse beïnvloeding van de prijs van de verschillende betonstaalmatten betreft, merkt de Commissie op, dat een vervanging van pasmatten door voorraadmatten volgens verzoekster technisch mogelijk is, hetgeen aantoont dat zij substitueerbaar zijn. Dat een dergelijke substitutie niet heeft plaatsgevonden, is - zoals verzoekster zelf erkent - een gevolg van het feit dat de prijs van voorraadmatten niet is gedaald tot een niveau waarop zij doeltreffend met pasmatten konden concurreren. Een producent van pasmatten heeft er belang bij de prijs van voorraadmatten mee te bepalen, en dat was juist het doel waarvoor minimumprijzen werden vastgesteld in het kader van de afspraken betreffende de prijzen op de Benelux-markt, waaraan verzoekster, zoals haar ten laste wordt gelegd, heeft deelgenomen.
Beoordeling door het Gerecht
24 Het Gerecht merkt op, dat verzoeksters omschrijving van de markt niet in tegenspraak is met die van de Commissie. Verzoekster maakt namelijk onderscheid tussen voorraadmatten, lijstmatten of semi-gestandaardiseerde matten, "Listenmatten" en pasmatten, en stelt dat de eerste twee soorten grotendeels gelijksoortige produkten zijn en dat de laatste twee soorten eveneens gelijksoortige produkten zijn, maar niettemin op belangrijke punten van de eerste twee verschillen. Volgens het Gerecht wordt in de beschikking niets anders gezegd, wanneer in punt 3 daarvan wordt verklaard, dat "een verregaande mate van substitueerbaarheid hoofdzakelijk bestaat bij de voorraad- en de lijstmatten", en dat "men van de relevante markt voor dit produkt kan stellen dat het gaat om een algemene markt voor betonstaalmatten waarbinnen een secundaire markt voor pasmatten bestaat".
25 Met betrekking tot de door verzoekster ter sprake gebrachte prijzen van voorraadmatten en pasmatten, stelt het Gerecht vast dat zij niet sterk van elkaar afwijken. Deze convergentie van de prijzen is kennelijk - zoals verzoekster zelf erkent - het gevolg van objectieve factoren die deze beide markten van staalmatten beïnvloeden, te weten de prijs van walsdraad, de grondstof voor deze twee produkten, en de evolutie van de vraag op de gebruikersmarkt, de bouwsector, die de algemene conjunctuur weerspiegelt.
26 Na deze vaststellingen moet een vraag worden onderzocht die daarmee nauw verband houdt, namelijk de invloed van de prijs van voorraadmatten op de prijs van "Listenmatten" en pasmatten. Het is met andere woorden de vraag, of een prijsdaling bij de voorraadmatten tot gevolg kan hebben dat zij "Listenmatten" en pasmatten kunnen substitueren, en dat de afnemers overgaan op voorraadmatten. Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat het gebruik van voorraadmatten op bouwplaatsen waar "Listenmatten" of pasmatten zouden moeten worden gebruikt, slechts mogelijk is, wanneer de vorm van de aan te brengen wapening dat toelaat, en in elk geval slechts op voorwaarde dat op de bouwplaats aanpassingen worden aangebracht die technisch geen moeilijkheden opleveren of te hoge extra kosten veroorzaken. Dienaangaande moet ook worden vastgesteld, dat verzoekster erkent, dat het gebruik van voorraadmatten op een bouwplaats waar normalerwijze pasmatten moeten worden gebruikt, inderdaad mogelijk is, wanneer de prijs daarvan laag genoeg is om voor de opdrachtgever een belangrijke besparing op te leveren, die de extra kosten dekt en de technische nadelen in verband met het gebruik van ander materiaal compenseert. Voorts moet eraan worden herinnerd, dat ter terechtzitting is gebleken dat deze situatie zich heeft voorgedaan tijdens een deel van de periode waarin de afspraken golden.
27 Bovendien stelt het Gerecht vast, dat sommige in de beschikking genoemde ondernemingen, waaronder verzoekster, in staat zijn verschillende soorten betonstaalmatten te produceren, waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid, dat in de industrietak een zekere mogelijkheid bestaat om de produktieinstallaties aan te passen om de verschillende soorten betonstaalmatten te produceren.
28 De mogelijkheid om verschillende soorten betonstaalmatten te produceren en de wederzijdse beïnvloeding van de prijzen van deze verschillende soorten worden namelijk aangetoond door verschillende stukken waarop de beschikking is gebaseerd. In dit verband moet worden gewezen op de brief van 6 juni 1980 [bijlage 55 bij de mededeling van punten van bezwaar (hierna: "PvB"), punt 79 van de beschikking] van Tréfilunion aan STA over de op 27 mei 1980 te Brussel gehouden bijeenkomst tussen Thibodraad, Arbed, Van Merksteijn, Tréfilunion en TFE, waarin staat, dat "Van Merksteijn, die met grote voorsprong marktleider is voor voorraadmatten en die enkel deze produkten maakt, duidelijk lage prijzen wil handhaven om in deze sector van de markt zijn dominantie te bestendigen ten aanzien van import en andere plaatselijke producenten, waaronder de heer Bakker zelf, die - net als Arbed trouwens - de voorraadmatten lijkt te hebben opgegeven ten voordele van semi-standaard- en pasmatten". Blijkens een telexbericht van verzoekster van 22 juni 1983 (bijlage 33 bij PvB, punt 55 van de beschikking) had ook zij de pasmatten opgenomen in de overeenkomst betreffende de Franse markt voor 1983-1984. In een brief van Tréfilarbed France aan Tréfilarbed Luxembourg van 4 november 1983 (bijlage 36 bij PvB, punt 59 van de beschikking) staat bovendien te lezen, dat "het standpunt waaraan wij moeten vasthouden, datgene is dat werd ingenomen tijdens onze bijeenkomst met de heer Marie te Parijs op 28 maart 1983, dat wil zeggen, de overeenkomsten beperken tot voorraadmatten en gerationaliseerde matten die ten minste 95 % van de huidige markt vertegenwoordigen". Tevens bestaat er een intern rapport van Thibodraad van 3 maart 1980, waarin verslag wordt gedaan over een bespreking met Arbed op 27 februari 1980 (bijlage 83 bij PvB, punt 117 van de beschikking), waarin wordt vermeld, dat het de voorkeur zou verdienen, voor alle soorten betonstaalmatten basis- en maximumprijzen te hanteren. Voorts moet worden gewezen op een verslag van Tréfilarbed van 7 mei 1980 over een bezoek bij Van Merksteijn op 28 april 1980 (bijlage 81 bij PvB, punt 114 van de beschikking), waarin wordt verklaard: "aangezien de produktie is toegespitst op voorraadmatten en detailverkoop niet ter zake dienend is, is er geen sprake van rechtstreekse concurrentie tussen Van Merksteijn en Thibo/Staalmat of Tréfilarbed; dat belet evenwel niet, dat het door Van Merksteijn toegepaste prijsniveau voor voorraadmatten een zekere invloed heeft op dat van lijstmatten". Dat bepaalde producenten op zogenaamd verschillende markten voor betonstaalmatten konden opereren, blijkt ook uit een interne korte nota van Tréfilarbed van 18 december 1981 over een ander bezoek bij Van Merksteijn op 1 december 1981 (bijlage 82 bij PvB, punt 116 van de beschikking). Ten slotte stelt het Gerecht vast, dat de op 24 november 1976 en 22 maart 1982 tussen BStG enerzijds en Bouwstaal Roermond BV en Arbed SA afdeling Nederland anderzijds gesloten leveringsovereenkomsten (bijlagen 109 en 109 A bij PvB) betrekking hadden op voorraadmatten en niet-standaardmatten.
29 Op deze gronden is het Gerecht van oordeel, dat de analyse van de produktmarkt van de Commissie niet onjuist is, en dat verzoeksters grief derhalve moet worden afgewezen.
B - De geografische markt
Argumenten van partijen
30 Verzoekster meent, dat de Commissie terecht drie afzonderlijke nationale markten in aanmerking heeft genomen: de Franse, de Duitse en de Benelux-markt. Deze drie markten hebben verschillende kenmerken, zowel uit economisch oogpunt als uit het oogpunt van de door elke Lid-Staat opgelegde administratieve verplichtingen: zo is invoer in een Lid-Staat zonder naleving van de aldaar geldende normen en zonder goedkeuring of erkenning nagenoeg onmogelijk, ofschoon - zoals verzoekster erkent - de betrokken produkten op twee markten kunnen wordenn afgezet wanneer de produktiemiddelen aan de eisen van elk van deze markten zijn aangepast. Volgens Tréfilarbed is de echte markt voor betonstaalmatten evenwel een regionale markt: het natuurlijke afzetgebied voor betonstaalmatten ligt namelijk in een straal van 150 km rond de plaats waar zij worden geproduceerd, en kan zelf door een grens worden doorsneden. De reden daarvoor is, dat de vervoerkosten in verhouding tot de prijs van het produkt zeer hoog zijn. Dit heeft tot gevolg, dat er slechts concurrentie bestaat binnen het natuurlijke afzetgebied en tussen producenten wier produktie-, vervoer- en verkoopkosten dicht genoeg bij elkaar liggen om een zekere marktpenetratie mogelijk te maken. De concurrentie speelt dus niet op het niveau van de nationale markten.
31 Verzoekster meent dan ook, dat in punt 22 van de beschikking ten onrechte wordt vastgesteld, dat dit geheel van afspraken heeft geleid "tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt". De volgens de Commissie bestaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt bleef in de praktijk beperkt tot bijkomstige beschermingsmaatregelen betreffende de marktpenetratie in grensgebieden. De gestelde compartimentering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt betreft slechts hoeveelheden die op een economisch rendabele afstand van de grens werden geproduceerd. Verzoekster poogde buiten de nationale afspraken te blijven teneinde haar vrijheid te behouden, daar haar fabrieken zich in een grensgebied bevinden en haar afzetgebied zich over de grensstreken van verschillende Lid-Staten uitstrekt. Het grensoverschrijdend karakter van deze afspraken had slechts tot doel en tot gevolg elk van de nationale stelsels in de grensstreken te beschermen.
32 De Commissie is het eens met verzoeksters verklaring, dat de markt voor betonstaalmatten voornamelijk regionaal en grensoverschrijdend is, en niet nationaal. Anders dan verzoekster concludeert zij daaruit evenwel, dat de afspraken op die markt de handel tussen Lid-Staten zeker ongunstig konden beïnvloeden en dat artikel 85 van het Verdrag dus op die afspraken van toepassing was.
33 Met betrekking tot verzoeksters uiteenzetting over het grensoverschrijdend aspect van de nationale afspraken stelt de Commissie vast, dat Tréfilarbed gewoonweg verklaart, dat de afspraken waaraan zij deelnam tot doel en tot gevolg hadden, de door het Verdrag gewilde economische vervlechting te belemmeren. Zodra Tréfilarbed daadwerkelijk op de Franse, de Duitse en de Benelux-markt aanwezig was, en zij zich bij de op die markten bestaande afspraken aansloot, nam zij deel aan afspraken die de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt vervalsten en de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloedden. De beschermingsregeling betreffende de marktpenetratie in grensgebieden was geenszins iets bijkomstigs, maar was juist de bestaansreden van de betrokken afspraken.
34 Met betrekking tot de verschillende goedkeuringsnormen waarnaar verzoekster verwijst, merkt de Commissie op, dat deze normen - afgezien van het bijzondere geval van de voor overheidsopdrachten vereiste goedkeuring - geen bindende specificaties zijn en dat zij geen onoverkomelijke hinderpaal vormen, zoals uit de betrokken afspraken blijkt; de intracommunautaire handel in betonstaalmatten is van 1980 tot 1985 trouwens gestegen van 8,5 % tot 15 % van de produktie. Het bestaan van een dergelijke handelsbelemmering, dat in afwachting van een communautaire norm moet worden getolereerd, impliceert dat van de ondernemingen wordt vereist dat zij de resterende werkzame mededinging niet beperken (arrest Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78-215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 133 en 134).
Beoordeling door het Gerecht
35 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat verzoeksters opvatting niet in tegenspraak is met die van de Commissie. In punt 5 van de beschikking wordt immers uiteengezet dat de intracommunautaire handel in betonstaalmatten het levendigst is in de grensstreken en dat de vervoerkosten hoog zijn, hoewel deze geen onoverkomelijke hinderpaal vormen wanneer de prijs van het produkt op de desbetreffende markt betrekkelijk hoog is.
36 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat de Commissie in punt 22 van de beschikking niet ten onrechte heeft vastgesteld, dat de verschillende afspraken een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt hebben gereglementeerd. Het feit dat de mededinging voor het betrokken produkt - zoals partijen erkennen - vooral in de verschillende grensgebieden bestaat, impliceert noodzakelijkerwijs, dat de nationale markt wordt beïnvloed in het natuurlijke afzetgebied, en het feit dat dit gebied slechts een deel van het grondgebied van een Lid-Staat bestrijkt, sluit niet uit dat de nationale markt in haar geheel wordt beïnvloed. Dat in de afspraken een grensoverschrijdend element aanwezig was dat tot uitdrukking kwam in de bescherming van grensgebieden, kan niet als iets bijkomstigs worden beschouwd, maar was, zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, de bestaansreden van de betrokken afspraken. Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster zelf erkent, dat het grensoverschrijdend karakter van de afspraken tot doel en tot gevolg had, de nationale stelsels te beschermen. De verschillende afspraken hebben dus wel degelijk de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloed.
37 In de tweede plaats moet worden beklemtoond, dat verzoekster in haar verzoekschrift erkent, dat de verschillende nationale markten kunnen worden bevoorraad door producenten uit de Gemeenschap die hun produktiemiddelen aan de betrokken normen hebben aangepast, en dat zij niet betwist, dat de goedkeuring enkel voor openbare aanbestedingen is vereist.
38 Op deze gronden is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie de geografische markt niet verkeerd heeft afgebakend en dat verzoeksters grief derhalve moet worden afgewezen.
II - De afspraken
A - De Franse markt
1. De periode 1981-1982
De bestreden handeling
39 In de beschikking (punten 23-50 en 159) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij tussen april 1981 en maart 1982 heeft deelgenomen aan een serie afspraken betreffende de Franse markt. Bij deze afspraken waren enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) betrokken en anderzijds buitenlandse producenten die op de Franse markt actief waren (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC en Tréfilarbed). Bij deze afspraken werden prijzen en quota vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken.
Argumenten van partijen
40 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de afspraken en dat zij gesprekken heeft gevoerd over quota. Zij ontkent evenwel partij bij een overeenkomst te zijn geweest of zich daaraan te hebben gehouden. Zij stelt dat de Commissie uit haar deelneming aan de vergaderingen ten onrechte haar deelneming aan de afspraken afleidt.
41 Zij betoogt in de eerste plaats, dat ofschoon zij aan de vergaderingen heeft deelgenomen, zij dit heeft gedaan omdat zij daartoe gedwongen was om negatieve reacties te vermijden, daar de Franse producenten aanzienlijke druk op haar uitoefenden.
42 In de tweede plaats stelt zij, dat het advies van de Franse Commission de la concurrence van 20 juni 1985 omtrent de toestand van de mededinging op de markt voor betonstaalmatten in Frankrijk en de beschikking die de Franse autoriteiten op 3 september 1985 op basis van dat advies hebben vastgesteld, betrekking hadden op afspraken betreffende de jaren 1981-1982 en 1983-1984, maar dat Tréfilarbed voor de periode 1981-1982 geen enkele inbreuk ten laste is gelegd.
43 In de derde plaats meent zij, dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing is op onderhandelingen tussen ondernemingen, indien deze, ook al was het oogmerk daarvan een inbreuk, niet tot een overeenkomst hebben geleid.
44 In de vierde plaats betwist verzoekster de uitlegging van en de conclusies die de Commissie trekt uit de verschillende stukken die haar deelneming aan de afspraken zouden aantonen.
45 Wat de vergadering van 20 oktober 1981 met Tréfilunion betreft (aantekening van Tréfilunion van 23 oktober 1981 - bijlage 1 bij PvB, punt 46 van de beschikking), erkent verzoekster, dat Tréfilunion haar tijdens die vergadering een quotum van 1 300 ton/maand heeft voorgesteld. Zij stelt evenwel, dat zij dat voorstel heeft afgewezen omdat haar reële marktaandeel in Frankrijk groter was. Volgens haar toont dit document aan, dat zij niet op de hoogte was van het quotum van FBC, hetgeen zij wel zou zijn geweest indien zij bij de afspraak betrokken was geweest.
46 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan de vergadering van 21 april 1982 met alle Franse producenten (behalve Sotralentz) (bijlage 24 bij PvB, punt 45 van de beschikking), maar verklaart dat de enige beslissing waarbij zij zich heeft aangesloten, betrekking had op de hoogte van de kortingen voor de maanden mei en juni 1982. Uit de notulen van deze vergadering blijkt, dat zij op dat tijdstip aan geen enkel quotum gebonden was; uit deze notulen blijkt integendeel, dat zij op het verzoek van Tréfilunion om de overeenkomsten van het vorige jaar te verlengen, heeft geantwoord, dat het onnodig was een overeenkomst over quota te sluiten.
47 Verzoekster stelt, dat de in haar telexbericht van 25 mei 1983 aan de heer Chopin de Janvry, vertegenwoordiger van Sacilor (bijlage 31 bij PvB, punt 55 van de beschikking), gebruikte bewoordingen "toen reeds heeft men ons onder druk gezet om een overeenkomst te aanvaarden" niet erop duiden dat een of andere overeenkomst is aanvaard, maar veeleer een doel aangeven.
48 Verzoekster meent, dat uit de tabel in bijlage 6 bij de PvB (punt 29 van de beschikking) blijkt, dat de invoer in Frankrijk van 1980 tot 1981 is gestegen van 24,28 % tot 26,95 %, hetgeen in tegenspraak is met de verklaring van de Commissie dat de invoer in Frankrijk was gecontingenteerd. Het cijfer van 7,4 %, dat resulteert na een vergelijking van de laatste twee kolommen van deze tabel, is niet als een aan verzoekster toegewezen quotum te beschouwen, maar is slechts een raming van haar aandeel op de betrokken markt. Verzoekster legt een tabel met gegevens over haar leveringen over om aan te tonen dat zij geen enkel quotum heeft aanvaard of nageleefd.
49 Ten slotte merkt verzoekster op, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat er een verband bestaat tussen de prijsstijgingen en de gestelde afspraken. Zij betoogt, dat de invoer in Frankrijk is gestegen omdat de importeurs, met name Tréfilarbed, concurrerende prijzen hanteerden om hun marktaandeel te vergroten.
50 De Commissie merkt op, dat verzoekster erkent dat zij aan de vergaderingen in het kader van de afspraken heeft deelgenomen, en dat zij niet betwist dat deze vergaderingen tot doel hadden de mededinging te verstoren. Dat deze deelneming bedoeld zou zijn geweest om van gedachten te wisselen over de ideale verdeling van deze produkten, belet niet dat deze deelneming een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag oplevert, daar een dergelijke deelneming op zichzelf in strijd is met deze bepaling.
51 De in de beschikking vermelde stukken tonen bovendien genoegzaam aan, dat verzoekster een actief aandeel in de afspraken had. Het feit dat verzoekster zich niet aan de prijzen en quota heeft gehouden, doet niet af aan het bestaan van de inbreuk.
52 De Commissie merkt op, dat zij geenszins gebonden is aan de conclusies van de Franse autoriteiten (arrest Hof van 28 maart 1985, zaak 298/83, CICCE, Jurispr. 1985, blz. 1105, r.o. 27) en dat zij bepaalde bewijsstukken in handen heeft gekregen die deze laatste niet kenden (met name bijlagen 1 en 24 bij PvB).
Beoordeling door het Gerecht
53 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster toegeeft dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen, maar dat zij ontkent met overeenkomsten inzake prijzen en quota te hebben ingestemd. Zij betwist evenwel niet, dat de vergaderingen waaraan zij heeft deelgenomen, tot doel hadden prijzen en quota vast te stellen. Derhalve moet worden onderzocht, of de Commissie terecht uit verzoeksters deelneming aan deze vergaderingen haar deelneming aan de afspraken heeft afgeleid.
54 Het Gerecht is van oordeel, dat op grond van de door de Commissie overgelegde stukken kan worden vastgesteld, dat verzoekster heeft deelgenomen aan afspraken betreffende de Franse markt in 1981 en 1982. Uit de aantekening van Tréfilunion van 23 oktober 1981 (bijlage 1 bij PvB, punt 46 van de beschikking) blijkt namelijk, dat verzoekster op 20 oktober 1981 te Parijs heeft deelgenomen aan een vergadering met Tréfilunion. Tijdens deze vergadering heeft Tréfilarbed zich niet verzet tegen het beginsel van een verdeling van de markten en heeft zij zich evenmin gedragen als een onderneming die niet bij het lopende akkoord betrokken was. Zij sprak immers uitdrukkelijk over "de laatste afspraken" met de Italiaanse en Belgische producenten die in vergelijking met Tréfilarbed "een veel te groot marktaandeel" zouden hebben. Blijkens deze aantekening heeft de vertegenwoordiger van verzoekster vervolgens het aandeel van Tréfilarbed ter sprake gebracht. Ook is in de aantekening sprake van een quotum van 1 300 ton voor verzoekster: "Tréfilunion verklaart dat Tréfilarbed per maand ongeveer 500 ton moet leveren aan Woippy en Straatsburg (...) waardoor ongeveer 800 ton voor de andere klanten beschikbaar blijft."
55 Uit een andere nota van Tréfilarbed van 23 april 1982, betreffende de vergadering met de Franse producenten op 21 april 1982, blijkt dat één van de doelstellingen was "de overeenkomsten van het vorige jaar te verlengen", zonder dat onderscheid lijkt te zijn gemaakt tussen de oude deelnemers aan deze overeenkomsten en eventuele nieuwelingen, zoals Tréfilarbed, die waren uitgenodigd om zich in de toekomst bij de overeenkomsten aan te sluiten. Ofschoon Tréfilarbed zich voor de toekomst uitsprak voor de vaststelling van een maximumhoeveelheid in absolute waarde in plaats van een quotum, pleit dit niet tegen het bestaan van een afspraak tijdens de voorafgaande periode, daar deze verklaring betrekking heeft op de toekomst en hoe dan ook past in het kader van een marktverdelingsafspraak die een kwantitatieve beperking beoogt.
56 Verzoeksters deelneming aan de afspraken wordt bevestigd door het telexbericht van 25 mei 1983 van Tréfilarbed aan Sacilor, waarin de vertegenwoordiger van verzoekster beklemtoont, dat zij toen reeds onder druk werd gezet "om een overeenkomst te aanvaarden waarmee wij niet gelukkig waren" en zich erover beklaagt, dat Tréfilarbed in ruil voor de aanvaarding van de door de Franse producenten aan de Italiaanse producenten en haarzelf opgelegde beperkingen "slechts over een quotum van 6,3 % voor St. Ingbert en 0,75 % voor Gent beschikte".
57 Wat verzoeksters argument betreffende de stijging van de invoer in Frankrijk betreft, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een overeenkomst, ook wanneer zij - wellicht zelfs in aanzienlijke mate - tot een toeneming van de handel tussen Lid-Staten leidt, niettemin zeer wel de handel op zodanige wijze ongunstig kan beïnvloeden dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt wordt geschaad (arrest Hof van 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64, Consten en Grundig, Jurispr. 1966, blz. 449, 515).
58 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster zich niet kan beroepen op het feit dat zij onder dwang aan de vergaderingen heeft deelgenomen. Zij had immers de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan deze vergaderingen deel te nemen (zie arrest Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-9/89, Huels, Jurispr. 1992, blz. II-499, r.o. 128).
59 Het Gerecht kan verzoeksters argument betreffende het advies van de Franse Commission de la concurrence niet aanvaarden. In de eerste plaats mocht de Commissie, zoals zij terecht beklemtoont, haar eigen conclusies trekken uit de bewijzen waarover zij beschikte en die niet noodzakelijk dezelfde waren als die waarover de Franse Commission de la concurrence beschikte; in de tweede plaats is de Commissie niet gebonden aan de conclusies van nationale instanties.
60 Ten slotte merkt het Gerecht op, dat het feit dat verzoekster zich niet aan de prijzen en quota heeft gehouden, haar niet disculpeert. Blijkens de rechtspraak van het Hof behoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst immers niet in aanmerking te worden genomen wanneer blijkt, dat de overeenkomst ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Hof van 11 januari 1990, zaak C-277/87, Sandoz prodotti farmaceutici, Jurispr. 1990, blz. I-45, r.o. 15).
61 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie verzoeksters deelneming aan de afspraken die de vaststelling van prijzen en quota op de Franse markt gedurende de periode van april 1981 tot maart 1982 tot voorwerp hadden, rechtens genoegzaam heeft aangetoond.
62 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
2. De periode 1983-1984
De bestreden handeling
63 In de beschikking (punten 51-76 en 160) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan een tweede serie afspraken, waarbij enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) waren betrokken, en anderzijds de op de Franse markt opererende buitenlandse producenten (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC - waarbij FBC de produktie van TFE op de markt bracht - en Tréfilarbed). Bij deze afspraken zouden prijzen en quota zijn vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken. Deze serie afspraken zou tussen begin 1983 en eind 1984 tot stand zijn gekomen en zijn vastgelegd in een in oktober 1983 vastgesteld "protocole d'accord", dat voor het tijdvak van 1 juli 1983 tot 31 december 1984 is gesloten. In dit protocol werden de resultaten van de verschillende onderhandelingen tussen de Franse, de Italiaanse en de Belgische producenten en Arbed betreffende de op de Franse markt toe te passen prijzen en quota samengevat en werd het quotum van België, Italië en Duitsland "in het kader van een tussen deze producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst" op 13,95 % van het verbruik op de Franse markt vastgesteld.
Argumenten van partijen
64 Verzoekster erkent, dat zij bij deze afspraken betrokken was. Zij stelt evenwel, dat zij krachtig weerstand heeft geboden en dat zij slechts onder druk partij bij de afspraken is geworden, om represailles te vermijden.
65 Voorts betoogt zij, dat zij de overeenkomsten niet heeft nageleefd en dat zij steeds meer heeft geleverd dan haar quotum.
66 Wat de prijzen betreft, beklemtoont verzoekster, dat ofschoon in het "protocole d'accord" sprake is van "prijsrichtlijnen", in de beschikking geenszins wordt aangetoond, dat dergelijke richtlijnen zijn uitgevaardigd, of dat zij werden nageleefd.
67 Wat de duur van de inbreuk betreft, betwist verzoekster de verklaring in punt 76 van de beschikking dat zij de afspraken niet meer zou zijn nagekomen na juni 1984. Zij heeft het haar toebedeelde quotum reeds vanaf midden 1983 overschreden. Tot staving van haar verklaring legt verzoekster een tabel over met de gegevens over haar invoer in Frankrijk van juli 1983 tot maart 1984, waaruit blijkt dat zij een hoeveelheid heeft geleverd die gelijkstaat met 8,33 %, hetgeen meer is dan haar quotum van 7,55 %.
68 De Commissie merkt op, dat verzoekster haar deelneming aan de afspraken heeft erkend. Ook al heeft Tréfilarbed zich krachtig verzet tegen de hoogte van de quota die haar werden voorgesteld, zij was niet tegen het beginsel van een verdeling van de markt gekant. Integendeel, toen hij zich met de voorwaarden van de afspraak akkoord verklaarde, merkte de vertegenwoordiger van verzoekster, de heer Buck, op dat "de overeenkomst mijns inziens niet streng genoeg is nu niet is voorzien in enige boete of waarborg" (bijlage 33 bij PvB, punt 55 van de beschikking).
69 Met betrekking tot de prijzen bevatte het "protocole d'accord" een clausule op grond waarvan partijen zich ertoe verbonden, de door het secretariaat vastgestelde prijsrichtlijnen toe te passen.
Beoordeling door het Gerecht
70 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster erkent dat zij heeft deelgenomen aan afspraken inzake de Franse markt gedurende de periode 1983-1984, en dat zij het voorwerp van deze afspraken, namelijk het vaststellen van prijzen en quota, niet betwist.
71 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster zich om dezelfde redenen als in rechtsoverweging 58 zijn genoemd, niet kan beroepen op het feit dat zij onder dwang aan de afspraken heeft deelgenomen. Voorts is het Gerecht van oordeel, dat de tekst van het telexbericht van verzoeksters vertegenwoordiger aan Tréfilunion, waarin onder meer staat dat "de overeenkomst mijns inziens niet streng genoeg is nu niet is voorzien in enige boete of waarborg" verzoeksters betoog dienaangaande ontkracht.
72 Ten slotte wijst het Gerecht erop, dat om de reeds in rechtsoverweging 60 vermelde redenen het feit dat verzoekster zich niet aan de prijzen en quota heeft gehouden, haar niet disculpeert.
73 Wat de duur van verzoeksters deelneming aan de afspraken betreft, moet worden opgemerkt dat de gegevens over de hoeveelheden die verzoekster naar eigen zeggen van juli 1983 tot maart 1984 in Frankrijk heeft geleverd, niet duidelijk zijn: 12 373 ton volgens het verzoekschrift, 900 ton volgens de repliek. Ook al zou het in het verzoekschrift genoemde cijfer - 12 373 ton - juist zijn, het volstaat hoe dan ook vast te stellen, dat verzoekster geen enkel bewijs levert dat haar verklaring staaft, en dat het door Tréfilarbed genoemde cijfer van 8,33 % slechts weinig verschilt van het in punt 65 van de beschikking vermelde cijfer van 7,71 %.
74 Gelet op het voorgaande heeft de Commissie rechtens genoegzaam aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan afspraken inzake de Franse markt gedurende de periode 1983-1984, waarbij prijzen en quota werden vastgesteld om de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken.
75 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
B - De Benelux-markt
76 In de beschikking wordt verzoekster verweten, dat zij heeft deelgenomen aan afspraken inzake de Benelux-markt, waarin enerzijds quota en anderzijds prijzen werden overeengekomen.
1. De quota-afspraken
77 In de beschikking (punten 78, sub b, en 171) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan afspraken tussen de Duitse producenten enerzijds en de Benelux-producenten anderzijds ("gesprekskring van Breda"), in het kader waarvan de Duitse exporten naar België en Nederland kwantitatief werden beperkt en exportcijfers van bepaalde Duitse producenten aan de Belgisch/Nederlandse groep werden meegedeeld.
78 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster niet betwist, dat zij heeft deelgenomen aan de afspraken inzake kwantitatieve beperkingen van de Duitse uitvoer naar de Benelux en de opgave van exportcijfers.
2. De prijsafspraken
De bestreden handeling
79 In de beschikking (punten 78, sub a en b, 163 en 168) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan prijsafspraken tussen de belangrijkste deelnemers die op de Benelux-markt verkopen, met inbegrip van de "niet-Benelux"-producenten, en aan afspraken tussen de Duitse producenten die naar de Benelux exporteren, en de overige producenten die in de Benelux verkopen, betreffende het respecteren van de voor de Benelux-markt vastgestelde prijzen. Volgens de beschikking (punt 168) zijn deze afspraken gemaakt tijdens bijeenkomsten te Breda en te Bunnik tussen augustus 1982 en november 1985, waarbij in elk geval Thibodraad, Tréfilarbed, Boël/Trébos, FBC, Van Merksteijn, ZND, Tréfilunion en van de Duitse producenten in elk geval BStG aanwezig waren. De beschikking is gebaseerd op vele telexberichten aan Tréfilunion door haar vertegenwoordiger voor de Benelux. Deze telexberichten bevatten nauwkeurige gegevens over elke bijeenkomst [datum, plaats, deelnemers, afwezigen, agendapunten (bespreking van de marktsituatie, voorstellen en besluiten betreffende prijzen), vaststelling van datum en plaats van de volgende bijeenkomst].
Argumenten van partijen
80 Verzoekster geeft toe, dat zij heeft deelgenomen aan alle vergaderingen betreffende de Benelux-markt, tijdens welke inlichtingen over de toestand en de vooruitzichten van deze markt zijn uitgewisseld en overeenkomsten over de prijzen van voorraad- en lijstmatten zijn gesloten. Zij stelt evenwel, dat zij daaraan enkel heeft deelgenomen om zich op de hoogte te stellen van de marktsituatie, dat zij een zuiver passieve rol heeft gespeeld, dat zij zich nooit jegens de andere deelnemers heeft verbonden en dat zij bij de overeenkomsten geen enkel belang had, daar zij enkel pasmatten verkocht die haars inziens niet rechtstreeks met voorraad- en lijstmatten concurreren. Toch erkent zij, dat zij een restanthoeveelheid voorraad- en lijstmatten heeft geleverd, maar tegen een prijs die aanmerkelijk hoger was dan de tijdens de vergaderingen vastgestelde prijzen, daar de produktie van voorraadmatten met machines voor de produktie van pasmatten - de enige waarover Tréfilarbed te Gent en te Roermond beschikte - aanzienlijke extra kosten meebracht.
81 De Commissie vraagt zich af, welk belang verzoekster erbij heeft gehad om jarenlang aan de vergaderingen deel te nemen en waarom zij op 31 augustus 1984 het voorzitterschap van de groep op zich heeft genomen, indien zij niet bij de overeenkomsten betrokken was. Bovendien is de prijs van voorraadmatten van invloed op de prijs van pasmatten, zodat de producenten van pasmatten er rechtstreeks belang bij hebben deel te nemen aan de vaststelling van de prijzen van voorraadmatten, opdat deze zo hoog mogelijk zijn. De Commissie beklemtoont, dat verzoekster zelf heeft verklaard, dat een gebruiker slechts in volstrekt abnormale omstandigheden - zoals een sterke daling van de prijs van voorraadmatten - ervan zal afzien pasmatten te bestellen en voorraadmatten zal gebruiken.
Beoordeling door het Gerecht
82 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan, dat verzoeksters argumenten betreffende de beweerdelijk verkeerde afbakening van de relevante markt door de Commissie hiervoor reeds zijn verworpen.
83 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster toegeeft dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen, maar dat zij ontkent met overeenkomsten inzake prijzen te hebben ingestemd. Zij betwist evenwel niet dat de vergaderingen waaraan zij heeft deelgenomen, tot doel hadden prijzen vast te stellen. Derhalve moet worden onderzocht, of de Commissie terecht uit verzoeksters deelneming aan deze vergaderingen haar deelneming aan de afspraken heeft afgeleid.
84 Het Gerecht stelt vast dat verzoekster, anders dan zij verklaart, zich tijdens de vergaderingen niet ertoe heeft beperkt om inlichtingen over de markt in te winnen, doch dat zij daaraan actief heeft deelgenomen. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat verzoekster steeds als een vaste deelnemer aan de vergaderingen is beschouwd. Haar partners beschouwden haar ook als een onderneming wier opvatting bekend diende te zijn om tot een gemeenschappelijk standpunt te kunnen komen. Dit blijkt met name uit de brief van 16 december 1983 van Thibodraad aan Tréfilarbed (bijlage 65 (a) bij PvB, punt 93 van de beschikking), waarbij een telexbericht was gevoegd van de heer Mueller, directeur van BStG, van 15 december 1983. Ten slotte moet worden beklemtoond, dat verzoekster blijkens het telexbericht van 31 augustus 1984 van Tréfilunion (bijlage 74 bij PvB) na het vertrek van de vertegenwoordiger van Thibodraad, die voorzitter was, de vergaderingen te Breda en te Bunnik van 24 augustus 1984 heeft voorgezeten.
85 Ook al zou verzoekster niet, althans ten dele, een actief aandeel in de vergaderingen hebben gehad, het Gerecht is hoe dan ook van oordeel, dat verzoekster door haar deelneming aan deze vergaderingen, die kennelijk ertoe strekten de mededinging te verstoren - hetgeen blijkt uit de talrijke in de beschikking vermelde telexberichten van de heer Peters aan Tréfilunion -, zonder zich publiekelijk van de inhoud ervan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt, dat zij instemde met de resultaten van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zou houden (arresten Gerecht van 17 december 1991, zaak T-7/89, Hercules Chemicals, Jurispr. 1991, blz. II-1711, r.o. 232, en 10 maart 1992, zaak T-12/89, Solvay, Jurispr. 1992, blz. II-907, r.o. 98-100).
86 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie verzoeksters deelneming aan de afspraken betreffende de Benelux-markt gedurende de periode van augustus 1982 tot november 1985, die betrekking hadden op de prijzen, rechtens genoegzaam heeft aangetoond.
87 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
3. Gentlemen's agreement tussen Tréfilarbed en Thibodraad enerzijds en Van Merksteijn anderzijds
De bestreden handeling
88 In de beschikking (punten 114-116 en 172) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij betrokken was bij een "gentlemen's agreement", volgens hetwelk Van Merksteijn geen lijstmatten en Thibodraad en Tréfilarbed in Gent en Roermond geen voorraadmatten zouden produceren. Volgens de beschikking moet deze overeenkomst worden gekwalificeerd als een beperking van de mededinging tussen de betrokkenen, die de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden, daar elk der partijen daardoor afzag van de produktie en verkoop van het aan de wederpartij toegewezen produkt via het eigen distributienet, dat zich over verscheidene Lid-Staten uitstrekte en niet identiek was met het distributienet van de ander. Deze afspraak bestond reeds vóór 1 december 1981, of althans uiterlijk vanaf dit tijdstip, en duurde ten minste voort tot het begin van de verificaties door de Commissie (6 en 7 november 1985). In punt 191 van de beschikking wordt vastgesteld, dat het "gentlemen's agreement" niet als een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging inzake een specialisatie kan worden beschouwd die in aanmerking komt voor een ontheffing, omdat de gezamenlijke omzet van alle betrokken ondernemingen, met inbegrip van de concernomzetten van Arbed en Hoogovens [zie artikel 4 van verordening (EEG) nr. 2779/72 van de Commissie van 21 december 1972, artikel 4, lid 3, en artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3604/82 van de Commissie van 23 december 1982, en de artikelen 6 en 7 van verordening (EEG) nr. 417/85 van de Commissie van 19 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen specialisatieovereenkomsten (PB 1972, L 292, blz. 23; PB 1982, L 376, blz. 33; PB 1985, L 53, blz. 1)], de maximumgrens van 150, 300 respectievelijk 500 miljoen ECU die is vastgesteld in artikel 3 van de gedurende de looptijd van de afspraak geldende verordening, overschrijdt.
Argumenten van partijen
89 Verzoekster erkent, dat tussen de vertegenwoordigers van de drie ondernemingen besprekingen zijn gevoerd, maar stelt, dat deze enkel bestonden uit een uitwisseling van informatie en standpunten, die voor partijen geen enkele verplichting meebracht. Partijen hebben enkel akte genomen van hun respectieve produktiecapaciteit en hun voornemen kenbaar gemaakt om dezelfde produktiepolitiek te blijven voeren.
90 Zij meent dat de Commissie geen enkel bewijs of aanwijzing heeft gegeven, dat de bij de besprekingen betrokken partijen daarna hun gedragingen onderling hebben afgestemd om hun investeringen in nieuwe produktiecapaciteit voor door de partners vervaardigde produkten te beperken.
91 Verzoekster komt op tegen het feit dat de Commissie de verordeningen nrs. 3604/82 en 417/85 niet heeft toegepast, op grond dat de gezamenlijke omzet van alle betrokken ondernemingen, met inbegrip van de concernomzetten van Arbed en Hoogovens, de maximumgrens van 150, 300 respectievelijk 500 miljoen ECU zou hebben overschreden. Het gaat hier haars inziens om een formalistische reden: aangezien het om grote staalbedrijven gaat, wordt de maximumomzet bijna automatisch overschreden, terwijl de onderzochte overeenkomst in een reële behoefte kan voorzien en economisch rationeel kan zijn.
92 De Commissie meent dat verzoekster geen enkel argument aanvoert tot staving van haar verklaring dat het "gentlemen's agreement" geen echte overeenkomst was.
93 De beschrijving die verzoekster geeft van haar bijeenkomst met Van Merksteijn wijst volgens de Commissie hoe dan ook op het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van het arrest van het Hof van 16 december 1975 (gevoegde zaken 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie e.a., Jurispr. 1975, blz. 1663, r.o. 173-175), zodat zij niet buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan vallen.
94 Bovendien moeten de in de groepsvrijstellingsverordeningen gestelde maxima niet worden gerespecteerd om formele redenen, maar krachtens een dwingende bepaling, gemotiveerd door de noodzaak te garanderen dat de mededinging niet voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten wordt uitgeschakeld (zesde overweging van de considerans van de verordeningen nrs. 2779/72, 3604/82 en 417/85). Niettemin brengt de Commissie in herinnering, dat de betrokken ondernemingen hun specialisatieovereenkomsten bij haar hadden kunnen aanmelden om op grond van artikel 85, lid 3, van het Verdrag een individuele ontheffing te vragen.
Beoordeling door het Gerecht
95 Het Gerecht herinnert eraan, dat het volgens de rechtspraak van het Hof voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag volstaat, dat de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht, om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (zie arresten Hof van 15 juli 1970, zaak 41/69, Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661, r.o. 112, en 29 oktober 1980, Van Landewyck, reeds aangehaald, r.o. 86).
96 Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie het "gentlemen's agreement" terecht mocht beschouwen als de getrouwe weergave van de gezamenlijke wil van de leden van het kartel ten aanzien van hun gedrag op de gemeenschappelijke markt en derhalve als een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (zie arrest Chemiefarma, reeds aangehaald, r.o. 112). De tekst van verzoeksters nota van 1 december 1981 over het bezoek bij Van Merksteijn, ZND en Thibodraad op 1 december 1981 (bijlage 82 bij PvB, punt 116 van de beschikking) laat geen ruimte voor twijfel over het bestaan van de overeenkomst. In deze nota staat namelijk, "ons gentlemen's agreement: Van Merksteijn produceert geen lijstmatten, Tréfilarbed geen voorraadmatten (in Gent en Roermond), werd bevestigd" en dat "Van Merksteijn het nodig achtte ons te verwittigen dat Thy Marcinelle op het punt staat zich ook op de markt voor lijstmatten te begeven". Bovendien verklaarde verzoekster zich daarin op haar beurt akkoord "om druk uit te oefenen op Thibodraad opdat zij niet op de voorraadmattenmarkt komt" en stelt zij ten slotte, dat Thibodraad nogmaals wordt aanbevolen "om ons gentlemen's agreement met de firma Van Merksteijn ook harerzijds strikt te respecteren". Het Gerecht is van oordeel, dat gelet op deze van verzoekster afkomstige bewijsstukken de in haar memories aangevoerde middelen niet door de feiten worden gedekt.
97 De Commissie heeft dus rechtens genoegzaam aangetoond dat er een overeenkomst bestond tussen Tréfilarbed en Thibodraad enerzijds en Van Merksteijn anderzijds, op grond waarvan Van Merksteijn geen lijstmatten produceerde, en Tréfilarbed (in Gent en Roermond) en Thibodraad geen voorraadmatten produceerden. Door haar ernst en duidelijkheid maakt deze overeenkomst inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, met name op het bepaalde sub c, en kon zij derhalve de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt beperken.
98 Met betrekking tot de naleving van de in de groepsvrijstellingsverordeningen voorziene maximumomzetten merkt het Gerecht ten overvloede op, dat deze maxima, zoals de Commissie terecht heeft gesteld, in de betrokken verordeningen voorkomen uit hoofde van een dwingende bepaling, gemotiveerd door de noodzaak te garanderen dat de mededinging niet voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten wordt uitgeschakeld. Bovendien moet worden vastgesteld, dat verzoekster de Commissie nooit om een individuele beschikking uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag heeft verzocht.
99 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
4. Bilaterale contacten en afspraken tussen Tréfilarbed en Thibodraad
100 In de beschikking (punten 117-124 en 173) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat tussen haar en Thibodraad althans sinds 1 januari 1982 een prijsafspraak betreffende lijstmatten en althans sedert 1 oktober 1983 een prijsafspraak betreffende pasmatten bestond. Volgens de beschikking werd de bilaterale prijsafspraak voor lijstmatten vervangen door de globale prijsafspraken van Breda en Bunnik en is de afspraak betreffende de prijzen van pasmatten tot eind 1984 gehandhaafd. De beschikking preciseert dat deze afspraken ten doel en ten gevolge hebben gehad dat de mededinging tussen de betrokkenen grotendeels werd uitgeschakeld, respectievelijk aanzienlijk beperkt en dat zij de handel tussen Lid-Staten ook ongunstig konden beïnvloeden, omdat beide ondernemingen grote hoeveelheden exporteerden en Tréfilarbed bovendien vestigingen in verscheidene Lid-Staten had.
101 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster haar deelneming aan deze bilaterale afspraken in het geheel niet betwist.
C - De Duitse markt
102 In de beschikking (punten 147 en 182) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij betrokken was bij afspraken betreffende de Duitse markt, die beoogden de uitvoer door Benelux-producenten naar Duitsland te reguleren en de op de Duitse markt geldende prijzen te eerbiedigen. Volgens de beschikking waren verzoekster, BStG, Boël/Trébos, TFE/FBC en Thibodraad bij deze afspraken betrokken.
1. De alleenverkoopovereenkomsten tussen BStG enerzijds en Bouwstaal Roermond BV en Arbed SA afdeling Nederland anderzijds
a) De bestreden handeling
103 Volgens punt 148 van de beschikking vindt het belang dat BStG heeft om buitenlandse invoer naar Duitsland te beperken, respectievelijk te reguleren, ten aanzien van importen uit Nederland zijn uitdrukking in de twee leveringscontracten tussen BStG en Bouwstaal Roermond BV (later Tréfilarbed Bouwstaal Roermond), respectievelijk Arbed SA afdeling Nederland, van 24 november 1976 (bijlage 109 bij PvB) en 22 maart 1982 (bijlage 109 A bij PvB). Bij dit laatste contract was een ondertekende nota van dezelfde datum gevoegd, waarbij Arbed SA afdeling Nederland zich ertoe verplichtte om gedurende de looptijd van het contract rechtstreeks noch indirect naar Duitsland leveranties te doen plaatsvinden. In deze overeenkomsten belastte BStG zich met de exclusieve afzet van een bepaalde jaarlijkse hoeveelheid betonstaalmatten uit het bedrijf te Roermond tegen een volgens bepaalde criteria vast te stellen prijs. Bouwstaal Roermond BV en Arbed SA afdeling Nederland verplichtten zich ertoe, om gedurende de looptijd van het contract rechtstreeks noch indirect naar Duitsland leveranties te doen plaatsvinden.
104 In punt 189 van de beschikking wordt vastgesteld, dat deze alleenverkoopovereenkomsten niet voldeden aan de voorwaarden van verordening nr. 67/67/EEG van de Commissie van 22 maart 1967 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen alleenverkoopovereenkomsten (PB 1967, blz. 849; hierna: "verordening nr. 67/67"), althans niet sinds het bestaan van de afspraken inzake het interpenetratieverkeer tussen Duitsland en de Benelux. Sinds dit tijdstip moesten de overeenkomsten worden beschouwd als een deel van een globale marktverdelingsafspraak waaraan meer dan twee ondernemingen deelnemen, en waarop verordening nr. 67/67 dus niet van toepassing was (artikel 1, juncto artikel 8, van verordening nr. 67/67).
105 Volgens punt 178 van de beschikking vormden deze alleenverkoopovereenkomsten een beperking van de mededinging tussen twee concurrerende ondernemingen uit twee Lid-Staten, die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden. Het argument van BStG en Tréfilarbed dat het daarbij uitsluitend zou gaan om een zich binnen het concern afspelend gebeuren, aangezien Arbed in BStG een aandeel heeft van 25,001 %, kan de Commissie niet aanvaarden. Een deelneming van slechts 25,001 % roept, gezien de belangrijkere deelneming door andere vennoten (Thyssen 34 % en Kloeckner 33,5 %), nog geen moeder- en dochterverhouding in het leven, waardoor elke concurrentiebeperkende afspraak tussen deze ondernemingen niet binnen de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag zou vallen.
106 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster opkomt tegen de weigering van de Commissie om verordening nr. 67/67 op de betrokken contracten toe te passen, en anderzijds tegen haar weigering om deze contracten te beschouwen als een interne overeenkomst binnen de groep waartoe de betrokken ondernemingen behoren. Deze beide onderdelen moeten afzonderlijk worden onderzocht.
b) De toepassing van verordening nr. 67/67
Argumenten van partijen
107 Verzoekster betoogt, dat BStG vóór 1972 een onderneming was die de produktie van haar vennoten, waaronder Arbed, op de markt bracht. Na suggesties van het Bundeskartellamt werd BStG in 1972 zelf producent. Zij kocht bepaalde machines die zich in de fabrieken van haar vennoten bevonden, met inbegrip van de fabriek van Felten & Guillaume, eigendom van Arbed, te Keulen (Duitsland), die in 1976 is gesloten; aan BStG toebehorende machines zijn overgebracht naar de fabriek te Roermond, die eveneens eigendom is van Arbed. Vanaf dat moment hebben de vennoten, waaronder Arbed, krachtens produktieovereenkomsten voor rekening van BStG geproduceerd met machines die haar eigendom waren. Al hetgeen te Roermond met machines van BStG is geproduceerd, was dus eigendom van BStG. Tegelijk beschikte Bouwstaal Roermond over eigen machines; de daarmee geproduceerde betonstaalmatten werden op basis van de betrokken alleenverkoopovereenkomsten in de Benelux door Tréfilarbed op de markt gebracht, en in Duitsland via BStG.
108 Volgens punt 189 van de beschikking is de enige reden waarom de alleenverkoopovereenkomsten niet aan de voorwaarden van verordening nr. 67/67 voldoen, dat zij moeten worden beschouwd "als een deel van een globale marktverdelingsafspraak waaraan meer dan twee ondernemingen deelnemen". Volgens verzoekster wordt in de beschikking ten onrechte gesteld, dat de overeenkomsten deel uitmaakten van een afspraak, en was verordening nr. 67/67 wel degelijk op de overeenkomsten van toepassing zodat zij gedurende de gehele looptijd in aanmerking kwamen voor de in die verordening verleende groepsvrijstelling.
109 De Commissie heeft haars inziens willekeurig een aantal "niet met elkaar verband houdende gedragingen" samengevoegd, die om andere redenen dan het bestaan van een afspraak objectief gerechtvaardigd waren. Zo zouden de betrokken overeenkomsten van 1976, die zijn gesloten op een ogenblik dat er geen sprake was van een kartel, slechts klassieke handelsregelingen zijn geweest, die een uitvloeisel waren van de historische ontwikkeling van de deelneming van Arbed in het kapitaal van BStG, en die tot doel hadden de Duitse markt afdoende en doeltreffend te bevoorraden, zonder dat Arbed een parallel distributienet behoefde op te zetten om de te Roermond met haar eigen machines vervaardigde hoeveelheden op de markt te brengen en zonder haar eigen dochteronderneming concurrentie behoeven aan te doen. Het verbod voor Bouwstaal Roermond om tijdens de looptijd van de overeenkomst andere hoeveelheden in Duitsland te leveren, was in die context slechts de uitdrukking van de aan de Duitse distributeur verleende exclusiviteit, wiens positie niet werd verzwakt door rechtstreeks of indirect met hem te concurreren.
110 Verzoekster betwist eveneens de opvatting van de Commissie, dat een verkoopovereenkomst haar bilaterale karakter verliest wanneer parallel daaraan een afspraak tussen verschillende ondernemingen bestaat.
111 De overeenkomsten betroffen volgens haar slechts een zeer klein deel van de Duitse markt, namelijk 0,60 % van de totale afzet op deze markt. De door verzoekster met eigen machines te Roermond geproduceerde en via BStG geleverde hoeveelheden konden de mededinging en de structuur daarvan in Duitsland dus niet echt beïnvloeden.
112 Voorts stelt verzoekster, dat zij dadelijk nadat zij de mededeling van punten van bezwaar heeft ontvangen, de Commissie heeft meegedeeld, dat zij een einde wilde maken aan de gelaakte toestand inzake de alleenverkoopovereenkomsten, en dat zij inderdaad een andere oplossing heeft gevonden, waarna de verantwoordelijke ambtenaren van de diensten van de Commissie haar in de loop van de administratieve procedure in deze zaak hebben verzekerd, dat de Commissie op dit punt niet zou terugkomen.
113 De Commissie betoogt, dat het niet om klassieke handelsovereenkomsten gaat, maar om overeenkomsten waarbij aan Bouwstaal Roermond quota voor de uitvoer naar de Duitse markt werden toegewezen en BStG voor de verkoop van die hoeveelheden in Duitsland een exclusiviteit kreeg. In deze overeenkomsten nam BStG immers de alleenverkoop op zich van een jaarlijkse maximumhoeveelheid betonstaalmatten uit de fabriek te Roermond, en verplichtten Bouwstaal Roermond en Arbed SA afdeling Nederland, zich ertoe om gedurende de looptijd van die contracten rechtstreeks noch indirect naar Duitsland te leveren.
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 689A0141.1
114 De Commissie verklaart, dat de leveringsovereenkomsten in hun globale context moeten worden onderzocht, en betwist de opvatting van verzoekster dat een alleenverkoopovereenkomst als een strikt bilaterale verhouding moet worden beschouwd, ongeacht de andere afspraken waarbij de partijen bij de overeenkomst betrokken zijn. Volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 12 december 1967, zaak 23/67, Brasserie de Haecht, Jurispr. 1967, blz. 511) impliceert artikel 85, lid 1, van het Verdrag immers, dat de gevolgen van de overeenkomsten moeten worden beschouwd in het kader waarin zij zich voordoen, dat wil zeggen, in hun economische en juridische context. Derhalve moeten zij worden onderzocht in samenhang met de globale afspraak waarmee zij verband houden: de afspraak inzake de prijzen en de kwantitatieve beperking van de Belgisch-Nederlandse uitvoer naar Duitsland. In dit verband verwijst de Commissie naar het telexbericht van 15 december 1983 aan Thibodraad, dat deze laatste naar Tréfilarbed heeft doorgezonden (bijlage 65, sub b, bij PvB, punt 92 van de beschikking), waarin de heer Mueller verklaart, dat er tussen Boël/Trébos en BStG "nauw overleg" bestond en daaraan toevoegt, dat de "bereidheid om de uitvoer naar buurlanden op het status quo-niveau te handhaven, respectievelijk niet verder te laten toenemen dan de invoer uit deze landen, in beginsel ongewijzigd voorhanden is". Worden de leveringsovereenkomsten tussen Tréfilarbed Roermond en BStG in deze algemene context geplaatst, dan realiseert men zich, dat het niet ging om een serie "niet met elkaar verband houdende gedragingen" maar om een zeer coherente gedragslijn. In deze context en gelet op de vermelde rechtspraak is het marktaandeel van de met de machines van Tréfilarbed Roermond geproduceerde hoeveelheden in Duitsland van geen belang voor de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
115 Ten slotte erkent de Commissie, dat inderdaad, alvorens zij de beschikking gaf, met haar ambtenaren is gepraat over de alleenverkoopovereenkomst tussen Tréfilarbed Roermond en BStG. Deze gesprekken gingen evenwel over de beëindiging van de overeenkomst en over de nieuwe modaliteiten voor de distributie in Duitsland van de te Roermond vervaardigde produkten na de herstructurering van de Arbed-groep en BStG. In een brief van 11 augustus 1988 heeft de verantwoordelijke ambtenaar zich inderdaad positief uitgelaten over de door Tréfilarbed en BStG voorgenomen toekomstige regeling, maar dit had geen invloed op het standpunt van de Commissie betreffende de in het verleden vastgestelde feiten en praktijken. De diensten van de Commissie hebben Tréfilarbed dus nooit enige garantie gegeven over de in de verkoopovereenkomst tussen Tréfilarbed Roermond en BStG vastgestelde quota.
Beoordeling door het Gerecht
116 Om te beginnen merkt het Gerecht op, dat zo verzoeksters beweringen over de opvatting die ambtenaren van de Commissie over de betrokken afspraken hebben geuit - die de Commissie met klem betwist - al als bewezen kunnen worden beschouwd, de onder dergelijke omstandigheden geformuleerde opvattingen hoe dan ook niet de indruk konden wekken een toezegging te zijn van de Commissie, daar die ambtenaren niet bevoegd waren een dergelijke toezegging te doen (arrest Hof van 15 mei 1975, zaak 71/74, Frubo, Jurispr. 1975, blz. 563, r.o. 20).
117 Het Gerecht is van oordeel, dat de betrokken alleenverkoopovereenkomsten niet voldoen aan de in verordening nr. 67/67 gestelde voorwaarden. Artikel 9 van de overeenkomst van 24 november 1976 tussen BStG en Bouwstaal Roermond bepaalt namelijk, dat Bouwstaal Roermond "gedurende de looptijd van dit contract rechtstreeks noch indirect naar de Bondsrepubliek Duitsland leveranties zal doen plaatsvinden". Met betrekking tot de overeenkomst van 22 maart 1982 tussen BStG en Arbed SA afdeling Nederland (bijlage 109 A bij PvB), zij gewezen op het aan deze overeenkomst gehechte aanhangsel (bijlage 109 B bij PvB), volgens hetwelk "partijen overeenkomen dat Arbed SA tijdens de looptijd van het contract rechtstreeks noch indirect naar de Bondsrepubliek Duitsland leveranties zal doen plaatsvinden. In ruil daarvoor zal Arbed (...)"
118 Het Gerecht is van oordeel, dat de woorden "rechtstreeks noch indirect" in casu een ruimere betekenis hebben dan een loutere verbintenis van de leverancier om enkel aan BStG produkten voor de wederverkoop te leveren. Dit oordeel is gebaseerd op twee gegevens. In de eerste plaats had Tréfilarbed Roermond uitdrukkelijk afgezien van enigerlei levering - waarvoor zij een compensatie kreeg, zoals blijkt uit het apart ondertekende aanhangsel dat aan de overeenkomst van 22 maart 1982 was gehecht - zelfs leveringen die niet voor wederverkoop waren bestemd. In de tweede plaats kon het woord "indirect" door de wederverkoper aldus worden uitgelegd, dat het de leverancier verplichtte het nodige te doen om leveringen naar Duitsland vanuit andere landen te beletten, dat wil zeggen toezicht te houden op de andere alleenverkopers teneinde hen te beletten naar Duitsland te exporteren.
119 De strekking van verordening nr. 67/67, zoals deze tot uiting komt in de considerans en artikel 3, sub b, onder 2, is dat de daarin vervatte vrijstelling afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de gebruikers door de mogelijkheid van nevenimport een billijk aandeel in de uit de alleenverkoop voortvloeiende voordelen krijgen. Dit is in overeenstemming met de vaste rechtspraak, dat een alleenverkoopovereenkomst die op zichzelf geen verbod van uitvoer van de contractprodukten bevat, niet in aanmerking kan komen voor de groepsvrijstelling van verordening nr. 67/67, wanneer de betrokken ondernemingen deelnemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging, gericht op de beperking van voor een niet-erkende wederverkoper bestemde parallelimporten (zie arrest Hof van 21 februari 1984, zaak 86/82, Hasselblad, Jurispr. 1984, blz. 883, r.o. 35, en arrest Gerecht van 7 juli 1994, zaak T-43/92, Dunlop Slazenger, Jurispr. 1994, blz. II-441, r.o. 88).
120 Dit geldt te meer in deze zaak, wanneer bovengenoemde contractuele clausules worden uitgelegd in het licht van de klacht van BStG in haar brief van 26 september 1979 (bijlage 110 bij PvB, punt 148 van de beschikking), waarin zij Arbed verweet "via de onderneming Eurotrade te Alkmaar" indirect in Duitsland te leveren, naar aanleiding waarvan als bewezen kan worden beschouwd, dat er een absolute gebiedsbescherming bestond, die in strijd is met de letter en de geest van verordening nr. 67/67.
121 De betrokken overeenkomsten voldeden derhalve niet aan de voorwaarden van verordening nr. 67/67.
122 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster zich niet kan beroepen op het feit, dat de overeenkomsten slechts een zeer klein deel van de Duitse markt betroffen en dat de leveringen van Tréfilarbed Roermond via BStG de mededinging niet echt konden beïnvloeden. Blijkens de tekst van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is enkel relevant, of de overeenkomsten waarbij verzoekster met andere ondernemingen partij was, ertoe strekten of ten gevolge hadden de mededinging te beperken en of zij de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden. De vraag of verzoeksters individuele betrokkenheid bij de overeenkomsten, ondanks haar geringe omvang, de mededinging kon beperken of de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden, is derhalve niet relevant (arrest Gerecht van 17 december 1991, zaak T-6/89, Enichem Anic, Jurispr. 1991, blz. II-1623, r.o. 216 en 224). Bovendien moet worden opgemerkt, dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet het bewijs verlangt dat de vastgestelde mededingingsbeperkingen de handel tussen Lid-Staten inderdaad merkbaar hebben beïnvloed, maar enkel het bewijs dat deze overeenkomsten een dergelijk gevolg kunnen hebben gehad (arrest Hof van 1 februari 1978, zaak 19/77, Miller, Jurispr. 1977, blz. 131, r.o. 15).
123 Mitsdien moet dit onderdeel van het middel worden afgewezen.
c) Het bestaan van een groep
Argumenten van partijen
124 Verzoekster komt op tegen de weigering van de Commissie om te aanvaarden dat de betrokken overeenkomsten een louter interne aangelegenheid van de groep waren. Naast het feit dat Arbed 25 % van het kapitaal van BStG bezit, zijn er nog verschillende andere elementen op grond waarvan de verhouding tussen de twee ondernemingen met de interne verhouding binnen een groep kan worden gelijkgesteld. Hoewel BStG een kapitaalvennootschap is, namelijk een Gesellschaft mit beschraenkter Haftung (hierna: "GmbH"), bestaat tussen haarzelf en haar vennoten een "Mehrmuetterorganschaft mit Beherrschungsvertrag", waardoor haar structuur sterk lijkt op die van een personenvennootschap - het Duitse vennootschapsrecht verbiedt uitdrukkelijk dat een vennoot daarvan de vennootschap concurrentie aandoet - en op grond waarvan Arbed nauw betrokken is bij het beheer en daarvoor medeverantwoordelijk is. Tevens bestaat er een "Ergebnisabfuehrungsvertrag" (overeenkomst tot afdracht van de winst) waardoor elke vennoot er rechtstreeks belang bij heeft de rentabiliteit van de gemeenschappelijke onderneming maximaal te bevorderen. Het druist tegen dit belang in om de gemeenschappelijke onderneming te verzwakken door haar van buitenaf concurrentie aan te doen. Verzoekster stelt, dat de commerciële relaties tussen BStG en Tréfilarbed op grond van deze overeenkomst als interne relaties binnen de groep moeten worden beschouwd en de overeenkomsten waarbij die verhoudingen zijn gecreëerd, als overeenkomsten die niet binnen de werkingssfeer van het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen.
125 De Commissie beklemtoont, dat ofschoon het Duitse vennootschapsrecht meer dan het recht van de meeste andere Lid-Staten uiteenlopende vormen van controle mogelijk maakt, met name bij een GmbH, volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 31 oktober 1974, zaak 15/74, Centrafarm, Jurispr. 1974, blz. 1147) artikel 85 enkel niet van toepassing is op overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die tot hetzelfde concern behoren, indien de ondernemingen een economische eenheid vormen, waarin de dochteronderneming haar optreden op de markt niet werkelijk zelfstandig kan bepalen, en indien die overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen een interne taakverdeling tussen de ondernemingen ten doel hebben. Voorts verwijt zij verzoekster, dat zij pas voor het eerst voor het Gerecht de gegevens heeft verstrekt die zij voor de beoordeling van haar juridische band met BStG van belang acht, zij het louter in de vorm van beweringen, maar geen preciseringen verstrekt die weerleggen dat een deelneming van slechts 25,001 % niet volstaat om een moeder-dochterverhouding tot stand te brengen.
Beoordeling door het Gerecht
126 Op verzoek van het Gerecht heeft verzoekster het "Ergebnisabfuehrungsvertrag" tussen de vennoten van BStG - verenigd in de "Vereinigung der Gesellschafter der Baustahlgewebe" (vereniging van vennoten van BStG) - en BStG (augustus 1962), de statuten van de vereniging van vennoten van BStG (13 juli 1970) met bijlage en de overeenkomst betreffende de toetreding van Arbed Saarstahl GmbH tot de vereniging (januari-februari 1986) overgelegd. Ter terechtzitting hebben partijen de inhoud en de bestaansreden van die overeenkomst nader toegelicht.
127 Het Gerecht merkt op, dat BStG volgens het "Ergebnisabfuehrungsvertrag" uitsluitend handelt overeenkomstig de unanieme wil van de vennoten, en dat haar winst wordt afgedragen aan de vereniging van vennoten, die desgevallend ook het verlies van BStG voor haar rekening neemt.
128 Volgens de statuten van de vereniging van vennoten van BStG zijn haar leden allen aandeelhouder van BStG en is hun aandeel in BStG bepalend voor hun lidmaatschap. De vereniging moet worden beschouwd als een commerciële onderneming die werkt op alle terreinen waar BStG actief is. Wanneer de vereniging een beslissing neemt, beschikt elk lid over hetzelfde aantal stemmen dat hij volgens de statuten van BStG in haar algemene vergadering heeft. De beslissingen van de vereniging worden genomen bij gewone meerderheid van stemmen op basis van het maatschappelijk kapitaal, mits zij door ten minste twee leden worden uitgebracht. Wanneer de wet of de statuten bepalen, dat voor het nemen van beslissingen in de algemene vergadering van BStG een ruimere meerderheid noodzakelijk is, is diezelfde meerderheid ook vereist voor de beslissingen van de vereniging.
129 Uit deze documenten blijkt, dat de verhouding tussen Arbed en BStG niet voldoet aan de voorwaarden die moeten zijn vervuld opdat de overeenkomsten tussen de twee ondernemingen buiten de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kunnen vallen. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat artikel 85 van het Verdrag niet van toepassing is op overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die als moedermaatschappij en dochteronderneming tot een en hetzelfde concern behoren, wanneer die ondernemingen een economische eenheid vormen waarin de dochteronderneming haar marktgedrag niet werkelijk zelfstandig kan bepalen (arresten Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619, r.o. 134, en 11 april 1989, zaak 66/86, Ahmed Saeed Flugreisen, Jurispr. 1989, blz. 803, r.o. 35). In casu controleerde Arbed BStG in dezelfde verhouding als haar aandeel in het kapitaal van BStG, namelijk 25,001 %, hetgeen verre van een meerderheid is. Derhalve moet worden vastgesteld, dat uit een dergelijke deelneming niet kan worden afgeleid dat Arbed en BStG tot een groep behoorden, waarbinnen zij een zodanige economische eenheid vormden, dat een overeenkomst tot beperking van de mededinging tussen die ondernemingen niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag zou vallen.
130 Deze vaststelling wordt bekrachtigd door het door BStG ter terechtzitting gehouden betoog, dat het "Beherrschungsvertrag" en het "Ergebnisabfuehrungsvertrag" vooral om fiscale redenen zijn gesloten, omdat deze laatste overeenkomst het mogelijk maakte de winst en het verlies van BStG naar haar vennoten door te sluizen. Op grond van het Duitse belastingrecht moeten alle vennoten Duitser zijn. Daarom was Arbed niet rechtstreeks bij deze overeenkomst betrokken, maar werd zij vertegenwoordigd door een Duitse partner, St. Ingbert (daarvoor door Felten & Guillaume).
131 Ten slotte stelt het Gerecht vast, dat BStG zelf heeft verklaard, dat zij een zelfstandige en onafhankelijke onderneming is, en dat aangezien elk van haar vier vennoten slechts een minderheidsparticipatie heeft, zij niet kon worden geacht bij een groep te zijn aangesloten.
132 Om deze redenen moet worden geconcludeerd, dat de Commissie terecht heeft geoordeeld, dat de alleenverkoopovereenkomsten indruisten tegen artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Verzoeksters grief moet dan ook worden afgewezen.
133 Mitsdien moet het tweede onderdeel van het middel worden afgewezen.
2. De afspraak tussen BStG en Tréfilarbed (St. Ingbert)
De bestreden handeling
134 In de beschikking (punten 152 en 180) wordt verzoekster ten laste gelegd dat zij betrokken was bij een afspraak met BStG, die ertoe strekte de wederinvoer van betonstaalmatten van het bedrijf St. Ingbert via Luxemburg naar Duitsland stop te zetten. Deze afspraak leverde een mededingingsbeperking op, die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden.
Argumenten van partijen
135 Verzoekster herinnert eraan, dat BStG vóór 1972 een onderneming was die de produktie van haar vennoten, waaronder Arbed, op de markt bracht. Na suggesties van het Bundeskartellamt werd BStG in 1972 zelf producent. Zij kocht bepaalde machines die zich in de fabrieken van haar vennoten bevonden, waaronder St. Ingbert, eigendom van Arbed, en die daar ook bleven. Vanaf dat moment hebben de vennoten, waaronder Arbed, krachtens produktieovereenkomsten voor rekening van BStG geproduceerd met machines die haar eigendom waren. Al hetgeen St. Ingbert met machines van BStG heeft geproduceerd, was dus eigendom van BStG en werd door haar op de Duitse markt gebracht. Tegelijk beschikte St. Ingbert over eigen machines; de daarmee geproduceerde betonstaalmatten waren bestemd voor de uitvoer, hoofdzakelijk naar Frankrijk.
136 Verzoekster merkt op, dat zij in het kader van deze produktieovereenkomsten het recht had beperkte hoeveelheden voorraadmatten af te nemen die nodig waren ter bevoorrading van Luxemburg, waar de Duitse normen gelden; deze matten werden vervaardigd met aan BStG toebehorende machines, de enige van St. Ingbert die matten konden produceren die aan de Duitse normen voldoen. De leiding van Tréfilarbed zag winstmogelijkheden op de Duitse markt, waar de prijzen door het crisiskartel relatief hoog waren, en namen van de voorraden van BStG hoeveelheden betonstaalmatten af alsof zij voor Luxemburg bestemd waren. Via een Luxemburgse handelaar zijn deze hoeveelheden van Luxemburg weer naar Duitsland verstuurd. Hoewel deze aldus uit de voorraden van BStG genomen hoeveelheden dank zij latere produktie naderhand weer zijn vervangen, heeft BStG zich volgens verzoekster terecht beklaagd over deze handelwijze, die indruiste tegen het akkoord tussen de betrokkenen. Hoewel degenen die deze transacties hebben verricht, BStG niet hebben "bestolen", zijn zij niettemin vooral er in geslaagd om in Duitsland produkten van Duitse oorsprong te verkopen, zonder de krachtens de kartelovereenkomst aan BStG verschuldigde bedragen te betalen.
137 Dit verklaart de brieven van de heer Mueller van 27 april 1984 aan de heren Rimbeaux van Tréfilarbed St. Ingbert en Schuerr van Tréfilarbed Luxemburg [bijlage 110 (a) bij PvB, punt 152 van de beschikking]. De door de heer Mueller genoemde "duidelijke, ondubbelzinnige overeenkomsten" zijn de overeenkomsten van BStG met St. Ingbert over produktie, opslag, verkoop, beheer en alle andere handelingen betreffende de aan BStG toebehorende machines, en met Tréfilarbed over de levering van aan de Duitse normen beantwoordende matten voor de Luxemburgse markt, evenals de in het jaar daarvoor gedane belofte de gelaakte gedragingen niet te hervatten.
138 De Commissie merkt op, dat uit deze uitleg blijkt dat de overeenkomst tussen BStG en Tréfilarbed over de levering van aan de Duitse normen beantwoordende matten voor Luxemburg nevenimport in Duitsland verbood. Het ging dus wel degelijk om een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
139 Bovendien is in de brief van de heer Mueller van 27 april 1984 duidelijk sprake van een overeenkomst, en heeft de heer Mueller zelf, in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie, uiteengezet dat de bestrijding van wederinvoer tot doel had toe te zien op de naleving van de door het kartel bepaalde leveringsquota.
Beoordeling door het Gerecht
140 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster erkent dat zij met BStG een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan zij bepaalde hoeveelheden bij St. Ingbert met machines van BStG geproduceerde betonstaalmatten mocht afnemen, op voorwaarde dat deze in Luxemburg werden verkocht, welke voorwaarde werd opgelegd om de wederuitvoer van betonstaalmatten naar Duitsland te beletten. Dit blijkt duidelijk uit de brief van 27 april 1984 van de heer Mueller aan Tréfilarbed, waarin hij zich beklaagt over de wederinvoer in Duitsland "tegen lagere prijzen dan de kartelminimumprijzen", en dat in strijd met "de dienaangaande gesloten duidelijke, ondubbelzinnige overeenkomsten" [bijlage 110 (a) bij PvB].
141 Het Hof heeft geoordeeld, dat exportclausules in een verkoopovereenkomst, die de wederverkoper ertoe verplichten de betrokken waar naar een bepaald land uit te voeren, een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleveren, wanneer zij voornamelijk ertoe strekken de wederuitvoer van de waar naar het land van produktie te verhinderen, teneinde een stelsel van dubbele prijzen op de gemeenschappelijke markt in stand te houden en daarmede de mededinging binnen die markt te beperken (arrest van 28 maart 1984, gevoegde zaken 29/83 en 30/83, CRAM en Rheinzink, Jurispr. 1984, blz. 1679, r.o. 24 en 28).
142 In dit verband moet worden vastgesteld, dat de overeenkomsten tussen verzoekster en BStG ertoe strekten en tot gevolg hadden dat de mededinging werd beperkt, door de handel tussen Lid-Staten ongunstig te beïnvloeden, en aldus de prijsverschillen binnen de gemeenschappelijke markt te beschermen. Deze overeenkomsten zijn derhalve in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
143 Het feit dat de door verzoekster aan de voorraden onttrokken betonstaalmatten, waarvan de wederinvoer in Duitsland verboden was, zijn gefabriceerd met machines van BStG acht het Gerecht in casu niet ter zake dienend. Zodra de betrokken produkten door Tréfilarbed waren afgenomen, was het eigendomsrecht van de machines waarmee zij waren vervaardigd niet langer relevant, en kon het de eigenaar niet het recht verlenen te bepalen waar de produkten mochten worden doorverkocht.
144 Uit een en ander volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan een afspraak met BStG om de wederuitvoer van betonstaalmatten van de fabriek St. Ingbert naar Duitsland te beletten, en dat deze overeenkomst in strijd was met artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
145 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
146 Bovendien zij opgemerkt, dat het Gerecht in het vandaag gewezen arrest in zaak T-145/89 (BStG/Commissie) ten aanzien van BStG heeft geoordeeld, dat het verbod van wederuitvoer naar Duitsland, ofschoon het in strijd was met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, te verklaren was door de structuurcrisiskartelovereenkomst. De loutere doorvoer via Luxemburg naar Duitsland van door BStG vervaardigde betonstaalmatten met haar walsmerk schond immers het kartel, voor zover deze produkten ontsnapten aan het toezicht op de aan BStG toegewezen leveringsquota. BStG stond dus voor de volgende keuze: ofwel de bedingen van de kartelovereenkomst naleven, op grond waarvan zij de omvang van haar op de Duitse markt afgezette produktie moest controleren en aangeven, ofwel de mededingingsregels van het Verdrag, op grond waarvan zij geen beding mocht voorschrijven, volgens hetwelk verzoekster niet mocht exporteren. In het licht daarvan en gelet op het feit, dat ten aanzien van het crisiskartel op dat tijdstip een vermoeden van wettigheid bestond, daar de Commissie zich niet daartegen had uitgesproken, was het Gerecht van mening, dat de zeer specifieke omstandigheden van de betrokken zaak als een verzachtende omstandigheid voor het gedrag van BStG moeten worden beschouwd.
147 Het Gerecht is evenwel van oordeel, dat de omstandigheden van deze zaak niet van dien aard zijn, dat deze verzachtende omstandigheid ook voor verzoekster geldt. Ook al zou een verzachtende omstandigheid ten aanzien van verzoekster in deze zaak gerechtvaardigd zijn, dan nog valt deze hoe dan ook samen met de verzachtende omstandigheid die de Commissie in punt 206 van de beschikking voor alle niet-Duitse producenten in aanmerking heeft genomen. In punt 206 van de beschikking wordt immers gesteld, dat het bestaan van het Duitse structuurcrisiskartel als een verzachtende omstandigheid voor de niet-Duitse producenten is beschouwd.
3. De afspraken ter bescherming van de Duitse markt
Argumenten van partijen
148 Verzoekster merkt op, dat de Commissie in de punten 182 en 183 van de beschikking de verschillende gedragingen betreffende de betrekkingen tussen de Benelux en Duitsland, waarbij nagenoeg alle Belgische en Nederlandse producenten evenals BStG betrokken waren, via een willekeurige veralgemening op één hoop gooit. Zij stelt dat de aantijgingen vaag zijn, dat zij niet kan uitmaken of zij daarin wordt bedoeld en dat zij, afgezien van de alleenverkoopovereenkomsten met BStG, niet heeft deelgenomen aan of betrokken was bij afspraken betreffende de prijzen en de kwantitatieve beperkingen van de Belgisch-Nederlandse uitvoer naar Duitsland.
149 Zij betoogt, dat zij in Duitsland geen handel dreef, daar alle in de fabriek te Roermond geproduceerde betonstaalmatten, ongeacht of zij nu werden vervaardigd met machines van BStG dan wel met haar eigen machines, in Duitsland werden verkocht door BStG.
150 Verzoekster erkent, dat zij bij de vergaderingen te Breda en te Bunnik aanwezig was, maar stelt, dat zij daarbij slechts een waarnemer was, dat zij niet aan de onderlinge afstemming deelnam en dat zij haar afstand bewaarde van en niet gebonden was door deze onderlinge afstemming. Dat Thibodraad haar het telexbericht van de heer Mueller van 15 december 1983 ter kennis heeft gebracht, is normaal, daar zij bij de vergaderingen aanwezig was en de heer Mueller Thibodraad had verzocht haar positie samen met de collega's van de gesprekskring van Breda te onderzoeken.
151 De Commissie stelt, dat verzoeksters deelneming aan de afspraken tot bescherming van de Duitse markt volgt uit haar regelmatige aanwezigheid bij de vergaderingen te Breda en te Bunnik, waaraan ook BStG deelnam, om te beraadslagen over de onderlinge interpenetratie van de Duitse en de Benelux-markt, zoals verschillende in de beschikking vermelde stukken aantonen. Dat het telexbericht van de heer Mueller van 15 december 1983 door Thibodraad aan verzoekster is doorgezonden, is een bewijs te meer voor haar betrokkenheid bij de afspraken.
152 Dat verzoekster wegens haar alleenverkoopovereenkomst met BStG in Duitsland geen eigen activiteiten ontplooide, betekent volgens de Commissie niet dat zij niet een Nederlands producent is die een deel van haar produktie in Duitsland verkoopt.
Beoordeling door het Gerecht
153 Het Gerecht heeft reeds geoordeeld (zie hiervoor, r.o. 117 e.v. en 126 e.v.), dat de alleenverkoopovereenkomsten tussen BStG en verzoekster (Roermond) niet voldeden aan de voorwaarden van verordening nr. 67/67 en in strijd waren met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, dat verzoekster (St. Ingbert) deelnam aan een afspraak met BStG over de wederuitvoer van betonstaalmatten naar Duitsland, die eveneens (r.o. 140 e.v.) in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag is bevonden, en dat deze twee afspraken ertoe strekten de Duitse markt te beschermen.
154 Bovendien volgt de betrokkenheid van verzoekster bij de afspraken tot bescherming van de Duitse markt uit het telexbericht van de heer Mueller van 15 december 1983. Het aan Thibodraad gerichte telexbericht verwijst naar de vergadering te Breda van 5 december 1983, waaraan verzoekster, Thibodraad, Van Merksteijn, FBC, Boël/Trébos, ZND, Tréfilunion en BStG deelnamen. De heer Mueller stelde daarin, dat "de bereidheid om de uitvoer naar buurlanden op het status quo-niveau te handhaven, respectievelijk niet verder te laten toenemen dan de invoer uit deze landen", in beginsel ongewijzigd voorhanden was. Thibodraad zond verzoekster op 16 december 1983 een kopie van dit telexbericht [bijlage 65 (a) bij PvB, punt 93 van de beschikking], opdat "wij in aansluiting daarop de heer Mueller ons standpunt kunnen meedelen".
155 Verzoeksters betrokkenheid bij de afspraken volgt ook uit het telexbericht van 11 januari 1984 van de heer Peters van Tréfilunion aan de heer Marie van Tréfilunion (bijlage 66 bij PvB, punten 95 en 153 van de beschikking), die melding maakt van een bijeenkomst te Breda op 5 januari 1984, die werd bijgewoond door verzoekster, Boël/Trébos, FBC, BStG, Tréfilunion en andere Nederlandse ondernemingen. Daarin staat: "De traditionele deelnemers eisen van de vertegenwoordigers van BStG dat zij de Benelux-markt niet meer zouden verstoren door de uitvoer van aanzienlijke hoeveelheden tegen zeer lage prijzen. De Duitsers verweren zich met het argument dat de Belgen (Boël en meer recentelijk Frère-Bourgeois) vergelijkbare hoeveelheden naar Duitsland uitvoeren. De Belgen stellen, dat zij de prijzen van de Duitse markt in acht nemen en dat men moet spreken over marktaandeel en niet over tonnen. Er is niets concreets beslist."
156 In het licht van deze bewijzen kan het Gerecht het niet eens zijn met verzoeksters argument dat zij in Duitsland geen handel dreef, omdat het feit dat zij in Roermond betonstaalmatten produceerde en dat deze matten in Duitsland werden verkocht door BStG, bewijst dat zij belang bleef houden bij hoge prijzen op de Duitse markt.
157 Ten slotte brengt het Gerecht in herinnering, dat hiervoor reeds is vastgesteld, dat verzoekster bij de vergaderingen te Breda en te Bunnik aanwezig was en dat zij daaraan, anders dan zij zelf stelt, actief heeft deelgenomen. Verzoekster is steeds als een vaste deelnemer aan de vergaderingen beschouwd. Door haar partners werd zij ook steeds beschouwd als een onderneming wier opvatting bekend diende te zijn om tot een gemeenschappelijk standpunt te kunnen komen. Dit blijkt met name uit de brief van 16 december 1983 van Thibodraad aan Tréfilarbed [bijlage 65 (a) bij PvB, punt 93 van de beschikking], waarbij als bijlage het telexbericht van 15 december 1983 van de heer Mueller was gevoegd. Ten slotte moet worden beklemtoond, dat verzoekster blijkens het telexbericht van 31 augustus 1984 van Tréfilunion na het vertrek van de vertegenwoordiger van Thibodraad, die voorzitter was, de vergaderingen te Breda en te Bunnik van 24 augustus 1984 heeft voorgezeten.
158 Ook al zou verzoekster niet, althans ten dele, een actief aandeel in de vergaderingen hebben gehad, het Gerecht is hoe dan ook van oordeel, dat verzoekster door haar deelneming aan deze vergaderingen, die kennelijk ertoe strekten de mededinging te verstoren, zonder zich publiekelijk van de inhoud ervan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt, dat zij instemde met de resultaten van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zou houden (arresten Hercules Chemicals, reeds aangehaald, r.o. 232, en Solvay, reeds aangehaald, r.o. 98-100).
159 Uit een en ander volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de afspraken tot bescherming van de Duitse markt.
160 Verweersters grief moet derhalve worden afgewezen.
Het middel: schending van artikel 15 van verordening nr. 17
I - Ontbreken van specificatie van de criteria voor de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk en van het bedrag van de geldboete
Argumenten van partijen
161 In haar verzoekschrift betoogt verzoekster, dat de Commissie de feiten verkeerd kwalificeert wanneer zij met de mededingingsregels strijdige gedragingen die onderling niet verbonden waren en die zich op verschillende markten afspeelden, als één enkele inbreuk beschouwt. Tegen het antwoord van de Commissie, dat zij nooit heeft geoordeeld dat er sprake was van een enkele algemene afspraak, maar wel van een geheel van verschillende afspraken op verschillende tijdstippen en betreffende verschillende geografische markten, brengt verzoekster in repliek in, dat de Commissie haar één geldboete heeft opgelegd voor alle ten laste gelegde gedragingen, zonder aan te geven welk deel van de geldboete of welk percentage aan elke inbreuk was toe te schrijven. Deze handelwijze maakt elke vergelijking van de wijze waarop de Commissie de zwaarte van de door verzoekster en de door de andere ondernemingen begane inbreuken heeft beoordeeld, onmogelijk. De Commissie is aldus haar motiveringsplicht niet nagekomen.
162 Verzoekster betoogt, dat in punt 22 van de beschikking ten onrechte wordt vastgesteld, dat de afspraken hebben geleid tot een reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt. Het ging om nationaal overleg dat qua karakter, strekking en timing verschilde, maar de Commissie heeft deze verschillende uiteenlopende elementen op grond van hun gemeenschappelijk grensoverschrijdend karakter met elkaar verbonden, waardoor zij bij de beoordeling zijn "opgeblazen", hetgeen voor verzoekster bijzonder nadelig was. De door de Commissie gestelde reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt bleef in de praktijk beperkt tot bijkomstige beschermende maatregelen betreffende de penetratie in grensgebieden en de gestelde compartimentering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt betrof slechts de hoeveelheden, die op een economisch verantwoorde afstand van de grens werden geproduceerd.
163 De Commissie antwoordt, dat de aan Tréfilarbed opgelegde geldboete niet de rekenkundige som is van verschillende geldboeten voor verschillende inbreuken, aangezien er geen sprake is van afzonderlijke afspraken maar, zoals zij in punt 22 van de beschikking heeft uiteengezet, van een geheel van afspraken die door hun onderlinge samenhang ertoe hebben geleid dat een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt werd gereglementeerd. De ondernemingen waren immers gelijktijdig betrokken bij verschillende afspraken betreffende ten dele verschillende geografische markten, hetgeen op een bepaald ogenblik een compartimentering van de markt van de Gemeenschap tot gevolg had. In 1982 was Tréfilarbed gelijktijdig betrokken bij afspraken betreffende de Franse, de Duitse en de Benelux-markt. De Commissie kan dan ook niet worden verweten, dat zij de inbreuken kunstmatig tot een globale inbreuk heeft gemaakt
164 De Commissie voegt daaraan toe, dat de beschermende maatregelen betreffende de penetratie in de grensgebieden beslist niet iets "bijkomstigs" waren, maar dat zij juist de bestaansreden van de betrokken afspraken waren. Dat deze regelingen in de eerste plaats betrekking hadden op de penetratie in grensgebieden betekent geenszins dat zij geen inbreuk opleverden, maar is enkel het gevolg van het feit dat de intracommunautaire handel in betonstaalmatten wegens de vervoerkosten vooral in deze gebieden plaatsvindt.
Beoordeling door het Gerecht
165 Het Gerecht merkt op, dat de Commissie volgens vaste rechtspraak (zie dienaangaande arresten Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a., reeds aangehaald, 14 februari 1978, zaak 27/76, United Brands, Jurispr. 1978, blz. 207, en 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80-103/80, Musique diffusion française, Jurispr. 1983, blz. 1825) voor verschillende inbreuken één geldboete kan opleggen. Dit geldt te meer wanneer, zoals in casu, de in de beschikking vastgestelde inbreuken hetzelfde soort van gedragingen op verschillende markten betroffen, in het bijzonder de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie, en de ondernemingen die bij die inbreuken betrokken waren, grotendeels dezelfde waren. In dat verband kan niet worden voorbijgegaan aan het feit, dat verzoekster op een bepaald ogenblik heeft deelgenomen aan afspraken betreffende verschillende markten: de Franse, de Duitse en de Benelux-markt.
166 Voorts moet worden beklemtoond, dat verzoekster door het opleggen van één enkele geldboete niet de mogelijkheid is ontnomen om te beoordelen of de Commissie de zwaarte en de duur van de inbreuken correct heeft beoordeeld. Bij haar lezing van de beschikking licht verzoekster een deel kunstmatig daaruit, terwijl elk deel van de beschikking, die een geheel vormt, met inachtneming van de andere delen moet worden gelezen. Het Gerecht is van oordeel, dat de beschikking, in haar geheel bezien, verzoekster de nodige gegevens verstrekt om te weten welke verschillende inbreuken haar ten laste worden gelegd en welke de specifieke omstandigheden van haar gedrag zijn, en om het Gerecht in staat te stellen zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.
167 Het Gerecht herinnert eraan, dat verzoeksters argumenten betreffende de relevante geografische markt hiervoor reeds zijn verworpen.
168 Het Gerecht kan het niet eens zijn met verzoeksters argument, dat de Commissie, door de afspraken op grond van hun gemeenschappelijk grensoverschrijdend karakter met elkaar te verbinden, de zaak buiten proportie heeft "opgeblazen". Waar de Commissie heeft vastgesteld, dat er op verschillende tijdstippen een geheel van verschillende afspraken betreffende verschillende markten bestond, heeft zij immers ook vastgesteld, dat het doel van die afspraken hetzelfde was, namelijk het vaststellen van prijzen en quota, en dat dezelfde ondernemingen gelijktijdig bij verschillende afspraken betreffende verschillende markten betrokken waren.
169 Gelet op deze elementen moet worden geconstateerd dat de Commissie, door in punt 22 van de beschikking vast te stellen dat het geheel van de betrokken afspraken door de reglementering van de afzonderlijke deelmarkten heeft geleid tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, de feiten rechtens niet verkeerd heeft beoordeeld.
170 Om deze redenen moet verzoeksters grief worden afgewezen.
II - Het ontbreken van opzet of onachtzaamheid bij verzoekster
Argumenten van partijen
171 Verzoekster stelt dat zij te goeder trouw was en ontkent dat zij opzettelijk heeft gehandeld. Dienaangaande stelt zij, dat de meeste ondernemingen die op de betonstaalmattenmarkt actief zijn, zichzelf beschouwen als staalbedrijven die onder het EGKS-Verdrag vallen, en zich derhalve gebonden achten aan het anti-crisisregime van de Gemeenschap waarbij prijzen en produktiequota zijn vastgesteld. Voorts bestond op de Duitse betonstaalmattenmarkt een door het Bundeskartellamt goedgekeurd en door de Commissie getolereerd structuurcrisiskartel. Het bestaan van het kartel heeft de producenten van de sector er onbetwistbaar toe aangezet maatregelen tot controle van de prijzen en de quota te nemen, op grond van het idee dat wat rechtmatig is in Duitsland, ook elders rechtmatig moest zijn. Door deze twee omstandigheden is bij de ondernemingen van de sector de indruk gewekt, dat tegen hun gedragingen geen bezwaar bestond.
172 Verzoekster stelt, dat zij door de Franse producenten werd bedreigd met intrekking van haar goedkeuring en dat haar medewerking door deze voortdurende druk te verklaren is.
173 De Commissie merkt op, dat het excuus dat de ondernemingen dachten dat zij voor betonstaalmatten onder het EGKS-Verdrag vielen, niet kan worden aanvaard. Indien dat het geval was - hetgeen onwaarschijnlijk is, daar zij zich ervan bewust waren, dat anders dan voor "EGKS-produkten" op gemeenschapsniveau geen vastgestelde prijzen golden en evenmin op grond van artikel 49 EGKS-Verdrag heffingen werden toegepast - zouden zij hoe dan ook nalatig zijn geweest, hetgeen ook het opleggen van geldboeten krachtens artikel 15, lid 1, van verordening nr. 17 rechtvaardigt.
174 De Commissie stelt, dat het Duitse crisiskartel in punt 206 van de beschikking voor de berekening van de geldboete als verzachtende omstandigheid in aanmerking is genomen. Dit kartel is pas in 1983 tot stand gekomen, dus nadat verschillende van de ten laste gelegde inbreuken waren begaan. Een inbreuk kan niet worden gerechtvaardigd door een verwijzing naar het gedrag van andere ondernemingen, ongeacht of dat gedrag wel of niet een inbreuk oplevert.
175 In antwoord op de verklaring van Tréfilarbed dat zij door haar "medewerking" met de Franse producenten had voorkomen dat haar goedkeuring werd ingetrokken, stelt de Commissie, dat een dergelijke koehandel niet buiten artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt, en dat verzoekster, hoe reëel en intens de dreiging waarvan zij het slachtoffer was ook moge zijn geweest, geen enkel element aanvoert waaruit kan worden afgeleid dat zij zich daartegen heeft geweerd met eerbiediging van het communautaire mededingingsrecht.
Beoordeling door het Gerecht
176 Het Gerecht brengt in herinnering dat het niet noodzakelijk is dat de onderneming zich ervan bewust was dat zij inbreuk maakte op de mededingingsregels van het Verdrag, om de inbreuk op deze regels als een opzettelijke inbreuk te kunnen beschouwen, doch dat het volstaat, dat zij niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat het gewraakte gedrag ertoe strekte de mededinging te beperken (arresten Hof van 11 juli 1989, zaak 246/86, Belasco e.a., Jurispr. 1989, blz. 2117, r.o. 41, en 8 februari 1990, zaak C-279/87, Tipp-Ex, Jurispr. 1990, blz. I-261; arrest Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-15/89, Chemie Linz, Jurispr. 1992, blz. II-1275, r.o. 350).
177 Voorts merkt het Gerecht op, dat de Commissie rekening heeft gehouden met een aantal factoren die voor alle ondernemingen gelden, naar aanleiding waarvan zij de geldboetes heeft beperkt tot een bedrag dat aanzienlijk lager ligt dan hetgeen onder normale omstandigheden gerechtvaardigd zou zijn (punt 208 van de beschikking). Deze factoren zijn onder meer het feit dat de prijs voor betonstaalmatten voor 75 tot 80 % afhankelijk is van de prijs voor walsdraad, waarvoor produktiequota golden, de structurele achteruitgang van de vraag, de overtollige produktiecapaciteit, de conjuncturele schommelingen op de markt en de onbevredigende rentabiliteit van de sector (punt 201 van de beschikking), alsmede de interdependentie tussen betonstaalmatten en betonstaafstaal (punt 202 van de beschikking). Bovendien is in de beschikking ook het bestaan van het structuurcrisiskartel in Duitsland, een situatie die voor de partijen in andere Lid-Staten aanleiding was om van hun kant te trachten maatregelen voor hun bescherming te nemen, als verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen, zonder dat evenwel de door hen genomen ongeoorloofde maatregelen als gerechtvaardigd worden beschouwd (punt 206 van de beschikking).
178 Opgemerkt moet worden, dat verzoeksters vrees om het slachtoffer te worden van represailles van haar concurrenten haar deelneming aan de afspraken niet kan rechtvaardigen. Ook al was deze vrees gegrond, verzoekster had de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan deze afspraken deel te nemen (zie arrest van 10 maart 1992, Huels, reeds aangehaald, r.o. 128).
179 Mitsdien moet de grief worden afgewezen.
III - Onevenredigheid van de geldboete
Argumenten van partijen
180 Verzoekster is van mening, dat de haar opgelegde geldboete van 1 143 000 ECU buitensporig en onevenredig is. Het op haar toegepaste percentage van de omzet, 3 %, ligt hoger dan het gemiddelde van 2,5 % dat op de andere ondernemingen is toegepast. Verzoekster acht het onrechtvaardig en onbillijk dat zij strenger is behandeld dan de andere ondernemingen. De Commissie heeft haar strenger bestraft, omdat zij bij de beoordeling van de zwaarte van de gestelde inbreuken de nationale markten en de afspraken met inachtneming van de staatsgrenzen bij elkaar heeft opgeteld. Zij stelt dienaangaande, dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de geografische ligging van haar fabrieken, die alle vlakbij de grens van de drie markten liggen, waardoor de indruk zou zijn gewekt, dat zij wel moest deelnemen aan alle onderlinge afstemmingen waarbij een grens werd overschreden. Daardoor heeft de Commissie haar een zwaardere schuld aangerekend dan de andere ondernemingen die wegens de ligging van hun fabrieken slechts op één of twee nationale markten opereerden, terwijl zij geenszins de bedoeling had de markt af te grendelen, hetgeen haar immers zou hebben gehinderd, daar zij noodzakelijkerwijs haar produkten moest uitvoeren. Daar haar natuurlijke geografische markt zich aan beide kanten van de grenzen uitstrekt en nagenoeg in het centrum van de Gemeenschap ligt, kon elke afspraak waaraan zij zou hebben deelgenomen, slechts effect hebben binnen dit - geografisch bepaalde - afzetgebied.
181 De Commissie stelt, dat zij Tréfilarbed niet een "zwaardere schuld" heeft aangerekend dan ondernemingen die in het kader van de afspraken de rol van gangmaker hebben gespeeld, en dat in punt 207, in fine, van de beschikking juist het tegendeel wordt verklaard. Tréfilarbed kreeg een geldboete die, als percentage van het omzetcijfer, hoger ligt dan het gemiddelde van de andere ondernemingen, omdat niet alle ondernemingen aan alle ten laste gelegde afspraken hebben deelgenomen, zoals Tréfilarbed wel heeft gedaan. Het op Tréfilarbed toegepaste percentage ligt lager dan het maximumpercentage dat is toegepast, namelijk 3,6 %; twee andere ondernemingen hebben hogere geldboeten gekregen dan verzoekster.
182 De Commissie betwist dat de geografische ligging van Tréfilarbed noodzakelijkerwijs meebracht, dat zij aan grensoverschrijdende afspraken moest deelnemen, en stelt dat het paradoxaal is dat een onderneming die noodzakelijkerwijs op de markt van verschillende Lid-Staten aanwezig is, zich specifiek daarop beroept om onder de toepassing van het gemeenschapsrecht uit te komen. Indien men de redenering van Tréfilarbed zou volgen, zou men tot de slotsom moeten komen, dat de in het Verdrag neergelegde beginselen van vrij verkeer niet in grensgebieden gelden.
Beoordeling door het Gerecht
183 Het Gerecht brengt in herinnering, dat de Commissie krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 geldboeten kan opleggen van ten minste duizend en ten hoogste één miljoen ECU, of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar. Bij de vaststelling van het bedrag binnen deze grenzen, moet volgens deze bepaling rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. Het Hof heeft het begrip omzet uitgelegd als de totale omzet (arrest Musique diffusion française, reeds aangehaald, r.o. 119), zodat moet worden geconcludeerd dat de Commissie, die geen rekening heeft gehouden met verzoeksters totale omzet, maar met de omzet van betonstaalmatten in de Gemeenschap van zes, en de grens van 10 % niet heeft overschreden, wat de zwaarte en de duur van de inbreuk betreft, artikel 15 van verordening nr. 17 dus niet heeft geschonden.
184 Voorts stelt het Gerecht vast, dat verzoekster geen aanwijzingen verstrekt die kunnen aantonen dat zij, gelet op de duur en de bijzondere zwaarte van de vastgestelde inbreuken, strenger zou zijn behandeld dan de andere in de beschikking bedoelde ondernemingen.
185 Het Gerecht is namelijk van oordeel, dat het verschil tussen het percentage dat is toegepast op verzoekster (3 %) en op Tréfilunion (3,60 %), de onderneming waarop de beschikking het hoogste percentage toepast, niet onevenredig is. Hoewel Tréfilunion een verzwarende omstandigheid wordt aangerekend - het feit één van de gangmakers van en één van de belangrijkste deelnemers aan de bestrafte gedragingen te zijn geweest - wordt in de beschikking aan verzoekster immers een deelneming aan meer inbreuken aangerekend dan aan Tréfilunion. Ook het verschil tussen het op verzoekster toegepaste percentage en het - lagere - percentage voor andere deelnemende ondernemingen wordt gerechtvaardigd doordat voor deze laatste verzachtende omstandigheden golden, hetgeen bij verzoekster niet het geval is.
186 Ten slotte merkt het Gerecht op, dat verzoekster niet met een beroep op de geografische ligging van haar fabrieken kan stellen, dat zij niet aan de afspraken heeft deelgenomen. Het is niet omdat haar fabrieken vlakbij de grenzen gelegen zijn, dat de Commissie haar haar deelneming aan de afspraken ten laste heeft gelegd, maar omdat een reeks van bewijzen haar deelneming aantoont. De geografische ligging van verzoeksters fabrieken impliceert niet noodzakelijk, dat zij aan grensoverschrijdende afspraken heeft deelgenomen, maar maakte haar deelneming aan afspraken betreffende de verschillende markten uiteraard gemakkelijker.
187 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
IV - Inaanmerkingneming van de door de Franse autoriteiten opgelegde geldboete
Argumenten van partijen
188 Verzoekster betoogt, dat de Franse autoriteiten haar, als importeur in Frankrijk, een sanctie hebben opgelegd en dat de Commissie haar geen extra sanctie mocht opleggen voor dezelfde feiten die zich op dezelfde markt hebben voorgedaan, enkel omdat de haar verweten gedragingen "grensoverschrijdend" zouden zijn geweest. De Commissie heeft niet aangetoond dat zij andere feiten wilde bestraffen of dat zij nieuwe inbreuken had ontdekt. Verzoekster verwijt de Commissie dat zij haar een geldboete heeft opgelegd die 800 keer hoger ligt dan die welke de voor mededinging bevoegde Franse instanties haar hebben opgelegd. Deze zeer uiteenlopende beoordeling wordt door de Commissie slechts verklaard met een vage referentie aan "de algemene gevolgen van deze afspraken en in het bijzonder die voor de handel daarvan tussen de Lid-Staten" (punt 205 van de beschikking). Ten slotte betoogt verzoekster, dat het feit dat de Commissie het bedrag van de geldboete die zij haar heeft opgelegd, slechts heeft verminderd met het bedrag van de geldboete die haar in Frankrijk was opgelegd, niet overeenstemt met de wijze waarop rekening moet worden gehouden met een vroegere nationale beslissing, zoals beschreven in het arrest van het Hof van 13 februari 1969 (zaak 14/68, Wilhelm e.a., Jurispr. 1969, blz. 1). Volgens een juiste uitlegging van dit arrest moet een communautaire instantie wanneer zij optreedt na een nationale, rekening houden met de gehele motivering van de nationale beslissing, en niet alleen met het bedrag van de door de nationale instantie opgelegde geldboete.
189 Volgens de Commissie is de vergelijking met de beslissing van de Franse autoriteiten irrelevant, daar deze laatste enkel een nationale markt betrof en zij bij de toepassing van artikel 85 van het Verdrag niet gebonden is door beslissingen van nationale instanties.
190 Bovendien stelt de Commissie, dat bij de Franse beslissing enkel rekening is gehouden met verzoeksters deelneming aan de overeenkomst betreffende de Franse markt in 1983-1984. Men behoeft zich dus niet te verbazen over het grote verschil tussen de door de Franse autoriteiten opgelegde geldboete en de geldboete die zij Tréfilarbed heeft opgelegd in verband met de lange lijst inbreuken die haar ten laste zijn gelegd. De Commissie heeft gegevens in handen gekregen op grond waarvan zij Tréfilarbed voor de periode 1981-1982 een inbreuk op de Franse markt ten laste kan leggen, hetgeen de Franse instanties niet hebben gedaan. Voorts kan de Commissie het niet eens zijn met verzoeksters uitlegging van het arrest Wilhelm, die indruist tegen de rechtspraak van het Hof. Op grond van dit arrest kon de Commissie dus enkel de reeds in Frankrijk opgelegde geldboete in mindering brengen.
Beoordeling door het Gerecht
191 Het Gerecht brengt in herinnering, dat in de rechtspraak van het Hof is erkend, dat een cumulatie van sancties mogelijk is als gevolg van het feit dat er twee parallelle procedures met verschillende doelstellingen bestaan, wat toelaatbaar is op grond van de bijzondere bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten inzake mededingingsregelingen. Het Hof overwoog evenwel, dat een algemene billijkheidseis inhoudt dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete verplicht is rekening te houden met sancties welke dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit mochten zijn opgelegd, wanneer die sancties zijn opgelegd wegens een inbreuk op het kartelrecht van een Lid-Staat, die bijgevolg op het grondgebied van de Gemeenschap is begaan (zie dienaangaande arresten Hof van 13 februari 1969, Wilhelm, reeds aangehaald, r.o. 11, en 14 december 1972, zaak 7/72, Boehringer, Jurispr. 1972, blz. 1281, r.o. 3). Vastgesteld moet worden, dat zulks hier is gebeurd, nu de Commissie in punt 205 van de beschikking rekening heeft gehouden met de reeds door de Franse autoriteiten opgelegde geldboete.
192 Met betrekking tot het verschil tussen de door de Commissie opgelegde geldboete en die welke de voor mededinging bevoegde Franse instanties hebben opgelegd, is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie conclusies kon trekken uit de bewijzen waarover zij beschikte, welke bewijzen niet noodzakelijk dezelfde waren als die waarover de Franse autoriteiten beschikten; zij kan niet gebonden zijn aan de conclusie van die autoriteiten. Het is immers vaste rechtspraak, dat eventuele punten van overeenkomst tussen de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake mededinging en het stelsel van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag in geen geval kunnen afdoen aan de autonomie waarover de Commissie bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 beschikt, noch haar ertoe verplichten om zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als de instanties die met de toepassing van die nationale wettelijke regeling zijn belast (arrest van 28 maart 1985, CICCE, reeds aangehaald, r.o. 27).
193 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
194 Om deze redenen moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten195 Ingevolge artikel 87 van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer zulks is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie heeft gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen, dient deze laatste in de kosten te worden verwezen
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten
Top