Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 6 APRIL 1995. - COCKERILL SAMBRE TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - INBREUK OP ARTIKEL 85 EEG-VERDRAG. - ZAAK T-144/89.
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-00947
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Aantasting van mededinging ° Beoordelingscriteria ° Mededingingsverstorend doel ° Vaststelling toereikend
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten ° Criteria
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3. Mededinging ° Geldboeten ° Meerdere inbreuken ° Oplegging van één geldboete ° Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
4. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Vaststelling ° Criteria ° Omzet van betrokken onderneming ° Inbreuk die slechts betrekking had op aantal typen van zelfde produkt die één markt vormen ° Mogelijkheid om totale omzet op relevante markt in aanmerking te nemen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
Samenvatting1. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag behoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst niet in aanmerking te worden genomen wanneer blijkt, dat de overeenkomst ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
2. Artikel 85, lid 1, van het Verdrag verlangt niet dat de vastgestelde mededingingsbeperkingen het handelsverkeer tussen Lid-Staten inderdaad merkbaar hebben beïnvloed, maar het verlangt uitsluitend het bewijs dat zij een dergelijk gevolg konden hebben.
3. Krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 kan de Commissie voor verschillende inbreuken één geldboete opleggen. Dit geldt te meer wanneer de inbreuken hetzelfde soort van gedragingen op verschillende markten betroffen, in het bijzonder de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie, en de ondernemingen die bij die inbreuken betrokken waren, grotendeels dezelfde waren.
Bovendien wordt door het opleggen van één enkele geldboete de betrokken onderneming niet de mogelijkheid ontnomen om te beoordelen of de Commissie de zwaarte en de duur van de inbreuken correct heeft beoordeeld. De gemeenschapsrechter wordt evenmin de mogelijkheid ontnomen om zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, daar de betrokken beschikking, in haar geheel bezien, de onderneming de nodige gegevens verstrekt om te weten welke inbreuken haar ten laste worden gelegd en welke de specifieke omstandigheden van haar gedrag zijn.
4. In geval van een inbreuk op de mededingingsregels die slechts betrekking heeft op een aantal typen van een zelfde produkt die één markt vormen, kan de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 opgelegde geldboete rekening houden met de omzet van de betrokken onderneming voor het geheel van deze markt, daar dit cijfer een aanwijzing kan vormen voor de omvang van de inbreuk, daar deze van invloed moest zijn en ook was op de prijzen van de andere typen van dat produkt.
PartijenIn zaak T-144/89,
Cockerill Sambre, voorheen Steelinter SA, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door M. Waelbroeck en A. Vandencasteele, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Koch, E. Traversa en J. Currall, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door N. Coutrelis en A. Coutrelis, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy, B. Vesterdorf, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 14 tot en met 18 juni 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1, hierna: de "beschikking"), waarbij zij aan veertien producenten van betonstaalmatten een geldboete heeft opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. De produkten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zijn betonstaalmatten, een geprefabriceerd wapeningsprodukt dat is gemaakt van gladde of geribde koudgetrokken betonstaaldraden die door puntlassing in een rechte hoek met elkaar zijn verbonden om een netwerk te vormen. Dit produkt wordt op bijna alle terreinen van de gewapend-betonconstructie gebruikt.
2 Vanaf 1980 zouden in deze sector een aantal kartels en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de aanleiding voor de beschikking hebben gevormd, tot stand zijn gekomen op de Duitse, de Franse en de Benelux-markt.
3 Voor de Duitse markt verleende het Bundeskartellamt op 31 mei 1983 de Duitse producenten van betonstaalmatten toestemming voor de oprichting van een structuurcrisiskartel. Na één maal te zijn verlengd liep deze toestemming in 1988 af. Het kartel had tot doel de capaciteit te verminderen; het voorzag ook in leveringsquota en prijsregelingen, die echter slechts werden goedgekeurd voor de eerste twee jaar van de toepassing van de kartelovereenkomst (punten 126 en 127 van de beschikking).
4 Op 20 juni 1985 bracht de Franse Commission de la concurrence een advies omtrent de toestand van de mededinging op de markt voor betonstaalmatten in Frankrijk uit, waarna de Franse minister van Economische zaken, Financiën en Begroting beschikking nr. 85-6 DC van 3 september 1985 heeft vastgesteld, waarbij aan verschillende Franse ondernemingen een geldboete is opgelegd wegens handelingen en feitelijke gedragingen die ertoe strekten of ten gevolge hadden, dat gedurende het tijdvak 1982-1984 de mededinging werd beperkt of vervalst en de normale werking van de markt werd belemmerd.
5 Op 6 en 7 november 1985 verrichtten ambtenaren van de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), gelijktijdig en zonder voorafgaande waarschuwing verificaties ten kantore van zeven ondernemingen en twee ondernemersverenigingen, te weten Tréfilunion SA, Sotralentz SA, Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Ferriere Nord SpA (Pittini), Baustahlgewebe GmbH (BStG), Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV, NV Bekaert, Syndicat national du tréfilage d' acier (STA) en Fachverband Betonstahlmatten eV. Op 4 en 5 december 1985 verrichtten zij verder verificaties ten kantore van de ondernemingen ILRO SpA, GB Martinelli, NV Usines Gustave Boël (afdeling Trébos), Tréfileries de Fontaine-l' Évêque (TFE), Frère-Bourgeois Commerciale SA (FBC), Van Merksteijn Staalbouw BV en ZND Bouwstaal BV.
6 Op grond van de bij deze verificaties gevonden documenten, alsmede van de gegevens die zij krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 in handen had gekregen, kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1980 en 1985 inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag hadden gemaakt door een reeks overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake leveringsquota en prijzen voor betonstaalmatten. De Commissie leidde de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in en op 12 maart 1987 werden de betrokken ondernemingen op de hoogte gesteld van de punten van bezwaar, waarop die ondernemingen hebben gereageerd. Op 23 en 24 november 1987 vond een hoorzitting met hun vertegenwoordigers plaats.
7 Na afloop van deze procedure gaf de Commissie de beschikking. Volgens deze beschikking (punt 22) bestonden de concurrentiebeperkingen uit een aantal overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de vaststelling van prijzen en/of leveringsquota alsmede op de verdeling van de markten voor betonstaalmatten. Deze afspraken betroffen in hoofdzaak telkens een deelmarkt (de Franse markt, de Benelux-markt, de Duitse markt), doch beperkten de handel tussen de Lid-Staten, aangezien daaraan werd deelgenomen door in verschillende Lid-Staten gevestigde ondernemingen. Volgens de beschikking "gaat het niet zozeer om een globale afspraak tussen alle producenten uit alle betrokken Lid-Staten, maar veeleer om een geheel van verschillende afspraken met ten dele wisselende deelnemers. Door de reglementering van de afzonderlijke deelmarkten heeft dit geheel van afspraken echter geleid tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt."
8 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
Tréfilunion SA, Société métallurgique de Normandie (SMN), CCG (Tecnor), Société de treillis et panneaux soudés (STPS), Sotralentz SA, Tréfilarbed SA, respectievelijk Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Tréfileries de Fontaine-l' Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale SA (thans Steelinter SA), NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos, Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (thans Thibo Bouwstaal BV), Van Merksteijn Staalbouw BV, ZND Bouwstaal BV, Baustahlgewebe GmbH, ILRO SpA, Ferriere Nord SpA (Pittini) en GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door in de periode van 27 mei 1980 tot 5 november 1985 in een of meer gevallen deel te nemen aan een of meer overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (afspraken) die bestonden uit het bepalen van verkoopprijzen, het beperken van de afzet, de verdeling van de markten, alsmede uit maatregelen voor de toepassing van deze afspraken en voor de controle daarop.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de betonstaalmattensector in de Gemeenschap, moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, en zich voortaan met betrekking tot hun betonstaalmattenactiviteiten onthouden van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel beogen of tot gevolg hebben.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
1. Tréfilunion SA (TU): een geldboete van 1 375 000 ECU;
2. Société métallurgique de Normandie (SMN): een geldboete van 50 000 ECU;
3. Société des treillis et panneaux soudés (STPS): een geldboete van 150 000 ECU;
4. Sotralentz SA: een geldboete van 228 000 ECU;
5. Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL: een geldboete van 1 143 000 ECU;
6. Steelinter SA: een geldboete van 315 000 ECU;
7. NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos: een geldboete van 550 000 ECU;
8. Thibo Bouwstaal BV: een geldboete van 420 000 ECU;
9. Van Merksteijn Staalbouw BV: een geldboete van 375 000 ECU;
10. ZND Bouwstaal BV: een geldboete van 42 000 ECU;
11. Baustahlgewebe GmbH (BStG): een geldboete van 4 500 000 ECU;
12. ILRO SpA: een geldboete van 13 000 ECU;
13. Ferriere Nord SpA (Pittini): een geldboete van 320 000 ECU;
14. GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA: een geldboete van 20 000 ECU.
(...)"
9 Volgens de beschikking (punten 14 en 195, sub e) is Tréfileries de Fontaine-l' Évêque (TFE) een produktie-eenheid van de groep Cockerill Sambre, waartoe ook de onderneming Frère-Bourgeois Commerciale SA (FBC) behoort, die de door TFE geproduceerde betonstaalmatten op de markt brengt. Op 1 april 1986 veranderde FBC haar naam in Steelinter SA, welke vennootschap het onderhavige beroep heeft ingesteld. Bij akte van 30 december 1989 verklaarde Cockerill Sambre dat zij Steelinter vrijwillig wilde ontbinden. Na die beslissing verklaarde Cockerill Sambre formeel dat zij de door Steelinter ingeleide procedure wilde voortzetten. Verzoekster wordt hierna dan ook zonder onderscheid met de namen FBC en TFE aangeduid.
De procedure
10 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 oktober 1989, het onderhavig beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Tien van de dertien andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, hebben eveneens beroep ingesteld.
11 Bij beschikkingen van 15 november 1989 heeft het Hof deze zaak en de tien andere zaken krachtens artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1) naar het Gerecht verwezen. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-141/89°T-145/89 en T-147/89°T-152/89.
12 Bij beschikking van 13 oktober 1992 heeft het Gerecht deze zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling.
13 Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 22 april en 7 mei 1993, hebben partijen de hun door het Gerecht gestelde vragen beantwoord.
14 Gezien de antwoorden op die vragen en het rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
15 Ter terechtzitting, die van 14 tot en met 18 juni 1993 plaatsvond, zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
16 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
primair:
° de beschikking nietig te verklaren en de Commissie in de kosten te verwijzen;
subsidiair:
° artikel 3 van de beschikking nietig te verklaren, voor zover verzoekster daarin een geldboete van 315 000 ECU wordt opgelegd, of de geldboete althans tot een symbolisch bedrag te verlagen, en de Commissie hoe dan ook in de kosten te verwijzen.
17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
18 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag en schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
Het middel: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag: de afspraken
I ° De Franse markt
A ° De periode 1981-1982
De bestreden handeling
19 In de beschikking (punten 23-50 en 159) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij tussen april 1981 en maart 1982 heeft deelgenomen aan een serie afspraken betreffende de Franse markt. Bij deze afspraken waren enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) betrokken en anderzijds buitenlandse producenten die op de Franse markt actief waren (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC en Tréfilarbed). Bij deze afspraken werden prijzen en quota vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken.
Argumenten van partijen
20 Verzoekster betoogt, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat zij heeft deelgenomen aan vergaderingen of eventuele overeenkomsten. Zij had er geen enkel belang bij om deel te nemen aan een overeenkomst betreffende de verdeling van de Franse markt, daar haar produktieapparaat niet op de Franse normen was afgestemd en zij pas in 1982, dank zij een sterke prijsstijging in Frankrijk waardoor zij ondanks een slecht aangepast produktieapparaat concurrerend kon worden, aldaar grotere hoeveelheden heeft kunnen verkopen.
21 Zij stelt, dat het feit dat haar, zonder dat zij dit wist, in een document van 23 oktober 1981 [bijlage 1 bij de mededeling van punten van bezwaar (hierna: "PvB"), punt 48 van de beschikking] quota zijn toegewezen, geen bewijskracht heeft, aangezien voor de praktische werking van een quotaovereenkomst vereist is, dat ook de ondernemingen die er zich niet bij aansluiten, een forfaitair quotum krijgen toegewezen. Voorts betwist zij de bewijskracht van het stuk, daar het van een derde onderneming afkomstig is. Ten slotte gaf het haar toegewezen quotum niet de economische werkelijkheid weer, daar ° zoals uit het betrokken stuk blijkt ° haar leveringen zeer ver onder het toegewezen quotum lagen (58 ton in plaats van 4 000).
22 Voorts meent verzoekster, dat de Commissie de met de hand geschreven nota over de op 1 april 1981 te Parijs gehouden vergadering (bijlage 25 bij PvB) niet tegen haar in aanmerking kan nemen, daar punt 49 van de beschikking die daarnaar verwijst, begint met de woorden "Wat de Usines Gustave Boël (...) betreft." Bovendien is in deze nota niet met zoveel woorden sprake van verzoekster, maar van "Charleroi"; ook al kan "Charleroi" op haar slaan, dan nog bewijst de betrokken nota niet dat de vergadering heeft plaatsgehad, noch het onderwerp van die vergadering, verzoeksters deelneming of de sluiting van enige overeenkomst. Ten slotte merkt zij op, dat volgens de nota "reeds overeenstemming was bereikt" over een hoeveelheid van 8 000 ton voor de Belgische producenten, en dat er dan ook geen reden was om over quota te praten, indien er reeds een overeenkomst bestond.
23 De Commissie antwoordt, dat het aan verzoekster toegewezen quotum van 4 000 ton geen "fictief" quotum is dat enkel om boekhoudkundige redenen eenzijdig in abstracto is toegewezen, en dat uit de nota van 23 oktober 1981 blijkt, dat het aandeel van de Belgische producenten wel degelijk "bij de laatste afspraken" was geregeld.
24 Met betrekking tot punt 49 van de beschikking meent de Commissie, dat het feit dat het begint met de vermelding van een andere onderneming, als een redactionele fout kan worden beschouwd, maar dat dit niet belet dat dit punt, evenals de daarin vermelde nota, tegen verzoekster kan worden gebruikt. Dat "Charleroi" op verzoekster slaat, is evident, daar zij te Charleroi is gevestigd en in de omgangstaal een onderneming vaak wordt aangeduid met de naam van de plaats waar zij is gevestigd. Ten slotte merkt de Commissie op, dat het feit dat over de quota reeds overeenstemming was bereikt, niet belet dat de vergadering betrekking had op andere aspecten, zoals de praktische regeling van de werking of de verdeling van de quota.
Beoordeling door het Gerecht
25 Het Gerecht stelt vast, dat uit de door de Commissie overgelegde stukken kan worden opgemaakt, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de afspraken betreffende de Franse markt in 1981 en 1982. Uit de nota van Ferriere Nord (bijlage 25 bij PvB, punt 49 van de beschikking) betreffende een op 1 april 1981 te Parijs gehouden vergadering tussen de Franse, de Italiaanse en de Belgische producenten blijkt immers, dat toen "reeds overeenstemming was bereikt" over een hoeveelheid van 8 000 ton voor de Belgische producenten. Aangaande het gebruik dat de Commissie van dit stuk heeft gemaakt, kan verzoekster niet betwisten dat "Charleroi" op haarzelf slaat. In de omgangstaal wordt een rechtspersoon of een instelling immers vaak aangeduid met de naam van de plaats of het gebouw waar hij of zij is gevestigd. Verder kan verzoekster niet stellen, dat punt 49 van de beschikking en het daarin vermelde stuk niet tegen haar kunnen worden gebruikt. Ook al is de beschikking niet vlekkeloos geredigeerd, deze nota is ter kennis van verzoekster gebracht, hetgeen impliceert dat de Commissie haar als een bewijsstuk tegen verzoekster beschouwt. Aangaande de strekking van de woorden "waarover reeds overeenstemming was bereikt", zij ten slotte opgemerkt, dat een dergelijke vergadering ° zoals de Commissie terecht betoogt ° naast de vaststelling van quota een zeer gevarieerde inhoud kan hebben, zodat verzoeksters conclusie over het ontbreken van een reden om over quota te praten, irrelevant is.
26 Uit een andere nota van Tréfilunion, van 23 oktober 1981 (bijlage 1 bij PvB, punten 46 en 48 van de beschikking), blijkt trouwens dat het quotum van de andere Belgische producent volgens de "recente overeenkomsten" 4 000 ton bedroeg.
27 Uit deze twee stukken heeft de Commissie dus terecht afgeleid, dat verzoekster een quotum van 4 000 ton was toegewezen volgens de overeenkomsten, ten aanzien waarvan Tréfilarbed volgens het tweede stuk klaagde, dat daarbij "een veel te groot marktaandeel aan de Italianen en de Belgen is toebedeeld".
28 Wat het argument betreft, dat verzoeksters leveringen ver onder haar beweerde quotum lagen, zij opgemerkt, dat een quotum een verbod inhoudt om bepaalde hoeveelheden te leveren, geen verplichting om die hoeveelheden te leveren. Het is dan ook mogelijk overeenstemming te bereiken over een quotum dat men hoopt volledig te kunnen gebruiken, zonder evenwel door omstandigheden ook daarin te slagen. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat ofschoon verzoekster heeft verklaard, dat zij er geen belang bij had om deel te nemen aan overeenkomsten betreffende de Franse markt, zij erkent dat zij door een sterke stijging van de prijzen grotere hoeveelheden heeft kunnen verkopen, daar zij bij die prijzen concurrerend was. Dit toont aan, dat zij er belang bij had om aan een afspraak deel te nemen, en verklaart tevens waarom zij het quotum niet volledig heeft kunnen gebruiken, dat zij was overeengekomen in de hoop dat een stijging van de prijzen haar concurrerend zou maken, waardoor zij het quotum volledig zou kunnen gebruiken.
29 Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden geconcludeerd dat de Commissie verzoeksters deelneming aan de afspraken die de vaststelling van prijzen en quota op de Franse markt gedurende de periode 1981-1982 tot voorwerp hadden, genoegzaam heeft aangetoond.
30 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
B ° De periode 1983-1984
De bestreden handeling
31 In de beschikking (punten 51-76 en 160) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan een tweede serie afspraken, waarbij enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) waren betrokken, en anderzijds de op de Franse markt opererende buitenlandse producenten (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC en Tréfilarbed). Bij deze afspraken zouden prijzen en quota zijn vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken. Deze serie afspraken zou tussen begin 1983 en eind 1984 tot stand zijn gekomen en zijn vastgelegd in een op 14 oktober vastgesteld "protocole d' accord", dat voor het tijdvak van 1 juli 1983 tot 31 december 1984 is gesloten. In dit protocol werden de resultaten van de verschillende onderhandelingen tussen de Franse, de Italiaanse en de Belgische producenten en Arbed betreffende de op de Franse markt toe te passen quota en prijzen samengevat en werd het quotum van België, Italië en Duitsland "in het kader van een tussen deze producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst" op 13,95 % van het verbruik op de Franse markt vastgesteld. Verzoekster zou deze afspraken na juni 1984 niet meer zijn nagekomen (punt 76 van de beschikking).
Argumenten van partijen
32 Verzoekster stelt, dat zij in het geheel niet heeft deelgenomen aan mogelijke overeenkomsten betreffende de Franse markt in 1983-1984.
33 Zij betoogt, dat het in punt 55 van de beschikking vermelde telexbericht haar niet ter kennis is gebracht, en dat het dan ook niet tegen haar kan worden gebruikt. Dit stuk bewijst trouwens niet dat er een overeenkomst bestond, maar veeleer het tegendeel, daar daarin wordt gesteld dat "vrijwel overeenstemming is bereikt", hetgeen niet betekent dat zij al is bereikt.
34 Het "protocole d' accord" van oktober 1983 bevat volgens verzoekster geen overeenkomsten, maar een lijst van overeenkomsten die zullen moeten worden gesloten. Er is geen enkel bewijs voor de in dit protocol voorziene overeenkomst en nog minder voor verzoeksters deelneming daaraan.
35 Voorts bewijzen de stukken met verzoeksters leveringsstatistieken en marktaandeel (bijlagen 41 en 42 bij PvB, punt 62 van de beschikking) geenszins haar deelneming aan het "protocole d' accord". Verzoekster heeft de Association pour le développement de l' emploi du treillis soudé (hierna: "ADETS") voor statistische doeleinden kosteloos haar gegevens over haar uitvoer naar Frankrijk meegedeeld. Deze tabellen bevatten kolommen betreffende boetes en overdrachten van quota van de ene periode naar de andere, tot maximaal 15 % van de niet-opgebruikte quota. In deze kolommen komt verzoekster niet voor, hetgeen bewijst dat zij niet over quota beschikte.
36 Ten slotte merkt verzoekster op, dat de Franse Commission de la concurrence, die het "protocole d' accord" in haar bezit had, in haar advies tot de slotsom kwam dat de buitenlandse producenten hadden geweigerd om aan deze overeenkomsten deel te nemen.
37 De Commissie brengt daartegen in, dat verzoeksters deelneming aan de afspraken van 1983-1984 wordt bewezen, wanneer de verschillende in de beschikking genoemde stukken in onderling verband worden gelezen. Het eerste is het telexbericht van 24 mei 1983, ten aanzien waarvan de Commissie verzoekster antwoordt dat het weinig belang heeft te weten wanneer precies de Belgische producenten zich akkoord verklaarden met de hoogte van hun eigen quotum. Dit telexbericht bewijst dat de Belgische producenten deelnamen aan de discussie en derhalve aan de afspraak tot verdeling van de Franse markt. Het tweede is het "protocole d' accord" van oktober 1983, waarvan de Commissie beklemtoont dat de considerans uitdrukkelijk betrekking heeft op de regeling van de Belgische, de Italiaanse en de Duitse invoer. Het derde zijn de tabellen van de ADETS, in verband waarmee de Commissie stelt dat verzoeksters betoog betreffende het compenseren van voortijdige/vertraagde leveringen ongegrond is, daar de door haar ingeroepen 15 %-regel enkel gold voor de Franse ondernemingen en Arbed (dat wil zeggen, voor de ondertekenaars van het protocol). Dat betekent niet, dat de "buitenlandse" ondernemingen geen partij waren bij de overeenkomst met de Franse producenten, aangezien de "buitenlanders" partij waren bij de in het protocol bedoelde afzonderlijke overeenkomst. Hetzelfde geldt voor de berekening van de boetes. Voorts merkt de Commissie op, dat verzoekster de overeenkomst wel degelijk heeft nageleefd, daar haar gemiddelde leveringen in de periode januari-april 1984 1,0025 % van de markt bedroegen, hetgeen dicht bij haar quotum van 1,09 % ligt.
38 Met betrekking tot het advies van de Franse Commission de la concurrence merkt de Commissie ten slotte op, dat deze enkel over het "protocole d' accord" beschikte, terwijl zijzelf over andere stukken beschikte aan de hand waarvan zij de inbreuk kon vaststellen. Bovendien meent de Commissie dat zij niet gebonden is door de conclusies van nationale overheden, vooral waar het buitenlandse ondernemingen betreft.
Beoordeling door het Gerecht
39 Het Gerecht stelt vast dat verzoekster in de beschikking ten laste wordt gelegd, dat zij aan alle afspraken inzake de Franse markt heeft deelgenomen (punt 51), die gedurende de eerste helft van 1983 zijn voorbereid en zijn uitgemond in een "protocole d' accord", waarin de resultaten van deze verschillende onderhandelingen zijn samengevat (punt 60). Volgens de beschikking (punt 60, sub c) "blijkt de Belgische deelneming uit het 'protocole d' accord' zelf", terwijl het aan FBC toegewezen quota kan worden opgemaakt uit documenten waarin de quota en feitelijke leveringen per maand en cumulatief met elkaar worden vergeleken (punt 62). In de beschikking wordt opgemerkt, dat de Belgische bedrijven in mei en juni 1984 hun quota op cumulatieve basis begonnen te overschrijden (punt 73), waaruit de conclusie wordt getrokken, dat FBC en de anderen de afspraken na juni 1984 niet meer nakwamen (punt 76).
40 Om te beginnen zij opgemerkt dat de Commissie over geen enkel bewijs beschikt, dat FBC betrokken was bij de onderhandelingen in 1983. Verzoekster was namelijk niet aanwezig bij de vergadering op 23 februari 1983 te Milaan, tijdens welke deze besprekingen zijn gevoerd (bijlagen 27 en 29 bij PvB, punt 53 van de beschikking). Verder is het telexbericht van de heer Chopin de Janvry, vertegenwoordiger van Sacilor, van 24 mei 1983 betreffende een vergadering van 19 mei (bijlage 30 bij PvB, punt 55 van de beschikking) niet aan verzoekster toegezonden en kan het dus niet tegen haar in aanmerking worden genomen.
41 Niettemin moet worden nagegaan of de betrokkenheid van FBC niet uit latere stukken kan worden afgeleid. In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie twee soorten van documenten heeft overgelegd om de deelneming van FBC aan de quota-afspraken betreffende de Franse markt voor de periode 1983-1984 te bewijzen: een document, getiteld "protocole d' accord 'Treillis soudé' " van 14 oktober 1983 en een serie tabellen waarin de verkoopcijfers van de verschillende producenten op de Franse markt en hun aandeel van deze markt betreffende de maanden januari, februari, maart, mei en juni 1984 worden overgenomen en deze cijfers worden vergeleken met "referentiehoeveelheden".
42 Het Gerecht stelt vast dat in de overwegingen van het "protocole d' accord" de nadruk wordt gelegd op de noodzaak om "de Belgische, de Italiaanse en de Duitse (behalve Tréfilarbed) importen te beperken en te regelen, door deze vast te stellen op 13,95 % van het verbruik op de markt in het kader van een tussen deze producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst", en dat dit cijfer volledig overeenstemt met de in de tabellen aan de Belgische en Italiaanse producenten toebedeelde "referentiehoeveelheid" ("référence").
43 Deze volledige overeenstemming krijgt bijzondere betekenis in verband met het feit, dat verzoekster nauw betrokken was bij de opstelling van deze tabellen. Tréfilunion beschikte in januari 1984 namelijk over de cijfers betreffende verzoeksters maandelijkse verkopen in Frankrijk sedert juli 1983, omdat deze worden overgenomen in het in de tabel van januari 1984 gecumuleerde cijfer van haar verkopen (bijlage 42 bij PvB, punten 62 e.v. van de beschikking). Voor het Gerecht heeft verzoekster niet betwist, dat deze cijfers in de tabellen nagenoeg volledig overeenstemmen met haar werkelijke verkopen; zij heeft evenmin afdoende uitgelegd, waarom zij deze cijfers kosteloos zou hebben verstrekt aan de ADETS, waarvan zij destijds geen lid was.
44 Daarbij komt nog, dat de cijfers van verzoekster voorkomen onder de rubriek "totaal aangesloten fabrikanten" ("total contractants") en dat zij in absolute termen en in termen van marktaandeel worden vergeleken met de cijfers in de kolom "referentiehoeveelheden" ("références").
45 Deze gegevens worden ten slotte bevestigd door het feit dat uit een telexbericht van 13 april 1984 blijkt dat verzoekster is uitgenodigd voor een bijeenkomst op 15 mei 1984 met als agendapunten: "het opstellen van een tijdschema voor de prijsverhogingen met nader vast te stellen bedragen" en "interpenetratie van de markten" (bijlage 47 bij PvB, punt 67 van de beschikking).
46 Het Gerecht kan verzoeksters argument betreffende het advies van de Franse Commission de la concurrence niet aanvaarden. In de eerste plaats kon de Commissie, zoals zij terecht heeft beklemtoond, haar eigen conclusies trekken uit de bewijzen waarover zij beschikte en die niet noodzakelijk dezelfde waren als die waarover de Franse Commission de la concurrence beschikte. In de tweede plaats kan de Commissie niet gebonden zijn aan de conclusies van nationale overheden, vooral wanneer het om buitenlandse ondernemingen gaat.
47 Gelet op al het voorgaande is het Gerecht van mening dat de Commissie terecht heeft geconcludeerd dat verzoekster aan de quota-afspraken betreffende de Franse markt tot juni 1984 had deelgenomen.
48 Bijgevolg dienst verzoeksters grief te worden afgewezen.
49 In de beschikking wordt verzoekster verweten, dat zij heeft deelgenomen aan afspraken inzake de Benelux-markt, waarin enerzijds quota en anderzijds prijzen werden overeengekomen.
II ° De Benelux-markt
A ° De quota-afspraken
De bestreden handeling
50 In de beschikking (punten 78, sub b, en 171) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan afspraken tussen de Duitse producenten enerzijds en de Benelux-producenten anderzijds ("gesprekskring van Breda"), in het kader waarvan de Duitse exporten naar België en Nederland kwantitatief werden beperkt en exportcijfers van bepaalde Duitse producenten aan de Belgisch/Nederlandse groep werden meegedeeld.
Argumenten van partijen
51 Verzoekster betoogt, dat haar niet kan worden verweten dat zij heeft deelgenomen aan "quota-afspraken tussen Duitse producenten en Benelux-producenten". In het telexbericht van de heer Mueller van BStG van 15 december 1983 [bijlage 65 (b) bij PvB, punt 92 van de beschikking] wordt haar immers verweten dat zij in Duitsland grote hoeveelheden verkocht. De stelling van de Commissie is gebaseerd op de hypothese dat de Belgische en de Duitse ondernemingen het erover eens waren om binnen hun eigen markt te blijven en hun uitvoer te beperken. De Commissie heeft evenwel zelf erkend, dat TFE niet deelnam aan een quota-overeenkomst betreffende de Duitse markt, hetgeen trouwens wordt gestaafd door het feit dat TFE haar uitvoer naar Duitsland heeft uitgebreid. Daar zij niet deelnam aan een dergelijke overeenkomst, vraagt verzoekster zich af, hoe zij van de Duitse producenten gedaan had kunnen krijgen dat zij hun uitvoer naar de Benelux beperkten.
52 In haar verweerschrift stelt de Commissie het volgende: "Het is juist dat de Commissie, zoals verzoekster betoogt, tegen haar geen deelneming aan een quota-afspraak betreffende de Benelux-markt of de Duitse markt in aanmerking heeft genomen." Ter terechtzitting heeft de Commissie in antwoord op een vraag van het Gerecht dit standpunt bevestigd. De Commissie verklaarde, dat verzoekster in haar verzoekschrift heeft gesproken over de afspraken betreffende de Benelux-markt, maar dat zij nergens het probleem van de kwantitatieve beperking van de Duitse uitvoer naar de Benelux heeft aangeroerd. Ten tijde van de oprichting van het Duitse structuurcrisiskartel bestond er tussen de "gesprekskring van Breda" en de Duitse producenten een globale overeenkomst. Deze overeenkomst had tot doel wederzijdse storingen te vermijden en de naleving van de prijzen van het Duitse kartel en het toezicht op de wederzijdse hoeveelheden te verzekeren. De Commissie bevestigde eveneens, dat zij verzoekster niet had verweten dat zij had deelgenomen aan kwantitatieve beperkingen van de uitvoer naar Duitsland, daar zij daarvoor geen bewijzen had.
Beoordeling door het Gerecht
53 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie tijdens de procedure voor het Gerecht heeft verklaard, dat "zij tegen verzoekster geen deelneming aan een quota-afspraak betreffende de Duitse of de Benelux-markt in aanmerking heeft genomen".
54 Opgemerkt zij evenwel, dat verzoekster in de beschikking wel wordt verweten dat zij aan een dergelijke afspraak heeft deelgenomen (punt 171), en dat verzoekster zich in haar verzoekschrift tegen dit punt van bezwaar heeft verweerd.
55 Daaruit moet worden geconcludeerd, dat de Commissie dit punt van bezwaar in de procedure voor het Gerecht niet heeft gehandhaafd.
56 Hoe dan ook moet worden opgemerkt, dat het in punt 171 van de beschikking genoemde telexbericht van 15 december 1983 niet als het bewijs van verzoeksters deelneming aan de betrokken afspraak kan worden beschouwd. Niets in dit telexbericht laat een dergelijke conclusie toe; het levert veeleer het bewijs van het tegendeel, daar het gewag maakt van nauw overleg met Boël/Trébos, niet met verzoekster, en verzoekster erin wordt verweten haar uitvoer naar Duitsland uit te breiden.
57 Om deze redenen moet verzoeksters grief worden aanvaard en moet de beschikking nietig worden verklaard, voor zover daarin wordt vastgesteld, dat verzoekster heeft deelgenomen aan afspraken die ertoe strekten de Duitse uitvoer naar de Benelux te beperken.
B ° De prijsafspraken
De bestreden handeling
58 In de beschikking (punten 78, sub a en b, 163 en 168) wordt verzoekster ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan prijsafspraken tussen de belangrijkste producenten die op de Benelux-markt verkopen, met inbegrip van de "niet-Benelux"-producenten, en aan afspraken tussen de Duitse producenten die naar de Benelux exporteren, en de overige producenten die in de Benelux verkopen, betreffende het respecteren van voor de Benelux-markt vastgestelde prijzen. Volgens de beschikking (punt 168) zijn deze afspraken gemaakt tijdens bijeenkomsten te Breda en te Bunnik tussen augustus 1982 en november 1985, waarbij in elk geval Thibodraad, Tréfilarbed, Boël/Trébos, FBC, Van Merksteijn, ZND, Tréfilunion en van de Duitse producenten in elk geval BStG aanwezig waren. De beschikking is gebaseerd op vele telexberichten aan Tréfilunion door haar vertegenwoordiger voor de Benelux. Deze telexberichten bevatten nauwkeurige gegevens over elke bijeenkomst [datum, plaats, deelnemers, afwezigen, agendapunten (bespreking van de marktsituatie, voorstellen en besluiten betreffende prijzen), vaststelling van datum en plaats van de volgende bijeenkomst].
Argumenten van partijen
59 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen te Breda en te Bunnik, maar stelt, dat deze vergaderingen er niet toe strekten de mededinging te verstoren, zodat haar deelneming geen schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleverde.
60 Volgens verzoekster werd tijdens de vergaderingen tussen de deelnemers enkel informatie uitgewisseld om de optimale prijs van betonstaalmatten te bepalen. Een dergelijke uitwisseling van informatie kon de mededinging niet aantasten, daar elke deelnemer reeds over de besproken gegevens beschikte en de conclusies die daaruit werden getrokken tijdens de vergaderingen, ook individueel had kunnen trekken. De prijzen van het basisprodukt, walsdraad, en van het rechtstreeks concurrerende produkt, betonstaafstaal, waren immers reeds bekend, daar voor deze twee onder het EGKS-Verdrag vallende produkten de prijsschalen krachtens artikel 60 van dat Verdrag openbaar worden gemaakt. Ook als geen informatie werd uitgewisseld, zouden de producenten dus individueel de optimale prijs van betonstaalmatten kunnen bepalen.
61 Verzoekster voegt daaraan toe, dat de tijdens de vergaderingen besproken prijzen niet verbindend waren, steeds indicatief zijn gebleven en nooit zijn toegepast.
62 De Commissie betoogt, dat de vergaderingen veel verder gingen dan een uitwisseling van informatie, zoals blijkt uit de notulen, waarvan lange uittreksels in de punten 84-111 van de beschikking zijn overgenomen. Volgens de Commissie waren zij gewijd aan de periodieke vaststelling van minimumprijzen. Dat deze prijzen in de praktijk niet altijd werden nageleefd, is niet van invloed op de kwalificatie van de vergaderingen. Het gaat wel degelijk om een prijsafspraak, die op grond van haar doel als zodanig bij artikel 85 van het Verdrag verboden is.
63 Het doel van de beweerde uitwisseling van gegevens tijdens deze vergaderingen, zoals door verzoekster omschreven, komt precies overeen met hetgeen het Hof verboden acht uit hoofde van artikel 85 van het Verdrag, namelijk: "de bedoeling bij voorbaat onzekerheid over het toekomstig marktgedrag der concurrenten uit te sluiten" (arrest van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie e.a., Jurispr. 1975, blz. 1663).
64 Ten slotte stelt de Commissie, dat ofschoon de marge van de prijsconcurrentie voor betonstaalmatten gering was, deze marge toch bestond, niet verwaarloosbaar was en niet door ondernemersafspraken mocht worden vervalst.
Beoordeling door het Gerecht
65 Het Gerecht is van oordeel, dat uit de talrijke in de punten 84-112 van de beschikking geciteerde stukken duidelijk blijkt, dat de vergaderingen waaraan verzoekster deelnam, ertoe strekten de mededinging te verstoren.
66 Anders dan verzoekster stelt, is het namelijk niet juist dat tijdens de vergaderingen te Breda en te Bunnik tussen de deelnemers slechts informatie werd uitgewisseld om het optimale prijsniveau voor betonstaalmatten te bepalen. De notulen van deze vergaderingen, die worden geciteerd in talrijke telexberichten aan Tréfilunion van haar vertegenwoordiger voor de Benelux (punten 84-111 van de beschikking), tonen integendeel duidelijk aan, dat tijdens de vergaderingen onder meer werd gesproken over de marktsituatie, en dat er voorstellen zijn gedaan en besluiten zijn genomen betreffende de prijzen van de verschillende soorten betonstaalmatten, welke prijzen minimumprijzen waren die moesten worden nageleefd.
67 Het feit dat de prijzen al dan niet werden nageleefd, of dat de prijs van betonstaalmatten wordt beïnvloed door de prijs van walsdraad en het concurrerende produkt, betonstaafstaal, doet niet eraan af dat deze vergaderingen ertoe strekten de mededinging te verstoren. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag behoeven enerzijds de concrete gevolgen van een overeenkomst immers niet in aanmerking worden genomen, wanneer blijkt, zoals het geval is bij de in de beschikking vastgestelde overeenkomsten, dat zij ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Hof van 11 januari 1990, zaak C-277/87, Sandoz prodotti farmaceutici, Jurispr. 1990, blz. I-45). Hoewel de prijs van betonstaalmatten, zoals verzoekster opmerkt, in grote mate afhankelijk is van de prijs van walsdraad, volgt daaruit anderzijds nog niet dat elke mogelijkheid van een werkzame mededinging op dit gebied is uitgesloten. De producenten behielden immers voldoende speelruimte om een werkzame mededinging op de markt mogelijk te maken. De afspraken konden de mededinging dus merkbaar beïnvloeden (arrest Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78-215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 133 en 153).
68 Wat de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten betreft, zij opgemerkt, dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet het bewijs verlangt dat de mededingingsbeperkingen de handel tussen Lid-Staten merkbaar hebben beïnvloed, maar enkel het bewijs dat zij een dergelijk gevolg kunnen hebben (arrest Hof van 1 februari 1978, zaak 19/77, Miller, Jurispr. 1977, blz. 131, r.o. 15).
69 In casu moet worden geconstateerd, dat de vastgestelde mededingingsbeperkingen de handelsstromen konden doen afwijken van het verloop dat zij anders zouden hebben gehad (arrest Van Landewyck, reeds aangehaald, r.o. 172). De afspraken strekten immers ertoe dat de markten werden gecompartimenteerd en dat een kunstmatige prijsstijging op elk van deze markten mogelijk werd.
70 Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden geconcludeerd, dat verzoekster, die niet betwist dat zij aanwezig was bij ten minste een twintigtal vergaderingen zonder zich publiekelijk van de inhoud ervan te distantiëren, aan de overeenkomsten heeft deelgenomen en derhalve artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft geschonden.
71 Mitsdien moet deze grief worden afgewezen.
III ° De Duitse markt
De bestreden handeling
72 In punt 147 van de beschikking wordt verzoekster ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan afspraken betreffende de Duitse markt teneinde de op die markt geldende prijzen te doen eerbiedigen. Aan deze afspraken werd deelgenomen door Boël/Trébos en TFE/FBC enerzijds en BStG anderzijds (punten 153, 154 en 181 van de beschikking).
Argumenten van partijen
73 Verzoekster ontkent, dat zij heeft deelgenomen aan een overeenkomst betreffende de Duitse markt. Zij erkent weliswaar, dat zij in 1985 in Duitsland verkocht tegen de marktprijs, dat wil zeggen de prijs die een uitvloeisel was van het kartel, maar zij betoogt, dat de Commissie dat niet als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan aanmerken, aangezien zij er geen enkel belang bij had tegen lagere prijzen dan de Duitse te verkopen, daar zij reeds haar volle produktiecapaciteit benutte en dus niet kon verwachten meer te verkopen door haar prijzen te verlagen. Voorts diende zij elk risico op tegenmaatregelen van de Duitse producenten en overheid te vermijden. Deze konden immers krachtens beschikking nr. 234/84/EGKS van de Commissie van 31 januari 1984 tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie (PB 1984, L 29, blz. 1) bij de Commissie een klacht indienen tegen exporteurs die de traditionele handelsstromen verstoorden.
74 Voorts betwist verzoekster dat het telexbericht van 11 januari 1984 van de heer Peters van Tréfilunion aan de heer Marie van Tréfilunion (bijlage 66 bij PvB, punten 95 en 153 van de beschikking) haar deelneming aan een prijsovereenkomst bewijst, daar uit het bericht blijkt, dat tijdens de betrokken vergadering uiteindelijk niet een overeenkomst is gesloten.
75 De nota van 24 april 1985 (bijlage 112 bij PvB, punt 153 van de beschikking) mag niet afzonderlijk worden beoordeeld, maar moet worden onderzocht in samenhang met het telexbericht van 17 april 1985 (bijlage 111 bij PvB, punt 153 van de beschikking). Dit telexbericht stelde tegenover de leiding van de groep de beroepsbekwaamheid van de handelsvertegenwoordigers van FBC ter discussie, daar zij niet verkochten tegen de op de markt haalbare prijs. De ondertekenaar van de nota van 24 april 1985, die zijn geloofwaardigheid als verkoper wilde herstellen, ontkende de inhoud van het telexbericht van 17 april 1985 en verklaarde dat zij tegen de marktprijs verkochten.
76 De Commissie brengt in herinnering, dat TFE/FBC daadwerkelijk heeft deelgenomen aan vergaderingen waarbij Duitse ondernemingen aanwezig waren en waar de verkoopprijzen op de Duitse markt zijn besproken.
77 Het telexbericht van 11 januari 1984 wijst op een reële onderlinge afstemming van de door de Belgische producenten op de Duitse markt toegepaste prijzen, daar zij zich met een beroep op hun eerbiediging van de prijzen van het kartel op de Duitse markt beklaagden over de door de Duitse producenten in de Benelux toegepaste prijzen.
78 De Commissie verwerpt verzoeksters uitlegging van het telexbericht van 17 april 1985 en de nota van 24 april 1985 en stelt dat het volstrekt abnormaal is om aan een concurrent te schrijven dat hij een politiek voert die hem zal ruïneren; een dergelijk gedrag levert een verboden onderlinge afstemming op.
79 Gelet op deze bewijzen van een reële onderlinge afstemming van de prijzen kunnen verzoeksters pogingen om uit te leggen waarom zij op de markt zus of zo heeft gehandeld, niet aantonen dat er geen sprake was van een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag.
80 Verzoeksters overwegingen betreffende het risico van tegenmaatregelen kunnen niet worden aanvaard, daar beschikking nr. 234/84 van 31 januari 1984 slechts geldt voor onder het EGKS-Verdrag vallende produkten, en betonstaalmatten onder het EEG-Verdrag vallen.
81 Verzoeksters verklaring dat zij "er geen belang bij had om tegen lagere prijzen dan die van het kartel te verkopen" acht de Commissie niet overtuigend, daar verkoop tegen lagere prijzen uiteraard een middel is om een marktaandeel te vergroten.
Beoordeling door het Gerecht
82 Het Gerecht is van oordeel dat de Commissie, teneinde verzoeksters deelneming aan de prijsafspraak aan te tonen, terecht gebruik heeft gemaakt van het telexbericht van 11 januari 1984 van de heer Peters aan de heer Marie (bijlage 66 bij PvB, punten 95 en 153 van de beschikking), dat een verslag van een bijeenkomst van 5 januari 1984 te Breda bevat, waarbij verzoekster, Boël/Trébos, BStG, Tréfilarbed, Tréfilunion en andere Nederlandse ondernemingen aanwezig waren. In dit telexbericht wordt verklaard: "De traditionele deelnemers eisen van de vertegenwoordigers van BStG dat zij de Benelux-markten niet meer verstoren door aanzienlijke hoeveelheden tegen zeer lage prijzen naar deze markten uit te voeren. De Duitsers verweren zich door te verklaren dat de Belgen (Boël en onlangs Frère-Bourgeois) vergelijkbare hoeveelheden naar Duitsland uitvoeren. De Belgen stellen, dat zij de prijzen van de Duitse markt in acht nemen en dat men moet spreken van procenten van het marktvolume en niet van tonnen. Er is niets concreets besloten." Daaruit blijkt dus, dat indien de Belgische producenten de prijzen van de Duitse markt in acht namen, zij dit deden als tegenprestatie voor een beperking van de uitvoer van BStG naar de Benelux en een door BStG op de markt toegepaste minimumprijs.
83 Tot staving van haar analyse heeft de Commissie ook terecht verwezen naar het telexbericht van 17 april 1985 (bijlage 111 bij PvB) van de Duitse Walzstahlvereinigung aan Cockerill Sambre. Dit bericht betreft de "Belgische leveringen van bouwstaalmatten in Duitsland". Daarin wordt TFE, een dochter van Cockerill Sambre, verweten dat zij met een prijsaanbod van 770 DM/ton beneden het algemene prijsniveau in Duitsland (810 DM/ton) blijft. Cockerill Sambre wordt verzocht haar dochter TFE "opmerkzaam te maken op de positieve prijsontwikkeling op de Duitse markt en op een betere prijsdiscipline aan te dringen".
84 In verband met het door verzoekster aangevoerde risico van tegenmaatregelen merkt het Gerecht op, dat beschikking nr. 234/84 van 31 januari 1984, zoals de Commissie terecht betoogt, enkel geldt voor onder het EGKS-Verdrag vallende produkten. Verzoekster liep dan ook geen enkel risico, indien zij betonstaalmatten beneden de prijzen van het kartel verkocht.
85 Met betrekking tot de verklaring dat verzoekster er geen belang bij had om beneden deze prijzen te verkopen, daar zij reeds haar volledige produktiecapaciteit benutte, moet worden opgemerkt, dat een dergelijk argument onderstelt dat de prijzen op de Duitse markt lager waren dan die op andere markten, hetgeen niet bewezen is. Indien de prijzen op de Duitse markt hoger waren dan die op andere markten en er geen afspraken hadden bestaan, had verzoekster haar uitvoer naar andere staten kunnen verminderen en op de Duitse markt kunnen concentreren.
86 Uit een en andere volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan afspraken die ertoe strekten de op de Duitse markt geldende prijzen te doen eerbiedigen.
87 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen.
Schending van artikel 15 van verordening nr. 17
I ° Ontbreken van specificatie van de criteria voor de vaststelling van de zwaarte van de inbreuken
Argumenten van partijen
88 Verzoekster stelt enerzijds, dat de Commissie haar door het opleggen van één geldboete voor drie verschillende inbreuken de mogelijkheid heeft ontnomen om de juistheid van de beschikking te beoordelen met betrekking tot de zwaarte en de duur van de inbreuken. Volgens het arrest van het Hof van 7 juni 1983 (gevoegde zaken 100/80-103/80, Musique diffusion française, Jurispr. 1983, blz. 1825) is één enkele geldboete gerechtvaardigd wanneer de verschillende inbreuken als één geheel kunnen worden beschouwd, maar haars inziens is een dergelijke benadering niet redelijk meer wanneer het, zoals in casu, gaat om een geheel van verschillende afspraken tussen wisselende deelnemers, zoals in punt 22 van de beschikking zelf wordt verklaard. Volgens verzoekster is de Commissie aldus de krachtens artikel 190 van het Verdrag op haar rustende motiveringsplicht niet nagekomen.
89 Anderzijds betoogt zij, dat in de beschikking geen rekening is gehouden met het specifieke gedrag van elk der betrokken ondernemingen, en meer bepaald met het hare. In artikel 1 van de beschikking zijn alle inbreuken met elkaar verbonden, zonder onderscheid naar de bijzondere aard, de duur, en de specifieke kenmerken van de deelneming van elke onderneming. De Commissie heeft meer bepaald de duur van verzoeksters deelneming aan de afspraken betreffende de Franse markt in 1983-1984 of betreffende de Duitse markt niet gepreciseerd. Ten slotte merkt verzoekster op, dat het enkele feit dat haar een geldboete is opgelegd ten bedrage van een percentage van haar omzet voor de betrokken produkten, dat lager is dan het ten aanzien van de andere ondernemingen toegepaste percentage, nog niet aantoont dat alle voor haar geldende verzachtende omstandigheden in aanmerking zijn genomen.
90 De Commissie antwoordt, dat zij niet één enkele geldboete heeft opgelegd voor drie verschillende inbreuken, aangezien er geen sprake is van afzonderlijke afspraken maar, zoals zij in punt 22 van de beschikking heeft uiteengezet, van een geheel van afspraken die door hun onderlinge samenhang ertoe hebben geleid dat een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt werd gereglementeerd. De ondernemingen waren immers gelijktijdig betrokken bij verschillende afspraken betreffende ten dele verschillende geografische markten, hetgeen op een bepaald ogenblik een compartimentering van de markt van de Gemeenschap tot gevolg had. In 1984 was TFE/FBC gelijktijdig betrokken bij afspraken betreffende de Franse, de Duitse en de Benelux-markt. De Commissie beklemtoont, dat het arrest Musique diffusion française van geen enkel nut is voor verzoeksters stelling, daar het Hof in die zaak uitspraak heeft gedaan "zonder dat een standpunt behoeft te worden bepaald omtrent eventuele gemeenschapsrechtelijke beginselen betreffende de samenloop van geldboetes die zijn opgelegd voor verscheidene afzonderlijke inbreuken".
91 De Commissie stelt, dat zij voor elke inbreuk de in aanmerking genomen duur en zwaarte heeft vermeld. In de beschikking heeft zij de duur van verzoeksters deelneming aan de verschillende afspraken duidelijk vermeld. Voorts heeft zij in de punten 200 en volgende van de beschikking duidelijk rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van verzoeksters gedrag. Rekening houdend met al deze factoren, heeft zij verzoekster daarom een geldboete opgelegd van 2,5 % van de omzet op de betrokken markt (betonstaalmatten in de "Gemeenschap van zes"), terwijl dat cijfer voor sommige andere deelnemers aan de afspraak 3 %, 3,15 % of zelfs 3,6 % bedroeg.
Beoordeling door het Gerecht
92 Het Gerecht merkt op, dat de Commissie volgens vaste rechtspraak (zie dienaangaande arresten Hof van 16 december 1975, Suiker Unie, reeds aangehaald, 14 februari 1978, zaak 27/76, United Brands, Jurispr. 1978, blz. 207, en 7 juni 1983, Musique diffusion française, reeds aangehaald) voor verschillende inbreuken één geldboete kan opleggen. Dit geldt te meer wanneer, zoals in casu, de in de beschikking vastgestelde inbreuken hetzelfde soort van gedragingen op verschillende markten betroffen, in het bijzonder de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie, en de ondernemingen die bij die inbreuken betrokken waren, grotendeels dezelfde waren. In dat verband kan niet worden voorbijgegaan aan het feit, dat verzoekster heeft deelgenomen aan afspraken betreffende verschillende markten, zoals de Franse en de Benelux-markt.
93 Voorts moet worden beklemtoond, dat verzoekster door het opleggen van één enkele geldboete niet de mogelijkheid is ontnomen om te beoordelen of de Commissie de zwaarte en de duur van de inbreuken correct heeft beoordeeld. Bij haar lezing van de beschikking licht verzoekster een deel kunstmatig daaruit, terwijl elk deel van de beschikking, die een geheel vormt, met inachtneming van de andere delen moet worden gelezen. Het Gerecht is van oordeel, dat de beschikking, in haar geheel bezien, verzoekster de nodige gegevens verstrekt om te weten welke verschillende inbreuken haar ten laste worden gelegd en welke de specifieke omstandigheden van haar gedrag zijn, en meer in het bijzonder de gegevens betreffende de duur van haar deelneming aan de verschillende inbreuken.
94 Voorts merkt het Gerecht op, dat verzoekster geen aanwijzingen verstrekt voor haar stelling dat in de beschikking, gelet op de duur en de bijzondere zwaarte van de haar ten laste gelegde inbreuken, geen rekening is gehouden met alle verzachtende omstandigheden waarop zij zich, vergeleken met de andere ondernemingen aan wie bij de beschikking een geldboete is opgelegd, kan beroepen. De Commissie heeft integendeel op vragen van het Gerecht schriftelijk geantwoord, dat ten aanzien van verzoekster als verzachtende omstandigheid in aanmerking is genomen dat haar deelneming aan de inbreuken beperkt bleef tot de activiteiten die voor haar van belang waren.
95 Mitsdien moet verzoeksters grief worden afgewezen voor zover zij een ruimere strekking heeft dan het eerste middel.
II ° Verkeerde keuze van de als grondslag voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete genomen omzet
Argumenten van partijen
96 Verzoekster komt op tegen het feit dat de Commissie haar omzet van betonstaalmatten als grondslag heeft genomen voor de berekening van de geldboete die zij haar heeft opgelegd. Een aanzienlijk deel van haar omzet behaalt zij immers met de verkoop van pasmatten, die uiteraard niet het voorwerp van een afspraak kunnen uitmaken en die dus niet mochten worden meegerekend in de omzet van de produkten die het voorwerp waren van de afspraken. Doordat zij met dit element geen rekening heeft gehouden, heeft de Commissie, in vergelijking met de geldboeten die aan de andere ondernemingen zijn opgelegd, een beoordelingsfout gemaakt.
97 De Commissie antwoordt, dat zij enkel de omzet van betonstaalmatten in aanmerking heeft genomen, en dat terwijl zij volgens de rechtspraak van het Hof (arresten van 7 juni 1983, Musique diffusion française, reeds aangehaald, en 8 februari 1990, zaak C-279/87, Tipp-Ex, Jurispr. 1990, blz. I-261, r.o. 39) rekening mocht houden met de gehele omzet van de onderneming. Nadat zij had besloten enkel de omzet van de betrokken produkten in aanmerking te nemen, behoefde de Commissie het aandeel van de pasmatten niet daarvan uit te zonderen. Ook al vormen deze laatste namelijk een secundaire markt binnen de markt voor betonstaalmatten, zij vormen niettemin geen afzonderlijke markt (punt 3 van de beschikking).
Beoordeling door het Gerecht
98 Het Gerecht stelt vast, dat in de beschikking bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete terecht rekening is gehouden met verzoeksters omzet voor alle betonstaalmatten, met inbegrip van pasmatten, daar dit cijfer een aanwijzing kan vormen voor de omvang van de inbreuk (arrest Musique diffusion française, reeds aangehaald, r.o. 121). Het staat immers buiten kijf, dat de inbreuk van invloed moest zijn en ook was op de prijs van pasmatten, die niet een van de andere betonstaalmatten onderscheiden markt vormen.
99 Mitsdien moet deze grief worden afgewezen.
100 Daar de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan een afspraak tot beperking van de Duitse uitvoer naar de Benelux, is het Gerecht uit hoofde van zijn volledige rechtsmacht van oordeel, dat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete van 315 000 ECU met een vijfde dient te worden verlaagd en moet worden vastgesteld op 252 000 ECU.
Beslissing inzake de kostenKosten
101 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer zulks is gevorderd. Volgens lid 3 van dit artikel kan het Gerecht evenwel de proceskosten over de partijen verdelen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien verzoekster gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en partijen beide hebben gevorderd dat de wederpartij in de kosten wordt verwezen, is het Gerecht van oordeel, dat aan de omstandigheden van de zaak recht wordt gedaan, wanneer wordt beslist, dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen, alsmede drie vijfde van de kosten van de Commissie.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig artikel 1 van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten), voor zover daarin tegen verzoekster in aanmerking wordt genomen dat zij heeft deelgenomen aan een afspraak tot beperking van de Duitse uitvoer naar de Benelux.
2) Stelt het bedrag van de bij artikel 3 van deze beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete vast op 252 000 ECU.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen, alsmede drie vijfde van de kosten van de Commissie.
5) Verstaat dat de Commissie twee vijfde van haar eigen kosten zal dragen.
Top