Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 6 APRIL 1995. - SOTRALENTZ SA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - INBREUK OP ARTIKEL 85 EEG-VERDRAG. - ZAAK T-149/89.
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-01127
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging ° Verdeling van bevoegdheden tussen Commissie en autoriteiten van Lid-Staten ° Mogelijkheid voor nationale instanties om op te treden tegen onder gemeenschapsrecht vallende overeenkomsten ° Grenzen ° Bevoegdheid van Commissie om op te treden tegen situaties die reeds door nationale autoriteiten zijn onderzocht
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Communautaire sancties en sancties, door instanties van Lid-Staat opgelegd wegens schending van nationaal kartelrecht ° Cumulatie ° Toelaatbaarheid ° Verplichting van Commissie rekening te houden met wegens zelfde feiten opgelegde nationale sanctie
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
3. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Overeenkomsten tussen ondernemingen ° Deelneming vermeendelijk onder dwang ° Omstandigheid geen rechtvaardigingsgrond voor onderneming die geen gebruik heeft gemaakt van mogelijkheid van aangifte bij bevoegde autoriteiten
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1; verordening nr. 17 van de Raad, art. 3)
4. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Overeenkomsten tussen ondernemingen ° Bewijs dat overeenkomst bestaat ° Door Commissie aangevoerde aanwijzingen ° Rechtvaardiging betwist door betrokken onderneming ° Toetsing door gemeenschapsrechter
(EEG-Verdrag, art, 85, lid 1)
5. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Beschikking tot toepassing van mededingingsregels
(EEG-Verdrag, art. 190)
6. Mededinging ° Gemeenschapsregels ° Toepassing door Commissie ° Autonomie ten opzichte van toepassing van vergelijkbare nationale regels door nationale instantie
(EEG-Verdrag, art. 85 en 86)
Samenvatting1. Een zelfde mededingingsregeling kan in beginsel aanleiding kan geven tot twee parallel lopende procedures, onderscheidenlijk aanhangig bij de communautaire gezagsorganen ° krachtens artikel 85, lid 1, van het Verdrag ° en bij de nationale autoriteiten ° krachtens het nationaal recht. Ofschoon de nationale gezagsorganen met betrekking tot mededingingsregelingen in beginsel kunnen optreden, wanneer zich omstandigheden voordoen welke de Commissie tot het nemen van een beschikking aanleiding kunnen geven, brengt de eerbiediging van de algemene doelstellingen van het Verdrag mee, dat een dergelijke gelijktijdige toepassing van het nationale rechtsstelsel slechts als geoorloofd kan worden beschouwd, voor zoveel geen afbreuk wordt gedaan aan een uniforme toepassing ° op het gehele gebied van de gemeenschappelijke markt ° van de communautaire rechtsvoorschriften inzake mededingingsregelingen en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringsbesluiten onverminderd van kracht blijven.
De Commissie blijft derhalve bevoegd om in het kader van het communautaire mededingingsrecht kennis te nemen van feiten die de nationale autoriteiten reeds hebben onderzocht.
2. Ofschoon een cumulatie van sancties mogelijk is als gevolg van het feit dat er twee parallelle procedures met verschillende doelstellingen bestaan, wat toelaatbaar is op grond van de bijzondere bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten inzake mededingingsregelingen, houdt een algemene billijkheidseis in, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 verplicht is rekening te houden met sancties welke dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit mochten zijn opgelegd wanneer die sancties zijn opgelegd wegens een inbreuk op het kartelrecht van een Lid-Staat, die bijgevolg op het grondgebied van de Gemeenschap is begaan.
3. Een onderneming die deelneemt aan een mededingingsregeling in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan zich niet beroepen op het feit dat zij dat deed onder dwang van de andere deelnemers. Zij had immers de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan die afspraken mee te werken.
4. Wanneer de Commissie als bewijs van de deelneming van een onderneming aan een bij artikel 85, lid 1, van het Verdrag verboden mededingingsregeling een aantal elementen aanvoert die worden gepresenteerd als aanwijzingen voor het bestaan van deze mededingingsregeling en de betrokken onderneming daartegen inbrengt, dat deze feiten verband houden met de uitvoering van een octrooilicentieovereenkomst waarvan de Commissie niet stelt dat zij onwettig is, moet het Gerecht nagaan of de door de Commissie aangevoerde aanwijzingen ook anders dan door het bestaan van een mededingingsregeling kunnen worden verklaard, in het bijzonder door de bedoelde licentieovereenkomst.
5. Hoewel de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden is haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, is bij een beschikking houdende toepassing van de mededingingsregels niet vereist dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.
6. Eventuele punten van overeenkomst tussen de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake mededinging en het stelsel van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag kunnen in geen geval afdoen aan de autonomie waarover de Commissie bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 beschikt, noch haar ertoe verplichten om zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als de instanties die met de toepassing van die nationale wettelijke regeling zijn belast.
PartijenIn zaak T-149/89,
Sotralentz SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Drulingen (Frankrijk), vertegenwoordigd door X. de Mello, P. Pepy en J. C. Percerou, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van B. Decker, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 16,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Koch, E. Traversa en J. Currall, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door N. Coutrelis en A. Coutrelis, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy, B. Vesterdorf, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 14 tot en met 18 juni 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1, hierna: de "beschikking"), waarbij zij aan veertien producenten van betonstaalmatten een geldboete heeft opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. De produkten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zijn betonstaalmatten, een geprefabriceerd wapeningsprodukt dat is gemaakt van gladde of geribde koudgetrokken betonstaaldraden die door puntlassing in een rechte hoek met elkaar zijn verbonden om een netwerk te vormen. Dit produkt wordt op bijna alle terreinen van de gewapend-betonconstructie gebruikt.
2 Vanaf 1980 zouden in deze sector een aantal kartels en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de aanleiding voor de beschikking hebben gevormd, tot stand zijn gekomen op de Duitse, de Franse en de Benelux-markt.
3 Voor de Duitse markt verleende het Bundeskartellamt op 31 mei 1983 de Duitse producenten van betonstaalmatten toestemming voor de oprichting van een structuurcrisiskartel. Na één maal te zijn verlengd liep deze toestemming in 1988 af. Het kartel had tot doel de capaciteit te verminderen; het voorzag ook in leveringsquota en prijsregelingen, die echter slechts werden goedgekeurd voor de eerste twee jaar van de toepassing van de kartelovereenkomst (punten 126 en 127 van de beschikking).
4 Op 20 juni 1985 bracht de Franse Commission de la concurrence een advies omtrent de toestand van de mededinging op de markt voor betonstaalmatten in Frankrijk uit, waarna de Franse minister van Economische zaken, Financiën en Begroting beschikking nr. 85-6 DC van 3 september 1985 heeft vastgesteld, waarbij aan verschillende Franse ondernemingen een geldboete is opgelegd wegens handelingen en feitelijke gedragingen die ertoe strekten of ten gevolge hadden, dat gedurende het tijdvak 1982-1984 de mededinging werd beperkt of vervalst en de normale werking van de markt werd belemmerd. Omdat zij van eind september 1983 tot april 1984 aan de in de beschikking vastgestelde gedragingen had deelgenomen, werd verzoekster een geldboete van 10 000 FF opgelegd.
5 Op 6 en 7 november 1985 verrichtten ambtenaren van de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), gelijktijdig en zonder voorafgaande waarschuwing verificaties ten kantore van zeven ondernemingen en twee ondernemersverenigingen, te weten Tréfilunion SA, Sotralentz SA, Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Ferriere Nord SpA (Pittini), Baustahlgewebe GmbH (BStG), Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV, NV Bekaert, Syndicat national du tréfilage d' acier (STA) en Fachverband Betonstahlmatten eV. Op 4 en 5 december 1985 verrichtten zij verder verificaties ten kantore van de ondernemingen ILRO SpA, GB Martinelli, NV Usines Gustave Boël (afdeling Trébos), Tréfileries de Fontaine-l' Évêque (TFE), Frère-Bourgeois Commerciale SA (FBC), Van Merksteijn Staalbouw BV en ZND Bouwstaal BV.
6 Op grond van de bij deze verificaties gevonden documenten, alsmede van de gegevens die zij krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 in handen had gekregen, kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1980 en 1985 inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag hadden gemaakt door een reeks overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake leveringsquota en prijzen voor betonstaalmatten. De Commissie leidde de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in en op 12 maart 1987 werden de betrokken ondernemingen op de hoogte gesteld van de punten van bezwaar, waarop die ondernemingen hebben gereageerd. Op 23 en 24 november 1987 vond een hoorzitting met hun vertegenwoordigers plaats.
7 Na afloop van deze procedure gaf de Commissie de beschikking. Volgens deze beschikking (punt 22) bestonden de concurrentiebeperkingen uit een aantal overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de vaststelling van prijzen en/of leveringsquota alsmede op de verdeling van de markten voor betonstaalmatten. Deze afspraken betroffen in hoofdzaak telkens een deelmarkt (de Franse markt, de Benelux-markt, de Duitse markt), doch beperkten de handel tussen de Lid-Staten, aangezien daaraan werd deelgenomen door in verschillende Lid-Staten gevestigde ondernemingen. Volgens de beschikking "gaat het niet zozeer om een globale afspraak tussen alle producenten uit alle betrokken Lid-Staten, maar veeleer om een geheel van verschillende afspraken met ten dele wisselende deelnemers. Door de reglementering van de afzonderlijke deelmarkten heeft dit geheel van afspraken echter geleid tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt."
8 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
Tréfilunion SA, Société métallurgique de Normandie (SMN), CCG (Tecnor), Société de treillis et panneaux soudés (STPS), Sotralentz SA, Tréfilarbed SA, respectievelijk Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Tréfileries de Fontaine-l' Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale SA (thans Steelinter SA), NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos, Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (thans Thibo Bouwstaal BV), Van Merksteijn Staalbouw BV, ZND Bouwstaal BV, Baustahlgewebe GmbH, ILRO SpA, Ferriere Nord SpA (Pittini) en GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door in de periode van 27 mei 1980 tot 5 november 1985 in een of meer gevallen deel te nemen aan een of meer overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (afspraken) die bestonden uit het bepalen van verkoopprijzen, het beperken van de afzet, de verdeling van de markten, alsmede uit maatregelen voor de toepassing van deze afspraken en voor de controle daarop.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de betonstaalmattensector in de Gemeenschap, moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, en zich voortaan met betrekking tot hun betonstaalmattenactiviteiten onthouden van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel beogen of tot gevolg hebben.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
1. Tréfilunion SA (TU): een geldboete van 1 375 000 ECU;
2. Société métallurgique de Normandie (SMN): een geldboete van 50 000 ECU;
3. Société des treillis et panneaux soudés (STPS): een geldboete van 150 000 ECU;
4. Sotralentz SA: een geldboete van 228 000 ECU;
5. Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL: een geldboete van 1 143 000 ECU;
6. Steelinter SA: een geldboete van 315 000 ECU;
7. NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos: een geldboete van 550 000 ECU;
8. Thibo Bouwstaal BV: een geldboete van 420 000 ECU;
9. Van Merksteijn Staalbouw BV: een geldboete van 375 000 ECU;
10. ZND Bouwstaal BV: een geldboete van 42 000 ECU;
11. Baustahlgewebe GmbH (BStG): een geldboete van 4 500 000 ECU;
12. ILRO SpA: een geldboete van 13 000 ECU;
13. Ferriere Nord SpA (Pittini): een geldboete van 320 000 ECU;
14. GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA: een geldboete van 20 000 ECU.
(...)"
De procedure
9 In deze omstandigheden heeft verzoekster, Sotralentz SA (hierna: "Sotralentz"), bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 oktober 1989, het onderhavig beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Tien van de dertien andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, hebben eveneens beroep ingesteld.
10 Bij beschikkingen van 15 november 1989 heeft het Hof deze zaak en de tien andere zaken krachtens artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1) naar het Gerecht verwezen. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-141/89-T-145/89 en T-147/89-T-152/89.
11 Bij beschikking van 13 oktober 1992 heeft het Gerecht deze zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling.
12 Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 22 april en 7 mei 1993, hebben partijen de hun door het Gerecht gestelde vragen beantwoord.
13 Gezien de antwoorden op die vragen en het rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
14 Ter terechtzitting, die van 14 tot en met 18 juni 1993 plaatsvond, zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
15 In haar verzoekschrift concludeert verzoekster, dat het het Gerecht behage, de beschikking van de Commissie nietig te verklaren en/of complementair en/of subsidiair te matigen.
16 In repliek concludeert zij, dat het het Gerecht behage:
° vast te stellen, dat haar deelneming aan drie verschillende "afspraken" ten laste wordt gelegd;
° de beschikking geheel of ten dele nietig te verklaren;
° meer subsidiair, gelet op de in de memorie aangevoerde middelen, de beschikking te wijzigen en, opnieuw beslissende, te verklaren dat Sotralentz de in het eerste en het derde punt van bezwaar tegen haar in aanmerking genomen inbreuken niet heeft begaan en de tweede inbreuk slechts in aanmerking te nemen, zoals deze is omschreven door Sotralentz, en bijgevolg de haar opgelegde geldboete te wijzigen en tot een symbolische geldboete te verlagen;
° de Commissie in de kosten te verwijzen.
17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ten gronde
18 Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan: onbevoegdheid van de Commissie, schending van de rechten van de verdediging, schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, en schending van artikel 15 van verordening nr. 17.
19 Ofschoon verzoekster haar middelen in de hiervoor vermelde volgorde heeft aangevoerd, acht het Gerecht het nuttig eerst het middel betreffende de onbevoegdheid van de Commissie te onderzoeken, in de tweede plaats het middel betreffende de schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, en vervolgens de middelen betreffende de schending van de rechten van de verdediging en van artikel 15 van verordening nr. 17.
Het middel: onbevoegdheid van de Commissie
Argumenten van partijen
20 Verzoekster merkt op, dat de Franse autoriteiten zich over dezelfde feiten hebben uitgesproken als de Commissie, namelijk de vaststelling van prijzen en quota voor een nationale markt waar nationale producenten en importeurs uit de gemeenschappelijke markt actief waren, waarbij de Franse beschikking evenwel enkel betrekking had op Franse ondernemingen of ondernemingen wier centrum van werkzaamheid zich in Frankrijk bevond (Tréfilarbed). Zij was uitdrukkelijk gebaseerd op de ordonnance van 30 juni 1945 evenals, impliciet maar noodzakelijkerwijze, op het gemeenschapsrecht. Volgens verzoekster is de Commissie krachtens het algemene beginsel non bis in idem niet bevoegd om zich over dezelfde feiten uit te spreken, en mogen de Franse ondernemingen thans niet opnieuw worden veroordeeld, doordat op dezelfde feiten dezelfde economisch-juridische beginselen worden toegepast.
21 Verzoekster stelt, dat ofschoon het Hof in het arrest van 13 februari 1969 (zaak 14/68, Wilhelm e.a., Jurispr. 1969, blz. 1) heeft geoordeeld, dat eenzelfde afspraak in beginsel aanleiding kan geven tot twee parallel lopende procedures, de onderhavige zaak van die zaak verschilt. Die zaak had immers betrekking op een situatie waarin de twee procedures nagenoeg gelijktijdig waren ingeleid en waarbij de toepasselijke rechtsregels ° de Duitse en de communautaire ° zowel wat het beginsel van de toepassing als de territoriale werkingssfeer betreft, uiteenliepen. Hier is dat niet het geval. De Franse autoriteiten en de Commissie stelden een onderzoek in naar precies dezelfde feiten: een internationale overeenkomst waarbij voor een nationale markt invoerquota werden vastgesteld alsmede prijzen die door alle ondernemingen, ook de importeurs, werden toegepast.
22 Ten slotte merkt verzoekster op, dat het advies van de Franse Commission de la concurrence noch de beschikking van de Franse minister voorbijging aan de verstoring van het handelsverkeer tussen Lid-Staten ten gevolge van de afspraken waaraan buitenlandse ondernemingen deelnamen. Zo de Commissie belangrijke bewijzen heeft ontdekt, heeft zij noch in de beschikking noch in de mededeling van punten van bezwaar verduidelijkt welke nieuwe feiten daardoor aan het licht zijn gebracht, noch en vooral hoe die met name op verzoekster betrekking hadden.
23 De Commissie werpt in de eerste plaats tegen, dat verzoekster ten onrechte stelt, dat de Franse autoriteiten uitspraak hebben gedaan op basis van het gemeenschapsrecht en over dezelfde feiten als die waarop de beschikking betrekking heeft. Volgens de Commissie is de Franse beschikking slechts gebaseerd op artikel 50 van ordonnance nr. 45-1483 van 30 juni 1945, en heeft de opvatting dat zij "impliciet maar noodzakelijkerwijze" mede op het gemeenschapsrecht is gebaseerd, geen juridische betekenis. Indien zij het communautaire mededingingsrecht hadden willen toepassen, zouden de Franse autoriteiten dat uitdrukkelijk hebben gedaan. In de Franse beschikking werd trouwens niet rekening gehouden met de gevolgen van de afspraken voor de intracommunautaire handel, maar met die voor de nationale markt, zoals blijkt uit punt X.1.C van het advies waarop zij is gebaseerd.
24 In de tweede plaats betwist de Commissie verzoeksters uitlegging van het arrest Wilhelm. Ofschoon die zaak inderdaad een geval betrof dat van het onderhavige verschilde, is de a contrario-redenering die verzoekster poogt te volgen door uit de gelijktijdigheid van de communautaire en de nationale procedure in de zaak Wilhelm af te leiden dat de Commissie in de onderhavige zaak onbevoegd is op grond dat de beschikking van na het optreden van de Franse autoriteiten dateert, volstrekt ongegrond. In rechtsoverweging 4 van het arrest Wilhelm werd immers overwogen, dat "de nationale gezagsorganen inzake ondernemersafspraken in beginsel ook kunnen optreden, wanneer zich omstandigheden voordoen welke de Commissie tot het geven van een beschikking aanleiding kunnen geven". Zo de door een nationale instantie onderzochte situaties de Commissie tot het geven van een beschikking aanleiding "kunnen" geven, betekent dit volgens de Commissie, dat zij bevoegd blijft om op te treden tegen situaties die reeds door een nationale instantie zijn onderzocht. Het is duidelijk, dat het optreden van een nationale instantie in mededingingsaangelegenheden de Commissie niet de door haar aan artikel 89 EEG-Verdrag ontleende bevoegdheid kan ontnemen.
25 Ten slotte stelt de Commissie, dat zij over elementen beschikte die niet in het bezit waren van de Franse Commission de la concurrence [zie met name bijlagen 6 en 21 bij de mededeling van punten van bezwaar (hierna: "PvB")].
Beoordeling door het Gerecht
26 Beklemtoond moet worden, dat eenzelfde afspraak volgens de rechtspraak van het Hof in beginsel aanleiding kan geven tot twee parallel lopende procedures, onderscheidenlijk aanhangig bij de communautaire gezagsorganen ° krachtens artikel 85 van het Verdrag ° en bij de nationale autoriteiten ° krachtens het nationale recht. Het Hof overwoog immers, dat de nationale gezagsorganen inzake ondernemersafspraken in beginsel kunnen optreden, wanneer zich omstandigheden voordoen welke de Commissie tot het nemen van een beschikking aanleiding kunnen geven; de eerbiediging van de algemene doelstellingen van het Verdrag brengt evenwel mee, dat een dergelijke gelijktijdige toepassing van het nationale rechtsstelsel slechts als geoorloofd kan worden beschouwd, voor zoveel geen afbreuk wordt gedaan aan een uniforme toepassing ° op het gehele gebied van de gemeenschappelijke markt ° van de communautaire rechtsvoorschriften betreffende de ondernemersafspraken en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringsbesluiten onverminderd van kracht blijven (arrest Wilhelm, reeds aangehaald, r.o. 4).
27 De Commissie blijft derhalve bevoegd om in het kader van het communautaire mededingingsrecht kennis te nemen van feiten die de nationale instanties reeds hebben onderzocht.
28 Het Gerecht stelt vast, dat in de onderhavige zaak beschikking nr. 85-6 DC van de Franse minister van Economische zaken, Financiën en Begroting ° zoals verzoekster trouwens erkent ° is gebaseerd op het advies van de Franse Commission de la concurrence van 20 juni 1985 en uitdrukkelijk op artikel 50 van ordonnance nr. 45-1483, en dat zij derhalve is gegeven in het kader van het nationale mededingingsrecht dat zich richt op de gevolgen van afspraken voor de nationale markt. Voorts is het Gerecht van oordeel dat de Commissie, zoals zij terecht beklemtoont, haar eigen conclusies kon trekken uit de bewijzen waarover zij beschikte, welke bewijzen niet noodzakelijk dezelfde waren als die waarover de Franse Commission de la concurrence beschikte, en dat zij niet gebonden is aan de conclusies van nationale instanties.
29 Voorts moet worden opgemerkt, dat in de rechtspraak van het Hof is erkend, dat een cumulatie van sancties mogelijk is als gevolg van het feit dat er twee parallelle procedures met verschillende doelstellingen bestaan, wat toelaatbaar is op grond van de bijzondere bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten inzake mededingingsregelingen. Het Hof overwoog evenwel, dat een algemene billijkheidseis inhoudt dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete verplicht is rekening te houden met sancties welke dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit mochten zijn opgelegd wanneer die sancties zijn opgelegd wegens een inbreuk op het kartelrecht van een Lid-Staat, die bijgevolg op het grondgebied van de Gemeenschap is begaan (zie dienaangaande arrest Wilhelm, reeds aangehaald, r.o. 11, en arrest van 14 december 1972, zaak 7/72, Boehringer, Jurispr. 1972, blz. 1281, r.o. 3).
30 Het Gerecht stelt vast, dat zulks hier is gebeurd, nu de Commissie in punt 205 van de beschikking rekening heeft gehouden met de reeds door de Franse autoriteiten opgelegde geldboete.
31 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
Het middel: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
32 Om te beginnen betwist verzoekster de analyse van de markt door de Commissie. Zij stelt, dat zij in 1981-1982 niet aan de afspraken betreffende de Franse markt heeft deelgenomen. Vervolgens wijst zij op een fout in de beschikking op het punt van de duur van haar deelneming aan de afspraken betreffende de Franse markt in 1983-1984. Ten slotte betwist zij dat zij heeft deelgenomen aan een afspraak met BStG over de contingentering van haar uitvoer naar Duitsland.
I ° De relevante markt
Argumenten van partijen
33 Om te beginnen wijst verzoekster erop, dat de beschikking dusdanige technische en economische lacunes vertoont, dat het Gerecht zijn toezicht niet kan uitoefenen. In het bijzonder stelt zij, dat de beschikking (punt 3) een fout bevat, waar zij drie soorten betonstaalmatten vermeldt (voorraadmatten, lijstmatten en pasmatten), aangezien er slechts twee soorten machines bestaan: machines waarmee enkel voorraadmatten kunnen worden gemaakt en machines waarmee pasmatten kunnen worden gemaakt. Tussen deze twee soorten betonstaalmatten bestaat geen concurrentie; wil dit wel het geval zijn, moeten de voorraadmatten als gevolg van moeilijk voorzienbare externe omstandigheden of van een stelselmatige prijsdaling van de voorraadmatten, de pasmatten "verdrijven". Verzoekster erkent evenwel dat dit in de betrokken periode is gebeurd.
34 De Commissie merkt op, dat op grond van de formulering van deze grief zou kunnen worden aangenomen, dat zij betrekking heeft op de motivering van de beschikking. Op grond van het gestelde op de bladzijden 8-14 van het verzoekschrift, waarnaar verzoekster zelf verwijst, is de Commissie evenwel van mening dat het enkel gaat om verschillende overwegingen betreffende de afbakening van de relevante markt. In de beschikking wordt niets gezegd dat verschilt van verzoeksters betoog, waar in punt 3 daarvan wordt verklaard, dat een verregaande mate van subsitueerbaarheid bestaat bij de voorraad- en de lijstmatten en dat binnen de algemene markt voor betonstaalmatten een secundaire markt voor pasmatten bestaat.
Beoordeling door het Gerecht
35 Het Gerecht is van oordeel dat verzoeksters grief, zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, aspecten van de afbakening van de relevante markt betreft en dat het om overwegingen gaat die ongegrond zijn. Het Gerecht stelt namelijk vast, dat de in de punten 86-107 van de beschikking genoemde stukken de verschillen tussen voorraad- en lijstmatten, waarvan de prijs verschillend is, doen uitkomen. Anderzijds is verzoeksters analyse van de beschikking onjuist, daar in punt 3 wordt gesteld, dat voorraad- en lijstmatten in verregaande mate substitueerbaar zijn en dat er binnen de markt voor betonstaalmatten een secundaire markt voort pasmatten bestaat. Voorts stelt het Gerecht vast, dat er blijkens verzoeksters verklaringen zelf een concurrentie tussen de verschillende soorten betonstaalmatten mogelijk is en daadwerkelijk heeft bestaan.
36 Mitsdien moet deze grief worden afgewezen.
II ° De afspraken
A ° De Franse markt
1. De periode 1981-1982
De bestreden handeling
37 In de beschikking (punten 23-50 en 159) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij tussen april 1981 en maart 1982 heeft deelgenomen aan een serie afspraken betreffende de Franse markt. Bij deze afspraken waren enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) betrokken en anderzijds buitenlandse producenten die op de Franse markt actief waren (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC en Tréfilarbed). Bij deze afspraken werden prijzen en quota vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken.
Argumenten van partijen
38 Verzoekster ontkent dat zij aan deze afspraken heeft deelgenomen en stelt, dat de Commissie haar deelneming in geen enkel opzicht heeft bewezen.
39 Verzoekster meent, dat de in punt 29 van de beschikking overgenomen tabel in bijlage 6 bij PvB, die de door de Franse producenten van 1978 tot 1981 geleverde hoeveelheden betonstaalmatten alsmede de quota per onderneming aangeeft, geen concludent bewijs vormt. Deze tabel is namelijk opgesteld in oktober 1982; zij houdt rekening met het jaar 1981 en verwijst naar het eerste semester van 1982. Uit niets blijkt, dat voor de periode april 1981-maart 1982 quota waren voorzien. Verzoekster vraagt zich af, welk belang het zou hebben om in oktober 1982 quota te berekenen op basis van tien maanden van 1981 en de eerste twee maanden van 1982.
40 Het telexbericht van de heer Marie van Tréfilunion aan de heer Cattapan van Ferriere Nord van 23 april 1982 (bijlage 21 bij PvB, punt 42 van de beschikking) over de "hernieuwing" of de verlenging van de overeenkomsten van 1981-1982 ° die op 31 maart 1982 waren verstreken ° voor de volgende drie of vier maanden, bewijst volgens verzoekster het tegendeel van hetgeen de Commissie beweert. De heer Marie schrijft namelijk, dat "de definitieve beslissing van Sotral slechts bekend zal zijn in de loop van week 17. Het mag het door ons allen genomen besluit niet wijzigen." Volgens verzoekster legt de Commissie deze tekst verkeerd uit, aangezien daaruit blijkt, dat de verwachte beslissing positief of negatief kon uitvallen en dat, zo de niet-deelneming van Sotralentz in de toekomst niet van invloed zou zijn, dat betekent dat dit ook in het verleden zo was. Dit standpunt van verzoekster wordt bevestigd door de notulen van de vergadering van 21 april 1982 van de "club van de genationaliseerde ondernemingen" en hun partners (bijlage 24 bij PvB, punt 45 van de beschikking), waarbij Sotralentz afwezig was; in deze notulen staat dat "de heer Sigward (Tréfilunion) zal proberen binnen een week een gesprek te hebben met de heer Lentz (Sotralentz) om hem te vragen zich aan te sluiten bij de op deze vergadering genomen beslissingen".
41 De Commissie stelt, dat hoewel de in bijlage 6 bij PvB opgenomen tabel eind 1982 werd opgesteld, zij zeer goed de werking van de afspraken in de periode 1981-1982 illustreert, en dat daaruit blijkt, dat Sotralentz tot de betrokken ondernemingen behoorde. De quota werden in grote mate op basis van het voordien door elk van de deelnemende ondernemingen behaalde marktaandeel toegewezen volgens een mechanisme dat in punt 27 van de beschikking wordt beschreven aan de hand van een interne nota van Tréfilunion van 1 december 1981 (bijlage 5 bij PvB, punt 24 van de beschikking), die zelf verwijst naar "de recente afspraak". Dit feitelijke element is dus onafhankelijk van de betrokken tabel vastgesteld. Verzoekster kan niet tegenwerpen dat deze tabel slechts gold voor de periode waarin zij werd opgesteld, dat wil zeggen het tweede semester van 1982. Deze tabel vermeldt in de kolom "quota" immers een aandeel van 7,40 % voor Tréfilarbed. Voor 1980 vertegenwoordigde dit aandeel van de Franse markt precies 15 600 ton, dus de 1 300 ton per maand waarvan blijkens de aantekening van Tréfilunion van 23 oktober 1981 (bijlage 1 bij PvB, punt 46 van de beschikking) sprake was tijdens de vergadering tussen Tréfilarbed en Tréfilunion van 20 oktober 1981. Deze vaststelling moet worden vergeleken met de reeds genoemde nota van 1 december 1981, waarin de heer Duroux van Tréfilunion stelt, dat in 1981 op de Franse markt "de hoeveelheden van degenen die reeds tot de markt zijn doorgedrongen (pénétrants), grotendeels op het niveau van 1980 gehandhaafd (bleven)". Het is dus duidelijk dat de tabel in bijlage 6 bij PvB volledig in de lijn ligt van de overeenkomsten van 1981-1982 en het mechanisme daarvan goed beschrijft, ongeacht het concrete vervolg dat eind 1982 de erin vervatte berekeningen kunnen hebben gehad.
42 De Commissie voegt daaraan toe, dat de notulen van de vergadering van 21 april 1982 (bijlage 21 bij PvB) en het telexbericht van de heer Marie van 23 april 1982 (bijlage 24 bij PvB) stukken zijn die dateren van na de afspraken van 1981-1982 en betrekking hebben op de verlenging daarvan. Blijkens die stukken zouden nieuwe overeenkomsten worden gesloten, waaraan Sotralentz zou worden uitgenodigd deel te nemen. Volgens de Commissie blijkt uit deze stukken, dat Sotralentz toen nog werd beschouwd als een lid van "de Fransen" die moesten worden geraadpleegd wanneer werd onderhandeld over de aanbiedingen die de Italiaanse producenten in het verlengde van de overeenkomsten van 1981-1982 werden gedaan. Ware dat niet het geval geweest en had Sotralentz, zoals zij beweert, niet deelgenomen aan de afspraken betreffende 1981-1982, dan zou er geen enkele reden zijn geweest om haar te raadplegen over de verlenging van de overeenkomsten met de Italiaanse producenten. De precisering van de heer Marie, dat de beslissing van Sotralentz "het door ons allen genomen besluit" niet mag wijzigen, moet volgens de Commissie ook worden gezien in de context van de onderhandelingen met de Italiaanse producenten en betekent, dat deze laatsten uit een eventueel afwijkende houding van Sotralentz (of het feit dat zij in de toekomst de afgesproken prijzen niet zou naleven) niet het argument zouden moeten ontlenen om hun verbintenissen niet na te komen.
Beoordeling door het Gerecht
43 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie tot haar beschuldiging van verzoekster is gekomen door stukken die haars inziens het bestaan van afspraken betreffende de Franse markt in de periode 1981-1982 aantonen ° in het bijzonder de tabel in bijlage 6 bij PvB, de nota van Tréfilunion van 23 oktober 1981 (bijlage 1 bij PvB) en de interne nota van Tréfilunion van 1 december 1981 (bijlage 5 bij PvB) ° te interpreteren en te beoordelen te zamen met stukken die, nog steeds volgens de Commissie, aantonen dat werd gepoogd tot een verlenging van deze afspraken te komen ° in het bijzonder het telexbericht van de heer Cattapan van Ferriere Nord aan Italmet, de vertegenwoordiger van Ferriere Nord en Martinelli in Frankrijk, van 20 april 1982 (bijlage 20 bij PvB, punt 42 van de beschikking), het telexbericht van de heer Marie aan de heer Cattapan van 23 april 1982 (bijlage 21 bij PvB, punt 42 van de beschikking) en de notulen van de vergadering van 21 april 1982 (bijlage 24 bij PvB, punt 45 van de beschikking). Deze laatste stukken zouden namelijk, wanneer zij naast de hiervoor genoemde worden gelegd, bewijzen dat Sotralentz aan de afspraken betreffende 1981-1982 heeft deelgenomen.
44 Het Gerecht is van oordeel, dat de stukken die aantonen dat verschillende ondernemingen hebben geprobeerd de in 1981-1982 ten uitvoer gelegde overeenkomsten te verlengen, op zichzelf niet rechtstreeks bewijzen dat verzoekster aan die overeenkomsten heeft deelgenomen; uit die stukken blijkt enkel dat de ondernemingen die reeds met de verlenging hadden ingestemd, er belang bij hadden dat ook Sotralentz zou toetreden, alsmede dat zij hebben geprobeerd om Sotralentz te overtuigen. Die stukken bewijzen ook, dat Sotralentz zich ten tijde van de onderzochte feiten niet aan de betrokken overeenkomsten conformeerde, hetgeen de Commissie trouwens zelf erkent; ten slotte vormen zij een aanwijzing voor aan het adres van Sotralentz geuite bedreigingen voor het geval zij niet partij zou worden bij de verlengde overeenkomsten.
45 Het bewijs van Sotralentz' deelneming aan mededingsbeperkende gedragingen moet derhalve in andere stukken worden gezocht. Vastgesteld moet worden, dat de tabel in bijlage 6 bij PvB, een document dat de Commissie als een fundamenteel bewijsstuk beschouwt, de datum 1 oktober 1982 draagt, en dat het, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, een montage is die is verkregen door twee kolommen betreffende de quota die van april 1981 tot maart 1982 van toepassing zouden zijn geweest samen te voegen: de eerste kolom vermeldt het quotum van een onderneming (TECTA), dat niet voorkomt in de tweede kolom, een discrepantie waarvoor de Commissie in antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag geen bevredigend antwoord kon geven. Bovendien zijn de beweerdelijk aan de verschillende ondernemingen toegewezen quota in elke kolom verschillend. Al deze omstandigheden laten twijfel bestaan omtrent de intrinsieke betrouwbaarheid van dit stuk.
46 De tabel vermeldt enkel de Franse producenten, niet de beweerdelijk aan de buitenlandse importeurs toegewezen quota. Om deze reden is het Gerecht van oordeel, dat deze tabel op zichzelf ° zoals de Commissie gedurende de gehele schriftelijke en mondelinge behandeling trouwens heeft erkend ° geen bewijs vormt van verzoeksters deelneming, zoals die haar in de beschikking ten laste is gelegd, aan afspraken waarbij buitenlandse producenten betrokken waren en die de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloedden, hetgeen het optreden van de Commissie rechtvaardigde. De Commissie heeft weliswaar gepoogd de tabel uit te leggen in het licht van andere bewijselementen betreffende het bestaan en de werking van de afspraken en heeft zich in dat verband met name gebaseerd op de interne nota van Tréfilunion van 1 december 1981 (bijlage 5 bij PvB), waarin wordt gesproken van "de recente afspraak" en op de nota van 23 oktober 1981 (bijlage 1 bij PvB), die melding maakt van discussies in het kader van deze afspraak. Deze bijlagen werden evenwel niet ter kennis van Sotralentz gebracht en kunnen derhalve niet tegen haar worden gebruikt; bovendien is in geen van deze twee nota' s expliciet of impliciet sprake van Sotralentz.
47 Gelet op een en ander, is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de afspraken betreffende de Franse markt voor de periode 1981-1982.
48 Mitsdien moet verzoeksters grief worden aanvaard en moet de beschikking nietig worden verklaard, voor zover verzoekster daarin ten laste wordt gelegd dat zij in de periode 1981-1982 heeft deelgenomen aan afspraken betreffende de Franse markt.
2. De periode 1983-1984
De bestreden handeling
49 In de beschikking (punten 51-76 en 160 en 161) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan een tweede serie afspraken, waarbij enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) waren betrokken, en anderzijds de op de Franse markt opererende buitenlandse producenten (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC ° waarbij FBC de produktie van TFE op de markt bracht ° en Tréfilarbed). Bij deze afspraken zouden prijzen en quota zijn vastgesteld, teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken, en informaties zijn uitgewisseld. Deze serie afspraken zou tussen begin 1983 en eind 1984 tot stand zijn gekomen en zijn vastgelegd in een in oktober 1983 vastgesteld "protocole d' accord", dat voor het tijdvak van 1 juli 1983 tot 31 december 1984 is gesloten. In dit protocol werden de resultaten van verscheidene onderhandelingen tussen de Franse, de Italiaanse en de Belgische producenten en Arbed betreffende de op de Franse markt toe te passen prijzen en quota samengevat en werd het quotum van België, Italië en Duitsland "in het kader van een tussen deze producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst" op 13,95 % van het verbruik op de Franse markt vastgesteld.
Argumenten van partijen
50 Verzoekster erkent, dat zij aan deze afspraken heeft deelgenomen. Zij stelt evenwel, dat zij dat heeft gedaan omdat zij daartoe werd gedwongen onder dreiging met vergeldingsmaatregelen. Met betrekking tot de duur van haar deelneming stelt zij, dat die eind juni 1984 is beëindigd; zij beklemtoont, dat de Commissie noch in PvB, noch in de beschikking een datum daarvoor vermeldt, terwijl zij in punt 76 van de beschikking juni 1984 als het eind van de deelneming van Arbed en de Belgische ondernemingen heeft aangemerkt.
51 De Commissie antwoordt, dat Sotralentz in punt 76 van de beschikking niet wordt genoemd, omdat zij niet weet of Sotralentz het "protocole d' accord" ° dat tot 31 december 1984 zou blijven gelden, ° na juni 1984 heeft nageleefd, en dat zij haar op grond van deze twijfel voor de periode na die datum geen geldboete heeft opgelegd. Hoewel de bijzondere positie van verzoekster binnen de afspraken van 1983-1984 niet uitdrukkelijk is vermeld, heeft de Commissie in de beschikking toch gepreciseerd, dat er verschillen waren in de "omvang en de duur van de medewerking van de betrokken ondernemingen" (punt 203) en dat "de overeengekomen prijzen en hoeveelheden door partijen in enige gevallen niet werden gerespecteerd" (punt 200).
Beoordeling door het Gerecht
52 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster erkent dat zij in het tijdvak 1983-1984 aan de afspraken betreffende de Franse markt heeft deelgenomen, maar de duur van haar deelneming betwist.
53 Het Gerecht is om te beginnen van oordeel, dat verzoekster zich niet kan beroepen op het feit dat zij onder dwang aan de afspraken heeft deelgenomen. Zo inderdaad druk op haar werd uitgeoefend, had zij die druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan de betrokken afspraken deel te nemen (zie arrest Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-9/89, Huels, Jurispr. 1992, blz. II-499, r.o. 128).
54 Wat de duur van verzoeksters deelneming aan deze afspraken betreft, zij opgemerkt, dat het "protocole d' accord" van oktober 1983 is gesloten voor de periode van 1 juli 1983 tot 31 december 1984. Het Gerecht is van oordeel, dat de beschikking aldus moet worden uitgelegd, dat aan de deelnemers een inbreuk ten laste is gelegd die duurde van 1 juli 1983 tot 31 december 1984, behalve waar in de beschikking uitdrukkelijk een andere datum wordt vermeld. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de Commissie in punt 70 van de beschikking vermeldt dat ILRO vanaf mei 1984 de afspraken niet meer nakwam, en in punt 76 dat Boël/Trébos, TFE/FBC en Arbed dat na juni 1984 niet meer hebben gedaan. Derhalve is het Gerecht van oordeel, dat nu de beschikking Sotralentz niet afzonderlijk vermeldt, haar een inbreuk ten laste is gelegd die duurde van 1 juni 1983-31 december 1984.
55 Het Gerecht kan het argument van de Commissie dat zij, daar zij niet wist of Sotralentz na juni 1984 de afspraken heeft nageleefd, haar op grond van deze twijfel geen geldboete heeft opgelegd voor de periode na juni 1984, niet aanvaarden. Indien de Commissie niet kon bewijzen dat verzoekster na juni 1984 aan de afspraken bleef deelnemen, en haar derhalve voor de periode daarna geen geldboete heeft opgelegd, was zij immers verplicht dat in de beschikking te preciseren, opdat verzoekster kon weten hoe de duur van haar deelneming was bepaald ten opzichte van de duur van de inbreuk in het algemeen. Aan deze verplichting is niet voldaan, doordat de Commissie in punt 203 van de beschikking in het algemeen heeft verklaard dat zij rekening heeft gehouden met de omvang en de duur van de inbreuk van de deelnemende ondernemingen.
56 Mitsdien moet verzoeksters grief gedeeltelijk worden aanvaard en moet de beschikking nietig worden verklaard, voor zover verzoekster daarin ten laste wordt gelegd dat zij na juni 1984 heeft deelgenomen aan afspraken betreffende de Franse markt voor de periode 1983-1984.
B ° De afspraken tussen BStG en Sotralentz
De bestreden handeling
57 In de beschikking (punten 144-146 en 177) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij in het kader van de afspraken tot bescherming van het Duitse structuurcrisiskartel tegen de ongecontroleerde invoer van betonstaalmatten, heeft deelgenomen aan een afspraak met BStG betreffende de contingentering van haar uitvoer naar Duitsland. De beschikking is gebaseerd op een telexbericht van 24 oktober 1985 van BStG aan verzoekster, waarbij zij de gegevens betreffende haar leveringen op de Duitse markt meedeelde, en op het antwoord van Sotralentz bij telexbericht van 4 november 1985 waarbij de in september en oktober 1985 naar Duitsland verzonden hoeveelheden werden meegedeeld. Volgens de beschikking, die dienaangaande verwijst naar de verklaringen van de heer Mueller, vertegenwoordiger van BStG, tegenover ambtenaren van de Commissie tijdens de verificatie van 6 en 7 november 1985, zou deze uitwisseling van gegevens maandelijks geschieden en ten minste een onderling afgestemde feitelijke gedraging opleveren die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden (punten 144 en 177). Ten slotte wordt in punt 146 van de beschikking vastgesteld, dat de uitwisseling van gegevens niet alleen het bestaan van een quotaovereenkomst aantoont, maar ook het streven van BStG om de invoer uit Frankrijk op maandbasis te volgen, welke berekeningswijze ook aan de kartelovereenkomst ten grondslag lag.
58 In de beschikking wordt beklemtoond, dat BStG en Sotralentz hebben getracht deze correspondentie te rechtvaardigen op grond van een tussen de beide ondernemingen bestaande octrooilicentieovereenkomst, volgens welke Sotralentz in Frankrijk lijstmatten produceerde overeenkomstig het BStG-octrooi. Door de verzonden hoeveelheden mee te delen zou Sotralentz slechts haar in het kader van deze overeenkomst aangegane meldings- en betalingsverplichtingen zijn nagekomen. Volgens punt 145 van de beschikking pleit tegen deze voorstelling van zaken, dat: a) de meldingsverplichtingen van een licentienemer betrekking hebben op zijn totale produktie en niet slechts op de leveringen op een bepaalde markt; b) BStG de precieze bevoorrading van de markt in Duitsland meedeelde, hetgeen slechts door het bestaan van een quotumregeling kan worden verklaard; c) het octrooi van BStG reeds voor de mededeling van de betrokken gegevens geëindigd was, en er voor Sotralentz dus geen meldings- en betalingsverplichting meer bestond.
Argumenten van partijen
59 Verzoekster betoogt, dat de haar verweten uitwisseling van informatie kan worden verklaard door de octrooilicentieovereenkomst tussen BStG en haarzelf. Nadat verzoekster in 1976 geen Oostenrijks octrooi had kunnen verkrijgen, bleek deze overeenkomst van 28 juni 1979 noodzakelijk om geribde betonstaalmatten met grendel te kunnen produceren en om, daar zij zich in de nabijheid van de markt van Zuidwest-Duitsland bevond, zich op die markt te begeven. De door BStG verleende licentie gold voor Duitsland en Nederland.
60 Verzoekster stelt, dat deze overeenkomst de maandelijkse uitwisseling van gegevens betreffende de in Duitsland geleverde hoeveelheden rechtvaardigt, omdat het een maatregel ter vergemakkelijking van de nakoming van de wederzijdse verbintenissen van partijen betrof. Met betrekking tot de afwezigheid van gegevens over de in Nederland geleverde hoeveelheden stelt zij, dat deze hoeveelheden in verhouding tot het contractueel bepaalde maximum zeer gering waren en dat een maandelijkse of driemaandelijkse controle dan ook overbodig was. Voorts merkt zij op, dat de licentieovereenkomst los stond van enige verdeling van de Duitse markt en drie en een half jaar vóór de oprichting van het Duitse crisiskartel was gesloten.
61 De Commissie preciseert, dat zij de licentieovereenkomst met BStG als zodanig niet als een inbreuk heeft beschouwd, maar beklemtoont, dat het feit dat BStG aan Sotralentz de totale in Duitsland geleverde hoeveelheid heeft meegedeeld, wel degelijk wijst op het bestaan van een quotaovereenkomst. Op grond van de vaststelling dat de gegevens maandelijks werden uitgewisseld was, mede gelet op andere omstandigheden die in deze zaak zijn gebleken, de conclusie gerechtvaardigd dat de in de beschikking ten laste gelegde gegevensuitwisseling niet voortvloeide uit de verplichtingen van de licentieovereenkomst.
62 In antwoord op de hun tijdens de schriftelijke behandeling en ter terechtzitting gestelde vragen hebben de partijen meegedeeld, op welke octrooien de licentieovereenkomst tussen verzoekster en BStG betrekking had en wanneer deze octrooien afliepen.
Beoordeling door het Gerecht
63 Onderzocht moet worden, of de door de Commissie aangevoerde elementen ° maandelijkse uitwisseling van gegevens, mededeling door BStG aan Sotralentz van de gehele in Duitsland geleverde hoeveelheid ° een bundel ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende aanwijzingen oplevert die het bestaan van een quotaovereenkomst bewijst.
64 Verzoekster brengt tegen deze aanwijzingen in, dat de informatieuitwisseling gerechtvaardigd was door het bestaan van een octrooilicentieovereenkomst tussen haar en BStG. Derhalve moet het Gerecht nagaan of de door de Commissie aangevoerde aanwijzingen ook anders dan door het bestaan van een quotaovereenkomst kunnen worden uitgelegd, in het bijzonder door een octrooilicentieovereenkomst tussen BStG en Sotralentz (zie arrest Hof van 31 maart 1993, gevoegde zaken C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Ahlstroem e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1307, r.o. 70-72).
65 Om te beginnen beklemtoont het Gerecht, dat de Commissie zich niet heeft uitgesproken over de vraag, of de octrooilicentieovereenkomst tussen BStG en Sotralentz een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag opleverde. Deze vraag is dan ook niet relevant voor de beoordeling door het Gerecht.
66 Wat het aantal en de duur van de onder de octrooilicentieovereenkomst van 28 juni 1979 vallende octrooien betreft, stelt het Gerecht aan de hand van de antwoorden van de verschillende partijen op de tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling gestelde vragen vast, dat BStG houder van octrooien voor het Franse, het Nederlandse en het Duitse grondgebied was. Voor het Franse grondgebied was BStG houder van de octrooien nr. 1 578 746 (procédé pour l' obtention d' une barre d' armature de béton) en nr. 6 920 046 (treillis d' armature soudé par points); voor het Nederlandse grondgebied van octrooi nr. 135 455 (werkwijze voor het vervaardigen van een stalen wapeningsstaaf voor beton) en voor het Duitse grondgebied van de octrooien nr. 1 609 605 (Verfahren und Vorrichtung zum Herstellen eines Betonbewehrungsstabes), geldig tot 3 januari 1985, en nr. 1 759 969 (Punktgeschweisste Bewehrungsmatte), geldig tot 25 juni 1986.
67 Volgens artikel 5 van de licentieovereenkomst van 28 juni 1979 tussen BStG en Sotralentz mocht BStG de hoeveelheid contractprodukten die Sotralentz mocht verkopen, per kalenderjaar beperken. De overeenkomst garandeerde Sotralentz evenwel, dat BStG dit jaarlijkse maximum niet mocht vaststellen op minder dan 1 % van de totale verkoop van betonstaalmatten en wapeningsstaven in Duitsland en op 2,5 % van de totale verkoop van betonstaalmatten en wapeningsstaven in Nederland. Voor 1979 voorzag de overeenkomst voor de verkoop van de octrooiprodukten een maximum van 12 500 ton voor Duitsland en 4 000 ton voor Nederland.
68 De licentieovereenkomst bepaalde ook dat voor de door Sotralentz verkochte hoeveelheden contractprodukten driemaandelijks een royalty van 1,50 DM/ton moest worden betaald (artikel 6, leden 1 en 5). Ter terechtzitting is gebleken, dat deze royalty niet werd betaald, maar in rekening werd gebracht bij de aankoop van bepaalde werktuigen door Sotralentz bij de afdeling "machinebouw" van BStG. Volgens de licentieovereenkomst moest een geldboete worden betaald, wanneer de jaarlijkse hoeveelheid met 200 ton werd overschreden (artikel 8). Ook moest Sotralentz een regelmatige boekhouding bijhouden van de leveringen van contractprodukten, die BStG steeds mocht nazien (artikel 6, leden 6 en 7). Ten slotte is de overeenkomst op 1 maart 1979 voor onbepaalde duur van kracht geworden, maar zal de geldigheidsduur ervan bij het vervallen van het laatste overblijvende recht verstrijken (artikel 9).
69 Gelet op deze feiten, is het Gerecht van oordeel, dat de door de Commissie in deze zaak getrokken conclusie dat de uitwisseling van informatie voortvloeide uit een quotaovereenkomst, niet de enig mogelijke is. Deze uitwisseling van informatie is immers in overeenstemming met de bepalingen van de tijdens de onderzochte periode tussen BStG en Sotralentz bestaande octrooilicentieovereenkomst en vindt daarin derhalve een plausibele verklaring. In het bijzonder konden de vaststelling van een jaarlijkse maximumhoeveelheid die Sotralentz in Duitsland mocht leveren en die niet lager mocht zijn dan 1 % van de totale verkoop in Duitsland, het recht van BStG van inzage in de leveringen van Sotralentz om toezicht te kunnen uitoefenen op de naleving van deze begrenzing, en de betaling van driemaandelijkse royalties het noodzakelijk maken om met het oog op een correcte produktieplanning maandelijks gegevens uit te wisselen, en wel door BStG over de totale verkoop in Duitsland, en door Sotralentz over de omvang van haar eigen leveringen. Met betrekking tot de duur van de informatieuitwisseling zij opgemerkt dat de overeenkomst, die gevolgen diende te sorteren tot het vervallen van het laatste overblijvende recht, van kracht is gebleven tot 25 juni 1986, zodat de in de beschikking ten laste gelegde uitwisseling van informatie, die plaats had in oktober en november 1985, daardoor wordt gedekt.
70 Daar de in de beschikking ten laste gelegde uitwisseling van informatie een verklaring vindt in het bestaan van een octrooilicentieovereenkomst tussen BStG en Sotralentz, moet worden geconcludeerd dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoekster heeft deelgenomen aan een afspraak betreffende de contingentering van haar uitvoer naar Duitsland.
71 Mitsdien moet verzoeksters grief worden aanvaard en moet de beschikking nietig worden verklaard, voor zover daarin tegen verzoekster in aanmerking is genomen, dat zij heeft deelgenomen aan een afspraak betreffende de contingentering van haar uitvoer naar Duitsland.
Het middel: schending van de rechten van de verdediging en schending van artikel 15 van verordening nr. 17
72 Verzoekster voert met betrekking tot het geheel van de vaststellingen in de beschikking twee middelen aan: schending van de rechten van de verdediging en schending van artikel 15 van verordening nr. 17. Daar het middel inzake schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is aanvaard met betrekking tot de tegen verzoekster in aanmerking genomen inbreuken betreffende de Franse markt in de periode 1981-1982 en betreffende het bestaan van een afspraak met BStG, behoeft over deze middelen geen uitspraak te worden gedaan ten aanzien van deze inbreuken. Zij moeten daarentegen wel worden onderzocht, voor zover zij betrekking hebben op de vastgestelde inbreuk op de Franse markt in 1983-1984, waarbij evenwel de argumenten moeten worden uitgesloten die het Gerecht ten aanzien van de andere inbreuken reeds impliciet heeft aanvaard.
I ° Schending van de rechten van de verdediging
73 In de eerste plaats verwijt verzoekster de Commissie een gebrekkige motivering, omdat zij in de beschikking het argument dat verzoekster onder dwang handelde niet heeft onderzocht en de duur van verzoeksters deelneming niet heeft gepreciseerd. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat het Gerecht zich hiervoor reeds heeft uitgesproken over de grieven betreffende de dwang waaronder verzoekster zou hebben gehandeld en betreffende de duur van haar deelneming (zie hierboven, r.o. 53-55), en dat het vaste rechtspraak is, dat de Commissie krachtens artikel 190 EEG-Verdrag weliswaar gehouden is haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, doch dat niet is vereist dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (arrest Hof van 10 december 1985, gevoegde zaken 240/82-242/82, 261/82, 262/82, 268/82 en 269/82, Stichting Sigarettenindustrie, Jurispr. 1985, blz. 3831, r.o. 88; arrest Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-14/89, Montedipe, Jurispr. 1992, blz. II-1155, r.o. 324). Deze grief moet dan ook worden afgewezen.
74 In de tweede plaats verwijt verzoekster de Commissie in het algemeen, dat zij punten van bezwaar tegen haar in aanmerking neemt, die haar aanvankelijk niet ter kennis waren gebracht. Dienaangaande volstaat de vaststelling dat verzoekster, zoals hierboven is uiteengezet (zie r.o. 50 e.v.), heeft erkend dat zij in 1983-1984 heeft deelgenomen aan afspraken betreffende de Franse markt en dat zij nergens in haar memoriën specifiek aangeeft, welke punten van bezwaar de Commissie haar aanvankelijk niet ter kennis zou hebben gebracht.
75 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
II ° Schending van artikel 15 van verordening nr. 17
76 In de eerste plaats verwijt verzoekster de Commissie, dat zij de haar opgelegde geldboete niet heeft gespecificeerd ten aanzien van de drie inbreuken die haar ten laste zijn gelegd. Dienaangaande zij opgemerkt, dat de Commissie volgens vaste rechtspraak voor verschillende inbreuken één geldboete kan opleggen (zie arresten Hof van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie e.a., Jurispr. 1975, blz. 1663; 14 februari 1978, zaak 27/76, United Brands, Jurispr. 1978, blz. 207, en 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80-103/80, Musique diffusion française, Jurispr. 1983, blz. 1825). Deze grief moet dan ook worden afgewezen.
77 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de geldboete buitensporig is in verhouding tot haar winst voor het geheel van haar activiteiten. Het Gerecht is van oordeel, dat ofschoon de Commissie stellig met een dergelijk element rekening kan houden, dat niet het enige element is dat zij in aanmerking moet nemen. Voorts zij eraan herinnerd, dat de Commissie krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 geldboeten kan opleggen van ten minste duizend en ten hoogste één miljoen ECU, of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar. Bij de vaststelling van het bedrag binnen deze grenzen, moet volgens deze bepaling rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. Het Hof heeft het begrip omzet uitgelegd als de totale omzet (arrest Musique diffusion française, reeds aangehaald, r.o. 119), zodat moet worden geconcludeerd dat de Commissie, die geen rekening heeft gehouden met verzoeksters totale omzet, maar met de omzet van betonstaalmatten in de Gemeenschap van zes, en de grens van 10 % niet heeft overschreden, wat de zwaarte en de duur van de inbreuk betreft, artikel 15 van verordening nr. 17 dus niet heeft geschonden. Hoe dan ook moet worden beklemtoond, dat de Commissie bij de vaststelling van de geldboete rekening heeft gehouden met de financiële en economische situatie van de deelnemende ondernemingen (punt 203 van de beschikking). Deze grief moet dan ook worden afgewezen.
78 In de derde plaats verwijt verzoekster de Commissie, dat zij haar een geldboete heeft opgelegd die 115 keer zo hoog is als de geldboete die is opgelegd door de op het gebied van de mededinging bevoegde Franse instanties. Het Gerecht heeft hiervoor reeds overwogen (zie r.o. 28), dat de Commissie haar eigen conclusies kon trekken uit de bewijzen waarover zij beschikte, welke bewijzen niet noodzakelijk dezelfde waren als die waarover de Franse autoriteiten beschikten; zij kan niet gebonden zijn aan de conclusie van die autoriteiten. Bovendien is het vaste rechtspraak, dat eventuele punten van overeenkomst tussen de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake mededinging en het stelsel van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag in geen geval kunnen afdoen aan de autonomie waarover de Commissie bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 beschikt, noch haar ertoe verplichten om zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als de instanties die met de toepassing van die nationale wettelijke regeling zijn belast (arrest Hof van 28 maart 1985, zaak 298/83, CICCE, Jurispr. 1985, blz. 1105, r.o. 27). Derhalve moet verzoeksters grief worden afgewezen.
79 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
80 In het licht van al het voorgaande, is het Gerecht van oordeel, dat de aan verzoekster opgelegde geldboete van 228 000 ECU niet billijk is, gelet op het feit dat zij niet heeft deelgenomen aan een afspraak om gedurende de periode 1981-1982 prijzen en quota vast te stellen voor de Franse markt, op de kortere duur van haar deelneming aan de afspraken betreffende de Franse markt in 1983-1984 en op het feit dat zij niet heeft deelgenomen aan een afspraak met BStG betreffende de contingentering van haar uitvoer naar de Duitse markt. Uit hoofde van zijn volledige rechtsmacht stelt het Gerecht de aan verzoekster opgelegde geldboete dan ook vast op 57 000 ECU.
Beslissing inzake de kostenKosten
81 De Commissie betoogt dat zij, ongeacht de uitslag van het geding, hoe dan ook niet in de kosten van Sotralentz kan worden verwezen, daar deze dat niet in haar verzoekschrift heeft gevorderd.
82 In dit verband zij opgemerkt, dat volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht het feit dat de in het gelijk gestelde partij pas ter terechtzitting heeft gevorderd dat de wederpartij in de kosten wordt verwezen, niet eraan in de weg staat dat die vordering wordt toegewezen (zie arrest Hof van 29 maart 1979, zaak 113/77, NTN Toyo Bearing Company e.a., Jurispr. 1979, blz. 1185, en de conclusie van advocaat-generaal Warner in die zaak, blz. 1274, arrest Gerecht van 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367). Nu verzoekster in de onderhavige zaak in repliek heeft geconcludeerd dat de Commissie in de kosten wordt verwezen, is er te meer reden om haar vordering toe te wijzen.
83 Bijgevolg moet worden uitgegaan van het in artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering geformuleerde beginsel, dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd. Ingevolge lid 3 van dit artikel kan het Gerecht de proceskosten evenwel over de partijen verdelen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien verzoeksters gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, is het Gerecht van oordeel, dat de omstandigheden van de zaak recht wordt gedaan, wanneer wordt beslist, dat de Commissie naast haar eigen kosten de helft van de kosten van verzoekster zal dragen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig artikel 1 van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten), voor zover daarin tegen verzoekster in aanmerking wordt genomen dat zij heeft deelgenomen aan een afspraak om gedurende de periode 1981-1982 prijzen en quota vast te stellen voor de Franse markt, dat zij na juni 1984 heeft deelgenomen aan een zelfde afspraak betreffende de Franse markt in 1983-1984 en dat zij heeft deelgenomen aan een afspraak met Baustahlgewebe GmbH betreffende de contingentering van haar uitvoer naar de Duitse markt.
2) Stelt de bij artikel 3 van deze beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete vast op 57 000 ECU.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verstaat dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen, alsmede de helft van de kosten van verzoekster.
5) Verstaat dat verzoekster de helft van haar eigen kosten zal dragen.
Top