Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 6 APRIL 1995. - ILRO SPA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - INBREUK OP ARTIKEL 85 EEG-VERDRAG. - ZAAK T-152/89.
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-01197
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren ° Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daarop volgende mededingingsregeling
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
2. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Aantasting van mededinging ° Beoordelingscriteria ° Mededingingsverstorend doel ° Vaststelling toereikend
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)
3. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Overeenkomsten tussen ondernemingen ° Deelneming vermeendelijk onder dwang ° Omstandigheid geen rechtvaardigingsgrond voor onderneming die geen gebruik heeft gemaakt van mogelijkheid van aangifte bij bevoegde autoriteiten
(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1; verordening nr. 17 van de Raad, art. 3)
Samenvatting1. Wanneer een onderneming, zelfs zonder daarin een actief aandeel te hebben gehad, aan vergaderingen tussen ondernemingen deelneemt, die ertoe strekken de prijzen van hun produkten vast te stellen, en zij zich niet publiekelijk van de inhoud ervan distantieert, waardoor zij bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij instemt met het resultaat van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zal houden, kan als bewezen worden beschouwd, dat zij deelneemt aan de uit deze vergaderingen resulterende mededingingsregeling.
2. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag behoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst niet in aanmerking te worden genomen wanneer blijkt, dat de overeenkomst ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Het feit dat een onderneming die deelneemt aan een overeenkomst tot verdeling van de markten, de overeengekomen prijzen en quota later niet altijd respecteert, disculpeert haar niet.
3. Een onderneming die samen met andere ondernemingen deelneemt aan met de mededingingsregels strijdige activiteiten, die ertoe strekken prijzen en quota vast te stellen, kan zich niet beroepen op het feit dat zij dat deed onder dwang van de andere deelnemers. Zij had immers de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan die activiteiten mee te werken.
PartijenIn zaak T-152/89,
ILRO SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Lecco-Pescarenico (Italië), vertegenwoordigd door M. Laredo, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy, B. Vesterdorf, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 14 tot en met 18 juni 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1; hierna: de "beschikking"), waarbij zij aan veertien producenten van betonstaalmatten een geldboete heeft opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. De produkten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zijn betonstaalmatten, een geprefabriceerd wapeningsprodukt dat is gemaakt van gladde of geribde koudgetrokken betonstaaldraden die door puntlassing in een rechte hoek met elkaar zijn verbonden om een netwerk te vormen. Dit produkt wordt op bijna alle terreinen van de gewapend-betonconstructie gebruikt.
2 Vanaf 1980 zouden in deze sector een aantal kartels en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de aanleiding voor de beschikking hebben gevormd, tot stand zijn gekomen op de Duitse, de Franse en de Benelux-markt.
3 Op 6 en 7 november 1985 verrichtten ambtenaren van de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), gelijktijdig en zonder voorafgaande waarschuwing verificaties ten kantore van zeven ondernemingen en twee ondernemersverenigingen, te weten Tréfilunion SA, Sotralentz SA, Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Ferriere Nord SpA (Pittini), Baustahlgewebe GmbH (BStG), Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (Thibodraad), NV Bekaert, Syndicat national du tréfilage d' acier (STA) en Fachverband Betonstahlmatten eV. Op 4 en 5 december 1985 verrichtten zij verder verificaties ten kantore van de ondernemingen ILRO SpA, GB Martinelli, NV Usines Gustave Boël (afdeling Trébos), Tréfileries de Fontaine-l' Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale SA, Van Merksteijn Staalbouw BV en ZND Bouwstaal BV.
4 Op grond van de bij deze verificaties gevonden documenten, alsmede van de gegevens die zij krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 in handen had gekregen, kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1980 en 1985 inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag hadden gemaakt door een reeks overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen inzake leveringsquota en prijzen voor betonstaalmatten. De Commissie leidde de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in en op 12 maart 1987 werden de betrokken ondernemingen op de hoogte gesteld van de punten van bezwaar, waarop die ondernemingen hebben gereageerd. Op 23 en 24 november 1987 vond een hoorzitting met hun vertegenwoordigers plaats.
5 Na afloop van deze procedure gaf de Commissie de beschikking. Volgens deze beschikking (punt 22) bestonden de concurrentiebeperkingen uit een aantal overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de vaststelling van prijzen en/of leveringsquota alsmede op de verdeling van de markten voor betonstaalmatten. Deze afspraken betroffen in hoofdzaak telkens een deelmarkt (de Franse markt, de Benelux-markt, de Duitse markt), doch beperkten de handel tussen de Lid-Staten, aangezien daaraan werd deelgenomen door in verschillende Lid-Staten gevestigde ondernemingen. Volgens de beschikking "gaat het niet zozeer om een globale afspraak tussen alle producenten uit alle betrokken Lid-Staten, maar veeleer om een geheel van verschillende afspraken met ten dele wisselende deelnemers. Door de reglementering van de afzonderlijke deelmarkten heeft dit geheel van afspraken echter geleid tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt."
6 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
Tréfilunion SA, Société métallurgique de Normandie (SMN), CCG (Tecnor), Société de treillis et panneaux soudés (STPS), Sotralentz SA, Tréfilarbed SA, respectievelijk Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Tréfileries de Fontaine-l' Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale SA (thans Steelinter SA), NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos, Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (thans Thibo Bouwstaal BV), Van Merksteijn Staalbouw BV, ZND Bouwstaal BV, Baustahlgewebe GmbH, ILRO SpA, Ferriere Nord SpA (Pittini) en GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door in de periode van 27 mei 1980 tot 5 november 1985 in een of meer gevallen deel te nemen aan een of meer overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (afspraken) die bestonden uit het bepalen van verkoopprijzen, het beperken van de afzet, de verdeling van de markten, alsmede uit maatregelen voor de toepassing van deze afspraken en voor de controle daarop.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de betonstaalmattensector in de Gemeenschap, moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, en zich voortaan met betrekking tot hun betonstaalmattenactiviteiten onthouden van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel beogen of tot gevolg hebben.
Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
1. Tréfilunion SA (TU): een geldboete van 1 375 000 ECU;
2. Société métallurgique de Normandie (SMN): een geldboete van 50 000 ECU;
3. Société des treillis et panneaux soudés (STPS): een geldboete van 150 000 ECU;
4. Sotralentz SA: een geldboete van 228 000 ECU;
5. Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL: een geldboete van 1 143 000 ECU;
6. Steelinter SA: een geldboete van 315 000 ECU;
7. NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos: een geldboete van 550 000 ECU;
8. Thibo Bouwstaal BV: een geldboete van 420 000 ECU;
9. Van Merksteijn Staalbouw BV: een geldboete van 375 000 ECU;
10. ZND Bouwstaal BV: een geldboete van 42 000 ECU;
11. Baustahlgewebe GmbH (BStG): een geldboete van 4 500 000 ECU;
12. ILRO SpA: een geldboete van 13 000 ECU;
13. Ferriere Nord SpA (Pittini): een geldboete van 320 000 ECU;
14. GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA: een geldboete van 20 000 ECU.
(...)"
De procedure
7 In deze omstandigheden heeft verzoekster, ILRO SpA (hierna: "ILRO"), bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 oktober 1989, het onderhavig beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Tien van de dertien andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, hebben eveneens beroep ingesteld.
8 Bij beschikkingen van 15 november 1989 heeft het Hof deze zaak en de tien andere zaken krachtens artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1) naar het Gerecht verwezen. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-141/89°T-145/89 en T-147/89°T-152/89.
9 Bij beschikking van 13 oktober 1992 heeft het Gerecht deze zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling.
10 Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 22 april en 7 mei 1993, hebben partijen de hun door het Gerecht gestelde vragen beantwoord.
11 Gezien de antwoorden op die vragen en het rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
12 Ter terechtzitting, die van 14 tot en met 18 juni 1993 plaatsvond, zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
13 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° de beschikking nietig te verklaren met alle rechtsgevolgen van dien.
14 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° verzoeksters beroep te verwerpen;
° verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ten gronde
15 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster in de beschikking (punten 23, 51, 159 en 160) ten laste wordt gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan twee series afspraken inzake de Franse markt. Bij deze afspraken waren enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) betrokken en anderzijds de buitenlandse producenten die op de Franse markt actief waren (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trebos, Tréfileries de Fontaine-l' Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale en Tréfilarbed). Bij deze afspraken werden prijzen en quota vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken, en werd de uitwisseling van informatie geregeld. De eerste serie afspraken waaraan verzoekster zou hebben deelgenomen, zou tot stand zijn gekomen tussen april 1981 en maart 1982. Verzoekster zou aan de tweede serie hebben deelgenomen tussen begin 1983 en mei 1984 (punt 70 van de beschikking). Deze tweede serie afspraken werd vastgelegd in een begin oktober 1983 tot stand gekomen "protocole d' accord".
Argumenten van partijen
16 Verzoekster, die erkent dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen in het kader van de afspraken, voert drie argumenten aan tot staving van haar stelling, dat de Commissie haar deelneming aan de afspraken ten onrechte afleidt uit haar deelneming aan de vergaderingen.
17 In de eerste plaats stelt zij, dat zij slechts bepaalde vergaderingen heeft bijgewoond, en dat zij daarbij enkel inlichtingen over de marktsituatie en de produktie van de verschillende deelnemers heeft ingewonnen.
18 In de tweede plaats stelt verzoekster, dat zij zich in de praktijk nooit aan de tijdens de vergaderingen genomen beslissingen over prijzen en leveringen heeft gehouden. Dienaangaande verwijst zij voor de periode 1981-1982 naar een telexbericht van 15 maart 1982 van de heer Castelnuovo van Boël/Trébos aan de heer Pittini van Ferriere Nord (punt 40 van de beschikking), waarin staat: "de heer Montanelli van ILRO verkoopt in Frankrijk vrij grote hoeveelheden betonstaalmatten tegen prijzen die aanzienlijk lager liggen dan afgesproken in de Frans-Belgisch-Italiaanse overeenkomst van begin 1981", en naar een advies van de Franse Commission de la concurrence van 20 juni 1985, volgens hetwelk "buitenlandse (bij voorbeeld ILRO) en sommige onafhankelijke producenten (bij voorbeeld Sotralentz) toen lagere prijzen begonnen te vragen dan de dochterondernemingen van de staalbedrijven en hun aandeel van de nationale markt sterk begonnen te vergroten (van 29 % in december 1981 tot 41 % in februari 1982)".
19 In de derde plaats stelt zij, dat zij weliswaar aan de vergaderingen heeft deelgenomen, doch zulks deed omdat zij daartoe gedwongen was daar anders op verzoek van haar Franse concurrenten de goedkeuring van haar produkten door de Franse autoriteiten zou worden ingetrokken. Dit zou blijken uit het beroep dat de Commissie op 4 december 1985 bij het Hof heeft ingesteld tegen de Franse Republiek, opdat deze de invoer van de produkten van ILRO in Frankrijk niet langer zou belemmeren.
20 Verzoekster concludeert dat, aangezien zij zich niet bij de afspraken heeft aangesloten en zij steeds heeft geweigerd de in het kader van die afspraken vastgestelde richtlijnen na te leven, haar geen inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan worden verweten.
21 De Commissie merkt op, dat verzoekster erkent dat zij aan de vergaderingen in het kader van de afspraken heeft deelgenomen, en dat zij niet betwist dat deze vergaderingen tot doel hadden de mededinging te verstoren.
22 De in de beschikking vermelde stukken tonen volgens de Commissie bovendien genoegzaam aan dat verzoekster actief aan deze afspraken heeft deelgenomen, en dat zowel wat de totstandkoming als de uitvoering betreft. ILRO heeft zich niet enkel bij de initiatieven van de andere producenten aangesloten, maar heeft ook rechtstreeks onderhandeld over de Italiaanse "penetratiequota" en over de op de Franse markt toe te passen prijzen. Dat ILRO soms enigszins afweek van de in het kader van de afspraken genomen beslissingen, betekent niet dat zij niet aan de afspraken deelnam, maar bewijst integendeel haar volledige betrokkenheid.
Beoordeling door het Gerecht
23 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster erkent dat zij aan vergaderingen in het kader van de afspraken heeft deelgenomen, en niet betwist dat zij tot doel hadden prijzen en quota vast te stellen. Derhalve moet worden onderzocht of de door haar aangevoerde argumenten kunnen aantonen dat de Commissie uit haar deelneming aan die vergaderingen ten onrechte haar deelneming aan de afspraken heeft afgeleid.
24 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat verzoekster tijdens die vergaderingen niet enkel inlichtingen over de marktsituatie heeft ingewonnen, maar dat zij een actief aandeel in een aantal vergaderingen heeft gehad. Blijkens een bij Tréfilunion aangetroffen nota (punt 52 van de beschikking) verklaarde de heer Montanelli, de vertegenwoordiger van ILRO, tijdens een bijeenkomst te Milaan (Italië) op 4 januari 1983, "dat hij hoopte een nieuwe overeenkomst te kunnen sluiten en dat hij namens ILRO en Pittini (Ferriere Nord) toezeggingen kon doen", waarbij hij van mening was, "dat uitgaande van een prijs voor walsdraad van 1 725 FF, de wenselijke prijs voor betonstaalmatten op de Franse markt 2 625 FF bedraagt, dat wil zeggen 900 FF toegevoegde waarde en vervoer". Tijdens een op 23 februari 1983 gehouden vergadering, waar een verdeling van de quota (61 % voor de geïntegreerde Franse producenten, 19 % voor de niet-geïntegreerde Franse producenten, 3 % voor België, 7 % voor Duitsland en 10 % voor Italië) en twee opeenvolgende prijsverhogingen (200 tot 300 FF per april 1983, 300 FF voor de maand juli) werden afgesproken, signaleerde de heer Montanelli tevens, "dat indien niet uiterlijk op 10 maart een globale overeenkomst wordt bereikt, hij voor april niet - 700 FF kan toezeggen", zoals blijkt uit twee nota' s van de heer Cattapan over deze vergadering (punt 53 van de beschikking) en een nota van de heer Haller, vertegenwoordiger van CCG (punt 54 van de beschikking).
25 Ook al zou verzoekster niet een even actief aandeel in de vergaderingen hebben gehad als de andere producenten, het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster door haar aanwezigheid bij deze vergaderingen ° die kennelijk ertoe strekten de mededinging te verstoren ° zonder zich publiekelijk van de inhoud ervan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt, dat zij instemde met de resultaten van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zou houden.
26 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat tijdens de op 1 april 1981 te Parijs gehouden vergadering waaraan naast verzoekster Franse, Italiaanse en Belgische producenten deelnamen, voor een per april 1981 ingaande periode van twaalf maanden voor de Italiaanse producenten een quotum van 32 000/33 000 ton is overeengekomen, waarvan 24 000/25 000 ton voor verzoekster. Tijdens deze vergadering werden de prijzen van de verschillende soorten betonstaalmatten, de kortingen, penetratiepremies en verschillende modaliteiten voor de uitwisseling van informatie vastgesteld. Dit blijkt uit het telexbericht van 9 april 1981 van Italmet, de gemachtigde voor Frankrijk van Ferriere Nord en Martinelli, aan Martinelli (punt 33 van de beschikking), het memorandum van 9 april 1981 van de heer Marie, directeur van de afdeling betonstaalmatten van Tréfilunion en vanaf 1983 president van de Association technique pour le développement de l' emploi du treillis soudé (punt 34 van de beschikking), en uit de tabel van Tréfilunion, getiteld "invoer van betonstaalmatten uit Italië" (punt 35 van de beschikking).
27 Verzoekster kan zich in casu dan ook niet beroepen op haar houding tijdens de vergaderingen.
28 In de tweede plaats moet worden beklemtoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de uitvoering van de afspraken. Voor de periode 1983-1984 geven verschillende stukken (punten 64 en 65 van de beschikking) immers met betrekking tot elke onderneming die met het "protocole d' accord" van oktober 1983 had ingestemd, de leveringen en het marktaandeel voor elke maand aan. Dat de in deze stukken vermelde cijfers betreffende verzoekster overeenstemmen met de inhoud van het "protocole d' accord" volstaat als bewijs dat zij in de bedoelde periode aan de uitvoering ervan heeft deelgenomen.
29 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie twee aanwijzingen aanvoert om aan te tonen dat verzoekster betrokken was bij de uitvoering van de afspraken gedurende de periode 1981-1982. Het betreft twee nota' s van Ferriere Nord (punten 37 en 38 van de beschikking) over een vergadering van 20 oktober 1981 en een vergadering van 18 februari 1982, waarbij onder meer verzoekster aanwezig was en waaruit blijkt dat de deelnemers aan deze vergaderingen tevreden waren over de uitvoering van hun overeenkomsten.
30 De twee door verzoekster aangevoerde stukken weerleggen de door de Commissie aangevoerde stukken betreffende de periode vóór begin 1982 niet. Het telexbericht van 15 maart 1982 van Boël/Trébos aan Ferriere Nord (punt 40 van de beschikking) toont namelijk aan, dat verzoekster in de daaraan voorafgaande weken of maanden de overeenkomsten niet meer nakwam, terwijl uit het advies van de Franse Commission de la concurrence blijkt, dat verzoekster vanaf januari 1982 "begon" lagere prijzen te vragen en haar marktaandeel te vergroten, hetgeen erop wijst dat de Franse Commission de la concurrence van oordeel was, dat verzoekster zich voordien aan de prijzen en de quota hield.
31 Daaruit volgt, dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat verzoekster tot begin 1982 heeft deelgenomen aan de uitvoering van de gedurende 1981-1982 geldende afspraken.
32 Dat verzoekster de tijdens de vergaderingen in de eerste maanden van 1982 vastgestelde prijzen en quota niet meer heeft nageleefd, disculpeert haar niet. Blijkens de rechtspraak van het Hof behoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst immers niet in aanmerking te worden genomen, wanneer blijkt, zoals het geval is bij de in de beschikking vastgestelde afspraken, dat de overeenkomst ertoe strekt dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Hof van 11 januari 1990, zaak C-277/87, Sandoz prodotti farmaceutici, Jurispr. 1990, blz. I-45).
33 In de derde plaats moet worden opgemerkt, dat verzoeksters vrees om het slachtoffer te worden van represailles van haar concurrenten en van de Franse autoriteiten haar deelneming aan vergaderingen die ertoe strekten de mededinging te beperken, niet kan rechtvaardigen. Gesteld dat deze vrees gegrond was, had verzoekster de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan deze vergaderingen deel te nemen (zie arrest Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-9/89, Huels, Jurispr. 1992, blz. II-499, r.o. 128).
34 Uit een en ander volgt dat, zoals in de beschikking is vastgesteld, verzoekster, door partij te worden bij overeenkomsten die ertoe strekten de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te beperken en die de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden, inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
35 Mitsdien moet het beroep worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
36 Ingevolge artikel 87 van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer zulks is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld dient zij in de kosten te worden verwezen, waar de Commissie zulks heeft gevorderd.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Top