Avis juridique important
ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIJFDE KAMER) VAN 25 SEPTEMBER 1991. - ELFRIEDE SEBASTIANI TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAAR - AD INTERIM - BEVORDERING - ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK T-163/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde II-00715
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Ambtenaren - Beroep - Procesbelang - Noodzaak van persoonlijke grieven
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
2. Ambtenaren - Organisatie van diensten - Tewerkstelling van personeel - Beoordelingsvrijheid van administratie
3. Ambtenaren - Interim - Aanstelling - Beoordelingsvrijheid van tot aanstelling bevoegd gezag
(Ambtenarenstatuut, art. 7, lid 2)
Samenvatting1. Ook al beantwoordt de verplichting van de instellingen om de bepalingen inzake de aanwerving van personeel na te leven, aan een algemeen belang, toch is een ambtenaar niet bevoegd om in het belang van de wet of van de instellingen in rechte op te treden, en kan hij tot staving van een beroep slechts hem persoonlijk betreffende grieven aanvoeren.
2. De gemeenschapsinstellingen stellen zelfstandig de lijst van het aantal ambten vast en beschikken bij de organisatie van hun diensten over een ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot de inrichting van de diverse administratieve eenheden, waarbij zij rekening kunnen houden met allerlei factoren, zoals de aard en omvang van de hun opgedragen werkzaamheden en de budgettaire mogelijkheden.
De administratie is tegenover een ambtenaar geenszins verplicht, de dienst waarbij hij is tewerkgesteld, zo te structureren, dat hem de mogelijkheid wordt gewaarborgd bepaalde functies te vervullen en aldus een bevordering te verkrijgen.
3. Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft ingevolge artikel 7, lid 2, van het Statuut enkel de mogelijkheid tot een aanstelling ad interim, maar het is daartoe niet verplicht. Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag een dergelijk besluit neemt, beschikt het over een ruime beoordelingsvrijheid en kan het rekening houden met de omstandigheden van het geval.
PartijenIn zaak T-163/89,
E. Sebastiani, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Itzig (Luxemburg), vertegenwoordigd door P. Greinert, advocaat te Trier, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg op haar kantooradres bij het Secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos en M. Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A. Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Côte d' Eich 22,
verweerdster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 6 september 1989 houdende weigering om verzoekster met terugwerkende kracht naar de rang B 3 te bevorderen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, D. Barrington en J. Biancarelli, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 24 januari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 Bij besluit van 27 februari 1984 werd verzoekster, sinds 1981 ambtenaar van het Europees Parlement, per 1 januari 1984 aangesteld in de rang B 5 (loopbaan van adjunct-assistente, B 5/4) en van het Directoraat-generaal ("DG") V, Onderzoek en documentatie, overgeplaatst naar DG I, Griffie en algemene diensten. Bij DG I werd zij belast met de organisatie en leiding van de typepool van de Duitse vertaalafdeling. Bij besluit van 30 oktober 1985 werd zij met ingang van 1 oktober 1985 binnen haar loopbaan bevorderd naar de rang B 4.
2 Voordat verzoekster met de organisatie en leiding van de pool van de Duitse vertaalafdeling werd belast, was de ambtenaar die tot dan toe hoofd van die pool was geweest en een in het organigram van die pool ingeschreven B 3-ambt bekleedde, met behoud van dat ambt overgeplaatst naar een andere dienst. In de Duitse pool was toen voor verzoekster geen B 3-ambt meer beschikbaar.
3 Op 14 december 1988 richtte verzoekster zich tot de secretaris-generaal van het Parlement met het verzoek een besluit te nemen als bedoeld in artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut. Zij verlangde met terugwerkende kracht te worden bevorderd naar de rang B 3, en wel ten minste vanaf het tijdstip waarop een overeenkomstige bevordering in de pool van de Franse vertaalafdeling had plaatsgevonden.
4 Toen zij geen antwoord kreeg, diende zij op 14 juli 1989 een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in. In de eerste plaats stelde zij, dat zij én ten opzichte van haar collega in de Franse pool én ten opzichte van haar voorgangster in de Duitse pool was gediscrimineerd, welke discriminatie te wijten was aan de manipulaties met het organigram van de diensten van het Parlement en van slecht administratief beheer. In de tweede plaats stelde zij schending van artikel 45 van het Statuut, dat gelijke kansen voor en een rechtvaardige verdeling van bevorderingen over alle ambtenaren van een categorie verlangt, alsmede schending van artikel 7, lid 2, betreffende bevorderingen ad interim.
5 Op 6 september 1989 antwoordde de secretaris-generaal van het Parlement op het verzoek dat verzoekster op 14 december 1988 had ingediend. Hij deelde haar mee, dat hij de directeur-generaal van DG I gevraagd had om een voorstel betreffende de reorganisatie van de vertaalafdelingen en dat op de begroting voor 1991 een B 3-ambt was opgenomen voor de pool van de Duitse vertaalafdeling.
6 Per 1 januari 1990 werd aan de pool van de Duitse vertaalafdeling een B 3-ambt toegewezen en bij besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 18 mei 1990 werd verzoekster per 1 april 1990 bevorderd naar de rang B 3.
Het procesverloop
7 Bij op 4 december 1989 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
8 De schriftelijke behandeling is normaal verlopen.
9 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft partijen evenwel verzocht enkele stukken over te leggen.
10 De mondelinge behandeling heeft op 24 januari 1991 plaatsgehad en de president heeft ze aan het einde van de terechtzitting gesloten verklaard.
11 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) haar vergoeding toe te kennen voor de geldelijke schade, vermeerderd met rente volgens het gebruikelijke banktarief, die zij heeft geleden als gevolg van de weigering van een bevordering ad interim;
2) haar door een passende bevordering met terugwerkende kracht of door een hogere inschaling in de rang B 3 vergoeding toe te kennen voor de geldelijke schade, vermeerderd met rente volgens het gebruikelijke banktarief, die zij heeft geleden doordat zij bij haar bevordering is gediscrimineerd ten opzichte van haar collega van de Franse afdeling die een vergelijkbaar ambt vervult (hoofd van de Franse pool);
3) voorts het tot aanstelling bevoegd gezag te veroordelen tot correctie van zijn personeelsbeleid, dat wegens een onrechtvaardige en niet met artikel 27 van het Statuut overeenstemmende verdeling van ambten discriminerend is ten opzichte van sommige Lid-Staten van de Gemeenschap, en het te gelasten de basisvoorwaarden te scheppen voor een in de zin van de artikelen 27 en 45 rechtvaardig personeelsbeleid, waarbij de ambten en bevorderingen bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement op gerechte wijze worden verdeeld;
4) verweerder te verwijzen in de kosten van het geding.
12 Het Parlement concludeert tot verwerping van het beroep en verwijzing van verzoekster in de kosten.
De ontvankelijkheid
13 Het Parlement stelt dat de vorderingen van verzoekster niet ontvankelijk zijn.
De eerste vordering
14 Volgens het Parlement is de eerste vordering niet ontvankelijk, omdat verzoekster geen enkele geldelijke schade heeft geleden en een dergelijke schade niet kan worden gebaseerd op het feit dat een bevordering ad interim is geweigerd. Er was in verzoeksters dienst nu eenmaal geen B 3-post beschikbaar en ook nadat verzoekster bevorderbaar was geworden, kon het tot aanstelling bevoegd gezag haar dus onmogelijk naar de rang B 3 bevorderen.
15 Verzoekster betoogt, dat zij krachtens de artikelen 7, 27 en 45 van het Statuut al jaren eerder bevorderd had moeten worden, juist zoals haar collega' s die een vergelijkbaar ambt bij de andere vertaalafdelingen bekleedden.
16 In limine merkt het Gerecht op, dat verzoekster in haar verzoek van 14 december 1988 om een besluit als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut, heeft beklemtoond, dat zij "op flagrante en niet te verdedigen wijze" benadeeld was door de ongegronde weigering van de administratie haar te bevorderen, en dat zij zich het recht voorbehield een klacht in te dienen en een beroep tot schadevergoeding in te stellen. In haar klacht van 14 juli 1989 heeft verzoekster gesteld dat artikel 7, lid 2, van het Statuut was geschonden doordat de aanvullende toelage voor het door haar vervulde B 3-ambt haar al sinds jaren niet werd uitbetaald. De hier bedoelde vordering moet in het licht van dit betoog worden geïnterpreteerd.
17 Artikel 7, lid 2, eerste alinea, van het Statuut bepaalt:
"De ambtenaar kan worden aangewezen ad interim een ambt te vervullen dat bij een hogere loopbaan van zijn categorie of groep behoort dan waarin hij is geplaatst. Met ingang van de vierde maand van zijn tewerkstelling ad interim ontvangt hij een aanvullende toelage, gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging, verbonden aan zijn rang en salaristrap, en de bezoldiging welke overeenkomt met de salaristrap die hem zou toekomen in de aanvangsrang, indien hij was aangesteld in de loopbaan waarin hij ad interim te werk is gesteld."
Deze bepaling heeft dus geen betrekking op een "bevordering ad interim", maar op een tewerkstelling ad interim in een vacant ambt. Aangezien verzoekster zich in haar verzoekschrift op artikel 7, lid 2, van het Statuut heeft beroepen, kan deze vordering redelijkerwijs enkel aldus worden verstaan, dat verzoekster het Gerecht verzoekt om toekenning van een vergoeding voor de geldelijke schade, vermeerderd met rente volgens het gebruikelijke banktarief, die zij heeft geleden door de weigering haar ad interim te werk te stellen in het met de rang B 3 overeenkomende ambt van hoofd van de pool van de Duitse vertaalafdeling. Overigens moet worden vastgesteld, dat het Parlement deze vordering niet anders heeft geïnterpreteerd.
18 Verzoekster heeft daarmee willen opkomen tegen een weigering van het tot aanstelling bevoegd gezag, die haar statutaire positie rechtstreeks kon aantasten, en waar de precontentieuze regelingen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut tot doel hebben de controle van een dergelijke handeling door de gemeenschapsrechter mogelijk te maken (zie met name 's Hofs arrest van 14 juli 1976, zaak 129/75, Hirschberg, Jurispr. 1976, blz. 1259), is deze vordering ontvankelijk.
De tweede vordering
19 Juist zoals met betrekking tot de eerste vordering stelt het Parlement ook hier, dat er ten tijde van de in geding zijnde feiten in de dienst van verzoekster geen B 3-post beschikbaar was en dat de administratie dus ook nadat verzoekster bevorderbaar was geworden, haar niet naar de rang B 3 kon bevorderen. De vordering tot vergoeding van de geldelijke schade die verzoekster zou hebben geleden doordat zij niet tegelijk met haar collega, het hoofd van de pool van de Franse vertaalafdeling, naar de rang B 3 is bevorderd, hoewel beiden overeenkomstige taken vervulden, is, aldus het Parlement, niet-ontvankelijk omdat er geen geldelijke schade bestaat noch kan worden gesteld.
20 In haar schriftelijke opmerkingen is verzoekster niet uitdrukkelijk ingegaan op dit onderdeel van de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
21 Met deze tweede vordering beoogt verzoekster niets anders dan dat de communautaire rechter haar een bevordering naar de rang B 3 zou toekennen. Het is echter vaste rechtspraak, dat de communautaire rechter niet zonder in de prerogatieven van het tot aanstelling bevoegd gezag te treden, aan een gemeenschapsinstelling bevelen kan geven met betrekking tot de statutaire positie van een ambtenaar of de algemene organisatie van haar diensten. Dit beginsel geldt ook in het kader van een beroep tot schadevergoeding. Verzoekster kan dus niet verlangen dat het Parlement wordt veroordeeld om haar, ter vergoeding van de door haar gestelde schade, een bevordering toe te kennen. Mitsdien is deze vordering niet-ontvankelijk.
De derde vordering
22 Volgens het Parlement is deze vordering niet-ontvankelijk, omdat de artikelen 90, lid 1, en 91, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk bepalen, dat een ambtenaar slechts een klacht kan indienen en een beroep in rechte kan instellen met betrekking tot hem persoonlijk rakende besluiten en hem bezwarende handelingen. In casu zou het verzoekster erom te doen zijn, niet slechts haar eigen bijzonder belang te verdedigen, maar daarnaast ook het personeelsbeleid van de administratie in het algemeen te kritiseren. Haar vertogen op dit punt zouden in het kader van het beroep niet ter zake dienend zijn en buiten beschouwing moeten blijven.
23 Verzoekster antwoordt, dat het wanbeheer van de posten, waarvan zij de gevolgen aan den lijve heeft ondervonden, te wijten is aan het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag ten aanzien van de onderdanen van bepaalde Lid-Staten (waaronder de hare) een onrechtvaardig en met artikel 27 van het Statuut strijdig beleid voert bij de verdeling van posten over de ambtenaren. Die maatregelen zouden voor haar, als onderdaan van een van de benadeelde Lid-Staten, bezwarend zijn. In alle vergelijkbare diensten, waarin de ambten worden bekleed door onderdanen van andere Lid-Staten en waarin de ambtenstructuur, ook wat B 3-posten betreft, dezelfde is, zou die structuur intact zijn gelaten; de enige uitzondering zou de Duitse afdeling zijn. Verzoekster meent zich derhalve te kunnen beroepen op artikel 27 van het Statuut en de communautaire rechter te kunnen vragen dit onrechtvaardige beleid te veroordelen, daar de stappen die zij overeenkomstig artikel 90 van het Statuut heeft ondernomen, geen enkel resultaat hebben gehad.
24 Er zij aan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 30 juni 1983 (zaak 85/82, Schloh, Jurispr. 1983, blz. 2105) heeft geoordeeld, dat "ook al beantwoordt (...) de verplichting van de instellingen om de bepalingen inzake aanwerving na te leven, aan een algemeen belang, toch is verzoeker niet bevoegd om in het belang van de wet of van de instellingen in rechte op te treden, en kan hij tot staving van een beroep tot nietigverklaring (...) slechts hem persoonlijk betreffende grieven aanvoeren".
25 De grieven die in samenhang met de hierbedoelde vordering in de klacht en het verzoekschrift zijn geformuleerd, betreffen echter niet de statutaire positie van verzoekster zelf, doch het naar haar zeggen discriminerende algemene personeelsbeleid bij de diensten van het Parlement, waarvan zij het slachtoffer zou zijn. Die grieven betreffen dus niet verzoekster persoonlijk en bijgevolg moet deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
26 Deze vordering moet overigens ook niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat verzoekster in dit beroep tot schadevergoeding niet kan vorderen dat de verwerende instelling ertoe wordt veroordeeld, bepaalde maatregelen te nemen, en dat uit dien hoofde bevelen tot haar worden gericht.
Ten gronde
De eerste vordering
27 Zoals hierboven gezegd, moet deze vordering aldus worden verstaan, dat verzoekster het Gerecht verzoekt om toekenning van een vergoeding voor de geldelijke schade, vermeerderd met rente volgens het gebruikelijke banktarief, die zij zou hebben geleden door de onwettige weigering haar ad interim te werk te stellen in het met de rang B 3 overeenkomende ambt van hoofd van de pool van de Duitse vertaalafdeling.
28 Tot staving van deze vordering voert verzoekster de volgende middelen aan: schending van het beginsel van gelijke behandeling, schending van het vertrouwensbeginsel, schending van artikel 45 en van artikel 7, lid 2, van het Statuut.
29 Het onderzoek van elk van deze vier middelen moet het mogelijk maken te bepalen, of een of meer ervan tot het oordeel kunnen leiden, dat de administratie aansprakelijk is wegens onwettigheid van haar besluit, waardoor de geldelijke vordering van verzoekster gerechtvaardigd zou zijn.
Het eerste middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
30 Verzoekster stelt, dat zij ten achter is gesteld en financieel is benadeeld door het naar haar zeggen discriminerende personeelsbeleid van het Parlement ten opzichte van sommige Lid-Staten en bepaalde gemeenschapsambtenaren. Die discriminatie zou voortkomen uit het onvermogen van het tot aanstelling bevoegd gezag in het algemeen om de ambtenarenposten eerlijk tussen de verschillende Lid-Staten te verdelen en, meer in het bijzonder in het geval van verzoekster, een rechtvaardig personeelsbeleid te ontwikkelen en dit beleid in voorkomend geval uit te voeren door een passende verdeling van ambten en bevorderingen overeenkomstig de artikelen 27, 45, lid 1, en 7, lid 1, van het Statuut.
31 Verzoekster is van oordeel, dat het verschil tussen de hiërarchische structuren in de pools van de diverse vertaalafdelingen, die - volgens het Parlement - haar bevordering heeft belet, het gevolg is van handelingen en verzuimen van het tot aanstelling bevoegd gezag, welks onvermogen om zijn plichten na te komen en een rechtvaardige hiërarchische structuur in stand te houden, niet tot resultaat mag hebben dat verzoekster wordt benadeeld. Juist deze, niet met een gerechte verdeling van posten overeen te brengen "manipulatie" door het tot aanstelling bevoegd gezag was er de oorzaak van, dat artikel 45 in haar geval niet kon worden toegepast, ofschoon zij aan alle in dat artikel gestelde criteria voldeed. De conditio sine qua non voor de toepassing van genoemd artikel is dat het tot aanstelling bevoegd gezag in staat is voor een rechtvaardige structuur te zorgen, en het kan derhalve in een juridisch betoog niet worden aangevoerd als "rechtvaardiging" van de ongelijke behandeling van verzoekster op het punt van haar recht op bevordering. De handelwijze van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat de bestaande rechtvaardige postenstructuur ten nadele van één Lid-Staat heeft doorbroken, maar ze ten gunste van de andere Lid-Staten in stand heeft gehouden, wordt door het Statuut niet gelegitimeerd. Discriminatie van de door die maatregel getroffen ambtenaren uit één Lid-Staat, die door deze schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut financieel worden benadeeld, is daarvan het gevolg.
32 Het Parlement beperkt zich tot de vaststelling, dat verzoeksters kritiek betrekking heeft op een overplaatsingsmaatregel waarbij de overgeplaatste persoon haar post heeft behouden. Die overplaatsing betrof een andere ambtenaar, heeft op een ander tijdstip plaatsgevonden en raakte verzoekster dus niet.
33 Het Gerecht herinnert eraan, dat iedere instelling zelfstandig de lijst van het aantal ambten vaststelt en bij de inrichting van haar diensten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt (arrest van het Hof van 2 december 1982, gevoegde zaken 198/81 tot en met 202/81, Micheli e.a., Jurispr. 1982, blz. 4145). Het Hof heeft de instellingen ook een grote vrijheid toegekend bij de inrichting van hun administratieve eenheden, waarbij zij rekening kunnen houden met allerlei factoren, zoals de aard en omvang van de hun opgedragen werkzaamheden en de budgettaire mogelijkheden; het Hof concludeerde daaruit, dat de administratie tegenover een ambtenaar geenszins verplicht is, de dienst waarbij hij is te werk gesteld, zo te structureren, dat hem de mogelijkheid wordt gewaarborgd bepaalde functies te vervullen en een dienovereenkomstige bevordering te verkrijgen (arrest van 17 december 1981, zaak 178/80, Bellardi-Ricci e.a., Jurispr. 1981, blz. 3187).
34 Gelet op die grote vrijheid waarover de gemeenschapsinstellingen beschikken, moet worden vastgesteld, dat verzoekster in het kader van het hier besproken middel geen voldoende nauwkeurige concrete feiten heeft aangevoerd die het Gerecht tot de slotsom zouden kunnen brengen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, door een kennelijke beoordelingsfout of door misbruik van bevoegdheid, ten koste van verzoeksters statutaire positie inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren der Gemeenschappen door wegens het ontbreken van een ambt in een loopbaan van haar categorie, die hoger is dan haar eigen loopbaan, te weigeren haar ad interim in een dergelijk ambt aan te stellen.
35 Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
Het tweede middel: schending van het vertrouwensbeginsel
36 Verzoekster meent, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, geheel tegen de tot dan toe op dat gebied gevolgde administratieve praktijk in, het vorige hoofd van de pool bij haar overplaatsing de B 3-post heeft laten "meenemen", ofschoon verzoekster op dat moment het betrokken ambt reeds bekleedde en dit blijkens haar beoordelingsrapporten zeer goed deed. Er was dus geen enkele objectieve rechtvaardiging voor een dergelijke wijziging van de bestaande rechtvaardige organisatiestructuur van de Duitse afdeling, want bij de vertaalafdelingen van de andere Lid-Staten was de rechtvaardige verdeling van de B 3-posten voor dat ambt gehandhaafd. Verscheidene van haar meerderen zouden haar herhaaldelijk hebben verzekerd, dat wanneer zij eenmaal voldeed aan de anciënniteitsvoorwaarden voor het met haar functie overeenkomende B 3-ambt, er posten zouden worden geruild, zodat zij niet in het nadeel zou zijn tegenover haar collega' s van andere nationaliteit met een zelfde functie.
37 Het Parlement betoogt, dat de administratieve maatregel waarbij het vorige hoofd van de pool, die als zodanig een B 3-post bezette, met die post naar een andere dienst is overgeplaatst, een andere persoon betrof en verzoekster niet raakte.
38 Het Gerecht heeft verzoekster uitgenodigd het bewijs te leveren van de verplichting die het tot aanstelling bevoegd gezag jegens haar zou zijn aangegaan, dat wil zeggen van de toezegging van haar meerderen dat er posten geruild zouden worden zodra verzoekster voldeed aan de anciënniteitsvoorwaarden voor het met haar functie overeenkomende B 3-ambt. Verzoekster heeft daarop slechts verklaard, dat haar meerderen nooit een schriftelijke toezegging inzake een postenruil op het daartoe geschikte moment hadden gedaan. Schriftelijke toezeggingen van een enkele meerdere zouden ongebruikelijk zijn, aangezien de bevorderingsvoorwaarden door het Statuut worden bepaald en een bevordering niet kan afhangen van de schriftelijke toezegging van een meerdere.
39 In deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat, hoe dan ook, van beloften en toezeggingen van verzoeksters meerderen niet is gebleken en dat dus bij verzoekster geen gewettigd vertrouwen kon worden gewekt. Daarbij komt dat, zoals reeds gezegd, elke gemeenschapsinstelling zelfstandig zijn lijst van het aantal ambten vaststelt en bij de inrichting van haar diensten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Uit het dossier blijkt niet, dat het tot aanstelling bevoegd gezag deze bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij haar is verleend.
40 Hieruit volgt, dat dit middel faalt.
Het derde middel: schending van artikel 45 van het Statuut
41 Verzoekster is van mening, dat zij zonder reden ernstig is benadeeld ten opzichte van haar collega' s die een zelfde functie vervullen, met name die van de Franse en de Deense afdeling, doordat zij eerst verscheidene jaren na hen naar de rang B 3 zal worden bevorderd. Zij ziet daarin een ernstige inbreuk op artikel 45 van het Statuut, dat de bevorderingscriteria bepaalt. Op basis van de bevorderingscriteria van artikel 45, lid 1, had zij uiterlijk op hetzelfde tijdstip als haar collega van de Franse afdeling naar de rang B 3 bevorderd moeten worden, daar zij ongeveer even goede beoordelingsrapporten kan voorleggen en zelfs meer "verdiensten" in de zin van dat artikel heeft, daar zij veel langer werkzaam is geweest als hoofd van de pool van de Duitse afdeling, welke functie op het niveau B 3 ligt.
42 Volgens het Parlement is het een vaststaand feit, dat de door verzoekster verlangde B 3-post bij haar dienst niet bestond. Haar verzoek om te worden bevorderd, was daardoor gedoemd te worden afgewezen, daar de administratie alleen maar in bestaande ambten kan voorzien.
43 Volgens artikel 4 van het Statuut kan een bevordering er slechts toe strekken, in een vacature te voorzien. Voor een bevordering is dus noodzakelijk, dat er in het organigram een vacature bestaat. Aangezien er tot 1 januari 1990 in het organigram van de pool van de Duitse vertaalafdeling, waartoe verzoekster behoort, geen vacature in de rang B 3 bestond, was het niet mogelijk door middel van bevordering in een dergelijke vacature te voorzien. Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft dus noch artikel 45 van het Statuut geschonden, noch verzoekster benadeeld ten opzichte van haar collega' s die wel naar een vacant ambt waren bevorderd.
44 Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
Het vierde middel: schending van artikel 7, lid 2, van het Statuut
45 Verzoekster stelt, dat zij in de periode waarin zij nog niet bevorderbaar was naar de rang B 3, maar in feite reeds wel de met de rang B 3 overeenkomende functie van hoofd van de pool van de Duitse vertaalafdeling vervulde, herhaaldelijk heeft verzocht om een "bevordering ad interim", zoals volgens haar in een dergelijk geval door artikel 7 van het Statuut wordt voorzien. Ofschoon zij aan alle gestelde criteria voldeed, waren al die verzoeken afgewezen. Zij meent, dat dat in strijd was met de letter en het doel van artikel 7.
46 Het Parlement herinnert er nogmaals aan, dat toen de voorgangster van verzoekster als hoofd van de pool met haar B 3-post naar een andere dienst was overgeplaatst, er bij de Duitse vertaalafdeling geen B 3-post meer bestond die verzoekster ad interim had kunnen bekleden. Wanneer de administratie heeft besloten verzoekster geen interim toe te kennen, aldus het Parlement, dan is dat omdat een ambt dat ad interim bekleed had kunnen worden, ontbrak, en verzoekster kan dus ook niet stellen dat zij geldelijke schade heeft geleden.
47 Verzoekster repliceert, dat het tot aanstelling bevoegd gezag er door zijn wanbeheer of manipulatie van posten de oorzaak van is geweest dat het haar toekomende ambt niet meer beschikbaar was, ofschoon zij de met dat ambt overeenkomende functies vervulde. Op grond van de artikelen 7, 27 en, in het bijzonder, 45 van het Statuut, zo vervolgt verzoekster, heeft zij aanspraak op een "gerecht en serieus" personeelsbeleid, tot uiting komend in een rechtvaardige organisatiestructuur, opdat de toepassing van voornoemde bepalingen van het Statuut niet te haren nadele kan worden gefrustreerd.
48 Het Gerecht stelt vast, dat er tot 1 januari 1990 geen vacature in de rang B 3 bestond in het organigram van de pool van de Duitse vertaalafdeling, voor de organisatie en leiding waarvan verzoekster, na haar overplaatsing naar die afdeling in 1984, verantwoordelijk was. Pas vanaf die datum - die na het tijdstip van indiening van het verzoekschrift ligt - had het tot aanstelling bevoegd gezag dus een besluit tot toepassing van artikel 7, lid 2, van het Statuut kunnen nemen en verzoekster ad interim kunnen aanstellen in een ambt van die categorie en rang bij de vertaalafdeling waarbij zij te werk was gesteld. Het Parlement heeft dus terecht geweigerd verzoekster vóór die datum in een dergelijk ambt aan te stellen. Overigens heeft het tot aanstelling bevoegd gezag ingevolge artikel 7, lid 2, van het Statuut enkel de mogelijkheid tot een aanstelling ad interim, maar is het daartoe niet verplicht. Een dergelijk besluit, ten aanzien waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, moet worden genomen rekening houdend met de omstandigheden van het geval.
49 Blijkens het voorgaande heeft verzoekster geen enkel middel aangevoerd dat kan leiden tot nietigverklaring van het afwijzend besluit dat het tot aanstelling bevoegd gezag jegens haar heeft genomen.
50 Verzoeksters vordering tot vergoeding van de geldelijke schade die zij stelt te hebben geleden, moet mitsdien worden afgewezen.
51 Uit het vorenoverwogene volgt, dat het beroep gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat het noodzakelijk is overlegging van de door verzoekster in haar verzoekschrift verlangde stukken te gelasten.
Beslissing inzake de kostenKosten
52 Ingevolge artikel 87, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien dat is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel de kosten, in de beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Mitsdien moet elk der partijen in de eigen kosten worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Top