Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 26 MAART 1992. - BASF AG TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - VERZOEK TOT HERZIENING - ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK T-4/89 REV.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-01591
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Procedure - Herziening van arrest - Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek - Nieuw feit - Feit dat voor uitspraak van bestreden arrest bekend was - Niet-ontvankelijkheid
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 41 en 46)
SamenvattingUit artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, volgt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel op grond waarvan het aan een eindarrest toekomend gezag in geding kan worden gebracht wegens de feitelijke vaststellingen waarop de rechter zich heeft gebaseerd. Herziening van een arrest onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van de ontdekking van feitelijke elementen die zich vóór de uitspraak van het arrest hebben voorgedaan, die elementen moeten tot dat moment onbekend zijn geweest aan de rechter die het arrest heeft gewezen en aan de partij die om herziening verzoekt, en zij moeten bovendien van dien aard zijn, dat zij, zo de rechter ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
Een herzieningsverzoek tot staving waarvan een feit wordt aangevoerd dat vóór de uitspraak van het arrest aan de partij die om herziening verzoekt, bekend was, is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk.
PartijenIn zaak T-4/89 Rev.,
BASF AG, te Ludwigshafen (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Hermanns, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch en Wolter, advocaten aldaar, Rue Zithe 8,
verzoekster tot herziening,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen,
verweerster,
betreffende een verzoek tot herziening van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 17 december 1991 (zaak T-4/89, BASF, Jurispr. 1991, blz. II-1523),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, R. García-Valdecasas, K. Lenaerts, R. Schintgen en C. Bellamy, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij op 12 maart 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft BASF Aktiengesellschaft krachtens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om herziening van het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 17 december 1991 (zaak T-4/89, BASF, Jurispr. 1991, blz. II-1523).
2 Bij dat arrest heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen; PB 1986, L 230, blz. 1) gedeeltelijk gegrond verklaard en de aan verzoekster tot herziening (hierna: "verzoekster") opgelegde geldboete verminderd.
3 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het arrest overeenkomstig artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering te herzien;
2) overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van het Reglement voor de procesvoering maatregelen van instructie te gelasten en de hierna bewezen feiten op te helderen;
3) het arrest van 17 december 1991 te vernietigen en
a) nietig te verklaren de op 28 mei 1986 betekende beschikking van verweerster van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen);
b) subsidiair: de bij artikel 3 van genoemde beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete in te trekken dan wel te verminderen;
c) meer subsidiair: de bestreden beschikking van verweerster non-existent te verklaren;
4) verweerster in de kosten te verwijzen.
4 Tot staving van haar verzoek voert verzoekster aan, dat zij na de terechtzitting van 10 juli 1991 en na de betekening van het arrest van 17 december 1991 kennis heeft gekregen van nieuwe elementen, zowel feitelijk als rechtens. In zijn PVC-arrest van 27 februari 1992 (gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315) stelde het Gerecht (Tweede kamer) namelijk vast, dat de aan zijn oordeel onderworpen beschikking wegens de eraan klevende proceduregebreken, die naar aanleiding van de door het Gerecht bevolen instructiemaatregelen aan het licht waren gekomen, non-existent was. Gezien de resultaten van de instructiemaatregelen in de PVC-zaak staat het volgens verzoekster met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast, dat evenals in die zaak ook in de polypropyleen-zaak de beginselen van artikel 12 van het Reglement van orde van de Commissie zijn geschonden en dat de betekende polypropyleen-beschikking niet op alle punten overeenstemt met de beschikking zoals die door de Commissie is vastgesteld.
5 Als bewijs hiervoor voert verzoekster aan, dat de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting van 10 december 1991 in de PVC-zaak te verstaan gaven, dat het bij de in die zaak gevolgde procedure om een vaste praktijk ging. Dit zou ook blijken uit de door de Commissie tijdens de persconferentie van 28 februari 1992 afgelegde verklaring (informatiedienst "Vereinigte Wirtschaftsdienste" News 2802 111):
"Ook acht de Commissie het door het Hof (sic) geformuleerde vereiste, dat alle handelingen moeten worden voorzien van de paraaf van zowel de voorzitter als de secretaris-generaal van de Commissie, praktisch niet uitvoerbaar. Het aantal rechtshandelingen dat de Commissie elk jaar vaststelt, ligt in de orde van grootte van 8 000. Zoals in kringen van de Commissie is beklemtoond, kunnen derden geen rechten aan het betrokken arrest ontlenen zolang de appelrechter nog geen uitspraak heeft gedaan. Vooralsnog behoeft dan ook nog niet te worden gevreesd voor een golf van processen waarmee de juridische praktijk van de Commissie massaal zou kunnen worden aangevochten."
Er is volgens verzoekster geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de gemachtigden van de Commissie afgelegde verklaringen, daar de Commissie deze verkaringen tijdens haar persconferentie heeft bevestigd.
6 Verzoekster betoogt voorts, dat de aangevoerde feiten van beslissende invloed zijn op het arrest waarvan zij herziening vraagt, daar zij overeenkomstig de in het arrest van 27 februari 1992 (reeds aangehaald) geformuleerde beginselen tot vernietiging ervan moeten leiden. Verzoekster zou zich niet eerder op deze feiten hebben kunnen beroepen, omdat zij er eerst ter terechtzitting van 10 december 1991 kennis van heeft gekregen en zij pas door het arrest van 27 februari 1992 de feitelijke en juridische draagwijdte heeft kunnen inzien van de aan het besluitvormingsproces van de Commissie klevende gebreken.
7 Ten slotte vraagt verzoekster het Gerecht, verscheidene maatregelen van instructie te gelasten ten einde na te gaan of aan de polypropyleen-beschikking van de Commissie dezelfde gebreken kleven als aan de beschikking die door het arrest van 27 februari 1992 non-existent is verklaard.
8 Met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht,
"herziening van een arrest slechts aan het Hof kan worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt".
9 Uit deze bepaling volgt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel op grond waarvan het aan een eindarrest toekomend gezag in geding kan worden gebracht wegens de feitelijke vaststellingen waarop de rechter zich heeft gebaseerd. Herziening van een arrest onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van de ontdekking van feitelijke elementen die zich vóór de uitspraak van het arrest hebben voorgedaan, die elementen moeten tot dat moment onbekend zijn geweest aan de rechter die het arrest heeft gewezen en aan de partij die om herziening verzoekt, en zij moeten bovendien van dien aard zijn, dat zij, zo de rechter ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden (zie laatstelijk de beschikking van het Hof van 25 februari 1992, zaak C-185/90 P-Rev., Gill, Jurispr. 1992, blz. I-993).
10 De verklaringen die de gemachtigden van de Commissie hebben afgelegd tijdens de op 10 december 1991 gehouden terechtzitting in de PVC-zaak, vormen in casu het enige feit dat verzoekster tot staving van haar herzieningsverzoek kan aanvoeren.
11 Verzoekster verklaart namelijk in haar herzieningsverzoek, dat zij zich "niet eerder op deze (dat wil zeggen de in haar herzieningsverzoek aangevoerde) feiten heeft kunnen beroepen, omdat zij er eerst tijdens de terechtzitting van 10 december 1991 kennis van heeft gekregen".
12 Ofschoon verzoekster hieraan toevoegt, dat zij eerst door het arrest van 27 februari 1992 de feitelijke en juridische draagwijdte heeft kunnen inzien van de aan het besluitvormingsproces van de Commissie klevende gebreken, moet worden vastgesteld, dat in dat arrest enkel de juridische draagwijdte is bepaald van de verklaringen die de gemachtigden van de Commissie hebben afgelegd ter terechtzitting van 10 december 1991 in de zaken waarvan het Gerecht toen kennis had te nemen - zonder zich overigens uit te spreken over de juistheid van die verklaringen (arrest van 27 februari 1992, reeds aangehaald, r.o. 92). Bijgevolg kan dat arrest in geen geval zelf een nieuw feit zijn dat aanleiding kan geven tot herziening van het arrest van 17 december 1991 (zie het arrest van het Hof van 19 maart 1991, zaak C-403/85 Rev., Ferrandi, Jurispr. 1991, blz. I-1215, r.o. 13).
13 De verklaringen die vertegenwoordigers van de Commissie hebben afgelegd tijdens de daags na de uitspraak van het arrest van 27 februari 1992 gehouden persconferentie, zijn volgens het Gerecht niet meer dan een bevestiging van de door de gemachtigden van de Commissie ter terechtzitting van 10 december 1991 gedane uitspraken, zoals ook blijkt uit punt 2 van verzoeksters herzieningsverzoek. Bijgevolg kunnen ook de tijdens de persconferentie afgelegde verklaringen op zichzelf voor verzoekster geen feit opleveren dat aanleiding kan geven tot herziening van het arrest van 17 december 1991.
14 Het Gerecht stelt vast, dat het enige feit dat verzoekster tot staving van haar verzoek tot herziening van het arrest van 17 december 1991 kan aanvoeren - te weten de verklaringen die de gemachtigden van de Commissie hebben afgelegd ter terechtzitting van 10 december 1991 in de PVC-zaak -, haar zonder enige twijfel al vóór de uitspraak van dat arrest bekend was. Verzoekster was namelijk bij de terechtzitting van 10 december 1991 aanwezig en werd er vertegenwoordigd door dezelfde raadsman als in de procedure die tot het arrest van 17 december 1991 heeft geleid. Bovendien voert verzoekster als belangrijkste bewijsmiddel voor dit feit de bandopname van de terechtzitting van 10 december 1991 aan. En ten slotte heeft zij verklaard, dat zij "er eerst ter terechtzitting van 10 december 1991 kennis van heeft gekregen". Verzoekster had het Gerecht dus vóór de uitspraak van het arrest van 17 december 1991 van dit feit in kennis kunnen stellen, zoals de verzoeksters in de zaken T-9/89 tot en met T-15/89 hebben gedaan (zie de arresten van 10 maart 1992 in de zaken T-9/89, Huels, Jurispr. 1992, blz. II-499, r.o. 382 tot en met 385; T-10/89, Hoechst, Jurispr. 1992, blz. II-629, r.o. 372 tot en met 375; T-11/89, Shell, Jurispr. 1992, blz. II-527, r.o. 372 tot en met 374; T-12/89, Solvay, Jurispr. 1992, blz. II-907, r.o. 345 tot en met 347; T-13/89, ICI, Jurispr. 1992, blz. II-1021, r.o. 399 tot en met 401; T-14/89, Montedipe, Jurispr. 1992, blz. II-1155, r.o. 389 tot en met 391, en T-15/89, Linz, Jurispr. 1992, blz. II-1275, r.o. 393 tot en met 395).
15 Uit het voorgaande volgt, dat dit feit in geen geval een feit kan zijn dat de partij die de herziening verzoekt vóór de uitspraak van het arrest van het Gerecht van 17 december 1991 onbekend was in de zin van artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, zodat het geen aanleiding kan geven tot herziening van dat arrest.
16 Ten overvloede zij erop gewezen, dat de door verzoekster aangevoerde feiten niet van beslissende invloed kunnen zijn op het arrest van 17 december 1991, zoals blijkt uit de genoemde rechtsoverwegingen van de arresten in de zaken T-9/89 tot en met T-15/89.
17 Hieraan moet worden toegevoegd, dat artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van toepassing is op alle bij het Gerecht ingestelde beroepen, daaronder begrepen de buitengewone rechtsmiddelen. Daar het verzoek tot herziening kennelijk niet-ontvankelijk is, moet het overeenkomstig deze bepaling reeds voor het aan verweerster wordt meegedeeld, niet-ontvankelijk worden verklaard.
18 Nu de beschikking vóór de betekening van het verzoekschrift aan verweerster is vastgesteld, kan worden volstaan met overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering te beslissen, dat verzoekster haar eigen kosten moet dragen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
beschikt:
1) Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster draagt haar eigen kosten.
Luxemburg, 26 maart 1992.
Top