Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 4 NOVEMBER 1992. - DSM NV TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - VERZOEK TOT HERZIENING - ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK T-8/89 REV.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-02399
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Procedure ° Herziening van arrest ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek ° Nieuw feit ° Feit dat voor uitspraak van bestreden arrest bekend was ° Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 41 en 46)
SamenvattingUit artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, volgt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel op grond waarvan het aan een eindarrest toekomend gezag in geding kan worden gebracht wegens de feitelijke vaststellingen waarop de rechter zich heeft gebaseerd. Herziening van een arrest onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van de ontdekking van feitelijke elementen die zich vóór de uitspraak van het arrest hebben voorgedaan, die elementen moeten tot dat moment onbekend zijn geweest aan de rechter die het arrest heeft gewezen en aan de partij die om herziening verzoekt, en zij moeten bovendien van dien aard zijn, dat zij, zo de rechter ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
Een herzieningsverzoek tot staving waarvan een feit wordt aangevoerd dat vóór de uitspraak van het arrest aan de partij die om herziening verzoekt, bekend was, is derhalve niet-ontvankelijk.
PartijenIn zaak T-8/89 Rev.,
DSM NV, te Heerlen, vertegenwoordigd door I. Cath, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, Rue des Bains 14A,
verzoekster tot herziening,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster tot herziening,
betreffende een verzoek tot herziening van het door het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) op 17 december 1991 gewezen arrest in zaak T-8/89 (DSM, Jurispr. 1991, blz. II-1833),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. Bellamy, R. Schintgen, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrestDe feiten
1 Bij op 26 mei 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft DSM NV (hierna: "DSM") krachtens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: "Reglement voor de procesvoering") verzocht om herziening van het door het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) op 17 december 1991 gewezen arrest in zaak T-8/89 (DSM, Jurispr. 1991, blz. II-1833) (hierna: "arrest van 17 december 1991").
2 Bij dat arrest heeft het Gerecht het door DSM ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 ° Polypropyleen; PB 1986, L 230, blz. 1) (hierna: "de beschikking"), verworpen.
Conclusies van partijen
3 Verzoekster tot herziening (hierna: "verzoekster") concludeert dat het het Gerecht behage:
1) te verklaren dat dit herzieningsverzoek tijdig is ingediend;
2) maatregelen van instructie te nemen, meer in het bijzonder als bedoeld in artikel 64, lid 3, sub b en c, Reglement voor de procesvoering;
3) het arrest van uw Gerecht van 17 december 1991 in zaak T-8/89 (DSM/Commissie ° Polypropyleen) te herzien in dier voege dat de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 in zaak IV/31.149 ° Polypropyleen non-existent wordt verklaard, althans vernietigd;
4) te annuleren, althans te verminderen, de boete opgelegd aan verzoekster bij genoemde beschikking van de Commissie;
5) de Commissie te gelasten de door verzoekster op basis van een non-existente, althans nietige, titel op 19 februari 1992 betaalde boete, inclusief rente en kosten, als geformuleerd in de brief van verzoekster aan de Commissie van 5 mei 1992, onverwijld terug te betalen;
6) de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure, daaronder mede begrepen de kosten van de procedure welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest van uw Gerecht van 17 december 1991 in zaak T-8/89 als hierboven bedoeld.
4 Verweerster tot herziening concludeert dat het het Gerecht behage:
1) a) primair: bij arrest de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren;
b) subsidiair: in elk geval de verzoeken als ongegrond af te wijzen;
2) verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
5 Tot staving van haar verzoek voert verzoekster aan, dat de combinatie van de in punt 2.1 van haar herzieningsverzoek genoemde feiten en aanwijzingen is te beschouwen als een nieuw feit in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG. Het gaat hierbij in de eerste plaats om het verzoek dat verzoekster bij schrijven van 5 mei 1992 tot de Commissie heeft gericht en waarbij zij deze heeft verzocht, hetzij als onverschuldigd betaald terug te betalen de door haar aan de Commissie betaalde boete en de kosten en renten verbonden aan de bankgarantie die zij had moeten stellen voor bovenbedoelde procedure in zaak T-8/89, hetzij, indien de Commissie van oordeel mocht zijn dat de boete niet onverschuldigd was betaald, vóór 19 mei 1992 aan verzoekster te verklaren hoe zij tot dit oordeel is gekomen. In de tweede plaats noemt verzoekster de weigering van de Commissie om binnen de door haar gestelde termijn aan dat verzoek te voldoen. In de derde plaats verwijst zij naar de ontdekking van het feit, dat in de tekst van de beschikking zoals deze aan haar is betekend, achteraf een aantal wijzigingen en aanvullingen is aangebracht ten opzichte van de tekst zoals die door het college van Commissarissen tijdens de vergadering van 23 april 1986 was vastgesteld. Tot staving hiervan voert verzoekster aan, dat er in de haar betekende tekst van de beschikking verschillende lettertypen voorkomen, dat de paginanummering niet doorloopt, dat de eerste bladzijde van die tekst het opschrift "ontwerp-beschikking van 23 mei 1986" draagt, dat er uitzonderlijk veel tijd is verstreken tussen het moment waarop de beschikking zou zijn vastgesteld (23 april 1986), en het moment waarop zij aan haar is betekend (30 mei 1986), en dat de Commissie heeft geweigerd te voldoen aan haar verzoek van 5 mei 1992, waardoor zij niet heeft kunnen nagaan of de beschikking wel bestond. In de vierde plaats ten slotte noemt verzoekster het op 27 februari 1992 door het Gerecht gewezen arrest in de PVC-zaken (gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315; hierna: "PVC-arrest"), waarin de in die zaken in geding zijnde beschikking van de Commissie non-existent is verklaard wegens de "bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken" die eraan kleefden.
6 Uit de combinatie van de hierboven genoemde feiten en aanwijzingen leidt verzoekster af, dat het college van Commissarissen niet heeft beraadslaagd over de haar betekende tekst van de beschikking en niet beschikte over de Nederlandse versie van de beschikking. Hieruit concludeert zij, dat het bestaan van de beschikking die in geding was in het arrest waarvan zij herziening vraagt, in twijfel mag worden getrokken, daar er alle reden is om aan te nemen dat aan die beschikking dezelfde gebreken kleven als aan de PVC-beschikking (punt 2.3 van het herzieningsverzoek).
7 Indien dit het geval zou zijn, is er volgens verzoekster sprake van een feit dat van beslissende invloed kan zijn op dat arrest, aangezien daarin een non-existente beschikking is bevestigd. Derhalve vraagt verzoekster het Gerecht, verschillende maatregelen van instructie te bevelen, teneinde vast te stellen of de beschikking die in geding was in het arrest waarvan zij herziening verzoekt, bestaat (punt 2.2 van het herzieningsverzoek).
8 De Commissie betoogt, dat blijkens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG de eerste voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot herziening is, dat het verzoek is gebaseerd op een feit dat vóór de uitspraak van het arrest onbekend was aan het Gerecht en aan de partij die de herziening verzoekt.
9 Dienaangaande merkt de Commissie op, dat de beweerde wijzigingen van de tekst verzoekster sinds 30 mei 1986 bekend waren, daar de beschikking haar op die datum is betekend. Er kan derhalve geen sprake zijn van een feit dat na het arrest van 17 december 1991 aan het licht is gekomen.
10 Het PVC-arrest kan volgens de Commissie evenmin als een nieuw feit worden beschouwd, daar daarin enkel de juridische draagwijdte is bepaald van de verklaringen die gemachtigden van de Commissie hebben afgelegd ter terechtzitting van 10 december 1991 in de zaken waarvan het Gerecht toen kennis had te nemen ° zonder zich overigens uit te spreken over de juistheid van die verklaringen (PVC-arrest, r.o. 92) °; dat arrest kan dus in geen geval zelf een feit zijn dat aanleiding kan geven tot herziening van het arrest van 17 december 1991, zoals het Gerecht heeft vastgesteld in zijn beschikking van zijn 26 maart 1992 (zaak T-4/89 Rev., BASF, Jurispr. 1992, blz. II-1591, r.o. 12).
11 Zoals het Gerecht in dezelfde beschikking (r.o. 14) heeft vastgesteld, had verzoekster op basis van bovenbedoelde verklaringen van de gemachtigden van de Commissie vóór de uitspraak van het arrest om heropening van de mondelinge behandeling kunnen verzoeken.
12 De Commissie betoogt ten slotte, dat de brief die verzoekster haar op 5 mei 1992 heeft toegezonden, niet kan worden ingeroepen tot staving van een verzoek tot herziening van een arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan. Anders zou men met het oog op de herziening van een arrest kunnen volstaan met de Commissie een brief te schrijven met daarin een aantal verzoeken en eisen, om zich vervolgens, wanneer die eisen niet terstond worden ingewilligd, tot het Gerecht te wenden met een verzoek om herziening.
Beoordeling door het Gerecht
13 Met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht,
"herziening van een arrest slechts aan het Hof kan worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt".
14 Uit deze bepaling volgt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel op grond waarvan het aan een eindarrest toekomend gezag in geding kan worden gebracht wegens de feitelijke vaststellingen waarop de rechter zich heeft gebaseerd. Herziening van een arrest onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van de ontdekking van feitelijke elementen die zich vóór de uitspraak van het arrest hebben voorgedaan, die elementen moeten tot dat moment onbekend zijn geweest aan de rechter die het arrest heeft gewezen en aan de partij die om herziening verzoekt, en zij moeten bovendien van dien aard zijn, dat zij, zo de rechter ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden (zie laatstelijk de beschikking van het Hof van 25 februari 1992, zaak C-185/90 P-Rev., Gill, Jurispr. 1992, blz. I-993, en de beschikking van het Gerecht van 26 maart 1992, zaak T-4/89 Rev., BASF, reeds aangehaald).
15 Nagegaan moet worden of verzoekster heeft aangetoond, dat de in punt 2.3 van haar herzieningsverzoek gestelde en in rechtsoverweging 6 van van deze beschikking genoemde feiten haar eerst na de uitspraak van het arrest van 17 december 1991 bekend zijn geworden.
16 Het "nieuwe feit" dat verzoekster tot staving van haar herzieningsverzoek aanvoert, zou in casu bestaan in de combinatie van feiten en aanwijzingen van diverse aard, die op verschillende moment hebben plaatsgevonden of aan het licht zijn gekomen (zie hierboven, r.o. 5). Derhalve moet worden onderzocht, of van die feiten en aanwijzingen de hierboven in rechtsoverweging 6 genoemde feiten vóór de uitspraak van het arrest van 17 december 1991 aan verzoekster bekend waren.
17 Met betrekking tot de materiële wijzigingen en aanvullingen die zouden zijn aangebracht in de tekst van de aan verzoekster betekende beschikking ° en die verzoekster in haar herzieningsverzoek kwalificeert als "bijzonder ernstig en in het oog springend" in de zin van het PVC-arrest °, moet worden opgemerkt, dat de door verzoekster gereleveerde typografische verschillen voorkwamen in de tekst van de haar op 30 mei 1986 betekende beschikking en dat zij bijgevolg, gelet op hun in het oog springend karakter, verzoekster reeds op de datum van die betekening bekend waren. Hetzelfde geldt voor de niet-doorlopende paginanummering van de beschikking, de op het schutblad van de beschikking voorkomende vermelding "ontwerp-beschikking van 23 mei 1986", en de tijd die is verstreken tussen de datum van vaststelling van de beschikking ° die verzoekster thans op 23 april 1986 stelt, terwijl zij in haar inleidend verzoekschrift verzocht om nietigverklaring van de beschikking van 23 mei 1986 ° en de betekening ervan op 30 mei 1986.
18 Voorts moet worden beklemtoond, dat de draagwijdte van de door verzoekster gereleveerde wijzigingen en aanvullingen reeds afdoende is belicht ter terechtzitting van 10 december 1991 in de PVC-zaken, bij welke gelegenheid de gemachtigden van de Commissie verklaarden, dat het bij de in die zaken gevolgde procedure om een vaste praktijk ging. Verzoekster nu was bij die terechtzitting aanwezig en werd er vertegenwoordigd door dezelfde raadsman als in de procedure die tot het arrest van 17 december 1991 heeft geleid. Zij had bijgevolg vóór de uitspraak van het arrest met een beroep op de hierboven in rechtsoverweging 6 vermelde feiten om heropening van de mondelinge behandeling kunnen verzoeken. Weliswaar beschikte verzoekster, in tegenstelling tot de verzoeksters in de zaken T-9/89 tot en met T-15/89 (zie de arresten van 10 maart 1992, T-9/89, Huels, r.o. 382-385; T-10/89, Hoechst, r.o. 372-375; T-11/89, Shell, r.o. 372-374; T-12/89, Solvay r.o. 345-347; T-13/89, ICI, r.o. 399-401; T-14/89, Montedipe, r.o. 389-391, en T-15/89, Linz, r.o. 393-395, Jurispr. 1992, blz. II-1275), nog niet over de in het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992 vervatte beoordeling rechtens van de PVC-beschikking, maar dit doet niet af aan de vaststelling, dat verzoekster de betrokken feiten vóór de uitspraak van het arrest kende (zie het arrest van het Hof van 19 maart 1991, zaak C-403/85 Rev., Ferrandi, Jurispr. 1991, blz. I-1215, r.o. 13).
19 Hieruit volgt, dat de verschillende door verzoekster genoemde wijzigingen en toevoegingen alsook de draagwijdte ervan voldoende in het oog springend waren om verzoekster in staat te stellen, reeds bij lezing van de tekst van de haar betekende beschikking en in elk geval tijdens de terechtzitting van 10 december 1991 in de PVC-zaken, bekend te zijn met de hierboven in rechtsoverweging 6 genoemde feiten. Bijgevolg kunnen die feiten in geen geval feiten zijn die verzoekster vóór de uitspraak van het arrest van het Gerecht van 17 december 1991 onbekend waren in de zin van artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, zodat zij geen aanleiding kunnen geven om dat arrest te herzien.
20 Bovendien moet worden opgemerkt, dat het PVC-arrest als zodanig, alsmede de brief die verzoekster op 5 mei 1992 aan de Commissie heeft gezonden en het feit dat deze onbeantwoord is gebleven, irrelevant zijn. Door een en ander heeft verzoekster immers geen kennis gekregen van feiten die haar voordien onbekend waren.
21 Uit al het voorgaande volgt, dat de door verzoekster in haar herzieningsverzoek aangevoerde feiten noch op zichzelf beschouwd, noch in hun onderlinge samenhang bezien, een nieuw feit in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG kunnen opleveren en dat het verzoek tot herziening mitsdien niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kostenKosten
22 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en de Commissie in die zin heeft geconcludeerd, dient zij in de kosten te worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
1) Verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Luxemburg, 4 november 1992.
Top