Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 4 NOVEMBER 1992. - MONTECATINI SPA (VOORHEEN MONTEDIPE SPA) TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - VERZOEK TOT HERZIENING - ONTVANKELIJKHEID. - ZAAK T-14/89 REV.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-02409
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Procedure ° Herziening van arrest ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek ° Nieuw feit ° Feit dat vóór uitspraak van bestreden arrest bekend was ° Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 41 en 46)
SamenvattingUit artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, volgt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel op grond waarvan het aan een eindarrest toekomend gezag in geding kan worden gebracht wegens de feitelijke vaststellingen waarop de rechter zich heeft gebaseerd. Herziening van een arrest onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van de ontdekking van feitelijke elementen die zich vóór de uitspraak van het arrest hebben voorgedaan, die elementen moeten tot dat moment onbekend zijn geweest aan de rechter die het arrest heeft gewezen en aan de partij die om herziening verzoekt, en zij moeten bovendien van dien aard zijn, dat zij, zo de rechter ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
Een herzieningsverzoek tot staving waarvan een feit wordt aangevoerd dat vóór de uitspraak van het arrest aan de partij die om herziening verzoekt, bekend was, is derhalve niet-ontvankelijk.
PartijenIn zaak T-14/89 Rev.,
Montecatini SpA, voorheen Montedipe SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door G. Celona en G. Aghina, advocaten te Milaan, en P. Ferrari, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Margue, advocaat aldaar, Rue Philippe II 20,
verzoekster tot herziening,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot herziening van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 10 maart 1992 (zaak T-14/89, Montedipe, Jurispr. 1992, blz. II-1155),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy, R. Schintgen, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij op 11 juni 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Montecatini SpA (hierna: "Monte") krachtens artikel 41 van het Protocol betreffende het Statuut (EEG) van het Hof van Justitie (hierna: "' s Hofs Statuut-EEG") en artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: "Reglement voor de procesvoering") verzocht om herziening van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 10 maart 1992 (zaak T-14/89, Montedipe, Jurispr. 1992, blz. II-1155; hierna: "arrest van 10 maart").
2 Bij dit arrest had het Gerecht het door Monte ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 ° Polypropyleen, PB 1986, L 230, blz. 1) verworpen.
3 Verzoekster tot herziening concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het verzoek ontvankelijk te verklaren en de zaak ten gronde te behandelen;
2) als maatregel van instructie: de Commissie te gelasten, de notulen betreffende de vaststelling van de beschikking van 23 april 1986 en de op die datum jegens Montedipe gegeven beschikking zelf over te leggen;
3) ten gronde: het verzoek tot herziening toe te wijzen en bijgevolg het bestreden arrest te herzien door de beschikking van 23 april 1986 non-existent te verklaren ten aanzien van Montedipe SpA en door het door laatstgenoemde tegen die beschikking ingestelde beroep derhalve ontvankelijk te verklaren;
4) de Commissie in de kosten te verwijzen.
4 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het verzoek tot herziening van het arrest van 10 maart 1992 in zaak T-14/89 niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat daarin niet wordt aangegeven, op welk nieuw feit het is gebaseerd, en in elk geval op grond dat het gestelde feit geenszins nieuw is;
2) verzoekster in de kosten te verwijzen.
5 Tot staving van haar verzoek voert Monte aan, dat zij in de Financial Times van 28 februari 1992 en in de Corriere della Sera van 29 februari 1992 heeft gelezen, hoe de Commissie reageerde op het arrest van het Gerecht van 27 februari 1992 (gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF, Jurispr. 1992, blz. II-315; hierna: "PVC-arrest"). Sommige verklaringen van de Commissie wekten de vrees, dat de door genoemd arrest van het Gerecht veroordeelde werkwijze door de Commissie op grote schaal wordt toepast, vooral op het gebied van de mededinging, en dus niet enkel was aangewend voor de beschikkingen in de PVC- en de LDPE-zaken, maar ook voor tal van andere beschikkingen van de Commissie, zoals die welke het voorwerp was van het arrest van 10 maart 1992. Deze werkwijze bestaat erin, beschikkingen waarvan de tekst nog niet volledig klaar is en die nog niet definitief zijn of nog niet in alle authentieke taalversies zijn geredigeerd, als door het college van commissarissen "vastgesteld" te beschouwen.
6 Monte betoogt, dat die door verschillende persorganen overgenomen verklaringen van de Commissie een nieuw feit vormen dat haar het recht geeft om herziening van het arrest van 10 maart 1992 te vragen.
7 De Commissie werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen het door Monte ingediende verzoek tot herziening. Zij herinnert eraan, dat volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG herziening van een arrest slechts kan worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt.
8 Zij wijst erop, dat in het onderhavige geval verzoekster tot herziening haar verzoek naar eigen zeggen baseert op de in de kranten van 28 februari 1992 en de daaraanvolgende dagen gerapporteerde verklaringen van de Commissie. Verre van te stellen, dat dit feit vóór de uitspraak van het arrest aan het Gerecht en aan haarzelf onbekend was, legt Monte uit, dat zij vóór de uitspraak van het arrest wegens die verklaringen een verzoek om heropening van de mondelinge behandeling heeft ingediend en dat het Gerecht dit in het bestreden arrest heeft afgewezen. De Commissie concludeert daaruit, dat bij gebreke van nieuwe feiten het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
9 Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek dient eraan te worden herinnerd, dat volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van dat Statuut ook geldt voor de procedure voor het Gerecht,
"herziening van een arrest aan het Hof slechts kan worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit, dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij, die de herziening verzoekt".
10 Uit deze bepaling volgt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel op grond waarvan het aan een eindarrest toekomend gezag in geding kan worden gebracht wegens de feitelijke vaststellingen waarop de rechter zich heeft gebaseerd. Herziening van een arrest onderstelt dat aan een aantal voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van de ontdekking van feitelijke elementen die zich vóór de uitspraak van het arrest hebben voorgedaan, die elementen moeten tot dat moment onbekend zijn geweest aan de rechter die het arrest heeft gewezen en aan de partij die om herziening verzoekt, en zij moeten bovendien van dien aard zijn, dat zij, zo de rechter ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden (zie laatstelijk beschikking Hof van 25 februari 1992, zaak C-185/90 P Rev., Gill, Jurispr. 1992, blz. I-993, en beschikking Gerecht van 26 maart 1992, zaak T-4/89 Rev., BASF, Jurispr. 1992, blz. II-1591).
11 In het onderhavige geval stelt het Gerecht vast, dat het enige feit waarop verzoekster tot herziening zich tot staving van haar verzoek beroept, de in de dagbladen van 28 en 29 februari 1992 verschenen verklaringen van de Commissie zijn, en dat verzoekster tot herziening datzelfde feit heeft aangevoerd tot staving van het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling dat zij bij het Gerecht heeft ingediend op 6 maart 1992, dat wil zeggen nog vóór het arrest van 10 maart 1992, waarvan zij de herziening vordert en waartegen zij hogere voorziening bij het Hof heeft ingesteld.
12 Derhalve moet niet alleen worden opgemerkt, dat het door verzoekster tot herziening aangevoerde feit vóór de uitspraak van het arrest aan haarzelf en aan het Gerecht bekend was, maar ook dat het Gerecht in de rechtsoverwegingen 389 tot en met 391 van zijn arrest heeft aangegeven, om welke redenen dit feit geen grond voor heropening van de mondelinge behandeling opleverde.
13 Uit het voorgaande volgt, dat het door verzoekster tot herziening aangevoerde feit in geen geval een vóór de uitspraak van het arrest van 10 maart 1992 aan verzoekster tot herziening en aan het Gerecht onbekend feit in de zin van artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG kan vormen en derhalve geen grond voor herziening van dit arrest kan opleveren.
Beslissing inzake de kostenKosten
14 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster tot herziening in het ongelijk is gesteld en de Commissie heeft gevorderd, verzoekster tot herziening tot betaling van de kosten te veroordelen, dient deze laatste in de kosten te worden verwezen.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
1) Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster tot herziening wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 4 november 1992.
Top