Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIJFDE KAMER) VAN 29 JANUARI 1990. - WOLFDIETER GRAF YORCK VON WARTENBURG TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - DOORHALING. - ZAAK T-59/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00025
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Procedure - Comparitie van partijen - Doel - Minnelijke regeling van geschil
( Reglement voor de procesvoering, artikel 45, paragraaf 2, sub a )
PartijenIn zaak T-59/89,
W . Graf Yorck von Wartenburg, voormalig tijdelijk functionaris bij het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door V . Elvinger, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, 4, rue T . Neuman,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door F . Pasetti Bombardella, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd bij de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën van het Europees Parlement van 31 mei en 6 oktober 1988 en van de heer Klepsch, voorzitter van de fractie van de Europese Volkspartij, van 21 april 1988, betreffende zijn situatie uit het oogpunt van verordening ( Euratom, EGKS, EEG ) nr . 2274/87 van de Raad van 23 juli 1987 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen ( PB 1987, L 209, blz . 1 ), alsmede tot veroordeling van het Europees Parlement als instelling om hem persoonlijk en formeel kennis te geven van het besluit om genoemde verordening op hem toe te passen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : H . Kirschner, kamerpresident, C . P . Briët en J . Biancarelli, rechters,
griffier : H . Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Verzoeker Yorck von Wartenburg, van 1 juni 1974 tot 31 december 1988 tijdelijk functionaris bij het Europees Parlement in dienst van de fractie van de Europese Volkspartij, verzocht op 25 september 1987 om toepassing te zijnen aanzien van het bepaalde in verordening ( Euratom, EGKS, EEG ) nr . 2274/87 van de Raad van 23 juli 1987 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen ( PB 1987, L 209, blz . 1 ). Na een uitgebreide briefwisseling zond de heer Van den Berge, directeur-generaal Personeel, begroting en financiën van het Europees Parlement, verzoeker een besluit van de fractievoorzitter van de Europese Volkspartij E . A . Klepsch van 21 april 1988 om vanaf 31 december 1988 ten aanzien van verzoeker toepassing te geven aan het bepaalde in verordening nr . 2274/87 van de Raad .
2 Na ontvangst van dit besluit richtte verzoeker zich bij brief van 26 augustus 1988 tot Van den Berge en verzocht hij nogmaals om formele kennisgeving vanwege het Europees Parlement en niet vanwege de voorzitter van de betrokken fractie . Bij brief van 6 oktober 1988 antwoordde Van den Berge, dat de fractievoorzitters zijn aangewezen als het tot aanstelling bevoegd gezag voor de tijdelijke functionarissen bij de fracties .
3 In die omstandigheden heeft verzoeker een op 5 januari 1989 ter griffie van het Hof ingeschreven en bij beschikking van 15 november 1989 naar het Gerecht van eerste aanleg verwezen beroep ingesteld, dat primair strekt tot nietigverklaring van de besluiten van Van den Berge van 31 mei en 6 oktober 1988 en subsidiair tot nietigverklaring van het besluit van Klepsch van 21 april 1988 . Verzoeker vordert voorts dat het Europees Parlement zal worden gelast, als instelling hem persoonlijk en formeel kennis te geven van een besluit om voornoemde verordening nr . 2274/87 van de Raad op hem toe te passen .
4 Zonder een verweerschrift ten gronde in te dienen, heeft het Europees Parlement op 10 maart 1989 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, die gebaseerd is op schending van artikel 91, lid 2, eerste streepje, Ambtenarenstatuut, op het ontbreken van procesbelang bij verzoeker en op het feit dat hem geen bezwarend besluit is meegedeeld .
5 In zijn op 10 april 1989 ingeschreven opmerkingen concludeert verzoeker tot verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid .
6 Bij beschikking van 6 december 1989 heeft het Gerecht van eerste aanleg ( Vijfde Kamer ), van oordeel dat verzoekers situatie uit het oogpunt van 's Raads verordening nr . 2274/87 diende te worden opgehelderd, overeenkomstig artikel 45, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, van toepassing verklaard bij artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, de comparitie ter terechtzitting van de Vijfde Kamer van 24 januari 1990 bevolen van verzoeker en van een vertegenwoordiger van het Europees Parlement die behoorlijk was gemachtigd om de verwerende instelling door zijn verklaringen te verbinden .
7 Tijdens die terechtzitting heeft het Gerecht partijen ingelicht over het doel van de comparitieprocedure, te weten, met name, een minnelijke regeling van het geschil te vergemakkelijken . De vertegenwoordigers van partijen hebben mondeling hun standpunt over het werkelijke geschilpunt toegelicht . Daarbij is gebleken, dat de standpunten van partijen nader tot elkaar konden worden gebracht .
8 In die omstandigheden heeft de vertegenwoordiger van het Europees Parlement zich in het kader van de statutaire regeling welke van toepassing is op ambtenaren en andere personeelsleden verbonden, de bepalingen van verordening nr . 2274/87 van de Raad in hun volle omvang op verzoeker toe te passen tot het moment waarop deze de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, en verzoekers pensioenrechten vast te stellen en later te betalen overeenkomstig de algemene bepalingen van het Statuut en de bijzondere bepalingen van verordening nr . 2274/87 van de Raad . Deze verbintenis van het Europees Parlement is neergelegd in een document dat aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht en door de vertegenwoordiger van die instelling is ondertekend .
9 Dientengevolge heeft verzoeker uitdrukkelijk verklaard, afstand te doen van instantie in de zin van artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof .
10 Beide partijen hebben zich bereid verklaard hun eigen kosten te dragen .
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vijfde Kamer ),
beschikt :
1 ) Zaak T-59/89 wordt doorgehaald in het register van het Gerecht .
2 ) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen .
Luxemburg, 29 januari 1990 .
Top