Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 9 JUNI 1993. - PPG INDUSTRIES GLASS SPA, VOORHEEN VERNANTE PENNITALIA SPA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - BEGROTING VAN DE KOSTEN. - ZAAK T-78/89 - DEPE.
Jurisprudentie 1993 bladzijde II-00573
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
1. Procedure ° Kosten ° Begroting ° Invorderbare kosten ° Begrip ° Interessen voor periode vóór vaststellingsbeschikking over aan advocaten betaalde bedragen ° Daarvan uitgesloten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
2. Procedure ° Kosten ° Begroting ° In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
3. Procedure ° Kosten ° Begroting ° Invorderbare kosten ° Begrip ° Optreden van verscheidene advocaten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
Samenvatting1. Het recht van partijen op terugbetaling van de kosten vindt zijn rechtstitel in de beschikking waarbij het bedrag daarvan wordt vastgesteld. Daarom kan een partij voor de aan die beschikking voorafgaande periode over de aan haar advocaten betaalde bedragen geen interessen als invorderbare kosten vorderen.
2. Het staat niet aan de gemeenschapsrechter de honoraria vast te stellen die partijen aan hun eigen advocaten zijn verschuldigd, doch te bepalen tot welk bedrag deze honoraria kunnen worden teruggevorderd van de in de kosten verwezen partij. Bijgevolg kan het Gerecht geen rekening houden met nationale tarieven voor advocatenhonoraria noch met een eventuele overeenkomst dienaangaande.
Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
3. In beginsel kan het begrip "noodzakelijke kosten" in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht slechts het honorarium van één advocaat omvatten.
PartijenIn zaak T-78/89 DEP,
PPG Industries Glass SpA, voorheen PPG Vernante Pennitalia SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Genua (Italië), vertegenwoordigd door G. Manca en A. J. Manca Graziadei, advocaten te Rome, en door M. Waelbroeck en A. Vandencasteele, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Curall en E. Traversa, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, vertegenwoordiger van haar juridische dienst, Centre Wagner, Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vaststelling van de kosten ingevolge het arrest van het Gerecht van 10 maart 1992 (gevoegde zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89, SIV e.a., Jurispr. 1992, blz. II-1403),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy, R. Schintgen, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrestHet procesverloop
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 maart 1989, ingeschreven onder nummer 98/89, heeft verzoekster bij het Hof beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 89/93/EEG van de Commissie van 7 december 1988 inzake een procedure op grond van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag (IV/31.906, Vlakglas ° PB 1989, L 33, blz. 44). Twee andere ondernemingen hebben eveneens beroep ingesteld tegen deze beschikking. Deze beroepen zijn ter griffie van het Hof ingeschreven onder de nummers 75/89 en 97/89.
2 Bij op 8 september 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om in deze zaak te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, voor zover deze de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag betroffen, en ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters, voor zover deze de toepassing van artikel 86 EEG-Verdrag betroffen.
3 Bij beschikking van 4 oktober 1989 heeft het Hof het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie in de drie zaken 75/89, 97/89 en 98/89. Het Hof heeft aan deze interventie geen enkele beperking gesteld.
4 Voordat de schriftelijke behandeling geëindigd was, heeft het Hof krachtens artikel 3, lid 1, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen de drie zaken bij beschikkingen van 15 november 1989 naar het Gerecht verwezen, waar zij zijn ingeschreven onder de nummers T-68/89, T-77/89, en wat verzoekster betreft, T-78/89. De schriftelijke behandeling heeft vervolgens voor het Gerecht plaatsgehad.
5 Bij op 4 februari 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie heeft interveniënt in alle drie zaken gelijkluidende schriftelijke opmerkingen ingediend.
6 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht bij beschikkingen van 7 mei 1991 besloten maatregelen van instructie en tot organisatie van de procesgang te treffen en de rechter-rapporteur hiermee te belasten. Op 29 en 30 mei 1991 heeft de rechter-rapporteur een informele vergadering met de partijen belegd.
7 Tijdens de vergadering heeft de rechter-rapporteur aan partijen uiteengezet, dat hij ter vergemakkelijking van de bestudering van de dossiers en het verloop van de terechtzitting, de rechtsprekende kamer in aansluiting op deze vergadering rapporten ter terechtzitting wilde voorleggen waarvan de inhoud door elk der partijen werd aanvaard als een volledige en nauwgezette samenvatting van haar opvatting, alsmede één enkel gemeenschappelijk dossier voor alle zaken met alle stukken die partijen voor de beoordeling van hun zaak relevant zouden achten. Hij heeft partijen verzocht, hem hun opmerkingen mede te delen over de ontwerp-rapporten ter terechtzitting die hij hun zou toezenden, alsmede over de lijst van de in het gemeenschappelijk dossier op te nemen stukken. Hij heeft eveneens de Commissie verzocht, de schriftelijke bewijzen waarop zij haar beschikking had gebaseerd, over te leggen in de originele vorm waarover zij beschikte.
8 Met betrekking tot de interventie van het Verenigd Koninkrijk deelde diens vertegenwoordiger mee, dat hij zich in zijn pleidooi ertoe zou beperken, de conclusie van verzoeksters met betrekking tot de toepassing van artikel 86 EEG-Verdrag te ondersteunen. De Commissie verklaarde, onder deze omstandigheden geen bezwaar meer te maken tegen de ontvankelijkheid van de interventie.
9 Wat de beoordeling van de markt betreft, verklaarden partijen zich in onderlinge overeenstemming ermee akkoord, in het gemeenschappelijke dossier alle statistieken op te nemen die noodzakelijk waren om de werking van de Italiaanse en Europese markt van vlakglas te beoordelen. Zij verklaarden zich akkoord, dat daarmee een deskundigenonderzoek ter zake onnodig was.
10 Wat het verzoek van verzoekster van 19 november 1990 betreft, om een interne mededeling van 25 februari 1985 met de aangehechte lijst te mogen overleggen, zijn de Commissie en verzoekster het erover eens geworden, dat deze stukken in het dossier konden worden opgenomen met de vermelding, dat zij te laat zijn neergelegd, en dat het Gerecht, voor zover nodig, in het arrest kon beslissen, of ze in aanmerking konden worden genomen. Deze stukken zijn vervolgens aan de Commissie gezonden, die daarover schriftelijke opmerkingen heeft gemaakt.
11 Partijen zijn akkoord gegaan met een eventuele voeging van de drie zaken voor de mondelinge behandeling.
12 In aansluiting op deze vergadering hebben partijen aanvullende stukken overgelegd en hun opmerkingen gemaakt over de ontwerp-rapporten ter terechtzitting. Op verzoek van de rechter-rapporteur heeft de Commissie een lijst overgelegd, die op 14 juni 1991 ter griffie van het Gerecht is ontvangen, van de stukken die haars inziens uitdrukkelijk of impliciet naar verzoekster verwijzen. De rechter-rapporteur heeft voor iedere zaak een definitief rapport ter terechtzitting opgesteld en een gemeenschappelijk dossier met stukken ° en, waar nodig, de door partijen overeengekomen transcripties en vertalingen ° op basis waarvan partijen akkoord waren om tot de mondelinge behandeling over te gaan.
13 Bij beschikking van het Gerecht van 4 juni 1991 zijn de zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89 gevoegd voor de mondelinge behandeling.
14 Ter terechtzitting, die is gehouden van 12 tot 15 november 1991, zijn verzoekster en de andere partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
15 Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Gerecht partijen verzocht hun standpunt kenbaar te maken over een eventuele voeging van de zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89 voor het arrest. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen een dergelijke voeging.
16 Daar de zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89 wat hun onderwerp betreft verknocht waren, zijn zij voor het arrest gevoegd krachtens artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
17 In deze zaken heeft het Gerecht op 10 maart 1992 arrest gewezen (gevoegde zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89, SIV e.a., Jurispr. 1992, blz. II-1403), waarbij het de aangevochten beschikking nietig heeft verklaard voor zover zij verzoekster betrof, en de Commissie in de kosten heeft verwezen.
18 In maart 1992 heeft verzoekster verweerster een rekening gezonden voor in verband met de procedure ontstane kosten ten belope van in totaal 979 745 379 LIT.
19 Bij brief van 18 mei 1992 aan de raadsman van verzoekster heeft de gemachtigde van de Commissie verzoekster meegedeeld, het gevraagde bedrag overdreven te achten. Enerzijds waren de kosten voor de administratieve procedure en het stellen van een bankgarantie geen invorderbare kosten, en anderzijds overschreed het gevraagde bedrag de voor de procedure gemaakte noodzakelijke kosten. De Commissie verklaarde zich bijgevolg bereid, verzoekster een bedrag te betalen van 58 500 000 LIT voor invorderbare kosten, alsmede een bedrag voor de reis-, verblijf- en extra kosten van een advocaat, vast te stellen op grond van een gedetailleerde opgave.
20 Bij brief van 16 november 1992 hebben de advocaten van verzoekster de Commissie meegedeeld, dat haar voorstel onaanvaardbaar was en dat zij derhalve hadden besloten, het Gerecht te verzoeken de invorderbare kosten vast te stellen op 664 440 381 LIT, vermeerderd met 10 % rente per jaar vanaf 10 maart 1992, de datum van de uitspraak van het arrest.
21 Tegen deze achtergrond heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 1992, het Gerecht verzocht om vaststelling van de kosten op 664 440 381 LIT, vermeerderd met 10 % rente per jaar vanaf 10 maart 1992.
22 Het Gerecht heeft verzoekster gevraagd, kopieën van de honorariumdeclaraties van haar advocaten over te leggen, met vermelding van de berekeningscriteria en het bedrag van de kosten.
23 Bij memorie van 30 maart 1993 heeft verzoekster de kopieën van deze declaraties overgelegd, waarna de Commissie op 6 april 1993 opmerkingen hierover heeft ingediend.
Ten gronde
24 Verzoekster vordert twee soorten kosten terug ter zake van het arrest SIV e.a.: enerzijds rente over de bedragen die zij in de loop van de procedure aan haar advocaten heeft betaald en rente over alle invorderbare kosten vanaf het arrest, en anderzijds de bedragen die zij aan haar advocaten heeft betaald.
Invorderbaarheid van de rente
25 Verzoekster stelt enerzijds, dat de rente over de bedragen die zij in de loop van de procedure aan haar advocaten heeft betaald een invorderbare kostenpost is, want toe te schrijven aan de procedure. Zij vordert ter zake 71 855 302 LIT.
26 Anderzijds maakt zij aanspraak op moratoire interessen ad 10 % over het gehele gevorderde bedrag vanaf de uitspraak van het arrest SIV e.a.
27 De Commissie brengt hiertegen in, dat noch de rente over de vóór de uitspraak van het arrest aan de advocaten gestorte bedragen, noch de moratoire interessen van 10 % per jaar vanaf de uitspraak over het gehele bedrag, met inbegrip van de daarover vervallen rente, kan worden teruggevorderd.
28 Ter ondersteuning van haar standpunt refereert de Commissie aan de beschikking van het Hof van 18 april 1975 (zaak 6/72, Europemballage en Continental Can, Jurispr. 1975, blz. 495), volgens welke het recht op terugbetaling van de kosten zijn rechtstitel vindt in de vaststellingsbeschikking, zodat het verzoek om toepassing van moratoire rente vanaf het arrest moest worden verworpen.
29 De door de Commissie aangehaalde rechtspraak van het Hof laat zien, dat verzoekster de rente over de aan haar advocaten betaalde bedragen niet als invorderbare kosten kan vorderen, noch vanaf de datum van betaling van die bedragen, noch vanaf de datum van de uitspraak van het arrest van het Gerecht.
Aan de advocaten betaalde bedragen
30 Verzoekster produceert als bijlage bij haar verzoek een overzicht van de bedragen die zij aan beide advocatenkantoren die haar in de procedure hebben bijgestaan, heeft betaald, met vermelding van de overschrijvingsdata; deze liggen tussen 19 april 1989 en 15 januari 1992. Benadrukt worden de omvang en complexiteit van het dossier, zowel in feitelijk als in juridisch opzicht, en met name:
° dat het begrip misbruik van collectieve machtspositie voor het mededingingsrecht een novum was;
° het onduidelijke standpunt van de Commissie op diverse punten, zoals de uitwisseling van glas;
° de onjuistheden, omissies en onzekerheden van de Commissie met betrekking tot de in de beschikking opgenomen feiten (r.o. 200, 202, 223, 260, 262 en 271 van het arrest);
° de weinig bevredigende methode die de Commissie heeft gevolgd om de feiten vast te stellen en meer in het bijzonder de omstandigheid dat zij bepaalde passages uit de stukken opzettelijk heeft geschrapt of weggelaten (r.o. 90 en 91 van het arrest).
31 Deze elementen hebben de rechter-rapporteur tot maatregelen van instructie en organisatie van de procesgang doen besluiten, wat voor haar advocaten extra werk heeft gecreëerd.
32 Ten slotte was de financiële inzet van het geschil belangrijk: de opgelegde geldboete bedroeg 1 700 000 ECU.
33 Verzoekster heeft een beroep gedaan op twee advocatenkantoren, een in Rome en een in Brussel, enerzijds omdat zij in Italië gevestigd was, en anderzijds omdat de aard van de zaak de hulp van een in het gemeenschapsrecht gespecialiseerd kantoor noodzakelijk maakte.
34 De Commissie voert de volgende elementen aan voor haar betoog, dat de door verzoekster gemaakte kosten voor de procedure niet noodzakelijk waren:
° verzoekster heeft niet alleen een beroep gedaan op vier advocaten, maar ook op twee verschillende advocatenkantoren, namelijk een in Rome en een in Brussel, waardoor overlappingen en aanzienlijke communicatiekosten zijn ontstaan;
° de interventie van het Verenigd Koninkrijk ter ondersteuning van verzoekster betrof de meest delicate rechtsvraag, zodat verzoekster een groot deel van het opzoekwerk bespaard is gebleven;
° de door de rechter-rapporteur georganiseerde vergaderingen hebben het latere werk in grote mate vergemakkelijkt;
° de advocaat die de Commissie in de drie "vlakglas-zaken" heeft bijgestaan, heeft dit gedaan voor een honorarium dat, voor de drie zaken te zamen, slechts een fractie bedraagt van het door de advocaat van verzoekster gevraagde honorarium.
35 Verzoekster heeft geen enkel argument ter rechtvaardiging van een zo hoog bedrag aangevoerd.
36 Om te beginnen zij in herinnering gebracht, dat het niet aan de gemeenschapsrechter staat "de honoraria vast te stellen die partijen aan hun eigen advocaten zijn verschuldigd, doch te bepalen tot welk bedrag deze honoraria kunnen worden teruggevorderd van de in de kosten verwezen partij. Bijgevolg kan het Gerecht geen rekening houden met nationale tarieven voor advocatenhonoraria noch met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de betrokken partij en haar gemachtigden of raadslieden. Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikking van het Hof van 26 november 1985, zaak 318/82, Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 3727)." (beschikking van het Gerecht van 25 februari 1992, gevoegde zaken T-18/89 en T-24/89, Tagaras, Jurispr. 1992, blz. II-153, r.o. 13).
37 Verzoekster vordert als invorderbare kosten, exclusief rente: 147 901 821 LIT voor de opstelling van het verzoekschrift, 112 476 433 LIT voor de opstelling van de repliek, 28 341 860 LIT voor bestudering van de dupliek en opstelling van het verzoek om bepaalde stukken te mogen produceren, 147 897 484 LIT voor de voorbereiding en bijwoning van de door de rechter-rapporteur georganiseerde vergaderingen op 29 en 30 mei 1991, 27 juni en 15 juli 1991 ter voorbereiding van het dossier voor de terechtzittingen, en, ten slotte, 155 967 491 LIT voor de terechtzittingen en de afsluiting van het dossier.
38 Uit de door verzoekster overgelegde cijfers blijkt, dat in elke procedurefase twee advocatenkantoren zijn opgetreden die elk ongeveer hetzelfde bedrag in rekening hebben gebracht.
39 Gelet op de rechtspraak van het Hof moet worden aangenomen, dat de "noodzakelijke kosten" in de zin van artikel 73, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof ° dat hetzelfde onderwerp betreft als artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ° in beginsel het honorarium van één advocaat omvatten (beschikkingen van 30 september 1964, gevoegde zaken 20/63 en 21/63, Maudet, Jurispr. 1964, blz. 1209; 16 mei 1966, gevoegde zaken 106/63 en 107/63, Toepfer en Getreide-Import, en 5 juli 1976, zaak 73/74, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique, beide niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
40 Al zou in casu de aard van het geschil een beroep op meer dan één advocaat hebben gerechtvaardigd, dan nog is niet aangetoond dat het noodzakelijk was vier advocaten met hun medewerkers, georganiseerd in twee kantoren, gevestigd te Brussel, Edinburgh en Rome, in te schakelen, wat onvermijdelijk een verhoging van honoraria en kosten heeft meegebracht.
41 Naar het oordeel van het Gerecht moeten de door verzoekster teruggevorderde kosten derhalve in beginsel worden verlaagd, waarbij echter nog moet worden onderzocht of dit bedrag gerechtvaardigd is, gelet op de in rechtsoverweging 36 genoemde criteria.
42 Aangaande het belang van het geschil vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht zij benadrukt, dat het vraagstuk van misbruik van collectieve machtspositie nieuw was en bijgevolg omvangrijk onderzoek vergde.
43 Wat betreft de moeilijkheid van de zaak en de hoeveelheid werk die de advocaten van verzoekster aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad zij erop gewezen, dat de complexiteit van de feiten en het weinig gestructureerde en heldere dossier van de Commissie een aanzienlijke hoeveelheid moeizaam werk hebben opgeleverd voor verzoeksters advocaten, die aan een door de rechter-rapporteur georganiseerde vergadering ter verduidelijking van de situatie moesten deelnemen.
44 Wat ten slotte het economische belang van het geschil voor partijen betreft, zij opgemerkt dat de aan verzoekster opgelegde geldboete (1 700 000 ECU) hoog was.
45 Om deze drie redenen zijn in deze zaak hoge honoraria gerechtvaardigd die ter beoordeling van het Gerecht staan.
46 Gelet op het bovenstaande moet het totale bedrag van de door verweerster aan verzoekster te vergoeden kosten worden vastgesteld op 300 000 000 LIT.
47 Aangezien het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot aan het tijdstip van deze vaststelling, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de door partijen in verband met de onderhavige accessoire procedure gemaakte kosten.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
Het totale bedrag van de door verweerster aan verzoekster te vergoeden kosten wordt gesteld op 300 000 000 LIT.
Luxemburg, 9 juni 1993.
Top