CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 2 december 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In de loop van 1987 werden bij de Commissie verschillende klachten ingediend door een Franse onderneming, inhoudende dat de Griekse autoriteiten de invoer van uit Frankrijk afkomstige bevroren kuikens beperkten.
Deze klachten maakten, meer in het bijzonder, melding van het feit dat: a) in juni 1989 de Griekse autoriteiten de invoer van 90 ton bevroren kuikens hadden verboden, omdat een controle de aanwezigheid van salmonellabacteriën aan de buitenkant van de karkassen had aangetoond; b) in oktober 1987 genoemde autoriteiten de invoer van twee partijen kuikens hadden verboden onder het voorwendsel dat de kuikens een watergehalte zouden hebben dat boven de communautaire normen lag; c) in de loop van datzelfde jaar de toelating van partijen bevroren kuikens tot de Griekse markt verscheidene malen was vertraagd.
2.
Na een onderzoek te hebben ingesteld, en van oordeel dat de maatregelen van de Griekse autoriteiten in strijd waren met het gemeenschapsrecht, verzocht de Commissie de betrokken regering in eerste instantie, de invoer en het in de handel brengen van de goederen toe te staan, en nadat dit was geweigerd, besloot zij vervolgens de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ín te leiden.
Tijdens de precontentieuze procedure ontkenden de Griekse autoriteiten met klem, dat zij de toepasselijke regels van het gemeenschapsrecht hadden geschonden, en verklaarden zij de communautaire gezondheidsbepalingen en, wanneer die ontbraken, de nationale bepalingen nauwgezet toe te passen, zonder discriminatie op grond van de oorsprong van het produkt.
3.
Niet bevredigd door dat antwoord, besloot de Commissie het geschil aanhangig te maken bij het Plof en zij verzoekt het Hof thans vast te stellen dat de Helleense Republiek, door: a) de import van een partij van 90 ton bevroren kuikens, afkomstig uit Frankrijk, te verbieden wegens de aanwezigheid van salmonellabacteriën aan de buitenkant van bepaalde karkassen, b) de invoer van meer dan 40 ton kuikens te verbieden wegens een vermeend te hoog gehalte aan vreemd water, c) de invoer van verscheidene partijen bevroren kuikens stelselmatig en bij herhaling te vertragen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/118/EEG ( 1 ), richtlijn 83/643/EEG ( 2 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53/EEG ( 3 ), de verordeningen (EEG) nrs. 2967/76 ( 4 ) en 2777/75 ( 5 ), en de artikelen 30 tot en met 36 EEG-Verdrag.
4.
Ik zal de drie grieven die tegen de Griekse regering zijn aangevoerd, achtereenvolgens bespreken.
Wat de eerste grief betreft, het invoerverbod voor kuikens wegens de vermeende aanwezigheid van salmonellabacteriën, lijkt het mij noodzakelijk, eerst de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige zaak, wat gedetailleerder weer te geven.
Zoals uit het dossier van de zaak blijkt, hebben de Griekse autoriteiten inderdaad in juni 1987 de invoer van 90 ton kuikens verboden, nadat zij er de serotypen „infantis” en „vir-chow” op hadden aangetroffen.
Een in december 1987 verrichte contraexpertise door een dierenarts die op basis van richtlijn 71/118 ( 6 ) door de exporteur was aangewezen, kwam echter tot de conclusie, dat de door de Griekse autoriteiten geconstateerde aanwezigheid van salmonellabacteriën naar alle waarschijnlijkheid te wijten was aan een besmetting post mortem. Volgens de deskundige moest het verschil tussen de (volstrekt negatieve) resultaten van de in Frankrijk verrichte microbiologische analyses en die welke in Griekenland waren verricht (met een deels positief resultaat), worden toegeschreven aan het verschil tussen de analysemethode van de Griekse dierenartsen, waarbij monsters waren genomen van 25 g huid, van onderhuids weefsel en van de borstspier, en de analysemethode van de Franse dierenartsen, waarbij de huid wordt weggenomen en de buitenste spieren worden gecauteriseerd.
Een nieuwe expertise, die aan de hand van nieuwe monsters werd uitgevoerd, bevestigde in wezen de eerdere resultaten: bij twee monsters, die werden geanalyseerd volgens de Griekse methode, werden sporen van salmonellabacteriën aangetroffen, terwijl de volgens de Franse methode geanalyseerde monsters opnieuw negatieve resultaten opleverden.
5.
De Commissie wijst er allereerst op, dat ingevolge richtlijn 71/118 er uitsluitend een invoerverbod geldt voor partijen kuikens waarin pluimvee met een infectieziekte wordt aangetroffen. Naar haar mening kan bij aanwezigheid van een beperkt aantal salmonellabacteriën aan de buitenkant van de karkassen, hetgeen waarschijnlijk te wijten is aan een besmetting na het slachten, niet worden gesteld, dat de kuikens besmet zijn met een infectieziekte als salmonellose.
Verder betoogt de Commissie, dat in de Gemeenschap helaas zeer vaak salmonellabacteriën op karkassen worden aangetroffen, maar dat blijkens de wetenschappelijke literatuur over het onderwerp de aanwezigheid van bepaalde micro-organismen, waaronder de salmonellabacterie, bij geslacht pluimvee gewoonlijk geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid, omdat deze produkten vóór consumptie bij hoge temperatuur worden behandeld.
Zolang de Gemeenschap nog geen reglementering voor microbiologische analysemethoden en grenswaarden kent, is het volgens de Commissie hoe dan ook onrealistisch te eisen, dat pluimveekarkassen volstrekt bacterievrij zijn.
Dit betekent volgens de Commissie, dat bij toepassing van de in Griekenland gebruikte methode om de aanwezigheid van salmonellabacteriën vast te stellen, een aanzienlijk percentage van de communautaire pluimveeproduktie niet meer in de handel zou kunnen worden gebracht.
6.
Dit vastgesteld hebbende, wil ik er allereerst aan herinneren, dat de Raad, om het intracommunautair handelsverkeer in vers vlees van pluimvee te vereenvoudigen, begin jaren'70 richtlijn 71/118 ter harmonisatie van de gezondheidsvoorschriften van de verschillende Lid-Staten heeft vastgesteld.
Maar zoals het Hof zelf heeft overwogen, „biedt richtlijn 71/118, in afwachting van een
meer gedetailleerde harmonisatie, de Lid-Staten uitdrukkelijk de mogelijkheid de invoer van vlees van pluimvee dat ongeschikt zou zijn voor menselijke consumptie, op hun grondgebied te weigeren” ( 7 ); artikel 9, lid 1, van de richtlijn bepaalt immers, dat een Lid-Staat het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee, afkomstig van een andere Lid-Staat, op zijn grondgebied kan verbieden als bij de keuring in het land van bestemming is geconstateerd, dat het vlees ongeschikt is voor menselijke consumptie.
Het is overigens duidelijk, dat wanneer een Lid-Staat de invoer van goederen op zijn grondgebied verbiedt, hij binnen de grenzen moet blijven van artikel 36 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten machtigt verbodsmaatregelen te treffen die gerechtvaardigd zijn door, in het bijzonder, de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, mits die verboden geen middel zijn tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.
7.
Ik wil er hier al meteen op wijzen, dat de Commissie — zoals zij ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft verklaard— de Helleense Republiek niet verwijt met betrekking tot de ingevoerde produkten discriminerende analysemethoden of criteria te hebben gebruikt, maar enkel dat zij de invoer van pluimvee dat, naar mening van de Commissie, geen gevaar vormde voor de volksgezondheid, niet heeft toegestaan.
Verder is het nuttig eraan te herinneren, dat, zolang er bij de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek onzekerheid bestaat, het volgens vaste rechtspraak van het Hof de taak is van de Lid-Staten om bij gebrek van harmonisatie het niveau vast te stellen waarop zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen wensen te garanderen, rekening houdend met de vereisten van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap. ( 8 )
8.
Wij moeten dan vaststellen, dat uit de door de Commissie en de Griekse regering vermelde wetenschappelijke literatuur inderdaad blijkt, dat de aanwezigheid van salmonellabacteriën op kuikenkarkassen een min of meer normaal verschijnsel is. Doch anders dan de Commissie beweert, wordt er in die publikaties op gewezen, dat er niet alleen een reëel gevaar voor de volksgezondheid bestaat wanneer salmonellabacteriën worden aangetroffen in de spierweefsels van pluimvee, maar dat er ook een niet te verwaarlozen risico bestaat, wanneer die micro-organismen uitsluitend aan de buitenkant van het karkas voorkomen.
Het infectiegevaar voor personen kan immers voortvloeien uit onvoldoende verhitting, uit een behandeling van de besmette karkassen die niet in overeenstemming is met de regels van de hygiëne, uit slechte conservering van besmet gebraden vlees of, eenvoudigweg, uit de besmetting van lokalen, supermarkten, gereedschap en handen van personen die met de besmette karkassen in aanraking zijn geweest.
Het besmettingsgevaar, dat groter wordt bij weersomstandigheden die uitermate gunstig zijn voor de verbreiding van salmonellabacteriën, kan bovendien bijzonder ernstig zijn wanneer grote hoeveelheden pluimvee worden verbruikt, bij voorbeeld in schoolkantines, ziekenhuizen, gevangenissen enzovoort.
De risico's voor een infectie zijn natuurlijk bijzonder zorgwekkend voor bepaalde groepen van de bevolking, zoals kinderen, ouderen of personen bij wie het afweersysteem is verzwakt, omdat bij deze groepen het gevaar van infectie zelfs bij relatief geringe aantallen salmonellabacteriën bestaat.
9.
Een bevestiging van het risico dat de aanwezigheid van salmonellabacteriën aan de buitenkant van geslacht pluimvee meebrengt, vormt de omstandigheid, dat de Commissie lijkt te erkennen dat ook voor de aanwezigheid van salmonellabacteriën aan de buitenkant van karkassen in ieder geval bepaalde grenswaarden in acht moeten worden genomen (punt 7 van het verzoekschrift), en dat de Commissie het plan heeft laten varen grenswaarden voor het intracommunautaire handelsverkeer vast te stellen, maar thans eerder denkt aan een preventief beleid, dat wil zeggen vermindering van de aanwezigheid van salmonellabacteriën bij het fokken, gepaard gaande met een voorlichtingscampagne voor de consument (antwoord van de Commissie op de derde vraag van het Hof).
10.
Gelet op het bovenstaande lijkt het mij, dat de Griekse autoriteiten met recht mochten aannemen, dat de invoer van de betrokken kuikens de volksgezondheid in gevaar kon brengen; het lijkt mij niet redelijk, die autoriteiten te verplichten de bevolking bloot te stellen aan een risico — hoe klein ook — dat het gevolg is van een niet correcte behandeling van pluimvee.
11.
Ik ben ook niet overtuigd door de verklaringen van de Commissie, dat de bevoegde Griekse dierenartsen in casu maar zes salmonellabacteriën hadden gevonden bij zes kuikens, en dat mitsdien het aantal salmonellabacteriën dat is aangetroffen in de aan controle onderworpen partijen, lager zou zijn dan de besmettingsgrens waarbij de volksgezondheid in gevaar kan komen.
Deze beweringen berusten, mijns inziens, op geen enkel punt objectief gegeven, terwijl de Griekse regering daarentegen heeft gepreciseerd, dat de in casu gehanteerde analysemethode een verrijkingsmethode is, waarbij het niet mogelijk is precies aan te geven, hoeveel salmonellabacteriën er op de verschillende karkassen voorkwamen. Verweerster is van mening dat, teneinde de onschadelijkheid van het produkt te garanderen, de meest geschikte methode daarentegen die is welke, per eenheid van gewicht of van oppervlak, de afwezigheid van salmonellabacteriën registreert.
12.
Zoals blijkt uit het antwoord van de Commissie op de eerste vraag van het Hof, is Griekenland bovendien niet het enige land van de Gemeenschap dat controles uitvoert op de huid van pluimvee, en anderzijds erkent zelfs de Franse regering, die aan de zijde van verzoekster intervenieert, dat de Griekse gezondheidsautoriteiten het recht hebben, indien communautaire voorschriften dienaangaande ontbreken, analyses van huiden spierweefselmonsters te verrichten (memorie in interventie, blz. 4).
13.
Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Griekse autoriteiten, de invoer van twee partijen kuikens ongerechtvaardigd te hebben belemmerd wegens een vermeend te hoog gehalte aan vreemd water.
Voor een goed begrip van deze grief herinner ik aan de bepalingen van verordening nr. 2967/76, die volgens verzoekster zijn geschonden.
Artikel 4 van genoemde verordening luidt:
„1.
De controle op het gehalte aan water kan in de eerste plaats geschieden volgens de in bijlage II omschreven snelle meetmethode.
Indien het vermoeden bestaat dat tijdens de behandeling gebruik is gemaakt van stoffen waardoor de retentie van water in het pluimvee wordt verhoogd, geschiedt de bepaling van het watergehalte rechtstreeks volgens een van de in de bijlagen III en IV, naar keuze van de Lid-Staat, omschreven analysemethode.
Indien de controle volgens de snelle meetmethode een resultaat oplevert dat gelijk is aan of lager is dan de in bijlage II, punt 7, bepaalde waarde, wordt het pluimvee geacht in overeenstemming te zijn met deze verordening.
2.
Indien het resultaat van de controle volgens de snelle meetmethode de in bijlage II, punt 7, vastgestelde grens overschrijdt, of indien de controle volgens deze methode niet plaatsvindt, heeft er een chemische analyse plaats volgens een van de in de bijlagen III en IV, naar keuze van de Lid-Staat, omschreven methoden.
Indien de resultaten van de controle volgens één van de in de bijlagen III en IV omschreven analysemethoden de toegestane maxima overschrijden, wordt het pluimvee geacht niet in overeenstemming te zijn met deze verordening. In dit geval kan evenwel degene die deze dieren in voorraad heeft, om een contra-analyse verzoeken, die volgens dezelfde methode moet worden uitgevoerd.”
14.
Zowel tijdens de precontentieuze procedure als in haar inleidend verzoekschrift heeft de Commissie de Griekse autoriteiten verweten, achtereenvolgens twee verschillende analysemethoden te hebben toegepast, te weten, eerst de snelle meetmethode beschreven in bijlage II, en vervolgens de methode beschreven in bijlage III van de verordening.
Omdat de controleresultaten volgens de uitlekkingstechniek (beschreven in bijlage II) de vastgestelde waarden niet overschreden, hadden de goederen volgens de Commissie moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met de gemeenschapsverordening, zodat het niet nodig was een tweede controle uit te voeren volgens de methode van bijlage III.
Verzoekster voegt hieraan toe, dat, zelfs indien de Griekse autoriteiten het recht hadden gehad een volledige analyse uit te voeren, zij in ieder geval, in tegenstelling tot wat is gebeurd, de in bijlage III bedoelde procedure en berekeningswijze hadden moeten respecteren.
15.
Wat het eerste punt betreft, merk ik op, dat de Griekse regering blijkens het dossier al in de precontentieuze procedure uitdrukkelijk heeft ontkend, achtereenvolgens twee analyses volgens verschillende methoden te hebben verricht, en er integendeel op heeft gewezen, dat zij zowel voor de eerste als de tweede analyse de in bijlage III beschreven methode had toegepast. De controle van de partij pluimvee volgens de methode van bijlage II zou hebben plaatsgevonden in het kader van een nieuwe analyse van die partij en uitsluitend op verzoek van de deskundige, aan wie men overigens had verklaard, dat het resultaat van die analyse hoe dan ook niet als relevant zou worden beschouwd, omdat men voor de eerste analyse de andere, in bijlage III beschreven methode had toegepast.
16.
Gelet op deze verklaring, die niet deugdelijk is weersproken door de Commissie, bij wie de bewijslast ligt voor de door haar gestelde schending ( 9 ), moet deze grief eveneens worden afgewezen.
Naar mijn mening kan het Hof evenmin het argument in aanmerking nemen dat door de Commissie ter terechtzitting is aangevoerd, en dat inhoudt, dat de Griekse autoriteiten, zonder passende rechtvaardiging, de eerste controle hoe dan ook niet volgens de in bijlage III beschreven meetmethode hadden moeten uitvoeren. Daarmee wijzigt de Commissie immers volledig het voorwerp van de gestelde niet-nakoming, hetgeen — zoals men weet — volgens de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering niet is toegestaan.
17.
Ook de bewering van de Commissie, dat de Griekse autoriteiten bij de toepassing van de in bijlage III beschreven methode zich niet aan de voorgeschreven technische normen hebben gehouden, lijkt mij onvoldoende bewezen, gelet op desbetreffende preciseringen van de Griekse regering, die de Commissie met name verwijt, met betrekking tot de berekening van de gemiddelde waarde van het eiwitgehalte, uitsluitend de gehalten van één enkel kuiken te hebben vermeld, terwijl bij de andere zes geanalyseerde karkassen geen enkele vastgestelde waarde de door ISO-methodc 937 bepaalde grenswaarden overschrijdt. Als men het resultaat bepaalt aan de hand van de zes kuikens, zo voegt verweerster hieraan toe, overschrijdt de onderzochte partij hoc dan ook de grenswaarden van bijlage III van verordening nr. 2967/76.
18.
Tot slot — en hiermee kom ik tot de derde grief aan het adres van de Griekse regering — klaagt de Commissie over het feit, dat de invoer van verschillende partijen bevroren kuikens stelselmatig en herhaaldelijk is vertraagd.
Volgens verzoekster zouden de Helleense autoriteiten in oktober 1987 de invoer van twee partijen van elk ongeveer 22 ton hebben vertraagd, respectievelijk met twee en vier weken; eerder, in juli, zouden zij een partij van 216 ton twee weken hebben opgehouden; en tot slot zouden zij in april van datzelfde jaar een partij van 112 ton gedurende ongeveer een maand hebben tegengehouden.
19.
De grief van de Commissie is voornamelijk gebaseerd op artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 6 van richtlijn 83/643, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53. Volgens artikel 6 nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen, dat de wachttijden ten gevolge van de verschillende controles en formaliteiten niet langer zijn dan nodig voor de goede uitvoering. Daartoe regelen zij de openingstijden van de met de controles en formaliteiten belaste diensten, het rooster van de beschikbare personeelsleden alsook de praktische behandeling van de goederen en bescheiden in verband met de afdoening van de controles en formaliteiten op zodanige wijze, dat de wachttijden bij de afwikkeling van het verkeer zoveel mogelijk worden bekort.
20.
Laat ik onmiddellijk zeggen, dat wat deze laatste grief betreft, de verwijten van verzoekster mij evenmin met voldoende bewijs lijken te zijn onderbouwd, en dat men daarentegen de indruk heeft dat de Commissie, na te hebben besloten een nietnakomingsprocedure in te leiden die voornamelijk betrekking had op de door de Griekse autoriteiten gebruikte controlemethoden inzake salmonellabacteriën en het gehalte aan vreemd water, daar gewoon nog een paar andere klachten van de betrokken exporteur aan heeft geplakt.
Wat immers de vertragingen betreft met betrekking tot de partij van 216 ton en de twee partijen van elk 22 ton, voert de Commissie mijns inziens niets aan wat zich leent ter weerlegging van de verklaringen van de Griekse regering, dat de vertragingen het gevolg waren van de omstandigheid dat de betrokken kuikens een te hoog watcrgchalte hadden, zodat er speciale etiketten op moesten worden aangebracht, wat de taak was van de vertegenwoordigers van de afzender (artikel 2 van verordening nr. 2785/80 ( 10 )).
De Commissie erkent wel, dat men de Griekse autoriteiten gelijk zou kunnen geven indien de controle van het watergehalte correct was uitgevoerd en het resultaat het dooide gemeenschapswetgeving gestelde maximum had overschreden, maar de Commissie stelt — zonder ook maar enig bewijs aan te voeren— dat dat in casu niet het geval was.
21.
Voor een van de partijen van 22 ton hebben de Griekse autoriteiten de vertraging bovendien gerechtvaardigd met de omstandigheid dat het apparaat voor de in bijlage III van verordening nr. 1967/76 bedoelde controle defect was geraakt en moest worden vervangen.
Ook al staat het vast, dat de betrokken Lid-Staat de controles zo moet uitvoeren, dat er geen ongerechtvaardigde belemmeringen ontstaan en de wachttijd tot een minimum wordt beperkt, ik geloof niet, dat men zonder andere bewijzen voor een nalatigheid van de zijde van de nationale autoriteiten kan zeggen, dat een Lid-Staat richtlijn 83/643 of artikel 30 van het Verdrag heeft geschonden enkel en alleen omdat de invoer van goederen ten gevolge van een tijdelijk defect van de apparatuur is vertraagd.
Ik herinner eraan, dat, naar uit het dossier blijkt, de betrokken partij al een eerste controle had ondergaan volgens de methode van bijlage III en dat ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2967/76 voor de contraexpertise dezelfde analysemethode moest worden gebruikt.
22.
Ten slotte nog de partij van 112 ton, die in april 1987 ongeveer een maand lang is opgehouden. In dit geval lijkt mij de vertraging inderdaad niet op aannemelijke wijze gerechtvaardigd te kunnen worden, en de Griekse regering heeft dienaangaande vage en hoe dan ook onbevredigende antwoorden gegeven. Zij verklaart immers, dat de betrokken goederen niet van de juiste etiketten waren voorzien en dat bovendien de wachttijd in verband met de paasvakantie langer was geweest.
Ook al is het naar mijn mening duidelijk, dat het in dit specifieke geval gaat om een ongerechtvaardigde vertraging bij de invoer van goederen, men kan, waar het om een eenmalige gebeurtenis ging, niet stellen, dat de Griekse regering stelselmatig en herhaald de invoer van diverse partijen kuikens heeft vertraagd en mitsdien richtlijn 83/643 of artikel 30 van het Verdrag heeft geschonden.
Wat met name deze laatste bepaling betreft, wil ik erop wijzen, dat volgens de rechtspraak van het Hof een bestuurlijke handelwijze van een zekere duurzaamheid en algemeenheid moet zijn, wil er sprake zijn van een door artikel 30 verboden maatregel. ( 11 )
23.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1)
het beroep te verwerpen;
2)
de Commissie in de kosten te verwijzen;
3)
te verklaren dat de Franse regering, interveniënte, haar eigen kosten zal dragen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Richtlijn van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB 1971, L 55, biz. 23).
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Statcn (PB 1983, L 359, blz. 8).
( 3 ) PB 1987, L 24, blz. 33.
( 4 ) Verordening van de Raad van 23 november 1976 houdende vaststelling van gemeenschappelijke normen betreffende het watergehalte van bevroren of diepgevroren hanen, kippen en kuikens (PB 1976, L 339, blz. 1).
( 5 ) Verordening van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB 1975, L 282, blz. 77).
( 6 ) Ik breng in herinnering dat, zoals blijkt uit het arrest van 22 mei 1990, zaak C-332/88, Alimenta, Jurispr. 1990, blz. I-2077, r. o. 21, het door de dierenarts uitgebracht advies, zoals bepaald bij artikel 10 van richtlijn 71/118, niet doorslaggevend en bindend is, ofschoon zijn uitspraak van belang is voor de nationale autoriteiten en voor de nationale rechter bij wie het geschil eventueel aanhangig is gemaakt.
( 7 ) Arrest Alimenta, reeds aangehaald, r. o. 17.
( 8 ) Arresten van 6 juni 1984, zaak 97/83, Melkunie, Jurispr. 1984, blz. 2367, r. o. 18; 14 juli 1983, zaak 174/82, Sandoz, Jurispr. 1983, blz. 2445, r. o. 16, en 17 december 1981, zaak 272/80, Biologische Produkten, Jurispr. 1981, blz. 3277, r. o. 12.
( 9 ) Zie laatstelijk arrest van 17 november 1992, zaak C-157/91, Commissie/Nederland, Jurispr. 1992, blz. I-5899, r. o. 12.
( 10 ) Verordening van de Commissie van 30 oktober 1980 houdende toepassingsmodalitcitcn van verordening (EEG) nr. 2967/76 (PB 1976, L 288, blz. 13).
( 11 ) Arresten van 9 mei 1985, zaak 21/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1985, blz. 1355, r. o. 13, en 18 december 1986, zaak 35/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 545, r. o. 11.
Top