Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 7 JULI 1992. - EUROPEES PARLEMENT TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - RICHTLIJN 90/366/EEG BETREFFENDE HET VERBLIJFSRECHT VAN STUDENTEN - RECHTSGRONDSLAG - PREROGATIEVEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT. - ZAAK C-295/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-04193
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00001
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00001
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. EEG-Verdrag ° Artikel 235 ° Draagwijdte
2. Handelingen van de instellingen ° Keuze van rechtsgrondslag ° Criteria
3. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Gelijke behandeling ° Discriminatie op grond van nationaliteit ° Verbod ° Toegang tot beroepsopleiding ° Gevolgen ° Recht van toegang tot en verblijf op grondgebied van tot beroepsopleiding toegelaten onderdaan van andere Lid-Staat ° Richtlijn 90/366 betreffende het verblijfsrecht van studenten ° Rechtsgrondslag ° Artikel 7, tweede alinea, EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 7, tweede alinea, 128 en 235; richtlijn 90/366 van de Raad)
4. Beroep tot nietigverklaring ° Arrest houdende nietigverklaring ° Gevolgen ° Beperking door Hof ° Geval van richtlijn
(EEG-Verdrag, art. 174, tweede alinea)
Samenvatting1. Al uit de bewoordingen van artikel 235 EEG-Verdrag blijkt dat op dit artikel slechts een beroep kan worden gedaan als rechtsgrondslag van een handeling, wanneer geen andere verdragsbepaling de gemeenschapsinstellingen de voor de vaststelling van die handeling vereiste bevoegdheid verleent.
2. In het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap moet de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling.
3. Het uit de artikelen 7 en 128 EEG-Verdrag voortvloeiende beginsel van non-discriminatie inzake de voorwaarden voor toegang tot de beroepsopleiding brengt mee, dat een onderdaan van een Lid-Staat die is toegelaten tot een beroepsopleiding in een andere Lid-Staat, daartoe over een verblijfsrecht beschikt voor de duur van de opleiding.
Richtlijn 90/366, die het verblijfsrecht van uit andere Lid-Staten afkomstige studenten beoogt vast te leggen en te regelen, stelt binnen de werkingssfeer van het Verdrag, namelijk de beroepsopleiding, een regeling vast, die discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, zoals voorzien in artikel 7, tweede alinea.
Gelet op de inhoud van de richtlijn en op het feit dat de handelingen die op basis van artikel 7, tweede alinea, EEG-Verdrag worden vastgesteld, zich niet noodzakelijkerwijze ertoe behoeven te beperken, regelen te stellen met betrekking tot de rechten die voortvloeien uit de eerste alinea van dit artikel, maar eveneens aspecten kunnen betreffen, waarvan regeling noodzakelijk lijkt, opdat deze rechten reëel kunnen worden uitgeoefend, was de Raad bevoegd richtlijn 90/366 op grond van artikel 7, tweede alinea, EEG-Verdrag vast te stellen. De richtlijn heeft hij derhalve ten onrechte op basis van artikel 235 vastgesteld, zodat zij nietig moet worden verklaard.
4. Door een nietigverklaring zonder meer van richtlijn 90/366 betreffende het verblijfsrecht van studenten zou de uitoefening van een uit het Verdrag voortvloeiend recht, namelijk het recht van verblijf van studenten met het oog op een beroepsopleiding, in het gedrang kunnen komen. Bovendien wordt de materiële inhoud van de bepalingen van de richtlijn, waarvan de termijn waarbinnen zij door de Lid-Staten moest worden uitgevoerd, is verstreken, noch door de instellingen, noch door de Lid-Staten betwist. In deze omstandigheden is het om belangrijke redenen van rechtszekerheid, die vergelijkbaar zijn met die welke bij de nietigverklaring van bepaalde verordeningen gelden, gerechtvaardigd, dat het Hof de bevoegdheid uitoefent die artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag het Hof uitdrukkelijk toekent bij de nietigverklaring van verordeningen, en besluit, dat voorlopig alle gevolgen van de nietigverklaarde richtlijn worden gehandhaafd totdat zij is vervangen door een nieuwe richtlijn die op de juiste rechtsgrondslag berust.
PartijenIn zaak C-295/90,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, jurisconsult van het Europees Parlement, bijgestaan door R. Bieber, juridisch adviseur, en K. Bradley, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verzoeker,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. W. A. Timmermans, adjunct-directeur-generaal van haar juridische dienst, en D. Sorasio, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Dashwood, directeur bij zijn juridische dienst, en J. Aussant, hoofdadministrateur bij dezelfde dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. G. Vaux van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door R. Plender en D. Wyatt, Barristers, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
en
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en T. Heukels, beiden assistent-juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van richtlijn 90/366/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van studenten (PB 1990, L 180, blz. 30),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Diez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 25 maart 1992, tijdens welke het Europees Parlement werd vertegenwoordigd door F. Vainker, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 mei 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 september 1990, heeft het Europees Parlement verzocht om nietigverklaring van richtlijn 90/366/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van studenten (PB 1990, L 180, blz. 30).
2 De rechtsgrondslag van deze richtlijn is artikel 235 EEG-Verdrag, terwijl de Commissie had voorgesteld, haar te baseren op artikel 7, tweede alinea.
3 Tot staving van zijn beroep voert het Parlement drie middelen aan.
4 Primair stelt het, dat de Raad, door niet de juiste rechtsgrondslag te kiezen, namelijk artikel 7, tweede alinea, EEG-Verdrag, inbreuk heeft gemaakt op de prerogatieven van het Parlement in het kader van de wetgevingsprocedure, aangezien genoemde bepaling deelneming van deze instelling volgens de samenwerkingsprocedure voorschrijft, terwijl artikel 235 slechts vereist dat zij wordt geraadpleegd.
5 Subsidiair betoogt het Parlement, dat de Raad het gebruik van artikel 235 niet toereikend heeft gemotiveerd en dat hij het Parlement daarmee de mogelijkheid heeft ontnomen om na te gaan of zijn prerogatieven in het kader van de wetgevingsprocedure waren geëerbiedigd.
6 Meer subsidiair stelt het dat de Raad zijn weigering om bepaalde door het Parlement voorgestelde amendementen te aanvaarden, had moeten motiveren.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop, alsmede de middelen en de argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De ontvankelijkheid
8 De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien de rechtspraak van het Hof voor het recht van beroep van het Parlement als voorwaarde zou stellen, dat de Commissie het oneens is met het juridisch standpunt van het Parlement ten aanzien van zijn prerogatieven, aan welke voorwaarde in dit geval niet is voldaan.
9 Dit argument, dat de regering van het Verenigd Koninkrijk baseert op het arrest van het Hof van 22 mei 1990 (zaak C-70/88, Parlement/Raad, Jurispr. 1990, blz. I-2041) kan niet worden aanvaard. Zoals uit rechtsoverweging 27 van dit arrest blijkt, is voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van het Parlement uitsluitend vereist dat het beroep slechts strekt tot eerbiediging van zijn prerogatieven en slechts berust op middelen die aan een schending van deze prerogatieven zijn ontleend.
10 Hieruit volgt dat het onderhavige beroep, dat aan deze voorwaarde voldoet, ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtsgrondslag
11 Vooraf moet worden opgemerkt dat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, al uit de bewoordingen van artikel 235 blijkt dat op dit artikel slechts een beroep kan worden gedaan als rechtsgrondslag van een handeling, wanneer geen andere verdragsbepaling de gemeenschapsinstellingen de voor de vaststelling van die handeling vereiste bevoegdheid verleent (zie in de eerste plaats het arrest van 26 maart 1987, zaak 45/86, Commissie/Raad, Jurispr. 1987, blz. 1493, r.o. 13).
12 Derhalve moet worden onderzocht, of de Raad bevoegd was de bestreden richtlijn op basis van artikel 7, tweede alinea, vast te stellen, zoals is betoogd door het Parlement, de Commissie en, ter terechtzitting, de regering van het Verenigd Koninkrijk, die haar oorspronkelijk standpunt heeft gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het Hof van 26 februari 1992 (zaak C-357/89, Raulin, Jurispr. 1992, blz. I-1027).
13 Volgens een thans vaste rechtspraak moet in het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling (zie in het bijzonder arrest van 11 juni 1991, zaak C-300/89, Commissie/Raad, Jurispr. 1991, blz. I-2867, r.o. 10)
14 De bestreden richtlijn beoogt het tot de duur van de gevolgde opleiding beperkte verblijfsrecht van uit andere Lid-Staten afkomstige studenten, alsmede van hun echtgenoot en hun ten laste komende kinderen vast te leggen en te regelen. De betrokkenen behoeven slechts op enigerlei wijze aan te tonen dat zij bij een erkende instelling zijn ingeschreven teneinde als hoofdbezigheid aldaar een beroepsopleiding te volgen, dat zij een ziektekostenverzekering hebben en dat zij niet ten laste van de bijstandsregeling van het gastland zullen komen. Zij ontvangen van het gastland een verblijfsdocument dat maximaal één jaar geldig is en kan worden verlengd. Van de bepalingen van de richtlijn kan slechts worden afgeweken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze richtlijn geeft de betrokkenen geen recht op toelagen in de kosten van levensonderhoud ten laste van het gastland.
15 Zoals het Hof in rechtsoverweging 34 van het reeds aangehaalde arrest in de zaak Raulin opmerkte, heeft het recht op gelijke behandeling ten aanzien van de voorwaarden voor toegang tot de beroepsopleiding niet enkel betrekking op de door de betrokken onderwijsinstelling gestelde eisen, zoals het inschrijfgeld, maar ook op iedere maatregel die de uitoefening van dat recht kan belemmeren. Het is duidelijk, dat een student die tot een beroepsopleiding is toegelaten, de lessen wel eens niet zou kunnen volgen indien hij geen recht had op verblijf in de Lid-Staat waar de opleiding wordt gegeven. Mitsdien brengt het uit de artikelen 7 en 128 EEG-Verdrag voortvloeiende beginsel van non-discriminatie inzake de voorwaarden voor toegang tot de beroepsopleiding mee, dat een onderdaan van een Lid-Staat die is toegelaten tot een beroepsopleiding in een andere Lid-Staat, daartoe over een verblijfsrecht beschikt voor de duur van de opleiding.
16 Hieruit volgt dat de richtlijn binnen de werkingssfeer van het Verdrag, namelijk de beroepsopleiding in de zin van artikel 128, een regeling vaststelt die discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, zoals voorzien in artikel 7, tweede alinea.
17 De Raad en de Nederlandse regering hebben ter terechtzitting echter betoogd, dat de bestreden richtlijn studenten een recht van vrij verkeer toekent, dat analoog is aan dat van migrerende werknemers en meer omvat dan het recht van verblijf voor een beroepsopleiding, en dat het doel en de inhoud van de richtlijn bijgevolg het kader van artikel 7 EEG-Verdrag te buiten gaan, zodat hiervoor artikel 235 als rechtsgrondslag moest worden genomen.
18 In dit verband moet worden opgemerkt dat het algemene beginsel van artikel 7, eerste alinea, slechts onder voorbehoud van de bijzondere, in het Verdrag gestelde bepalingen kan gelden (zie met name het arrest van 14 juli 1977, zaak 8/77, Sagulo, Jurispr. 1977, blz. 1495, r.o. 11) en dat artikel 7, tweede alinea, de Raad in staat dient te stellen, gelet op de betrokken rechten en belangen de regelingen te treffen die nodig zijn om discriminatie op grond van nationaliteit daadwerkelijk op te heffen op gebieden waarin voor zijn bevoegdheid geen grondslag is te vinden in een van de bijzondere bepalingen die de verschillende gebieden waarop het Verdrag van toepassing is, regelen. De handelingen die op basis van artikel 7, tweede alinea, EEG-Verdrag worden vastgesteld, behoeven zich evenwel niet noodzakelijkerwijze ertoe te beperken, regelen te stellen met betrekking tot de rechten die voortvloeien uit de eerste alinea van dit artikel, maar zij kunnen eveneens aspecten betreffen, waarvan regeling noodzakelijk lijkt, opdat deze rechten reëel kunnen worden uitgeoefend.
19 Bovendien houden de verschillende elementen van de bestreden richtlijn verband met de reële uitoefening van het recht van verblijf van studenten met het oog op een beroepsopleiding. Ter zake lijkt in het bijzonder het aan de echtgenoot en de kinderen ten laste toegekende verblijfsrecht onontbeerlijk voor een reële uitoefening van het verblijfsrecht van de student, zoals in de achtste overweging van de richtlijn overigens ook uitdrukkelijk wordt opgemerkt.
20 Uit al het voorafgaande vloeit voort, dat de Raad bevoegd was de bestreden richtlijn op grond van artikel 7, tweede alinea, EEG-Verdrag vast te stellen en dat hij deze derhalve ten onrechte op basis van artikel 235 heeft vastgesteld.
21 De bestreden richtlijn moet derhalve nietig worden verklaard, zonder dat de subsidiaire middelen van het Parlement behoeven te worden onderzocht.
De beperking van de gevolgen van de nietigverklaring
22 De Commissie en de regering van Nederland en van het Verenigd Koninkrijk hebben het Hof verzocht, de gevolgen van een eventuele nietigverklaring van de richtlijn te beperken. Het Parlement heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het tegen een dergelijke beperking geen bezwaar had.
23 In dit verband moet worden opgemerkt dat door een nietigverklaring zonder meer van de bestreden richtlijn de uitoefening van een uit het Verdrag voortvloeiend recht, namelijk het recht van verblijf van studenten met het oog op een beroepsopleiding, in het gedrang zou kunnen komen.
24 Ook moet in aanmerking worden genomen dat blijkens de door alle partijen aan het Hof verstrekte inlichtingen de materiële inhoud van de bepalingen van de richtlijn noch door de instellingen, noch door de Lid-Staten wordt betwist.
25 Ten slotte moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat de in artikel 6 gestelde termijn waarbinnen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking moesten doen treden om aan de richtlijn te voldoen, op 30 juni jongstleden is verstreken.
26 In deze omstandigheden is het om belangrijke redenen van rechtszekerheid, die vergelijkbaar zijn met die welke bij de nietigverklaring van bepaalde verordeningen gelden, gerechtvaardigd, dat het Hof de bevoegdheid uitoefent die artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag het Hof uitdrukkelijk toekent bij de nietigverklaring van verordeningen, en de gevolgen van de litigieuze richtlijn aanwijst, die moeten worden gehandhaafd.
27 In de bijzondere omstandigheden van het geval moeten voorlopig alle gevolgen van de nietigverklaarde richtlijn worden gehandhaafd tot de Raad haar heeft vervangen door een nieuwe richtlijn die op de juiste rechtsgrondslag berust.
Beslissing inzake de kostenKosten
28 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen. Krachtens lid 4, eerste alinea, van dit artikel zullen de Commissie alsmede de regering van Nederland en van het Verenigd Koninkrijk, die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE
rechtdoende:
1. Verklaart nietig richtlijn 90/366/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van studenten.
2. Verstaat, dat de gevolgen van de nietigverklaarde richtlijn gehandhaafd blijven tot aan de inwerkingtreding van een nieuwe richtlijn, die op de juiste rechtsgrondslag is vastgesteld.
3. Verwijst de Raad in de kosten.
4. Verstaat, dat de Commissie alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk en van Nederland elk hun eigen kosten zullen dragen.
Top