Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 12 MEI 1992. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN HELLEENSE REPUBLIEK. - NIET-NAKOMING - ARTIKEL 95 - INVOER VAN MOTORVOERTUIGEN - VERSCHILLENDE BELASTINGGRONDSLAG. - ZAAK C-327/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-03033
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Fiscale bepalingen ° Binnenlandse belastingen ° Bijzondere verbruiksbelasting op motorvoertuigen ° Berekening van heffinggrondslag die voertuigen van nationale produktie begunstigt ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 95)
SamenvattingEen Lid-Staat komt zijn verplichtingen krachtens artikel 95 van het Verdrag niet na door voor de berekening van de heffinggrondslag van een bijzondere verbruiksbelasting op particuliere motorvoertuigen verschillende regels toe te passen al naargelang de voertuigen uit andere Lid-Staten zijn ingevoerd dan wel in het binnenland zijn vervaardigd, wanneer als gevolg van bepaalde aftrekken ten gunste van laatstbedoelde of van verhogingen ten laste van eerstbedoelde categorie ingevoerde motorvoertuigen, zij het ook slechts in bepaalde gevallen, zwaarder worden belast.
PartijenIn zaak C-327/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, en Th. Margellos, lector aan de universiteit van Picardië, gedetacheerd bij haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, vertegenwoordiger van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Samoni-Rantou, advocaat te Athene, juridisch medewerker bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, afdeling Europees recht, vervolgens door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de Raad van State, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Helleense Republiek, door voor de berekening van de heffinggrondslag van de bijzondere verbruiksbelasting verschillende regels vast te stellen naar gelang de motorvoertuigen zijn ingevoerd uit de andere Lid-Staten dan wel in Griekenland zijn vervaardigd, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet, F. Grévisse, en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Diez de Velasco en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 november 1991, waar de Commissie was vertegenwoordigd door Th. Margellos, nationaal deskundige gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigde, en de Helleense Republiek door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de Raad van State, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 oktober 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door voor de berekening van de heffinggrondslag van de bijzondere verbruiksbelasting verschillende regels vast te stellen naar gelang de motorvoertuigen zijn ingevoerd uit de andere Lid-Staten dan wel in Griekenland zijn vervaardigd, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Bij wet nr. 363 van 22 juni 1976, zoals aangevuld en gewijzigd bij de wetten nrs. 1003/1979 en 1591/1986, is in Griekenland een bijzondere verbruiksbelasting ingevoerd op personenauto' s, ongeacht of deze zijn geïmporteerd dan wel in het land zelf zijn geassembleerd.
3 Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van die wet wordt de grondslag van de bijzondere belasting op ingevoerde motorvoertuigen bepaald door de som van de volgende elementen:
"a) de nettogroothandelsprijs af fabriek van het voertuig, die niet meer dan 25 % mag afwijken van de detailhandelsprijs (catalogusprijs) van dit voertuig in het land van produktie, onder aftrek van de fiscale lasten die in dat land op die prijs drukken;
(...)
4 Met betrekking tot in Griekenland geassembleerde voertuigen bepaalt artikel 4, lid 2, van wet nr. 1573 van 19/27 november 1985, dat de belastinggrondslag wordt berekend uitgaande van de prijs "ex factory", vermeld in de lijst die door de automobielindustrie is gedeponeerd bij het comité dat belast is met de controle van de prijzen. Daarbij wordt gepreciseerd, dat fiscale lasten van welke aard ook, die in de kostprijs van het voertuig zijn begrepen, geen prijsfactoren vormen.
5 Voorts bepaalt artikel 3, lid 1, van dezelfde wet: "De grondstoffen die door de automobielindustrie uit het buitenland worden ingevoerd of op het nationale grondgebied worden verworven, zijn vrijgesteld van fiscale heffingen van welke aard ook ten gunste van de staat of van derden, behoudens de door de communautaire regelgeving bepaalde douanerechten voor uit derde landen afkomstige grondstoffen".
6 Wat de modaliteiten van de belastinginning betreft, onderwerpen de artikelen 2, 4 en 6 van wet nr. 1573/1985 de Griekse autofabrieken aan een stelsel van douanetoezicht, en bepalen zij met name, dat de verbruiksbelasting op in Griekenland geproduceerde motorvoertuigen door de douane-autoriteiten wordt geïnd bij het in het vrije verkeer brengen van die voertuigen.
7 De Commissie is van mening, dat de toepassing van twee verschillende methoden voor de berekening van de belastinggrondslag, al naar gelang de voertuigen zijn ingevoerd dan wel zijn vervaardigd in Griekenland, inbreuk maakt op artikel 95 van het Verdrag. Dit systeem zou er namelijk toe leiden, dat in Griekenland geassembleerde motorvoertuigen worden bevoordeeld ten opzichte van die welke uit andere Lid-Staten zijn ingevoerd. De discriminatie zou voornamelijk gelegen zijn in het feit, dat bij ingevoerde motorvoertuigen een vaste verhoging van de belastinggrondslag met 21 of 23,2 % wordt toegepast, terwijl in Griekenland geassembleerde motorvoertuigen worden belast op basis van reële gegevens, namelijk de prijs af fabriek.
8 Ter rechtvaardiging van deze verhoging zet de Griekse regering uiteen, dat de automobielindustrie in Griekenland weinig ontwikkeld is en dat de autofabrikanten hun produkten gewoonlijk rechtstreeks aan de eindverbuiker verkopen zonder gebruik te maken van tussenhandelaren. In dit geval is de verkoopprijs van de fabrikant, die als basis dient voor de berekening van de belasting voor in Griekenland geassembleerde motorvoertuigen, gelijk aan de detailhandelsprijs, die de kosten van het in de handel brengen omvat. Ten einde de gelijkheid tussen in Griekenland vervaardigde en ingevoerde voertuigen te herstellen, zou daarom de door de buitenlandse fabrikant van ingevoerde motorvoertuigen in rekening gebrachte prijs verhoogd moeten worden met de door de importeur gemaakte kosten van het in de handel brengen, zoals de kosten van promotie, reclame en service. Voorts zou deze verhoging de commissie van de importeur omvatten. De verhoging met 23,2 %, die van toepassing is wanneer het ingevoerde motorvoertuig niet direct bij de fabrikant, maar bij een buitenlandse dealer is gekocht, zou bovendien de winst van deze tussenhandelaar dekken.
9 De Griekse regering betoogt verder, dat dit stelsel van forfaitaire belasting meer in het algemeen bedoeld was om de fraude te voorkomen waartoe het hoge belastingpercentage bij de invoer van motorvoertuigen gemakkelijk aanleiding gaf. Deze fraude bestond in het vermelden van een te laag bedrag op de factuur, zodat minder belasting betaald hoefde te worden. Het bewijs hiervan zou zijn, dat vrachtwagens, waarvoor een minder hoge belasting geldt en die derhalve minder gevoelig zijn voor dit soort fraude, ongeacht hun herkomst op basis van de transactiewaarde worden belast.
10 Voor een nadere uiteenzetting van de in geding zijnde wettelijke regeling, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 Vooraf zij eraan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof bij de toepassing van artikel 95 van het Verdrag niet alleen moet worden gelet op het tarief van de binnenlandse belasting die al dan niet rechtstreeks op nationale en ingevoerde produkten wordt gelegd, doch ook op de grondslag en de heffingsmodaliteiten van de betrokken belasting (zie in dit verband arrest van 27 februari 1980, zaak 55/79, Commissie/Ierland, Jurispr. 1980, blz. 481, r.o. 8).
12 Voorts is herhaaldelijk vastgesteld, dat artikel 95, lid 1, wordt geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde produkt en die op het soortgelijke nationale produkt op verschillende wijze en volgens verschillende modaliteiten worden berekend, waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in sommige gevallen, hoger wordt belast (zie met name arrest van 17 februari 1976, zaak 45/75, Rewe-Zentrale, Jurispr. 1976, blz. 181, r.o. 15).
13 In casu moet dus worden onderzocht, of het berekeningssysteem van de grondslag van de door de in geding zijnde wettelijke regeling ingevoerde belasting zodanig is, dat het ieder gevaar van discriminatie uitsluit.
14 Dienaangaande valt al aanstonds op, dat voor in Griekenland vervaardigde motorvoertuigen enkele aftrekregelingen bestaan die voor ingevoerde voertuigen ontbreken. Dit is het geval met artikel 4, lid 2, tweede streepje, van wet nr. 1573/1985, dat aftrek van alle in de kostprijs begrepen lasten van fiscale aard toestaat, alsook met artikel 3, lid 1, van die wet, volgens hetwelk de door de automobielindustrie verworven grondstoffen zijn vrijgesteld van elke fiscale heffing met uitzondering van de door de communautaire regelgeving vastgestelde douanerechten.
15 Omgekeerd wordt de belastinggrondslag voor ingevoerde motorvoertuigen verhoogd met diverse elementen die bij de berekening van de belastinggrondslag voor in Griekenland geassembleerde voertuigen buiten beschouwing blijven. Met betrekking tot eerstbedoelde categorie bepaalt artikel 1, lid 3, van wet nr. 363/1976, zoals gewijzigd, dat de prijs af fabriek wordt verhoogd met die van de optionele accessoires, terwijl de in geding zijnde wettelijke regeling geen enkele bepaling bevat op grond waarvan men met stelligheid zou kunnen zeggen, dat dezelfde verhoging wordt toegepast bij in Griekenland geassembleerde motorvoertuigen. Daarbij komen krachtens dezelfde bepaling in het geval van ingevoerde motorvoertuigen nog twee verhogingen, één met 7 % uit hoofde van de verzekerings- en transportkosten, en één met 21 of 23,2 %.
16 Het argument van de Griekse regering, dat de verhoging met 21 of 23,2 % haar rechtvaardiging vindt in de noodzaak de gelijkheid te herstellen met de nationale fabrikanten, die marketingkosten in rekening brengen voor de voertuigen die zij produceren, kan niet worden aanvaard.
17 In de eerste plaats zijn, zoals de Commissie opmerkt, de kosten van het in de handel brengen vaak althans gedeeltelijk begrepen in de prijs af fabriek van ingevoerde motorvoertuigen.
18 In de tweede plaats is, naar uit het dossier blijkt, de forfaitaire verhoging met 21 of 23,2 % vastgesteld op basis van een gemiddelde dat zelf weer is bepaald aan de hand van vennootschapsbalansen. Een dergelijke schatting geeft vanwege haar forfaitair karakter geen garantie, dat het ingevoerde produkt in geen enkel geval onderworpen wordt aan een hogere belasting dan het overeenkomstige nationale produkt.
19 Met de verhoging met 7 % ter dekking van de transport- en verzekeringskosten is het niet anders gesteld. Dienaangaande dient bovendien te worden opgemerkt, dat waar de verzekeringskosten kunnen variëren naar gelang van de waarde van het produkt, de transportkosten toch vooral afhangen van het gewicht en de afmetingen ervan en van de afgelegde afstand.
20 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat indien een stelsel zoals dat van de in geding zijnde wettelijke regeling verschillende regels bevat voor nationale en voor uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten en gekenmerkt wordt door een gebrek aan doorzichtigheid en precisie, het aan de gedaagde regering staat aan te tonen, dat het door de Commissie ter discussie gestelde stelsel in geen enkel geval discriminerende gevolgen kan hebben (zie hiervoor de arresten van 26 juni 1991, zaak C-152/89, Commissie/Luxemburg, en zaak C-153/89, Commissie/België, Jurispr. 1989, blz. I-3141, resp. I-3171).
21 In dit verband heeft de Griekse regering zich, voor het eerst ter terechtzitting, beroepen op artikel 4, lid 3, van wet nr. 1573/1985, volgens hetwelk "de belastinggrondslag voor in Griekenland geproduceerde auto' s niet lager mag zijn dan de door het comité erkende minimumwaarde van ingevoerde motorvoertuigen met een overeenkomstige of gelijke cylinderinhoud".
22 Waar die bepaling verwijst naar de voor soortgelijke ingevoerde voertuigen vastgestelde minimumbelastinggrondslag, kan zij het bovenbedoelde risico van discriminatie niet volledig uitsluiten. De toepassing van voornoemde bepaling heeft namelijk tot gevolg dat, wanneer meerdere modellen van verschillende merken met een zelfde cylinderinhoud worden geïmporteerd, de in Griekenland vervaardigde auto' s niet worden belast als de ingevoerde auto' s waarvoor de belastinggrondslag het hoogst is, maar als die welke tot de meest begunstigde categorie behoren.
23 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de Griekse regering niet het bewijs heeft geleverd, dat het in deze staat geldende belastingstelsel zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen uitgesloten is, dat ingevoerde motorvoertuigen zwaarder worden belast dan die welke in Griekenland zijn vervaardigd.
24 Wat ten slotte het argument van de Griekse regering betreft, dat het stelsel van forfaitaire belasting bedoeld is om de frauduleuze praktijken te voorkomen waartoe de invoer van personenvoertuigen wegens het hoge belastingpercentage aanleiding kan geven, kan worden volstaan met erop te wijzen, dat volgens de rechtspraak van het Hof de onmogelijkheid de noodzakelijke controles en verificaties bij ingevoerde motorvoertuigen te verrichten, geen rechtvaardiging kan zijn voor de invoering van een stelsel van forfaitaire belasting uitsluitend voor ingevoerde motorvoertuigen (zie arrest van 17 februari 1976, Rewe-Zentrale, reeds aangehaald, r.o. 15).
25 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat de Helleense Republiek, door voor de berekening van de heffinggrondslag van de bijzondere verbruiksbelasting verschillende regels vast te stellen naar gelang de motorvoertuigen zijn ingevoerd uit de andere Lid-Staten dan wel in Griekenland zijn vervaardigd, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
26 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dient de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door voor de berekening van de heffinggrondslag van de bijzondere verbruiksbelasting verschillende regels vast te stellen naar gelang de motorvoertuigen zijn ingevoerd uit de andere Lid-Staten dan wel in Griekenland zijn vervaardigd, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Top