Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 2 APRIL 1992. - ANTONINO PITRONE TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - HOGERE VOORZIENING - AMBTENAAR - REORGANISATIE VAN DE DIENST - INSTELLING VAN NIEUW AMBT. - ZAAK C-378/90 P.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-02375
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Aanstelling van ambtenaar op niet-vacante post ° Niet-ontvankelijkheid ° Afwijzing
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 51)
SamenvattingHet staat aan het Gerecht om vast te stellen, of de post waarop een ambtenaar is aangesteld, al dan niet vacant was. Dit feitelijk oordeel van het Gerecht kan voor het Hof niet opnieuw in geding worden gebracht in het kader van hogere voorziening, daar deze beperkt is tot rechtsvragen.
PartijenIn zaak C-378/90 P,
A. Pitrone, vertegenwoordigd door N. Decker, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te diens kantore, Avenue Marie-Thérèse 16,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest, op 23 oktober 1990 door het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) gewezen in zaak T-46/89 tussen hem en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door C. Verbraeken en D. Waelbroeck, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Grévisse, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 14 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 1990, heeft A. Pitrone krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 23 oktober 1990, houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit houdende aanstelling van Walker als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 binnen het directoraat-generaal Douane-unie en indirecte belastingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "DG XXI"), en tot verzoekers herplaatsing als hoofd Informatica bij DG XXI.
2 Requirant staaft zijn hogere voorziening met vier middelen: schending van de artikelen 5, 7 en 86 tot en met 89 van het Statuut en van de bepalingen van bijlage IX, schending van artikel 4 van het Statuut, schending van het vertrouwensbeginsel en niet-nakoming van de toezegging van zijn hiërarchieke meerderen om hem in zijn oude functies te herplaatsen, zodra de hem tijdelijk opgedragen werkzaamheden waren voltooid, en, ten slotte, schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut.
3 Met zijn eerste middel verwijt requirant het Gerecht, dat het heeft geoordeeld dat hij ingevolge nota nr. 6458 van 6 november 1986, waarbij de directeur-generaal van DG XXI hem met bepaalde werkzaamheden had belast, in feite op een andere post was tewerkgesteld en bijgevolg was ontheven van zijn functie van hoofd Informatica, die hij voordien binnen dat directoraat-generaal had bekleed.
4 Hiertoe voert hij om te beginnen aan, dat voormelde nota niet kan worden beschouwd als een besluit tot aanstelling of overplaatsing in de zin van artikel 7 van het Statuut. Ten bewijze dat hij zijn post in de sector informatica had behouden, beroept hij zich op het feit dat die nota niet was opgenomen in deel "E" van zijn persoonsdossier, waarin, overeenkomstig het door de Commissie vastgestelde repertorium, "in chronologische volgorde en vanaf het moment van aanstelling worden opgenomen alle bescheiden die betrekking hebben op de loopbaan van de ambtenaar: bevorderingen, overplaatsingen, indeling, detacheringen, enz.". Bovendien zou de beweerde tewerkstelling niet zijn vermeld in de op 16 november 1990 door de Commissie aan requirant afgegeven verklaring, die een opsomming bevat van "de achtereenvolgende tewerkstellingen van de heer Pitrone bij de verschillende diensten van de Commissie". En ten slotte, aldus requirant, hebben de directeur van directoraat XXI/A/3 en de directeur-generaal van DG XXI, in hun hoedanigheid van hiërarchieke meerdere van requirant, ook nog na 6 november 1986 ° de dagtekening van de betrokken nota ° door deze laatste geparafeerde administratieve handelingen betreffende de sector informatica ondertekend.
5 Requirant betoogt voorts, dat de werkzaamheden die hem bij de nota van 6 november 1986 waren opgedragen, onder de afdeling "gecombineerde nomenclatuur" (XXI/A/1) vielen. Welnu, zo stelt hij, indien hem vanaf die datum alle verantwoordelijkheden in de sector informatica waren ontnomen, dan had hij toch naar die afdeling moeten worden overgeplaatst.
6 Requirant voert tot slot aan, dat hij gedurende de periode van 11 november 1987 tot en met 31 oktober 1988, dat wil zeggen totdat hij werd overgeplaatst naar de afdeling "betrekkingen met de Europese landen met staatshandel", in strijd met de artikelen 5, 7 en 86 tot en met 89 van het Statuut en met de bepalingen van bijlage IX tot nietsdoen werd veroordeeld.
7 Met zijn tweede middel stelt requirant, dat door het besluit van 11 november 1987 om Walker als tijdelijk functionaris tot hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 te benoemen, artikel 4 van het Statuut is geschonden, aangezien die post toen juridisch gezien door hemzelf werd bezet.
8 Met zijn derde middel betoogt requirant, dat het Gerecht het middel betreffende schending van het vertrouwensbeginsel en niet-nakoming van de toezegging van zijn meerderen om hem in zijn oude functies te herplaatsen, zodra de hem tijdelijk opgedragen werkzaamheden waren voltooid, ten onrechte heeft afgewezen. Volgens requirant vloeit uit nota nr. 6458 van 6 november 1986 impliciet doch duidelijk voort, dat hij, zodra de hem tijdelijk opgedragen taken waren voltooid, al zijn oude verantwoordelijkheden zou terugkrijgen.
9 Met zijn vierde middel voert requirant aan dat zo nota nr. 6458 moet worden gezien als een besluit waarbij hem de administratieve verantwoordelijkheid voor de sector informatica is ontnomen, dat besluit in strijd met artikel 25, tweede alinea, van het Statuut niet met redenen is omkleed.
10 Voor een nadere uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 Ter bestrijding van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van de aanstelling van Walker als "hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01", voert requirant, zakelijk weergegeven, aan, dat die aanstelling onwettig was op grond dat de betrokken post toen nog door hemzelf werd bezet en dus niet vacant was.
12 In rechtsoverweging 27 van het bestreden arrest heeft het Gerecht als zijn mening gegeven, dat "verzoeker nooit hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 is geweest, maar, zoals hij in zijn repliek erkent, hoofd Informatica bij DG XXI". Blijkens de feitelijke vaststellingen van het Gerecht was de functie van hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 een nieuwe functie, die was ingesteld na een reorganisatie van de diensten binnen het directoraat en die dus niet overeenkwam met de door requirant bezette post. Voor het Hof, waarvan de toetsingsbevoegdheid beperkt is tot rechtsvragen, kan dit feitelijk oordeel van het Gerecht niet opnieuw in geding worden gebracht.
13 Het argument van requirant, dat hijzelf de post bezette waarop Walker werd aangesteld, kan mitsdien niet met succes voor het Hof worden aangevoerd.
14 De eventuele onregelmatigheden die zouden kleven aan de besluiten als gevolg waarvan requirant zijn functie als hoofd Informatica is kwijtgeraakt, en de niet-nakoming van de beweerdelijk gedane toezegging om hem op die post te doen terugkeren, hebben geen invloed op de geldigheid van de bestreden aanstelling van Walker op een andere post.
15 In deze omstandigheden zijn de middelen ontleend aan de onjuiste kwalificatie door het Gerecht van het in meergenoemde nota van 6 november 1986 vervatte besluit, de middelen ontleend aan schending van de statutaire rechten, schending van het vertrouwensbeginsel en niet-nakoming van de door requirants hiërarchieke meerderen gedane toezeggingen, en, bijgevolg, de middelen ontleend aan schending van de artikelen 4, 5, 7, 25, tweede alinea, en 86 tot en met 89 van het Statuut en van de bepalingen van bijlage IX van het Statuut, geen van alle ter zake dienend.
16 Uit het voorgaande volgt, dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kostenKosten
17 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 122 van dat Reglement is artikel 70 niet van toepassing op hogere voorzieningen ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van de instellingen. Daar requirant in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten van deze instantie te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirant in de kosten.
Top