Avis juridique important
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer - uitgebreid) van 11 juli 1995. - Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Begroting van de kosten. - Zaken T-23/90 (92) en T-9/92 (92).
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-02057
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Procedure ° Kosten ° Begroting ° Invorderbare kosten ° Begrip ° In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b, en 92, lid 1)
SamenvattingBij gebreke van een tariefregeling in het gemeenschapsrecht moet de gemeenschapsrechter bij de begroting van de kosten krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan voor het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen, maar zonder rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden.
Aangezien het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening houdt met alle omstandigheden van de zaak tot aan het tijdstip van zijn beslissing, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de kosten die partijen hebben gemaakt in verband met de procedure tot begroting van de kosten.
PartijenIn zaak T-23/90 (92),
Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA, vennootschappen naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door X. de Roux, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Bourgeois, vervolgens door haar juridisch adviseur G. Marenco, als gemachtigden, bijgestaan door F. Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Eco System SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Rouen (Frankijk), vertegenwoordigd door R. Collin, advocaat te Parijs, en N. Decker, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Avenue Marie-Therèse 16,
Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC), vereniging naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door Ph. Bentley, Barrister van Lincoln' s Inn, en K. Adamantopoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Kronshagen, Boulevard de la Foire 12,
en
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door H. A. Kaya als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot begroting van de door verzoeksters aan interveniënte Eco System SA te vergoeden kosten na de beschikking van de president van het Gerecht, als rechter in kort geding, van 21 mei 1990 (zaak T-23/90 R, Peugeot, Jurispr. 1990, blz. II-195) en het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 12 juli 1991 (zaak T-23/90, Peugeot, Jurispr. 1991, blz. II-653),
en in zaak T-9/92 (92),
Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA, vennootschappen naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door X. de Roux, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco als gemachtigde, bijgestaan door F. Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Eco System SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Rouen (Frankrijk), vertegenwoordigd door R. Collin, advocaat te Parijs, en N. Decker, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Avenue Marie-Thérèse 16,
en
Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC), vereniging naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door Ph. Bentley, Barrister van Lincoln' s Inn, en K. Adamantopoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Kronshagen, Boulevard de la Foire 12,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot begroting van de door verzoeksters aan interveniënte Eco System SA te vergoeden kosten na het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 22 april 1993 (zaak T-9/92, Peugeot, Jurispr. 1993, blz. II-493),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, D. P. M. Barrington, A. Saggio, H. Kirschner en V. Tiili, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrestHet procesverloop
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 april 1990, stelden de vennootschappen Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA (hierna: "Peugeot") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep in tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 maart 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/33.157 ° Eco System/Peugeot ° Voorlopige maatregelen). Bij deze beschikking had de Commissie Peugeot gelast de tenuitvoerlegging van een op 9 mei 1989 verspreide circulaire op te schorten totdat een eindbeschikking was gegeven in de op klacht van Eco System ingeleide hoofdprocedure. In die circulaire werden de erkende dealers en wederverkopers van Peugeot in Frankrijk, België en Luxemburg verzocht, hun leveranties aan Eco System op te schorten en geen bestellingen van deze vennootschap voor nieuwe auto' s meer te accepteren, ongeacht of zij handelde voor eigen rekening of voor rekening van haar lastgevers.
2 Bij op dezelfde dag ter griffie neergelegde afzonderlijke akte diende Peugeot voorts krachtens artikel 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding in, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie.
3 Bij beschikking van 21 mei 1990 werd dit verzoek om voorlopige maatregelen door de president afgewezen.
4 Bij beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 5 juli 1990 (zaak T-23/90 R, Peugeot, Jurispr. 1990, blz. II-195) werd Eco System in zaak T-23/90 toegelaten tot interventie aan de zijde van verweerster.
5 Bij arrest van 12 juli 1991 (zaak T-23/90, Peugeot, Jurispr. 1991, blz. II-653) verwierp het Gerecht het beroep, met verwijzing van Peugeot in haar eigen kosten en in, onder meer, die van interveniënte Eco System.
6 Tegen dat arrest stelde Peugeot, bij op 12 september 1991 ter griffie van het Hof neergelegde verzoekschrift, hogere voorziening in krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut (EEG) (zaak C-229/91 P).
7 Bij op 10 februari 1992 ter griffie neergelegd verzoekschrift stelde Peugeot krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep in tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 4 december 1991 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/33.157 ° Eco System/Peugeot) (PB 1992, L 66, blz. 1), waarin de Commissie vaststelde, dat de toezending door Peugeot van de circulaire van 9 mei 1989 aan haar dealers in Frankrijk, België en Luxemburg en de toepassing van die circulaire door deze laatsten, waardoor een einde is gesteld aan de levering van voertuigen van het merk Peugeot aan Eco System, een op grond van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verboden overeenkomst of ten minste een onderling afgestemde feitelijke gedraging opleverden, en voorts Peugeot gelastte een einde te maken aan die inbreuk door aan de dealers een nieuwe circulaire toe te zenden waarin die van 9 mei 1989 werd geannuleerd.
8 Na de beschikking van 4 december 1991 deed Peugeot afstand van instantie in de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 12 juli 1991. Bij beschikking van 6 april 1992 van de president van het Hof werd zaak C-229/91 P in het register van het Hof doorgehaald.
9 Bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 9 juli 1992 werd Eco System in zaak T-9/92 toegelaten tot interventie aan de zijde van verweerster.
10 Bij arrest van 22 april 1993 verwierp het Gerecht het beroep, met verwijzing van Peugeot in haar eigen kosten en in, onder meer, die van interveniënte Eco System.
11 Tegen dat arrest stelde Peugeot, bij op 22 juni 1993 ter griffie van het Hof ingediend verzoekschrift, hogere voorziening in krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut (EEG) (zaak C-322/93 P).
12 Bij arrest van 16 juni 1994 wees het Hof de hogere voorziening af, met verwijzing van Peugeot in alle kosten.
13 Bij brief van 23 december 1994 verzocht het advocatenkantoor dat Eco System vertegenwoordigde, Peugeot om vergoeding van in totaal 530 651,46 FF wegens kosten gemaakt in zaak T-23/90, inclusief het kort geding.
14 Bij brief van dezelfde dag verzocht dat kantoor Peugeot voorts om vergoeding van in totaal 283 691 FF wegens kosten gemaakt in zaak T-9/92.
15 Toen Peugeot hiermee niet akkoord ging, heeft Eco System bij op 24 april 1995 ter griffie neergelegd verzoekschrift het Gerecht verzocht, overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het bedrag van de invorderbare kosten ° noodzakelijke kosten en advocatenhonoraria ° te stellen op 814 342,46 FF.
16 Op 7 juni 1995 heeft Peugeot opmerkingen ingediend over het verzoek van Eco System om begroting van de kosten, en het Gerecht verzocht het totaalbedrag ervan te stellen op 230 443,46 FF. De andere partijen in de gedingen hebben geen opmerkingen ingediend.
Samenvatting van de stellingen van partijen
17 Eco System is van oordeel, dat het bedrag aan invorderbare kosten dat zij het Gerecht verzoekt te bepalen, gerechtvaardigd is niet enkel wegens de tijd die haar raadsman, gelet op de ingewikkeldheid van de diverse zaken, aan de betrokken dossiers heeft moeten besteden, maar ook wegens de renommee van die raadsman.
18 Wat de ingewikkeldheid van de zaken betreft, wijst Eco System erop, dat het de eerste keer was dat de Commissie en het Gerecht zich moesten bezighouden met het begrip gemachtigd tussenpersoon, in de zin van verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, blz. 16; hierna: "verordening nr. 123/85"). Het door Peugeot gevoerde betoog had niet enkel aanleiding gegeven tot een uiterst gedetailleerde discussie over de feiten, maar ook tot een zeer diepgaande studie van het begrip lastgeving en de strekking en grenzen ervan in het Franse recht, teneinde te kunnen bewijzen dat de gedraging van Eco System viel binnen het raam van de bevoegdheden van een lasthebber in de zin van het Franse burgerlijk wetboek.
19 Met betrekking tot het door haar raadsman gehanteerde uurtarief van 3 000 FF, legt Eco System bij haar verzoekschrift een advies over van de deken van de Ordre des avocats à la Cour de Paris ° die naar nationaal recht bevoegd is de honoraria te bepalen ingeval daarover geschil bestaat tussen advocaten en hun cliënten °, naar wiens oordeel dat tarief volstrekt gerechtvaardigd is, zowel gelet op de aard van de zaken als op de uitzonderlijke bekwaamheid ter zake van die raadsman.
20 Peugeot betoogt, dat Eco System, om aan het bedrag te komen dat zij het Gerecht verzoekt te bepalen, uitgaat van een abnormaal hoog aantal te verrekenen uren en van een uurtarief dat volstrekt niet overeenkomt met de realiteit van de markt.
21 Ten aanzien van het aantal te verrekenen uren wijst Peugeot erop, dat Eco System steeds aan de zijde van de verwerende partij is opgetreden en bijgevolg een vaak subsidiaire rol in de zaken heeft gespeeld, en dat deze zaken bovendien een betrekkelijk repetitief karakter hadden. Peugeot meent dan ook, dat het in aanmerking te nemen aantal te verrekenen uren 125 bedraagt en niet 223 uur en 50 minuten, zoals Eco System verlangt.
22 Wat het uurtarief betreft, betoogt Peugeot, kort samengevat, dat het attest van de deken van de Ordre des avocats à la Cour de Paris niet is te beschouwen als een beslissing van die deken krachtens zijn bevoegdheid tot begroting van honoraria, maar als een simpel advies. In ieder geval heeft de eerste president van de Cour d' appel de Paris, de beroepsinstantie voor beslissingen van de deken op dit gebied, nog nooit een hoger uurtarief dan 1 800 FF goedgekeurd, ook niet voor ingewikkelde zaken en voor een gerenommeerd advocaat. Onder verwijzing ten slotte naar de beschikking van het Gerecht van 8 maart 1995 (zaak T-2/93, Air France, Jurispr. 1995, blz. II-0000), waarbij de invorderbare kosten van interveniënt TAT SA zijn vastgesteld op een bedrag van 220 000 FF, meent Peugeot dat het door Eco System gevorderde bedrag even irreëel is naar nationaal recht als volgens de rechtspraak van het Gerecht.
Beoordeling van het Gerecht
23 Volgens artikel 91 van het Regelement voor de procesvoering "worden als invorderbare kosten aangemerkt (...) de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat".
24 Vooraf zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de gemeenschapsrechter, bij gebreke van een tariefregeling in het gemeenschapsrecht, de gegevens van de zaak vrijelijk moet beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan voor het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen, maar dat hij daarbij geen rekening behoeft te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (beschikking Hof van 26 november 1985, zaak 318/82, Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 3727, en laatstelijk beschikking Gerecht van 7 juni 1995, zaak T-36/92 DEP, SFEI, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 33 en 34).
25 In casu wijst het Gerecht er in de eerste plaats op, dat de bestreden beschikkingen zijn vastgesteld na een op 19 april 1989 door Eco System bij de Commissie ingediende klacht, strekkende tot vaststelling dat Peugeot in strijd handelde met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag door Eco System te beletten op te treden als lasthebber voor rekening van Franse eindgebruikers die via haar Peugeot-auto' s wilden kopen.
26 In de tweede plaats herinnert het Gerecht eraan, dat de Commissie in haar eerste beschikking het treffen van voorlopige maatregelen heeft gemotiveerd met de op bewezen feiten gebaseerde vaststelling, dat zonder dergelijke voorlopige maatregelen aan de economische belangen van Eco System ernstige en onherstelbare schade dreigde te worden toegebracht.
27 In de derde plaats stelt het Gerecht vast, dat sommige vragen die in de betrokken zaken rezen, aanvankelijk ernstige uitleggingsproblemen opwierpen, met name het begrip schriftelijk gemachtigde tussenpersoon in de zin van artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85. In zoverre was het geding stellig van belang voor het communautaire mededingingsrecht, omdat dat begrip een wezenlijke rol speelt voor het waarborgen van de parallelle invoer en het openbreken van de nationale markten in het kader van een distributiestelsel voor motorvoertuigen, waarvoor een groepsvrijstelling is verleend.
28 Ofschoon de uitlegging van dat begrip problemen heeft opgeleverd, met name ten opzichte van het door een interpretatieve mededeling van de Commissie ingevoerde begrip met wederverkoop overeenstemmende activiteit, is toch de hoeveelheid werk die de contentieuze procedure voor de raadsman van Eco System kan hebben opgeleverd, niet bovenmatig geweest. Enerzijds immers waren de referenties naar de rechtspraak betreffende de methode van uitlegging van een bepaling als artikel 3, sub 11, en betreffende de verhouding tussen gemeenschapsnormen en interpretatieve handelingen gemakkelijk toegankelijk, anderzijds hebben de partijen in het debat over het begrip gemachtigd tussenpersoon in ruime mate gerefereerd aan het nationale recht, waarin de rechtsfiguur lasthebber van alle kanten is belicht. Voorts kan de raadsman van Eco System niet al te veel werk hebben gehad aan het bewijs van de feiten, aangezien deze niet bijzonder ingewikkeld waren.
29 Wel moet worden vastgesteld, dat het in dit geval, en anders dan in zaak T-2/93 (Air France, reeds aangehaald), waarnaar Peugeot uitdrukkelijk verwijst voor haar afwijzing van het door Eco System gevorderde bedrag, gegaan is om één procedure in kort geding en twee hoofdzaken.
30 Bij onderzoek van de dossiers blijkt evenwel, dat Eco System geen voor de oplossing van het geding beslissende argumenten heeft aangevoerd die wezenlijk afwijken van die welke in de memories van de Commissie voorkwamen. Bovendien zijn de wezenlijke punten van het betoog van Eco System over de aan het begrip gemachtigd tussenpersoon te geven uitlegging in zaak T-23/90 uiteengezet. In zoverre moet worden vastgesteld, dat de betrokken zaken een betrekkelijk repetitief karakter hadden. Zoals verzoekster zelf erkent, waren de problemen die in zaak T-9/92 aan de orde waren, reeds eerder ter sprake gekomen.
31 Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel, dat het bedrag aan invorderbare kosten in de zaken T-23/90 R, T-23/90 en T-9/92 in redelijkheid moet worden bepaald op 320 000 FF.
32 Aangezien het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot aan het tijdstip van deze vaststelling, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de kosten die partijen hebben gemaakt in verband met deze procedure tot begroting van de kosten (zie beschikking Air France, reeds aangehaald).
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer ° uitgebreid)
beschikt:
Het totale bedrag van de door Peugeot aan Eco System te vergoeden kosten wordt bepaald op 320 000 FF.
Luxemburg, 11 juli 1995.
Top