Avis juridique important
81/1030/EEG: Beschikking van de Commissie van 29 oktober 1981 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/29.839 - GVL) (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 370 van 28/12/1981 blz. 0049 - 0059
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 29 oktober 1981 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/29.839 - GVL) (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (81/1030/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met name op artikel 86,
Gelet op Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 (1), met name op artikel 3,
Gezien het verzoek van de Firma Interpar van 9 april 1979 en het verzoek van de uitvoerende kunstenaars Avory, Bennett, R. Davies, D. Davies, Marvin, Webb, Welch, Scarano en Skorsky van 12 september 1980, overeenkomstig artikel 3 van Verordening nr. 17 bij de Commissie ingediend met betrekking tot het gedrag van de Gesellschaft zur Verwertung von Leistungsschutzrechten te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,
Gezien het besluit van de Commissie van 25 augustus 1980 om in deze zaak een procedure in te leiden,
Gehoord de Gesellschaft zur Verwertung von Leistungsschutzrechten mbH conform artikel 19 van Verordening nr. 17 en conform Verordening nr. 99 van de Commissie van 25 juli 1963 (2),
Gezien het door het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities conform artikel 10 van Verordening nr. 17 op 17 juni 1981 uitgebrachte advies,
In overweging van het volgende:
DE FEITEN
Deze beschikking heeft betrekking op het gedrag van de Gesellschaft zur Verwertung von Leistungsschutzrechten mbH (hierna "GVL" te noemen), jegens uitvoerende kunstenaars die niet de Duitse nationaliteit bezitten en die niet hun vaste woonplaats hebben in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna "Duitsland" te noemen).
I. Organisatie van de GVL (1) De GVL, met zetel te Hamburg, is een Duitse exploitatiemaatschappij welke beoogt de rechten en aanspraken die voor uitvoerende kunstenaars, medescheppers van filmwerken (hierna "kunstenaars" te noemen), fabrikanten van beeld- en geluidsdragers en organisatoren voortvloeien uit het Duitse "Gesetz über Urheberrechte und verwandte Schutzrechte" (hierna Wet op de auteursrechten - afgekort WAR - te noemen) of aan fabrikanten en organisatoren zijn overgedragen, waar te nemen.
De GVL is de Duitse exploitatiemaatschappij voor "vertolkersrechten", d.w.z. rechten die (1) PB nr. 13 van 21.2.1962, blz. 204/62. (2) PB nr. 127 van 20.8.1963, blz. 2268/63. voortvloeien uit het weergeven van de creatieve prestatie van auteurs. De activiteiten van dergelijke exploitatiemaatschappijen zijn geregeld in het Duitse "Gesetz über die Wahrnehmung von Urheberrechten und verwandten Schutzrechten" (hierna "Waarnemingswet", afgekort "WahrnG", te noemen).
(2) De GVL is een gemeenschappelijke dochteronderneming van de "Deutsche Orchestervereinigung e.V.", te Hamburg, een belangenvertegenwoordiging van uitvoerende kunstenaars - voornamelijk musici - en de "Deutsche Landesgruppe der IFPI e.V." (International Federation of Producers of Phonograms and Videograms), te Hamburg, een belangenvertegenwoordiging van vervaardigers van beeld- en geluidsdragers. De Deutsche Orchestervereinigung e.V. en de Deutsche Landesgruppe der IFPI e.V. zijn de enige vennoten van de als vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ("GmbH") georganiseerde GVL.
II. De rechten van kunstenaars en fabrikanten volgens de Duitse wet op de auteursrechten
(3) De kunstenaar geniet conform artikel 73 WAR beschermende rechten die verwant zijn aan het auteursrecht. De artikelen 74, 75 en 76, lid 1, WAR geven aan de kunstenaar het recht, dat inhoudt dat zijn creatie alleen met zijn toestemming openbaar waarneembaar gemaakt, op beeld- of geluidsdrager opgenomen, gereproduceerd of per radio uitgezonden mag worden (eerste exploitatie). Deze toestemming wordt door de kunstenaar gewoonlijk slechts tegen een honorarium verleend.
(4) Daarnaast wordt aan de kunstenaar in de artikelen 76, lid 2, en 77 WAR een wettelijke aanspraak op vergoeding verleend, wanneer de creatie die met zijn toestemming op beeld- of geluidsdrager is opgenomen, vervolgens per radio wordt uitgezonden of op andere wijze openbaar waarneembaar wordt gemaakt (tweede exploitatie). Daarenboven heeft de kunstenaar nog een aanspraak op vergoeding jegens de vervaardiger van reproduktieapparaten - apparatenheffing - uit hoofde van artikel 53, lid 5, WAR.
(5) Indien de creatie van de kunstenaar met zijn toestemming op beeld- of geluidsdrager is opgenomen en deze is verschenen, kan hij een radiouitzending of een openbare weergave van deze drager niet meer op grond van zijn beschermde rechten verhinderen.
(6) De vervaardiger van geluidsdragers - hierna "fabrikant" te noemen - heeft zijnerzijds, ten aanzien van de aanspraken van de kunstenaar op vergoeding uit de tweede exploitatie, conform artikel 86 WAR een aanspraak jegens de kunstenaar op een redelijk aandeel in deze vergoeding. Fabrikant en kunstenaar hebben derhalve gelijkelijk belang bij de vergoeding uit de tweede exploitatie. Voor zover het gaat om de verwezenlijking van deze aanspraken tegenover de vergoedingsplichtigen (radio-omroep, theaters, horecabedrijven, enz.) lopen hun belangen parallel. Een tegenstelling tussen hun belangen ontstaat eerst wanneer de vergoeding is betaald en het vervolgens gaat om het "redelijke aandeel van de fabrikant".
III. De rechten van kunstenaars en fabrikanten in andere Lid-Staten en in de Overeenkomst van Rome
(7) Een toestemmingsrecht van de kunstenaar bij de eerste exploitatie treft men in alle Lid-Staten aan, maar vergelijkbare wettelijke vergoedingsaanspraken bij de tweede exploitatie bestaan slechts in enkele Lid-Staten.
(8) In Denemarken en Italië worden aan fabrikanten van geluidsdragers en aan kunstenaars wettelijke aanspraken op vergoeding toegekend bij de openbare weergave en radiouitzendingen. In het Verenigd Koninkrijk en in Ierland bestaat slechts voor de fabrikanten van geluidsdragers een wettelijk verbodsrecht tegen weergave in het openbaar zonder toestemming. De kunstenaars delen via collectieve overeenkomsten mee met de fabrikanten van de geluidsdragers in hun inkomsten uit openbare uitvoering. Griekenland kent tot dusver alleen aan kunstenaars wettelijke aanspraken op vergoeding toe, echter niet aan fabrikanten van geluidsdragers. In Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk bestaat momenteel nog geen wetgeving inzake aanspraken op vergoeding uit de tweede exploitatie. In de praktijk vindt men echter in België en Nederland contractuele afspraken over vergoedingsbetalingen bij de tweede exploitatie tussen de Belgische resp. Nederlandse fabrikanten van geluidsdragers en de betrokken radio-omroepinstellingen van de staat, in Frankrijk treft men althans bij een deel van de bestaande radio-omroepinstellingen dergelijke vergoedingscontracten aan. De betrokken kunstenaarsverenigingen nemen hunnerzijds aan deze vergoedingsbetalingen via collectieve overeenkomsten met de fabrikanten van geluidsdragers deel.
(9) De internationale overeenkomst inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, fabrikanten van geluidsdragers en omroepondernemingen van 26 oktober 1961 (Overeenkomst van Rome) legt in artikel 12 de overeenkomstsluitende Staten de verplichting op ervoor te zorgen dat de gebruiker van gepubliceerde geluidsdragers voor de radiouitzending of enige andere openbare uitvoering aan de fabrikanten van de geluidsdragers of aan de kunstenaars, of aan beiden, een eenmalige redelijke vergoeding betaalt.
(10) Deze Overeenkomst van Rome is echter tot dusver nog niet door alle Lid-Staten geratificeerd. Duitsland heeft bij de ratificatie het voorbehoud gemaakt dat het "voor geluidsdragers welker fabrikant onderdaan van een andere overeenkomstsluitende Staat is, de omvang en de duur van de bescherming voor fabrikant en kunstenaar beperkt tot de omvang en de duur van de bescherming welke deze Staat de geluidsdragers verleent welke voor het eerst door een Duits onderdaan zijn geproduceerd".
(11) De hierboven (randnummers 3 tot 6) beschreven beschermende rechten komen in beginsel ook toe aan kunstenaars van buitenlandse nationaliteit, onafhankelijk van hun woonplaats. Voor zover het niet gaat om kunstenaars die de nationaliteit hebben van een land dat de overeenkomst van Rome heeft geratificeerd, geeft artikel 125 van de WAR deze buitenlander dezelfde rechten als Duitse kunstenaars, wanneer zijn uitvoering in Duitsland plaatsvindt of - indien zij, met zijn toestemming op beeld of geluidsdrager is opgenomen - deze beeld- of geluidsdragers in Duitsland zijn verschenen. Deze buitenlandse kunstenaars genieten ook bij radiouitzendingen dezelfde rechten als Duitse, wanneer de uitzendingen in Duitsland hebben plaatsgevonden.
IV. De regeling in de Waarnemingswet
(12) Volgens artikel 1 WahrnG moet een ieder die gebruiksrechten, toestemmingsrechten of vergoedingsaanspraken op grond van de wet inzake auteursrechten voor rekening van meerdere auteurs of eigenaren van verwante beschermde rechten tot gemeenschappelijke exploitatie waarneemt, vergunning hebben van de staat, ongeacht of de waarneming in eigen dan wel andermans naam plaatsvindt. Men kan recht doen gelden op deze vergunning, indien aan bepaalde voorwaarden voor de waarnemingstaak is voldaan.
(13) De waarnemingswet geeft de exploitatiemaatschappijen geen juridisch monopolie ; de oprichting van "concurrerende" exploitatiemaatschappijen is rechtens zeer wel mogelijk.
(14) De exploitatiemaatschappijen die op grond van de waarnemingswet zijn toegelaten moeten de inkomsten uit hun werk volgens vaste regels verdelen.
(15) Overeenkomstig artikel 11 WahrnG moet de exploitatiemaatschappij op grond van de door haar waargenomen rechten een ieder op verzoek tegen redelijke voorwaarden gebruiksrechten dan wel toestemming verlenen (afsluitingsdwang).
(16) Artikel 6 WahrnG verplicht daarentegen de exploitatiemaatschappij de tot haar arbeidsterrein behorende rechten en aanspraken op verzoek van de rechthebbenden tegen redelijke condities waar te nemen, wanneer dezen Duitsers zijn in de zin van de grondwet, of hun woonplaats binnen het toepassingsgebied van het Wahrnehmungsgesetz hebben en een effectieve waarneming van de rechten of aanspraken anders niet mogelijk is (waarnemingsdwang).
(17) Op de nakoming van deze wettelijke verplichtingen en de werkzaamheden van exploitatiemaatschappijen houdt het Duitse Patentamt toezicht (artikel 18 e.v. WahrnG).
V. De positie van de GVL in Duitsland
(18) De GVL is de enige exploitatiemaatschappij die zich in Duitsland met de waarneming van beschermde prestatierechten bezighoudt. De andere in Duitsland bestaande exploitatiemaatschappijen nemen elk andere beschermde rechten waar.
(19) Volgens de wet inzake auteursrechten kunnen bepaalde rechten van auteurs, kunstenaars of fabrikanten alleen via exploitatiemaatschappijen geldend worden gemaakt. Dit geldt bij voorbeeld voor de hierboven (randnummer 4) genoemde aanspraak op vergoeding jegens de fabrikant van reproduktieapparaten volgens artikel 53, lid 5, WAR (apparatenheffing).
(20) Om juridische redenen, voor zover het de apparatenheffing betreft, en ook om feitelijke redenen in verband met de aanspraken op vergoeding uit de tweede exploitatie, is voor de kunstenaars zelf een effectieve waarneming van deze rechten practisch onmogelijk. Een poging daartoe zou alleen reeds moeten mislukken omdat de kunstenaar individueel niet in staat zou zijn om in concreto na te gaan en te bewijzen of, wanneer, door wie en hoe dikwijls, zijn prestatie wordt uitgezonden of op andere wijze openbaar waarneembaar zou worden gemaakt. Bovendien zou hij als economisch zwakkere individuele persoon met een groot aantal economisch sterke gebruikers (b.v. radio-omroepinstellingen) contractuele verbintenissen moeten aangaan, jegens welke hij slechts een aanspraak op een redelijke vergoeding, maar geen aanspraak op het verbieden van het gebruik van zijn prestatie heeft.
VI. De waarneming van de rechten uit de tweede exploitatie door de GVL
1. De waarnemingscontracten
(21) Voor het waarnemen van de rechten uit de tweede exploitatie sluit de GVL z.g. "waarnemingscontracten" met de fabrikanten en de kunstenaars. Volgens artikel 1 van de waarnemingscontracten met de kunstenaars draagt de gerechtigde de GVL tot waarneming uit eigen naam alle hem thans toekomende en gedurende de looptijd van de overeenkomst toevallende beschermde prestatierechten, alsmede verbods-, vernietigings- en schadevergoedingsaanspraken over.
(22) Deze overdracht van rechten omvat met name de aanspraak op betaling van een vergoeding, wanneer de op de markt gebrachte beeld- of geluidsdragers door de radio zijn uitgezonden of op andere wijze openbaar waarneembaar worden gemaakt, alsmede de aanspraak op de apparatenheffing.
(23) Daartegenover verplicht de GVL zich, de geïnde vergoedingen, de voor de belegde bedragen tot de verdeling gecumuleerde interesten en alle andere opbrengsten volgens een door haar opgesteld verdelingsplan, na aftrek van de nodige administratiekosten, die ongeveer 5 tot 10 % van de inkomsten van de GVL uitmaken, aan de respectieve rechthebbenden uit te betalen.
(24) In de praktijk draagt de individuele kunstenaar bij prestaties op geluidsdragers zijn aanspraken dikwijls niet aan de GVL over, maar zorgen gewoonlijk de fabrikanten van de geluidsdragers zelf voor de verkrijging van alle benodigde rechten en derhalve ook de rechten van de kunstenaar uit de tweede exploitatie. De fabrikanten dragen vervolgens hunnerzijds de hun door de kunstenaars overgedragen rechten aan de GVL over. Op grond van deze overeenkomst tussen fabrikant en GVL hebben de kunstenaars een directe aanspraak op betaling jegens de GVL (contract ten gunste van derden). Kunstenaars die met de GVL een waarnemingscontract hadden gesloten, zonder hun beschermende rechten aan de fabrikanten te hebben overgedragen (b.v. bij eigen radioprodukties in Duitsland), ontvangen de hun toekomende vergoedingen rechtstreeks van de GVL.
(25) Voor zover buitenlandse fabrikanten van geluidsdragers gebruiksrechten voor Duitsland te bieden hebben, dragen zij hun rechten over aan hun binnenlandse vertegenwoordigers of licentienemers, die vervolgens door de GVL als aanbieders van rechten voor de tweede exploitatie met de binnenlandse fabrikanten van geluidsdragers worden gelijkgesteld.
2. De gebruikscontracten
(26) De GVL heeft met de gebruikers van geluidsdragers die volgens het auteursrecht vergoedingsplichtig zijn (radio-omroepinstellingen, radioreclamemaatschappijen, theaters, discotheken, verenigingen van horecabedrijven e.d.) contracten gesloten waarin de gebruikers het recht wordt verleend de geluidsdragers te gebruiken, waarvan het merk door de fabrikanten aan de GVL is genoemd en die zich in Duitsland in het verkeer bevinden. Daartoe maakt de GVL de door haar vertegenwoordigde merken en de fabrikanten bekend en stelt zij haar contractpartners van alle aanspraken van auteursrechtelijke aard vrij, die uit hoofde van het gebruik van geluidsdragers welker merken door GVL worden vertegenwoordigd, door kunstenaars, fabrikanten en organisatoren geldend zouden kunnen worden gemaakt (artikel 5 van de geluidsdragers-zendovereenkomst).
(27) Aangezien hetzij de kunstenaars en/of de fabrikanten resp. de binnenlandse licentienemers van buitenlandse fabrikanten (b.v. importeurs, verkoopmaatschappijen enz.) met de GVL waarnemingscontracten hebben gesloten, is de GVL in staat de gebruikers van geluidsdragers praktisch het gehele "wereldrepertoire" van op geluidsdragers opgenomen produkten aan te bieden voor zover in Duitsland verschenen. Daaronder bevindt zich een groot aantal uitvoeringen van buitenlandse kunstenaars.
(28) Voor het gebruik van deze geluidsdragers betalen de gebruikers, om te voldoen aan hun verplichtingen op grond van de artikelen 76, lid 2, en 77 WAR volgens een individueel door GVL opgestelde sleutel, forfaitaire jaarlijkse bedragen aan de GVL.
3. Inkomsten uit de apparatenheffing
(29) De vergoeding voor de reproduktie voor persoonlijk gebruik - apparatenheffing - wordt door de Zentralstelle für Private Überspielungsrechte (ZPU), die daartoe van de GVL opdracht heeft gekregen en als vennoot in de GVL deelneemt, bij de fabrikanten resp. importeurs van reproduktieapparaten geïnd. De GVL ontvangt van dit geïnde vergoedingsbedrag dat niet meer mag bedragen dan 5 % van de door de fabrikanten (importeurs) van deze apparaten ontvangen verkoopprijs - na aftrek van de administratiekosten van ZPU - een aandeel van 42 %. Deze bedragen worden opgenomen in het aan kunstenaars en fabrikanten door GVL uit te keren totaalbedrag.
4. De verdeling van de inkomsten van de GVL
(30) De verdeling van de GVL-inkomsten geschiedt aan de hand van ieder jaar opgestelde verdelingsschema's. In beginsel bestaan daarbij de vergoedingen aan de kunstenaars enerzijds en de fabrikanten anderzijds uit een gelijk bedrag.
(31) De uitkering aan de kunstenaars geschiedde tot en met het afrekeningsjaar 1979 in concreto in verhouding tot de door de kunstenaars in het betrokken kalenderjaar in Duitsland ontvangen honoraria uit de eerste exploitatie van de uitvoering. De kunstenaar die een aanspraak op deze uitkering had, moest zijn in Duitsland ontvangen honoraria voor een artistieke werkzaamheid aan radio- en grammofoonplatenopnamen in het betrokken kalenderjaar op een formulier opgeven en aantonen. Hoe hoger het honorarium was dat een kunstenaar in Duitsland uit de eerste exploitatie had ontvangen, hoe hoger ook zijn aandeel werd in de door de GVL uit te keren vergoeding uit de tweede exploitatie, waarbij weliswaar alleen degressief met de honoraria rekening werd gehouden.
(32) GVL heeft met ongeveer twintigduizend gerechtigden waarnemingscontracten gesloten. Aangezien echter niet al deze gerechtigden jaarlijks honorarium voor de eerste exploitatie ontvangen en niet steeds ieder jaar hun aanspraken bij de GVL aanmelden, keert de GVL de ontvangen vergoedingsbedragen jaarlijks aan gemiddeld slechts ongeveer 10 000 gerechtigden uit. In 1980 werd door de GVL volgéns haar opgaven in totaal ongeveer ... DM ontvangen.
VII. Het gedrag van GVL jegens buitenlandse kunstenaars
(33) De GVL weigerde tot 21 november 1980 met buitenlandse kunstenaars zonder woonplaats in Duitsland - ongeacht of het al dan niet kunstenaars uit Lid-Staten van de EEG betrof - waarnemingscontracten te sluiten of op andere wijze hun in Duitsland bestaande beschermde prestatierechten waar te nemen. Zij betwistte daarbij niet dat buitenlandse kunstenaars rechten op vergoeding uit de tweede exploitatie in Duitsland kunnen doen gelden. GVL wees er de buitenlandse kunstenaars, wanneer zij bij haar een aanvraag om het sluiten van een waarnemingscontract indienden, echter op, dat zij uitsluitend waarnemingscontracten sloot met gerechtigden die Duitser zijn of hun woonplaats in Duitsland hebben.
(34) De vennotenvergadering van GVL heeft op 21 november 1980 besloten, voortaan ook met gerechtigde kunstenaars die de nationaliteit van een EEG Lid-Staat bezitten waarnemingscontracten te sluiten, zonder daaraan de voorwaarde te verbinden dat deze buitenlandse kunstenaars een woonplaats in Duitsland moeten aantonen. Bovendien wordt volgens dit besluit de gerechtigden uit andere EEG Lid-Staten, aan wie GVL in individuele gevallen de waarneming van hun rechten had geweigerd, met terugwerkende kracht de mogelijkheid gegeven om in de opbrengst van de vergoedingen te delen.
(35) Volgens dit nieuwe waarnemingsbeleid van GVL kwamen de voor de uitzending, de openbare uitvoering, de verhuur en de reproduktie ontvangen vergoedingen onder kunstenaars naar verhouding van de door hen in het betrokken boekjaar uit de eerste exploitatie ten aanzien van het binnenland, d.w.z. van Duitsland, toerekenbare inkomsten in aanmerking voor verdeling (§ 2 lid 4a van de nieuwe statuten). Dientengevolge behoeft het honorarium uit de eerste exploitatie niet meer in Duitsland te zijn betaald, maar dient ook een in het buitenland uitgekeerd honorarium na aanmelding door de kunstenaar in zoverre als maatstaf voor de berekening, dat een deel van dit honorarium kan worden toegerekend aan de exploitatie van de uitvoering in Duitsland. De buitenlandse kunstenaar deelt dan voor het percentage van dit honorariumgedeelte in de uitkering van de vergoeding.
(36) Aan deze gewijzigde berekeningsmaatstaf is, om tot een evenwichtig resultaat te komen, de voorwaarde verbonden dat de honorariumplichtige uit de eerste exploitatie, dat is gewoonlijk de fabrikant, nauwkeurig is ingelicht over de verkooproute die de geluidsdragers hebben gevolgd. Alleen wanneer de honorariumplichtige weet in welke omvang de in het buitenland vervaardigde geluidsdragers Duitsland zijn binnengekomen, is hij in staat het honorariumgedeelte dat betrekking heeft op Duitsland vast te stellen. Bij de berekening van het aandeel blijven derhalve geluidsdragers die buiten de bij de fabrikant bekende verkooproute om in Duitsland komen, buiten beschouwing.
VIII. Het standpunt van de GVL
(37) GVL heeft steeds erkend dat haar weliswaar rechtens niets in de weg staat om voor buitenlanders zonder woonplaats in Duitsland op te treden, maar toch steeds volgehouden dat zij daartoe rechtens niet verplicht is.
(38) Uit het Gemeenschapsrecht is volgens GVL zulk een verplichting niet af te leiden, omdat de beperking van het waarnemingswerk tot kunstenaars van Duitse nationaliteit of met een woonplaats in Duitsland (binnenlandse relatie) voortvloeit uit de niet-uniforme, onoverzichtelijke rechtssituatie die heerst bij de erkenning van beschermde rechten inzake prestaties. De binnenlandse relatie levert in zoverre volgens GVL een objectief gerechtvaardigde voorwaarde voor waarneming op. Aangezien de Duitse kunstenaars momenteel nog geen mogelijkheid tot exploitatie van hun beschermde rechten in het buitenland bezitten, acht zij het gerechtvaardigd buitenlanders zonder binnenlandse relatie van de deelname in de opbrengst van de vergoedingen uit te sluiten.
(39) Bovendien vindt GVL dat zij als dienstverlenende onderneming van algemeen economisch belang moet worden beschouwd, en haar waarnemingsmonopolie met het beheersmonopolie in de zin van artikel 900, lid 2, EEG-Verdrag te vergelijken zou zijn, terwijl haar taakvervulling bij een waarnemingsdwang voor buitenlanders zonder Duitse woonplaats in feite zou worden verhinderd.
(40) Daar zou volgens GVL nog bijkomen dat de ordening van de eigendom in de Lid-Staten volgens artikel 222 van het EEG-Verdrag onverlet blijft, maar de specifieke regeling van de Duitse beschermde rechten inzake prestaties en het Duitse waarnemingssysteem een bestanddeel vormt van de eigendomsordening in Duitsland.
(41) GVL erkent dat een verdeling van de vergoeding aan de hand van de uitzendfrequentie of de uitzendings- en weergaveduur van de uitvoering de methode zou zijn die het meest recht zou doen aan het principe van een redelijke vergoeding in de zin van de Duitse auteurswet. GVL acht zich echter om praktische redenen niet in staat, zulk een berekeningsmethode toe te passen. Zo zouden aan GVL door de omroepondernemingen niet de nodige inlichtingen ter beschikking worden gesteld. Bovendien kan GVL om redenen van rentabiliteit niet verantwoorden dat zij bij een te verdelen totaal van meer dan ... DM en ongeveer 20 000 potentiële gerechtigden zou nagaan welke uitvoering van welke kunstenaar hoelang in Duitsland jaarlijks door de radio zou zijn uitgezonden. Voorts zijn bij een uitzending dikwijls meerdere uitkeringsgerechtigde kunstenaars in verschillende mate betrokken (bijv. orkest, dirigent en andere artistieke medewerkers), zodat een berekening van de vergoeding aan de hand van de duur van de uitzending weliswaar toe te juichen, maar praktisch voor GVL onuitvoerbaar zou zijn. De inkomsten van GVL zouden slechts voor ongeveer 60 % uit de uitzendvergoeding bestaan, d.w.z. afkomstig zijn van de radio-omroepinstellingen. Het overige deel zou zijn samengesteld uit inkomsten uit de publieke uitvoering in horecabedrijven, discotheken enz. en uit de apparatenheffingen. Voor dat gedeelte is volgens GVL een "weergavefrequentie" of een "weergaveduur" in het geheel niet vast te stellen.
JURIDISCHE BEOORDELING
TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 86 VAN HET EEG-VERDRAG
(42) Volgens artikel 86 is het onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan.
A. Gedrag tot 21 november 1980
1. De GVL als onderneming
(43) De GVL is een onderneming in de zin van artikel 86. Door de verstrekking tegen betaling van op geluidsdragers opgenomen prestaties van uitvoerende kunstenaars aan radio-instellingen, theaters, horecabedrijven, discotheken en andere muziekgebruikers en door de waarneming van de beschermde rechten en aanspraken die de kunstenaars en vervaardigers toekomen, oefent zij een ondernemersactiviteit uit, die uit dienstverlening bestaat zowel jegens de beschermingsgerechtigden als jegens de vergoedingsplichtige gebruikers van geluidsdragers. GVL neemt daarmee deel aan de economische uitwisseling van prestaties en valt derhalve onder de norm van artikel 86.
(44) Dat enig winstoogmerk ontbreekt, is voor het begrip "onderneming" in artikel 86 irrelevant ; ook ondernemingen "ten algemenen nutte" vallen onder het verbod van misbruiken in artikel 86. Dit is door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 27 maart 1974 in zaak 127/74 (BRT II, JUR. blz. 313 e.v.) bevestigd.
2. De machtspositie van GVL
(45) Als markt die, wat het object en de ligging betreft, relevant is ten aanzien van de activiteiten van GVL, moet de dienstenmarkt voor de waarneming van rechten uit tweede exploitatie van uitvoerende kunstenaars en fabrikanten in Duitsland worden beschouwd, welke nauwkeurig van de markten voor andere exploitatiemaatschappijen kan worden afgebakend. GVL is de enige maatschappij die zich met de waarneming van deze rechten uit tweede exploitatie in Duitsland bezighoudt ; zij heeft geen concurrentie. De monopoliepositie van GVL in Duitsland, dat een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt uitmaakt, berust niet op de juridische, maar op de feitelijke omstandigheden.
3. Het misbruik van de machtspositie in de zin van artikel 86, eerste alinea
(46) Het verbod van misbruiken in artikel 86, eerste alinea, moet, blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie worden beoordeeld in het kader en met inachtneming van de in het EEG-Verdrag algemeen vastgestelde principes. Een van deze principes is neergelegd in artikel 7 van het EEG-Verdrag, volgens hetwelk elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is. Een ongelijke behandeling op grond van nationaliteit door een onderneming met een machtspositie op de markt moet derhalve gewoonlijk zonder meer als inbreuk op artikel 86 worden beschouwd (zie mede arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1974 in zaak 155/73, Sacchi, Jr. 1974, blz. 409).
(47) De weigering van GVL om als houdster van een feitelijk monopolie, met buitenlandse kunstenaars zonder woonplaats in Duitsland waarnemingscontracten te sluiten, betekent een discriminatie op grond van nationaliteit en derhalve een misbruik in de zin van artikel 86. Dit geldt te meer omdat deze buitenlandse kunstenaars op het optreden van GVL waren aangewezen, dienaangaande niet naar andere exploitatiemaatschappijen konden uitwijken, en door deze weigering in hun financiële positie tegenover Duitse en binnenlandse kunstenaars werden benadeeld, en omdat deze weigering ertoe leidde dat de buitenlandse kunstenaars de hun toekomende rechten niet geldend konden maken.
4. Discriminatie in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub c)
(48) Bovendien valt het gedrag van GVL ook nog onder het speciale discriminatieverbod van artikel 86, tweede alinea, sub c), omdat GVL om redenen die niet met de prestatie samenhangen handelspartners ongelijk heeft behandeld.
a) De buitenlandse kunstenaars als handelspartners
(49) De kunstenaars in het algemeen nemen doordat hun prestaties op geluidsdragers worden opgenomen, door de radio worden uitgezonden of op andere wijze in Duitsland openbaar waarneembaar worden gemaakt en doordat hun daarvoor honoraria en vergoedingen worden betaald, aan het economische leven deel. De uitwisseling van prestaties ("handel") in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub c), tussen kunstenaars en GVL geschiedt doordat de prestatie van GVL, te weten de waarnemingswerkzaamheid, slechts tegen "betaling", d.w.z. het beheersaandeel van GVL in de geïnde vergoeding, plaatsvindt. Beslissend is daarbij dat de uit dienstverlening bestaande werkzaamheid van GVL staat tegenover een materiële tegenprestatie van de kunstenaars. De kunstenaars zijn derhalve de "natuurlijke" handelspartners van GVL.
(50) Anderzijds is ook GVL de "natuurlijke" handelspartner van de kunstenaars, want hun aanspraak op vergoeding kan practisch alleen door GVL worden gerealiseerd. Beiden, GVL zowel als de kunstenaars, zijn op elkaar aangewezen : het zakelijk oogmerk van GVL is gelegen in de waarneming van de vergoedingsaanspraken der kunstenaars, de kunstenaars kunnen zonder GVL deze aanspraken, hun rechten uit tweede exploitatie, niet verwerkelijken.
Daartegen kan niet worden ingebracht dat de buitenlandse kunstenaars geen handelspartners van GVL zouden zijn geweest omdat GVL met hen geen waarnemingscontracten zou hebben gesloten.
(51) Een onderneming met een machtspositie op de markt kan niet met het betoog dat het criterium "handelspartner" ontbreekt het verwijt van discriminatie afwijzen, door een deel van de natuurlijke handelspartners door het stellen van een extra conditie niet tot werkelijke handelspartners te laten worden.
De buitenlandse kunstenaars zouden zich door hun gedrag, te weten het kiezen van een woonplaats in Duitsland, automatisch tot feitelijke handelspartners van GVL kunnen maken. Daaruit blijkt dat ook de buitenlandse kunstenaars "handelspartners" in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub c), waren en slechts door de door GVL algemeen aan deze groep gestelde conditie van een woonplaats in Duitsland werden verhinderd ook in feite handelspartner van GVL te worden.
b) De ongelijke behandeling
(52) GVL heeft tot 21 november 1980 buitenlandse kunstenaars ten opzichte van Duitse ook ongelijk behandeld door aan de eerstgenoemde bij haar waarnemingswerkzaamheid het extra vereiste - de woonplaats in Duitsland - te stellen, dat GVL niet aan Duitse kunstenaars stelde. Het gedrag van GVL bestond derhalve niet in een geïndividualiseerde prestatieweigering jegens individuele buitenlandse kunstenaars, maar in het stellen van een extra, algemene voorwaarde aan buitenlandse kunstenaars. Ingeval buitenlandse kunstenaars aan deze voorwaarde voldeden, was GVL bereid met hen waarnemingscontracten te sluiten. In zoverre heeft GVL jegens haar handelspartners algemeen ongelijke voorwaarden toegepast.
c) Gelijkwaardige prestatie
(53) Wil van een discriminatieverbod in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub c), sprake zijn, dan moeten er bovendien gelijkwaardige prestaties van de betrokken handelspartners aanwezig zijn. De buitenlandse kunstenaars bieden, evenals de Duitse en de in Duitsland wonende buitenlandse kunstenaars, de GVL hun bestaande beschermde rechten in Duitsland ter waarneming aan. De prestatie van de buitenlandse kunstenaars, te weten de overdracht van hun in Duitsland bestaande beschermde prestatierechten aan de GVL, is dezelfde als de prestatie van de Duitse en de binnenslands woonachtige kunstenaars. Het moge zo zijn dat voor buitenlandse kunstenaars het bewijs van hun in Duitsland bestaande rechten moeilijker is dan voor Duitse en binnenslands woonachtige kunstenaars. Dit verandert echter niets aan de objectieve prestatie van de buitenlandse kunstenaars, welke zich, wanneer het bestaan van beschermde rechten in Duitsland is aangetoond, in niets van die van Duitse en in Duitsland woonachtige kunstenaars onderscheidt.
De door de buitenlandse kunstenaars aan de GVL aangeboden prestatie is derhalve "gelijkwaardig" in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub c).
5. Benadeling van de buitenlandse kunstenaars in de concurrentie
(54) Er bestaat tussen kunstenaars ten aanzien van hun prestaties mededinging op de Duitse markt en op die in de andere Lid-Staten. Iedere kunstenaar heeft er speciaal belang bij dat zijn prestatie zo vaak mogelijk door de radio wordt uitgezonden of anderszins openbaar wordt weergegeven en dat de geluidsdrager met zijn prestatie in een groot aantal exemplaren wordt verkocht.
(55) Door het differentiërende gedrag van de GVL werden de buitenlandse kunstenaars zonder woonplaats in Duitsland in deze mededinging tussen kunstenaars in het nadeel gebracht. De buitenlandse kunstenaars die voor hun prestaties in Duitsland geen vergoeding uit de tweede exploitatie hebben ontvangen, hoewel zij daarop aanspraak hebben, leden materieel nadeel ten opzichte van de Duitse kunstenaars of buitenlandse kunstenaars met woonplaats in Duitsland. Deze door het gedrag van de GVL begunstigde groepen van gerechtigden werden daarentegen in hun economische positie versterkt. Daardoor kregen zij een economische voorsprong op buitenlandse deelnemers aan de markt die van invloed kon zijn op de mededinging met de laatstgenoemden. Want juist ook bij kunstenaars zijn zelfs financiële benadelingen van betrekkelijk geringe omvang sterk van invloed op hun ondernemerspositie op de markt.
6. Afwezigheid van rechtvaardigingsgronden
(56) Het toepassen van ongelijke voorwaarden door GVL, bij gelijkwaardige prestaties van de buitenlandse kunstenaars, vormt alleen geen misbruik, wanneer voor dit gedrag objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn (zie beschikking van de Commissie van 17 december 1975, PB nr. L 95 van 9 april 1976, blz. 1 - Chiquita).
(57) Het voornaamste argument van GVL tegen een waarnemingsverplichting jegens buitenlandse kunstenaars en het betoog tot rechtvaardiging van haar gedrag - ook na wijziging van haar waarnemingspraktijk - zijn gegrond op de niet uniforme en onoverzichtelijke rechtssituatie bij de erkenning van beschermde prestatierechten binnen de Gemeenschap.
(58) De Commissie beseft welke moeilijkheden voor kunstenaars, exploitatiemaatschappijen en andere verenigingen die willen zorgen voor een vergoeding aan de kunstenaars en de fabrikanten bij de tweede exploitatie, voortvloeien uit de uiteenlopende rechtssituatie binnen de Gemeenschap. Zij is zich ervan bewust dat tot dusver slechts in enkele Lid-Staten wettelijke vergoedingsaanspraken voor fabrikanten en kunstenaars worden erkend en dat de overige Lid-Staten dergelijke wettelijke rechten hetzij alleen voor. kunstenaars of alleen voor fabrikanten, hetzij in het geheel niet kennen. In de landen zonder wettelijke beschermende rechten bestaan echter gewoonlijk contractuele afspraken zodat in bijna alle Lid-Staten uiteindelijk kunstenaars en fabrikanten vergoedingen voor de tweede exploitatie ontvangen.
(59) Hoezeer het ook te wensen moge zijn dat er een uniforme rechtssituatie bij de tweede exploitatie binnen de Gemeenschap ontstaat, toch kan deze gedifferentieerde rechtssituatie geen rechtvaardiging opleveren voor een gedrag waardoor kunstenaars zelfs de mogelijkheid wordt ontnomen hun rechten in een andere Lid-Staat te doen gelden. GVL heeft door haar weigering een hindernis opgeworpen voor de kunstenaars, die bij de tweede exploitatie van hun prestaties een vergoeding willen verkrijgen.
(60) Ook het betoog van GVL dat een waarnemingsdwang ten behoeve van buitenlandse kunstenaars discriminatie zou opleveren jegens Duitse kunstenaars die in het buitenland geen aanspraken op vergoeding bezitten, kan niet worden overgenomen. Een waarnemingsverplichting op grond van de concurrentieregels gaat uit van vergoedingsaanspraken van buitenlandse kunstenaars uit de tweede exploitatie in Duitsland.
Zulk een waarnemingsverplichting zou ook vergelijkbare andere ondernemingen met een machtspositie op de markt in andere Lid-Staten treffen, indien Duitse kunstenaars in deze Lid-Staten vergoedingsaanspraken bezitten of indien Duitse kunstenaars door deze ondernemingen jegens andere kunstenaars op grond van hun nationaliteit zouden worden gediscrimineerd. Een aan GVL opgelegde waarnemingsdwang jegens buitenlandse kunstenaars zou derhalve geen discriminatie opleveren jegens Duitse kunstenaars, maar zorgt eerst voor de gelijke behandeling van alle kunstenaars wier prestaties in Duitsland zijn verschenen.
7. Invloed op de handel tussen Lid-Staten
(61) Het misbruik van de machtspositie door de GVL leidt er bovendien toe dat de handel tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed.
(62) Onder "handel" in de zin van de concurrentieregels moeten alle commerciële en economische activiteiten, met inbegrip van de verrichting van diensten, worden verstaan. (Zie arrest van het Hof van Justitie in de zaak Sacchi). Het gaat er in dat verband alleen om of het gedrag van GVL rechtstreeks of indirect de vrije handel of het vrije verkeer van diensten tussen Lid-Staten in gevaar kan brengen op een wijze die nadelig kan zijn voor de verwerkelijking van de doelstellingen van één enkele markt tussen de Staten (zie arrest van het Hof van Justitie van 13 juli 1966 - Grundig/Consten, JUR. 1966, blz. 449).
(63) Door de weigering van de GVL, voor buitenlanders zonder woonplaats in Duitsland, maar met woonplaats in één der Lid-Staten, de exploitatie van hun rechten in Duitsland op zich te nemen, werd de totstandkoming van één enkele markt voor diensten in de Gemeenschap belemmerd. Deze buitenlanders konden in tegenstelling tot Duitsers geen beroep doen op de diensten van GVL. Daardoor werd grensoverschrijdend dienstenverkeer, zoals zich dat zonder de weigering van GVL zou hebben ontwikkeld, binnen de Gemeenschap verhinderd. Deze ongunstige beïnvloeding van het dienstenverkeer was bovendien merkbaar, aangezien een groot aantal buitenlandse gerechtigden belemmerd werd in de waarneming van hun rechten.
Het gaat er daarbij niet om dat GVL haar activiteiten beperkte tot het gebied van één Lid-Staat. Zoals de Commissie in een aantal beschikkingen heeft vastgesteld, kan een overeenkomst of een gedraging die slechts op één Lid-Staat betrekking heeft leiden tot een ongunstige beïnvloeding van de handel wanneer er handelspartners in andere Lid-Staten van deze overeenkomst of de voordelen van deze gedraging worden uitgesloten (Beschikking van 29 december 1970 - Ceramische tegels (PB nr. L 10 van 13 januari 1971, blz. 15) en van 23 juli 1974 - Behangselpapier in België (PB nr. L 237 van 29 augustus 1974, blz. 3)). In het onderhavige geval kan er geen enkele twijfel bestaan aan de rechtstreekse ongunstige beïnvloeding van de handel bij de discriminatie van buitenlandse kunstenaars met woonplaats in een andere Lid-Staat. Deze discriminatie had namelijk tot gevolg dat er kunstmatige barrières werden opgericht in het dienstenverkeer tussen GVL als dienstverlener in Duitsland en de buitenlandse kunstenaars als afnemers van diensten in een andere Lid-Staat, d.w.z. voor de economische betrekkingen tussen Lid-Staten.
(64) Bovendien werden de buitenlandse kunstenaars door de financiële benadeling ook in hun grensoverschrijdende concurrentiesituatie getroffen. Deze benadeling kon de buitenlandse kunstenaars tegenover de begunstigde Duitse en binnenlandse kunstenaars met wie zij in de Gemeenschap met hun prestaties in concurrentie stonden, in een ongunstige situatie plaatsen en daardoor het economisch verkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden.
NIET TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 90 VAN HET VERDRAG
(65) De ondernemingen belast met het verrichten van diensten van algemeen economisch belang vallen volgens artikel 90, lid 2, alleen onder de regels van het EEG-Verdrag, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing ervan de vervulling, in feite of in rechte van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. Daaronder kunnen ook particuliere ondernemingen vallen, wanneer hun door soeverein ingrijpen van de overheid diensten van algemeen economisch belang zijn opgedragen (zie arrest van het Hof - BRT II). Aangezien artikel 90, lid 2, onder bepaalde omstandigheden een van het Verdrag afwijkende regeling toelaat, moet aan het begrip van de ondernemingen die een beroep op deze bepaling kunnen doen echter een restrictieve interpretatie worden gegeven.
(66) Aan de GVL zijn niet door een soevereine overheidsdaad of op enigerlei andere wijze door de overheid diensten opgedragen. Aan haar werkzaamheid is weliswaar de voorwaarde van overheidstoestemming verbonden, maar door dit "toestemmingsvoorbehoud" van de Staat wordt geen speciale taak toevertrouwd. Bij de verlening van toestemming door de staat wordt alleen onderzocht, of de toestemming aanvragende vennootschap aan de voorwaarden voor een exploitatiemaatschappij in overeenstemming met het Wahrnemungsgesetz voldoet. Het verlenen van een dergelijke vergunning is derhalve reeds uit de aard der zaak niet het toevertrouwen van bepaalde taken, maar uitsluitend het toestaan van een bepaald handelen. De vergunning die uitsluitend een wettelijk verbod terzijde stelt, heeft een volkomen andere juridische inhoud dan een opdracht waarbij een onderneming van overheidswege bepaalde taken en daarom bepaalde plichten worden opgelegd. Uit de restrictieve interpretatie van het begrip onderneming in artikel 90, lid 2, welke hier geboden is, vloeit derhalve voort dat de GVL niet onder deze bepaling valt.
(67) Zelfs wanneer men echter zou aannemen dat GVL met diensten zou zijn "belast", dan nog zouden deze diensten in het algemeen economisch belang moeten zijn.
(68) GVL neemt alleen de particuliere belangen van kunstenaars waar. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest - BRT II - vastgesteld dat zulk een algemeen belang niet wordt aangenomen, wanneer een onderneming particuliere belangen waarneemt, ook al is daarbij sprake van wettelijk beschermde eigendomsrechten. Dit geldt ook voor de GVL.
NIET TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 222 VAN HET VERDRAG
(69) Het betoog van de GVL, als zou de Duitse wettelijke regeling van de beschermende rechten en de werkzaamheid van de waarnemingsmaatschappijen conform artikel 222 EEG-Verdrag "onverlet" blijven door de concurrentieregels, is niet juist.
(70) Enerzijds heeft de Duitse wetgever de exploitatiemaatschappijen niet verboden om voor buitenlanders zonder binnenlandse woonplaats op te treden, maar deze vraag opengelaten. Anderzijds zou een interpretatie van artikel 222 in de zin van GVL eenvoudigweg de grond onder de toepassing van de voorschriften van het EEG-Verdrag op het gebied van de industriële eigendom wegnemen. Bovendien schept eerst een waarnemingsplicht van de GVL jegens buitenlanders voor hen de mogelijkheid "hun eigendom", d.w.z. hun materiële vergoedingsaanspraken in Duitsland, geldend te maken. De aanspraken van de Duitse kunstenaars en buitenlanders met woonplaats in Duitsland worden daardoor in hun juridische merites niet aangetast, de Duitse ordening van de eigendom als zodanig evenmin.
B. Gedrag na 21 november 1980
(71) GVL heeft door wijziging van de vennootschaps- en standaardwaarnemingsovereenkomst haar discriminatie van kunstenaars zonder Duitse nationaliteit, voor zover het ging om onderdanen uit de Lid-Staten of om kunstenaars met woonplaats in één van deze Lid-Staten, beëindigd. De huidige verdelingsprocedure geldt gelijkelijk voor Duitse kunstenaars en voor de genoemde buitenlandse kunstenaars.
(72) Toch zou de huidige verdelingsprocedure op bezwaren kunnen stuiten in zoverre dat de kunstenaars in het totaal der vergoedingen in Duitsland alleen naar evenredigheid van het hun door de fabrikant met betrekking tot Duitsland betaalde honorarium uit de eerste exploitatie delen. Daardoor geldt de waarderingsmaatstaf b.v. niet voor geluidsdragers die buiten de door de honorariumplichtige aangegeven verkooproute om naar Duitsland zijn gekomen, omdat deze daarvoor geen honorarium "met betrekking tot Duitsland" betaalt.
(73) Voor zover thans bekend, behoeft hierin echter geen misbruik te worden gezien. Gezien de grote, door GVL aangeduide, feitelijke moeilijkheden bij het totstandbrengen van een eerlijke verdeling van de vergoeding lijkt de door GVL gekozen wijze van afrekening aan de hand van het door de kunstenaar met betrekking tot de Duitse markt ontvangen honorarium onder de gegeven omstandigheden een manier die aan het vereiste van een eerlijke en kostenbesparende verdeling voldoet.
TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 3 VAN VERORDENING NR. 17
(74) GVL heeft tot 21 november 1980 een inbreuk gepleegd. Zij is van oordeel dat zij, gezien de onduidelijke rechtssituatie, ook het recht blijft behouden, kunstenaars zonder Duitse nationaliteit of woonplaats in Duitsland van haar waarnemingsdiensten uit te sluiten. Ten einde klaarheid te verschaffen in de rechtssituatie, mede met het oog op de klagers en ten einde dergelijke of soortgelijke inbreuken uit te sluiten, lijkt een beschikking derhalve gewenst.
Dit geldt te meer omdat daardoor duidelijk moet worden vastgesteld dat verschillen in de rechtsstelsels der Lid-Staten voor ondernemingen met een machtspositie op de markt geen rechtvaardigingsgrond voor discriminatie opleveren,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Het gedrag van de GVL tot 21 november 1980, dat inhield dat zij met buitenlandse kunstenaars geen waarnemingscontracten sloot wanneer dezen geen woonplaats in Duitsland hadden en de aan deze kunstenaars in Duitsland toekomende beschermde rechten ook niet op enigerlei andere manier waarnam, vormde, voor zover deze kunstenaars de nationaliteit van een EG-Lid-Staat bezaten of in een Lid-Staat hun woonplaats hadden, het misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 van het EEG-Verdrag.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Gesellschaft zur Verwertung von Leistungsschutzrechten, Esplanade 36a te Hamburg.
Gedaan te Brussel, 29 oktober 1981.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Lid van de Commissie
Top