Avis juridique important
82/861/EEG: Beschikking van de Commissie van 10 december 1982 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/29.877 - British Telecommunications) (Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 360 van 21/12/1982 blz. 0036 - 0043
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 10 december 1982
inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/29.877 - British Telecommunications)
(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
(82/861/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 (1) - eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag -, laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van Griekenland, en met name op artikel 3,
Gezien de klacht krachtens artikel 3 van Verordening nr. 17 van de Raad, op 22 juni 1979 door Telespeed Services Ltd ingediend tegen het Post Office van het Verenigd Koninkrijk,
Gezien het besluit van 18 april 1980 om de procedure in te leiden,
Na het United Kingdom Post Office in de gelegenheid te hebben gesteld haar standpunt kenbaar te maken ter zake van de punten van bezwaar, welke de Commissie in aanmerking heeft genomen conform artikel 19, lid 1, van Verordening nr. 17 en conform Verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van Verordening nr. 17 van de Raad (2),
Geraadpleegd het Adviescomité voor Medededingingsregelingen en Economische Machtsposities,
In overweging van het volgende:
I. DE FEITEN
A. British Telecommunications
(1) British Telecommunications is een publiekrechtelijk lichaam dat is ingesteld onder de Telecommunications Act van 1981 van het parlement van het Verenigd Koninkrijk.
(2) British Telecommunications heeft krachtens de Telecommunications Act 1981 de wettelijke plicht, telecommunicatiediensten te verlenen en een wettelijk monopolie om in het Verenigd Koninkrijk telecommunicatiesystemen te ex- ploiteren.
(3) Gedurende het grootste gedeelte van de periode waarin de hieronder beschreven activiteiten plaatsvonden werden de thans door British Telecommunications verstrekte diensten verzorgd door het United Kingdom Post Office krachtens de Post Office Act 1969, eveneens een wet van het parlement van het Verenigd Koninkrijk. British Telecommunications nam de verantwoordelijkheid van het United Kingdom Post Office voor telecommunicatiediensten over met ingang van 1 oktober 1981 krachtens de genoemde Telecommunications Act 1981.
(4) Het invoeren van de Telecommunications Act 1981 was onderdeel van de maatregelen die de Regering van het Verenigd Koninkrijk heeft getroffen met de bedoeling de mededinging op het terrein van de telecommunicatie aan te moedigen.
(5) Zowel British Telecommunications als het United Kingdom Post Office wordt hierna »BT" genoemd.
B. De International Telecommunication
Convention and Union
(6) Alle Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap zijn toegetreden tot de International Telecommunication Convention (ITC), die de doelstellingen en de opzet van de International Telecommunication Union (ITU) bevat. De International Telegraph and Telephone Consultative Committee (CCITT) is een van de permanente organen van de ITU.
(7) Krachtens artikel 11.1.2 ITC zijn de taken van de CCITT de bestudering van technische, operationele en tarifaire vraagstukken in verband met telegrafie en telefonie en het geven van aanbevelingen dienaangaande. Leden van het CCITT zijn van rechtswege de telecommunicatiediensten van alle ITU-lid-staten, alsmede alle erkende particuliere ondernemingen die met vergunning van het lid dat deze heeft erkend, uiting geven aan de wens om aan het werk van het Committee deel te nemen. BT is zulk een erkende particuliere onderneming.
(8) Krachtens artikel 44 ITC zijn de leden gehouden de bepalingen van de Conventie en de administratieve reglementen na te leven en de noodzakelijke stappen te ondernemen om deze voorschriften te doen naleven door particuliere ondernemingen, waaraan zij vergunning hebben verleend voor de vestiging en exploitatie van telecommunicatiediensten, en die betrokken zijn bij internationale dienstverlening. In artikel 1.1 (2) van het telegraafregelement en van het telefoonreglement wordt bepaald, dat »administraties (of erkende particuliere ondernemingen) zich bij de tenuitvoerlegging van de principes van de reglementen in alle gevallen, die niet in de reglementen zijn voorzien, dienen te houden aan de CCITT-aanbevelingen, met inbegrip van alle instructies die deel uitmaken van deze aanbevelingen".
C. Doorzenden van telefoon- en telexbood-
schappen in het Verenigd Koninkrijk
(9) Tarieven, voorwaarden en condities met betrekking tot de telecommunicatiediensten in het Verenigd Koninkrijk werden en worden door BT vastgelegd in schema's, »Schemes", die zijn opgesteld krachtens artikel 28 van respectievelijk de Post Office Act 1969 en artikel 21 van de Telecommunications Act 1981.
a) Telex Scheme 1971
(10) Het Post Office Telex Scheme 1971 bevatte de volgende bepaling, waarin de exploitatie van commerciële bureaus die berichten doorgaven (message forwarding agencies), in feite werd verboden:
»21. (2) Tenzij anders bepaald in een machtiging van het Post Office aan de (telex)abonnee of met schriftelijke toestemming van het Post Office, zal noch de abonnee, noch enig ander persoon direct of indirect een vergoeding ontvangen als tegenprestatie voor, of anderszins in verband met het gebruik van de installatie van de abonnee door of namens andere personen dan de abonnee (. . .)".
b) Schemes T7/1975 en T1/1976
(11) Aangezien werd onderkend dat doorzendingsagentschappen nuttige diensten kunnen verlenen voor Britse klanten, werd bovenstaande bepaling in het Post Office Telex Scheme 1975 (Scheme T7/1975) vervangen door paragraaf 43 (2), waarin onder andere werd bepaald, dat »een abonnee zijn (telex)installatie mag gebruiken voor de verzending en ontvangst van berichten ten behoeve van derden en anderen mag toestaan gebruik te maken van zijn installatie voor de verzending en ontvangst van boodschappen namens hen". In paragraaf 43 (2) (b) (iii) werd hiervoor als voorwaarde gesteld, dat »elk bedrag dat in rekening wordt gebracht door een abonnee in verband met de ontvangst en aflevering van een boodschap die afkomstig is van buiten het Verenigd Koninkrijk of het eiland Man en tevens bestemd is voor aflevering buiten dit gebied, niet van dien aard mag zijn, dat de afzender van de boodschap deze goedkoper kan verzenden dan in het geval van verzending in de vorm van een telexbericht rechtstreeks aan de persoon waarvoor de boodschap uiteindelijk bestemd was".
(12) Bovenstaande bepalingen werden onder de titel »Beperking van de overdracht van telexdiensten en het gebruik van telexinstallaties" (Restriction on assignment of telex service and use of telex installation) herhaald in paragraaf 70 (2) van het Post Office Telecommunication Scheme 1976, dat van kracht was van 1 juni 1976 tot 20 januari 1978.
(13) Wat betreft paragraaf 43 (2) (b) (iii) in Scheme T7/1975, daarna opnieuw genummerd 70 (2) (b) (iii) in Scheme T1/1976, bleek het administratief, onmogelijk voor BT om hierop toezicht uit te oefenen om te voorkomen, dat doorzendingsondernemingen voor telexverkeer tussen derde landen lagere tarieven zouden berekenen dan andere administraties.
c) Doorzendingsondernemingen
(14) Profiterend van telecommunicatietarieven die, vooral voor verbindingingen met Noord-Amerika, vanuit het Verenigd Koninkrijk lager zijn dan vanuit sommige landen op het Europese continent (b.v. in verband met verschillen in tariefstructuur, zoals lagere huurprijzen en hogere transmissietarieven en in werkelijke kosten) en van valutaschommelingen, waardoor deze Britse tarieven soms nog aantrekkelijker werden, is een aantal communicatiebureaus, dat in het Verenigd Koninkrijk werkzaam is, zich de afgelopen tien jaar gaan bezighouden met het doorzenden van berichten afkomstig uit en bestemd voor landen buiten het Verenigd Koninkrijk. Er zijn ongeveer 100 doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk, waarvan 11 zich, naar werd aangenomen, op het tijdstip van publikatie van Scheme T1/1978 (zie punt 16 hieronder) bezighielden met het relayeren van verkeer tussen derde landen. Deze doorzendingsondernemingen
i) bieden aan telexberichten te ontvangen van personen of andere telexbureaus in het buitenland en deze berichten per telex door te zenden naar personen of andere telexbureaus in andere landen. Dit kan zeer nuttig zijn als hetztelfde bericht (b.v. een gedetailleerde specificatie van goederen, waarvoor offertes worden gevraagd) naar een groot aantal buitenlandse bestemmingen moet worden verstuurd; of ii) ontvangen berichten van hun klanten in de vorm van data van computers in het buitenland (vooral de Verenigde Staten) via het openbare telefoonnet en zenden deze door naar andere landen als data, welke op de plaats van bestemming visueel moeten worden weergegeven, hetzij als afgedrukte berichten, hetzij als beelden op een beeldscherm.
d) CCITT-aanbeveling F 60, sectie 3.5
(15) In oktober 1976 nam het CCITT aanbeveling F 60 aan, inzake telexexploitatie. In sectie 3.5 hiervan, getiteld »Beperking op het gebruik van een telexstation" (Restriction on the use of a telex station) wordt bepaald dat:
»Administraties en erkende particuliere ondernemingen moeten telexdiensten weigeren aan een telegraafbureau waarvan bekend is dat dit is opgericht voor de verzending of ontvangst van telegrammen met het doel deze door te zenden door middel van telegrafie ten einde de volledige kosten die verschuldigd zijn voor de volledige route te ontduiken.
Administraties dienen internationale telexdiensten te weigeren aan een klant wiens activiteiten kunnen worden beschouwd als inbreuk op de functie van een administratie wat betreft het verschaffen van een openbare telecommunicatiedienst.".
e) Scheme T1/1978
(16) In directe of indirecte tenuitvoerlegging van CCITT-aanbeveling F 60, sectie 3.5, wijzigde BT in Post Office Telecommunication Scheme 1978 (Scheme T1/1978), dat op 21 januari 1978 in werking trad, Scheme T1/1976 als volgt (uittreksel):
»44. (2) (a) Behoudens schriftelijke toestemming van het Post Office is het een (telefoon)abonnee die zich bezighoudt met de verzending en ontvangst van berichten ten behoeve van derden door middel van zijn telefooninstallatie en/of derden in de gelegenheid stelt gebruik te maken van zijn telefooninstallatie voor de verzending en ontvangst van berichten voor eigen rekening, niet toegestaan zijn telefooninstallatie te gebruiken om berichten die uiteindelijk bestemd zijn voor ontvangst in visuele vorm, te verzenden naar of te ontvangen van een plaats buiten het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man;"
»70. (2) (b) een (telex)bericht afkomstig van buiten het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man mag niet worden doorgezonden naar een bestemming buiten het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man;
(c) een bericht afkomstig van buiten het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man mag niet worden doorgezonden naar een bestemming binnen het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man, tenzij het wordt ontvangen als een telexbericht rechtstreeks van de afzender van het bericht naar de installatie van de abonnee (. . .);
(d) een bericht afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk of het eiland Man mag niet worden verzonden naar een bestemming buiten het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man, tenzij het wordt verzonden als een telexbericht rechtstreeks van de installatie van de abonnee naar de persoon waarvoor het bericht uiteindelijk bestemd is.".
(17) In augustus 1978 verzond BT een standaardbrief aan alle exploitanten van communicatiebureaus in het Verenigd Koninkrijk, waarin werd gewezen op bovenstaande wijzigingen en waarin werd toegelicht, dat deze inhouden, dat het particuliere ondernemingen verboden is internationale diensten aan hun klanten te verlenen, waarbij:
- berichten in de vorm van data internationaal via de telefoon worden verzonden of ontvangen en vervolgens worden omgezet in telecommunicatieberichten voor ontvangst in de vorm van een telexbericht, facsimile of geschreven bericht, dan wel in een andere visuele vorm;
- telexberichten worden doorgezonden tussen plaatsen buiten het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man;
- telexberichten worden verzonden of ontvangen via andere doorzendingsondernemingen.
(18) Voorts verklaarde BT in deze standaardbrief dat het »doordat wij (BT) erin geslaagd zijn onze internationale telextarieven zo laag te houden - veel lager dan in andere landen - het voor andere landen aantrekkelijk is hun telexberichten te verzenden via agentschappen in dit land (. . .). De activiteiten van agentschappen die telexberichten aantrekken uit andere landen, om deze vanuit het Verenigd Koninkrijk naar een derde land te verzenden, veroorzaken ernstige inkomstenverlizeen en vormen een inbreuk op de internationale overeenkomsten, waarop de wereldwijde samenwerking op het gebied van de telecommunicatie is gebaseerd. Zodoende brengen zij de regelingen, die wij met andere landen hebben kunnen treffen, in gevaar en dientengevolge ook de lage tarieven die wij thans onze klanten in het Verenigd Koninkrijk in rekening brengen.". (19) BT heeft nog een andere brief geschreven aan die agentschappen waarvan men dacht dat ze telexberichten tussen abonnees in derde landen doorzonden. Hier wordt verzocht om een schriftelijke verklaring, waarbij werd gesteld dat zij de nieuwe regels begrepen en deze in acht zouden nemen. Negen van de twaalf ontvangers hebben een dergelijke verklaring afgegeven.
(20) BT heeft tegenover de Commissie verklaard dat op haar door zekere andere nationale telecommunicatie-instanties druk is uitgeoefend om te voorkomen dat de Britse doorzendingsondernemingen telexberichten tussen derde landen zouden doorzenden en dat zij de beperkingen hadden ingevoerd om, naar zij zelf meenden, de internationale verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk tegenover andere telecommunicatieadministraties na te komen.
(21) In paragraaf 11 (1) van Scheme T1/1976 wordt bepaald dat »indien een abonnee een van de bepalingen van het Scheme of een verplichting zijnerzijds die hieruit voortvloeit, niet naleeft of uitvoert, het Post Office (onverminderd andere rechten of beroepsmogelijkheden):
(a) zonder kennisgeving tijdelijk elke installatie of elk deel van een installatie kan afsluiten;
(b) zonder meer telecommunicatiediensten kan stopzetten na kennisgeving van het voornemen de diensten in het kader van het Scheme te beëindigen.".
BT beweert het recht te hebben de faciliteiten af te snijden van die ondernemingen die de beperkingen van het Scheme blijven negeren, maar heeft niet gepoogd naleving van de beperkingen door een dergelijke maatregel af te dwingen.
(22) Op 22 juni 1979 diende Telespeed Services Limited, een van de door de door BT op 21 januari 1978 ingevoerde beperkingen getroffen Britse doorzendingsondernemingen, een klacht in krachtens artikel 3 van Verordening nr. 17, waarin de Commissie werd verzocht vast te stellen dat inbreuk was gemaakt op artikel 85, lid 1, of artikel 86 van het EEG-Verdrag en BT te verplichten aan deze inbreuk een einde te maken. De klaagster voert aan dat het eigenlijke effect van de door BT opgelegde beperking is dat wordt verboden dat een Britse telex-exploitant berichten afkomstig van buiten het Verenigd Koninkrijk doorzendt naar bestemmingen buiten het Verenigd Koninkrijk, ook als er geen sprake van is dat lagere tarieven worden berekend of aangeboden. Voor zover de klaagster bekend is, zijn zijn tarieven gelijk aan of hoger dan die welke gelden in de landen van haar klanten in de Europese Economische Gemeenschap.
(23) In november 1981 herriep BT alle voorgaande »Schemes" en verving deze door Telecommunications Scheme 1981. De bepalingen van paragraaf 44 (2) (a) en 70 (2) (b) van Scheme T1/1978 werden overgebracht naar Scheme 1981 en hernummerd als respectievelijk paragragraaf 51 (2) (a) en 82 (2) (a).
(24) Op 22 oktober 1982 schreef BT het volgende aan de Commissie:
»Wij erkennen nu dat gezien de samenhang van de zaak de CCITT-aanbeveling rechtstreeks in strijd is met de artikelen 85, lid 1, en artikel 86 van het Verdrag van Rome. Derhalve heeft British Telecommunications eenzijdig het besluit genomen om de onderhavige beperkingen in te trekken en zij zal het Telecommunications Scheme dienovereenkomstig aan- passen en de andere telecommunicatieadministraties en doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk van dit besluit op de hoogte stellen.".
II. JURIDISCHE BEOORDELING
A. Toepasselijkheid van artikel 86, EEG-Verdrag
Volgens artikel 86 van het EEG-Verdrag is het onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan.
a) Onderneming met een machtspositie
(25) Het united Kingdom Post Office en British Telecommunications zijn overheidslichamen die als economische subjecten werkzaamheden van economische aard verrichten. Als zodanig zijn zij ondernemingen in de zin van artikel 86 van het EEG-Verdrag.
(26) British Telecommunications heeft een wettelijk monopolie krachtens de Telecommunications Act 1981 om systemen van telecommunicatie in het gehele Verenigd Koninkrijk en het eiland Man te exploiteren. British Telecommunications bezit derhalve een machtspositie in het ter beschikking stellen van telex- en telefoonsystemen in het Verenigd Koninkrijk, dat een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt uitmaakt.
(27) Krachtens de Telecommunications Act 1981 werd British Telecommunications de rechtsopvolger van het United Kingdom Post Office voor wat betreft het wettelijk monopolie tot exploitatie van telecommunicatiesystemen in het Verenigd Koninkrijk, en alle rechten en verplichtingen die daarbij werden verleend. British Telecommunications is derhalve de opvolger van het United Kingdom Post Office met betrekking tot onderhavige procedure. b) Misbruik
(28) Beperkingen van de concurrentie welke worden opgelegd door een onderneming met een machtspositie, zelfs krachtens bevoegdheid welke haar door de overheid is gegeven, kunnen een misbruik van zulk een machtspositie opleveren.
(29) Beperkingen aan de verstrekking van telefoon- en telexdiensten namens derden en aan het gebruik van telefoon- en telexinstallaties in het Verenigd Koninkrijk zijn door BT vastgeleg in »Schemes" krachtens artikel 28 van de Post Office Act 1969 en artikel 21 van de Telecommunications Act van 1981. Krachtens Schemes T7/1975 en T1/1976 waren abonnees vrij hun installaties voor de verzending of ontvangst van berichten namens derden te gebruiken.
(30) Tot 20 januari 1978 bepaalden paragraaf 43 (2) (b) (iii) van Scheme T7/1975 en paragraaf 70 (2) (b) (iii) van Scheme T1/1976 echter dat, indien een abonnee een telexbericht doorzond dat zowel afkomstig was van als bestemd voor een plaats buiten het Verenigd Koninkrijk, het door hem geheven bedrag niet van dien aard mocht zijn, dat degene van wie het bericht afkomstig was het goedkoper verzond dan indien hij het rechtstreeks had verzonden. Voor zover dit gold voor de doorzending van telexberichten afkomstig uit een andere EEG-Lid-Staat bestemd voor enig land buiten het Verenigd Koninkrijk, of afkomstig van een land buiten het Verenigd Koninkrijk bestemd voor een andere EEG-Lid-Staat, leverde deze bepaling een misbruik op krachtens artikel 86, EEG-Verdrag, omdat zij:
i) de werkzaamheden van deze ondernemingen beperkten ten nadele van klanten die in andere EEG-Lid-Staten waren gevestigd;
ii) ongelijke voorwaarden toepaste bij gelijkwaardige transacties met doorzendingsondernemingen door aan de voortzetting van de dienstverlening de conditie te stellen dat van alle aan BT opgegeven telexberichten die welke voor verzending buiten het Verenigd Koninkrijk bestemd waren, afkomstig moesten zijn van het Verenigd Koninkrijk dan wel gefactureerd door de ondernemingen tegen een prijs die er voor zorgde dat zij voor de zender niet goedkoper zouden zijn dan indien hij ze rechtstreeks had verzonden. Dit plaatste de ondernemingen bij de concurrentie in een nadelige positie ten opzichte van de nationale telecommunicatieautoriteiten en ondernemingen in andere Lid-Staten, die aan dergelijke beperkingen niet waren onderworpen;
iii) het gebruik van telefoon- en telexfaciliteiten afhankelijk stelde van de aanvaarding door de doorzendingsondernemingen van een verplichting om prijzen te berekenen die geen verband hielden met het type en de kwaliteit van de door haar verschafte telecommunicatiediensten, maar veeleer ontstonden uit het verlangen van BT de inkomsten van andere nationale telecommunicatieadministraties te beschermen.
Er kan echter worden opgemerkt dat de bovengenoemde bepalingen in de Schemes T7/1975 en T1/1976 nimmer zijn toegepast (zie punt 13) en tenslotte op 11 januari 1978 met ingang van 20 januari 1978 zijn geschrapt.
(31) Scheme T1/1978, tot wijziging van het voornaamste Scheme T1/1976 trad in werking op 21 januari 1978. De nieuwe bepalingen in paragraaf 44 (2) (a) en 70 (2) (b) (deze bepalingen van Scheme T1/1978 zijn later overgebracht naar het Scheme van 1981 als paragraaf 51 (2) (a) en 82 (2) (a)) verbieden aan doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk de doorzending naar bestemmingen buiten het Verenigd Koninkrijk, respectievelijk:
i) van berichten bestemd voor uiteindelijke ontvangst in visuele vorm (zoals telex, facsimile, afgedrukt bericht of beeld op een beeldscherm) en in datavorm ontvangen via het telefoonsysteem van computers in het buitenland, en
ii) telexberichten afkomstig van buiten het Verenigd Koninkrijk.
(32) Voor zover zij van toepassing zijn op telefoon- en telexberichten afkomstig van een EEG-Lid-Staat bestemd voor een land buiten het Verenigd Koninkrijk of afkomstig van een land buiten het Verenigd Koninkrijk bestemd voor een andere EEG-Lid-Staat, vormen deze verboden een misbruik in de zin van artikel 86, EEG-Verdrag, omdat zij
i) de werkzaamheden van abonnees van de telefoon- en telexdiensten in het Verenigd Koninkrijk, die optreden als doorzendingsondernemingen, beperken ten nadele van klanten in andere EEG-Lid-Staten, en
ii) het gebruik van telefoon- en telexinstallaties afhankelijk stellen van verplichtingen die geen verband houden met de verrichting van telefoon- of telexdiensten. (33) BT betoogt dat het geen inbreuik op artikel 86 zou betekenen indien BT doorzendingsondernemingen voor telexberichten geheel en al zou verbieden en overeenkomstig haar monopolie het alleenrecht voor de verrichting van internationale diensten voor zich zou reserveren. Derhalve zou het betoog niet gerechtvaardigd zijn dat de geringere beperkingen, welke zij aan de werkzaamheden van dergelijke ondernemingen heeft opgelegd, een misbruik opleveren van een machtspositie. De Commissie betwijfelt of dit betoog juist is, aangezien de strekking van het monopolie van BT in de desbetreffende wetgeving het uitsluitend recht is een telecommunicatiesysteem te exploiteren en niet het aanbieden van diensten die van zulk een systeem gebruik maken. Zelfs indien het betoog juist zou zijn, dan nog moet BT de haar gegeven bevoegdheden krachtens het wettelijk menopolie echter uitoefenen in overeenstemming met de EEG-concurrentieregels (zie hieronder punt 41, e. v.).
(34) Aangaande punt 32, sub i), moet worden opgemerkt dat de nieuwe beperking uit hoofde van paragraaf 44 (2) (a) van Scheme T1/1978, die doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk verbiedt hun telefoonlijnen te gebruiken voor doorzending van telex- en andere visuele berichten tussen landen buiten het Verenigd Koninkrijk, een misbruik oplevert in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub b), EEG-Verdrag, omdat zij zowel de ontwikkeling van een nieuwe markt belemmert als het gebruik van een nieuwe technologie ten nadele van de doorzendingsondernemingen en hun klanten, die op deze wijze worden verhinderd een meer efficiënt gebruik te maken van bestaande telecommunicatiesystemen. Het feit dat de doorzendingsondernemingen daarbij eenvoudig profiteren van de bestaande verschillen in tarieven tussen telex- en telefoondiensten, welke door de telecommunicatieautoriteiten worden verschaft, is irrelevant. Het zou ongetwijfeld leiden tot een daling van het aantal telexberichten, met kostenbesparingen voor de gebruikers, maar het gehele internationale telexsysteem niet in gevaar brengen. Het behoud van verouderde systemen via maatregelen van een onderneming met een machtspositie levert een misbruik op in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub b), EEG-Verdrag, omdat het de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers beperkt.
(35) Ten aanzien van punt 32, sub ii), moet worden opgemerkt dat de nieuwe beperking uit hoofde van paragraaf 70 (2) (b) van Scheme T1/1978 een misbruik oplevert in de zin van artikel 86, EEG-Verdrag, omdat daarin de verstrekking en het voortdurend verstrekken van telecommunicatiediensten afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van een verplichting om aan een bepaald equivalent telexverkeer als gevolg van zijn herkomst geen deel te nemen. Het is op generlei wijze technisch noodzakelijk, noch is het usance in de handel, dat dergelijk verkeer op afwijkende wijze wordt behandeld en houdt als zodanig geen verband met de verstrekking van telecommunicatiediensten. Veeleer vond de verplichting opnieuw haar grond in de wens van BT om de inkomsten van andere nationale telecommunicatieautoriteiten te beschermen.
(36) Het betoog van BT dat het logisch gevolg van dit standpunt zou zijn dat zij niet vrij zou zijn gebruik te beperken dat de cliëntèle van haar telecommunicatiesystemen kan maken, is klaarblijkelijk ongegrond. Dergelijke door BT opgelegde beperkingen in de vorm van extra verplichtingen mogen niet onder artikel 86 vallen en doen dat in deze zaak duidelijk wel. Ten aanzien van het betoog van BT, dat zij geen concurrentie behoeft te dulden bij diensten welke bedoeld zijn onder haar monopolie te vallen, wordt verwezen naar punt 33 hierboven.
c) Gevolgen voor de handel tussen Lid-Staten
(37) De door BT aan de doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk opgelegde verboden ten aanzien van het doorzenden van berichten afkomstig uit of bestemd voor plaatsen buiten het Verenigd Koninkrijk, kunnen de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden voor zover de landen van bestemming of herkomst van deze berichten Lid-Staat zijn van de Europese Gemeenschap.
(38) Hoewel de verboden betrekking hebben op het gebruik van telecommunicatie-installaties binnen ht Verenigd Koninkrijk, zijn zij rechtstreeks van invloed op de verlening van diensten door doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk aan derden die in andere Lid-Staten zijn gevestigd, omdat deze diensten alleen in rechtstreekse relaties kunnen worden verleend (dit is niet in transito) tussen het Verenigd Koninkrijk en andere Lid-Staten en niet langer in relaties tussen andere Lid-Staten dan het Verenigd Koninkrijk of tussen Lid-Staten en landen buiten de Europese Gemeenschap.
(39) Aldus is er sprake van een duidelijke beperking van de handel tussen Lid-Staten omdat het verbod doorzendingsondernemingen beperkt in de uitoefening van hun beroep, de verschaffing van bepaalde diensten aan klanten gevestigd in andere Lid-Staten. Aan de Commissie werd door de klager medegedeeld dat van de 13 000 à 14 000 berichten welke tussen 1976 en 1979 jaarlijks uit het buitenland zijn ontvangen voor doorzending naar bestemmingen in het buitenland, er 85 % afkomstig waren uit EEG-landen en 85 % bestemd waren voor EEG-landen. (40) BT is van mening het recht te hebben deze ondernemingen af te snijden indien zij het verbod blijven negeren en dit zou natuurlijk ten gevolge hebben dat de dienstverlening van allerlei aard tussen Lid-Staten door doorzendingsondernemingen werd verhinderd. De klaagster heeft voorts de Commissie medegedeeld dat zij niet heeft getracht deze dienstverlening uit te breiden, hoewel zij daarvoor een aanzienlijk potentieel aanwezig achtte, als gevolg van het dreigement door BT te worden afgesneden. Het verbod heeft op die wijze ook de ontwikkeling van deze transacties tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloed.
B. Toepasselijkheid van artikel 90, lid 2,
EEG-Verdrag
Artikel 90, lid 2, van het EEG-Verdrag bepaalt, dat »Ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie onder de regels van dit Verdrag vallen, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap.".
(41) Krachtens de Post Office Act 1969 en de Telecommunications Act van 1981 is BT belast met de exploitatie van diensten van algemeen economisch belang, met name de verschaffing van telecommunicatiesystemen, in het gehele Verenigd Koninkrijk. De toepassing van de concurrentieregels van het Verdrag op BT zou de vervulling van haar taken op efficiënte en economische wijze niet belemmeren en doet dit ook niet. Wil men BT vrijstellen van de toepassing van de concurrentieregels dan volstaat het niet dat de naleving van deze concurrentieregels de vervulling van haar taken ingewikkelder zou maken.
(42) BT heeft beweerd dat zij zou worden belemmerd in de vervulling van haar taken, maar niet uiteengezet hoe. Het zou veeleer in BT's belang zijn zulk verkeer toe te laten. Zelfs indien zij moeilijkheden zou ondervinden met andere nationale telecommunicatieautoriteiten, wanneer zij doorzendingsondernemingen in het Verenigd Koninkrijk niet verhindert de telextarieven te onderbieden, die in andere landen worden berekend, dan nog zou zulk een situatie de vervulling van de speciale taak van BT niet »belemmeren".
(43) De Commissie deelt in de ruimste zin de mening van BT dat internationale samenwerking en de naleving van internationale verbintenissen essentiële aspecten zijn van de verschaffing van internationale communicaties op een efficiënte en economische wijze. Echter, deze samenwerking mag niet zo ver gaan dat daardoor de mededingingsregels van het Verdrag worden overtreden.
(44) Om de bovengenoemde redenen vormen de beperkingen op het gebruik van telex- en telefoonfaciliteiten en diensten door BT inbreuken op artikel 86. BT moet derhalve worden gelast aan de beperkingen die nog worden toegepast een einde te maken.
(45) Ondanks deze inbreuken is de Commissie niet van mening dat aan BT een geldboete dient te worden opgelegd; enerzijds vanwege de bijzondere omstandigheden van de zaak en de in punt 20 vermelde materie en anderzijds vanwege het feit dat BT de beperkingen niet heeft afgedwongen door middel van het ontkoppelen van de apparatuur van de doorzendingsondernemingen,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De volgende bepalingen in de betrokken Telecommunications Schemes van de United Kingdom Post Office en British Telecommunications vormen inbreuken op artikel 86 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap:
1. Scheme T7/1975, paragraaf 43 (2) (b) (iii)
2. Scheme T1/1976, paragraaf 70 (2) (b) (iii)
3. Scheme T1/1978, paragraaf 44 (2) (a) en paragraaf 70 (2) (b)
4. Scheme 1981, paragraaf 51 (2) (a) en paragraaf 82 (2) (a).
Artikel 2
British Telecommunications moet binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van deze beschikking een einde maken aan de in artikel 1 vastgestelde inbreuken, voor zover deze inbreuken niet reeds zijn beëindigd.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot British Telecommunications, 2-12 Gresham Street, UK-London EC2V 7AG.
Gedaan te Brussel, 10 december 1982.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Lid van de Commissie
(1) PB nr. 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62.
(2) PB nr. 127 van 20. 8. 1963, blz. 2268/63.
Top