31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 1
II
(Besluiten waarvan de publikatie niet voorwaarde is voor de toepassing)
RAAD
BESCHIKKING VAN DE RAAD
van 2t december 1986
tot goedkeuring van het jaarverslag over de economische toestand in de Gemeenschap en
vaststelling van de richtsnoeren voor de economische politiek voor 1987
( 86 / 667 / EEG )
HEEFI DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD :
Artikel 1
De Raad keurt het jaarverslag over de economische toestand
in de Gemeenschap , alsmede de door de Gemeenschap te
volgen richtsnoeren voor de economische politiek , die zijn
opgenomen in deel I van het bij deze beschikking gevoegde
verslag , goed ; voorts stelt hij de door de Lid-Staten te volgen
richtsnoeren voor de economische politiek , die zijn opgeno
men in deel II van het hierbij gevoegde verslag , vast .
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten .
Gedaan te Brussel , 22 december 1986 .
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap ,
Gelet op Beschikking 74 / 120 / EEG van de Raad van li
februari 1974 betreffende de verwezenlijking van een hoge
mate van convergentie van de economische politiek van di
Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap (*)
gewijzigd bij de Beschikkingen 75 / 787 / EEG ( 2 ) en 79 ,
136 / EEG ( 3 ), inzonderheid op artikel 4 ,
Gezien het voorstel van de Commissie ,
Gezien het advies van het Europese Parlement ( 4 ),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaa
Comité ( 5 ),
f
Voor de Raad
De Voorzitter
G. SHAW
! ) PB nr . L 63 van 5 . 3 . 19 / 4 . blz . 16 .
2 ) PB nr . L 330 van 24 . 12 . 1975 , blz . 52 .
') PB nr . L 35 van 9 . 2 . 1979 . blz . 8 .
4 ) PB nr . C 322 van 15 . 12 . 1986 .
5 ) PB nr . C 333 van 29 . 12 . 1986 .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 3
ECONOMISCH JAARVERSLAG
1986 / 1987
Nr . L 385 / 4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
ECONOMISCH JAARVERSLAG 1986 / 1987
INHOUD
Deel I — Vermindering van de werkloosheid in een meer dynamische Europese economie
Voor een efficiënte toepassing van de communautaire samenwerkingsstrategie
Bladzijde
1 . Samenvatting en conclusies 6
2 . Economische ontwikkeling en convergentie 11
2.1 . De wereldeconomie 11
Kader : Economische gevolgen van de olieprijsterugslag 16
2.2 . De economische vooruitzichten van de Gemeenschap 18
2.3 . Nominale en reële convergentie in de Gemeenschap 25
3 . De samenwerkingsstrategie voor groei en werkgelegenheid 36
3.1 . Doelstellingen en methoden 36
3.2 . De vooruitzichten voor 1986 en 1987 uit het oogpunt van de samenwerkingsstrategie 39
3.3 . Taken voor het macro-economisch beleid in 1987 en daarna 41
Kader : Scenario's op middellange termijn van de samenwerkingsstrategie 48
4 . Bijdrage van de beleidsvoering tot de samenwerkingsstrategie 49
4.1 . Monetaire richtsnoeren en coördinatieproblemen 49
4.2 . Begrotingsbeleid 54
4.2.1 . Begrotingstekorten , overheidsschuld , groei en werkgelegenheid 54
4.2.2 . Overheidsuitgaven , belastingen , groei en werkgelegenheid 55
4.3 . Lonen en arbeidsmarkt 60
4.3.1 . Inkomens en loonkosten 60
4.3.2 . Aanpassing van de arbeidsmarkt met het oog op een meer werkgelegenheidscheppende groei . . 62
4.4 . Aanpassingsvermogen van de markten 65
4.5 . Financiering van het communautaire beleid : begroting en financiering 68
4.6 . Sociale dialoog 71
4.7 . Internationale coördinatie van de economische politiek 72
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 5
Deel II — Het economisch beleid in de Lid-Staten
Bladzijde
Toepassing van de samenwerkingsstrategie voor groei en werkgelegenheid in de Lid-Staten in 1987 .
België
Denemarken
Bondsrepubliek Duitsland
Griekenland
Spanje
Frankrijk
75
76
79
82
85
88
91
94
97
100
102
105
107
Ierland
Italië
Luxemburg
Nederland
Portugal
Verenigd Koninkrijk
Nr . L 385 / 6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
BIJLAGE
DEEL I
VERMINDERING VAN DE WERKLOOSHEID IN EEN MEER DYNAMISCHE
EUROPESE ECONOMIE
VOOR EEN EFFICIËNTE TOEPASSING VAN DE COMMUNAUTAIRE
SAMENWERKINGSSTRATEGIE
1 . SAMENVATTING EN CONCLUSIES
1 . 1 . Met ae goedkeuring van het laatste economisch
jaarverslag ( 1985 / 1986 ) heeft de Raad , na kennis te
hebben genomen van de gunstige adviezen van het
Parlement , het Economisch en Sociaal Comité en de
Europese sociale partners , zijn instemming met de
door de Commissie voorgestelde „samenwerkings
strategie voor meer groei en werkgelegenheid" in de
Gemeenschap kenbaar gemaakt .
Het doel van deze strategie is , over een periode van
verscheidene jaren de werkloosheid duidelijk en per
manent te verminderen . De werkloosheid in Europa is
het resultaat van ernstige economische en maatschap
pelijke onevenwichtigheden . Zij kan niet worden
verholpen met incidentele maatregelen , die uitsluitend
de symptomen aanpakken . In het kader van de
Gemeenschapsstrategie worden zowel de macro- en
micro-economische als de sociale aspecten van het
vraagsruk in aanmerking genomen en wordt getracht
de werkloosheid bij de wortel te bestrijden . Hiertoe is
het op macro-economisch niveau noodzakelijk de
gematigde stijging van de reële lonen nog enige tijd te
laten voortduren , waarbij echter tegelijkertijd een
voldoende ontwikkeling van de vraag met het oog op
stabiliteit moet worden gewaarborgd . Deze combina
tie versterkt de rentabiliteit , de investeringen en de
werkgelegenheid . Op micro-economisch niveau komt
het erop aan met inachtneming van de sociale aspecten
het aanpassingsvermogen van de markten voor goe
deren , diensten , kapitaal en arbeid te verbeteren
alsmede meer in het bijzonder de oprichting van
nieuwe ondernemingen , de beroepsopleiding en de
toepassing van nieuwe technologieën te bevorderen .
Dit vergemakkelijkt de noodzakelijke structurele ver
andering , schept nieuwe economische dynamiek en
maakt het mogelijk het concurrentievermogen van de
Europese economie met gebruikmaking van de voor
delen van de grote Europese interne markt verder te
ontwikkelen .
De uit een dergelijk beleid voortvloeiende dynamische
en arbeidscheppende groei wordt op communautair
niveau voor de periode 1986 tot 1990 geraamd op 3 a
3,5 % per jaar . Dit zou gepaard kunnen gaan met een
gemiddelde toeneming van de werkgelegenheid met
1 a 1 , 5% per jaar . Een dergelijke ontwikkeling zou
het mogelijk maken de gemiddelde werkloosheid in de
Gemeenschap vanaf nu tot 1990 met bijna 4 procent
punten te verminderen ( ] ). In vergelijking met de
ontwikkeling van de laatste jaren , die werd geken
merkt door een stijgende of op een hoog niveau
stagnerende werkloosheid , zou dit een aanzienlijke
vooruitgang vormen .
Deze vooruitgang betekent echter nog geen volledige
werkgelegenheid . Begeleidende maatregelen op het
gebied van met name de jeugdwerkloosheid en de
langdurige werkloosheid blijven dringend noodzake
lijk om te voorkomen dat grote groepen personen voor
lange tijd buiten de arbeidsmarkt komen te staan . De
politieke en maatschappelijke effecten op lange ter
mijn van een dergelijke ontwikkeling zouden noodlot
tig kunnen zijn . Ook de sectoriële en regionale
structuurverandering die met de noodzakelijke aan
passing van de produktiestructuur en met de techni
sche vooruitgang gepaard gaat , maakt begeleidende
maatregelen op sociaal gebied noodzakelijk : de hier
mee samenhangende problemen kunnen des te gemak
kelijker worden overwonnen naarmate de economie
van de Gemeenschap haar dynamiek sneller terugver
overt .
Voor het welslagen van de Gemeenschapsstrategie is
in vergelijking met het verleden een soms aanmerke
lijke wijziging van het economische beleid en het
gedrag vereist . Deze veranderingen zijn bezig . Het
gaat erom ze te bespoedigen en vaster te verankeren .
Het gaat erom te bereiken , dat de economische
subjecten op evenwichtige wijze tot het welslagen van
de strategie bijdragen en dat de acceptatie van de
economische politiek wordt versterkt . De sociale
dialoog op Gemeenschapsniveau en met name op
nationaal niveau is derhalve een belangrijk instrument
voor de tenuitvoerlegging van de strategie .
1.2 . In dit economisch jaarverslag 1986 / 1987 worden de
economische ontwikkelingen en vooruitzichten on
derzocht en worden de richtsnoeren voor de economi
sche politiek in het licht van de Gemeenschapsstrate
gie aangepast .
1.3 . Het economische klimaat buiten de Gemeenschap is
door de gedaalde olieprijzen , de normalisering van de
dollarkoers en de gedaalde rentetarieven aanzienlijk
gewijzigd . Een zo sterke verbetering van de ruilvoet in
zo korte tijd hebben de olieverbruikende industrielan
den in de naoorlogse periode nog niet meegemaakt .') 1990 : EUR-10 ongeveer 7% , EUR-12 ongeveer 8% .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 7
De devaluering van de dollar vond plaats in het kader
van een beter gecoördineerde ontwikkeling , waartoe
het Plaza-akkoord van september 1985 en de resulta
ten van de Topconferentie van Tokio in mei 1986
hebben bijgedragen . De gedaalde rentetarieven vor
men een welkom , maar niet toereikend hulpmiddel
voor de ontwikkelingslanden met hoge schuldenlast .
Ook het verloop van de jongste onderhandelingen
over de buitenlandse schuld en het interne aanpas
singsbeleid van Mexico kan als voorbeeld van een
positieve ontwikkeling worden gezien . De in Punta del
Este in september 1986 gemaakte afspraak om een
nieuwe ronde van multilaterale handelsbesprekingen
in het kader van de GATT te beginnen , versterkt de
hoop dat de tendens tot protectionisme kan worden
tegengehouden en gekeerd .
Ondanks deze positieve ontwikkelingen op internatio
naal niveau zijn voor de oplossing van de grote
mondiale economische vraagstukken nog aanzienlijke
inspanningen vereist - Een betere ordening van het
internationale monetaire stelsel blijft nog steeds drin
gend noodzakelijk . De terugkeer naar een aanvaard
bare verdeling van de saldi op de lopende rekening van
de betalingsbalansen op mondiaal niveau vereist een
geleideli)ke vermindering van het begrotingstekort
van de Verenigde Staten en expansieve begrotings
maatregelen in Japan , in combinatie met een verdere
revaluatie van de yen . De belangrijkste bijdrage van de
Gemeenschap en de EVA-landen tot dit internationale
aanpassingsproces bestaat in een versterking van hun
eigen groei op een gezonde basis . Voorwaarde voor
een voldoende toeneming van de wereldhandel is
derhalve hoofdzakelijk een sterkere groei in Japan en
Europa . Ook het probleem van de schuldenlast van de
ontwikkelingslanden kan alleen op langere termijn bij
een sterkere groei van de wereldeconomie worden
opgelost .
In vergelijking met de huidige ramingen zouden de
groeivooruitzicbten voor de wereldhandel echter dui
delijk kunnen worden verkleind door niet te onder
schatten risico 's die de wereldeconomie bedreigen .
Deze risico 's kunnen als volgt worden beschreven :
— een nieuwe , sterke depreciatie van de dollar of
ongecontroleerde wisselkoersbewegingen ;
— een onvoldoende of verkeerd gericht aanpas
singsproces in Japan en de Verenigde Staten zou —
ondanks de in Punta del Este bevestigde doelstel
lingen — tot een snelle toeneming van het protec
tionisme kunnen leiden ; ook een recessie in de
Verenigde Staten of een nieuwe versnelling van de
inflatie kan niet worden uitgesloten ;
— een nieuwe grote verandering van de aardolie
prijs ;
— een verslechtering van de toestand van de ontwik
kelingslanden : bij een aanhoudende verslechtering
van de ruilvoet voor de door deze landen uitge
voerde grondstoffen en bij gebrek aan passende
financiering uit het buitenland , dan wel groeiende
afzetmarkten voor hun uitvoer van landbouw- of
industrieprodukten , zouden de ontwikkelingslan
den zich gedwongen kunnen zien hun groei en hun
invoer nog verder te beperken .
Maar ook bij een gunstige ontwikkeling van de
wereldeconomie zullen van de wereldhandel de
komende jaren vermoedelijk geen bijzonder sterke
groei-impulsen voor de Gemeenschap uitgaan . Dit
komt door de aard van de noodzakelijke aanpassings
processen : vermindering van het omvangrijke han
delsbalanstekort van de Verenigde Staten , consolide
ring van de positie van de OPEC-landen en de
ontwikkelingslanden . Voor de Gemeenschap is dit een
reden te meer om de internationale samenwerking met
het oog op de vergemakkelijking van de noodzakelijke
mondiale aanpassingsprocessen te versterken en zich
tegelijkertijd op de versterking van haar eigen groei
potentieel te concentreren .
1 . 4 . In de Gemeenschap zet het gematigde herstel zich in
1986 en waarschijnlijk ook in 1987 voort . De groei
van het reële BBP zou overeenkomstig de ramingen
iets kunnen toenemen ( 1985 : 2,4% ; 1986 : 2,5% ;
1987 : 2,8% ); evenwei zal nog niet het groeitempo
worden bereikt dat mogelijk en noodzakelijk zou zijn
om de werkloosheid in de Gemeenschap duidelijk en
permanent te verminderen . De drempel waarboven
reële groei leidt tot meer werkgelegenheid , ligt thans
niettemin merkbaar lager dan in de jaren zestig of
zeventig . Voor 1986 en 1987 wordt een toeneming
van de werkgelegenheid met telkens ongeveer 0,8 %
verwacht . Aangezien de beroepsbevolking zich echter
verder uitbreidt — een verschijnsel waaraan in steeds
mindere mate demografische oorzaken ten grondslag
liggen , maar waarin een gewijzigd arbeidsmarktge
drag tot uiting komt — zal de gemiddelde werkloos
heid in de Gemeenschap (EUR-9 ; 1985 : 11,1% ;
1986 : 11 % ; 1987 : 10,8 % ) echter weinig teruglopen .
Deze ontwikkeling is nog volledig onbevredigend .
Eveneens onbevredigend is nog steeds de verdeling
van de groei over de regio 's en landen van de
Gemeenschap . Gemeten naar het reële BBP per hoofd
was er voor de eerste olieschok sprake van een
duidelijk inhaalproces van de minder ontwikkelde
regio's en landen , maar sedertdien werd een stilstand
en zelfs een gedeeltelijke ommekeer van dit proces
waargenomen . Ook in 1986 en 1987 schijnt dit proces
van reële convergentie nog steeds niet op gang te
komen . De bevordering van dit proces is een essentieel
element ter versterking van de economische en sociale
coherentie van de Gemeenschap .
Over het geheel genomen wordt de groei in de
Gemeenschap thans door de binnenlandse vraag
gedragen . Deze overgang voltrok zich in het eerste
halfjaar van 1986 eerst aarzelend , hetgeen tot gevolg
had dat de in het afgelopen voorjaar opgestelde
groeiraming voor 1986 in geringe mate naar beneden
moest worden bijgesteld . De meest dynamische ele
menten van de reële binnenlandse vraag zijn thans de
investeringen in outillage ( 1986 : 6,1% ; 1987 : 6,9% )
en het gezinsverbruik ( 1986 : 3,7% ; 1987 : 3,5 % ); de
investeringen in de bouw herstellen zich , terwijl het
overheidsverbruik nog steeds zeer langzaam toe
neemt . Ondanks de verslechtering van het reële saldo
op de goederen- en dienstenbalans , die een negatieve
invloed op de groei heeft , neemt het nominale over
schot op de lopende rekening van de betalingsbalans
Nr . L 385 / 8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
van de Gemeenschap nog tijdelijk toe ( 1985 : 0,5%
van het BBP ; 1986 : 1,2% ; 1987 : 0,9% ).
In deze ontwikkelingen komt vooral de aanzienlijke
verbetering van de ruilvoet ten gevolge van de daling
van de olieprijs en de devaluatie van de dollar tot
uiting . De olierekening van de Gemeenschap is gehal
veerd ; de koopkracht van de gezinnen stijgt in 1 986 en
1987 in de meeste landen sterk ; de reële loonkosten
per hoofd stijgen in 1 986 praktisch niet , maar kunnen
in 1987 wellicht weer toenemen ; de rentabiliteit van
het bedrijfsleven is verbeterd , ook al ligt het gemid
delde voor de Gemeenschap nog lang niet op het
niveau van voor de eerste olieschok ; in enige landen
van de Gemeenschap werd de verbetering van de
ruilvoet door middel van fiscale maatregelen deels ook
gebruikt om de overheidsbegrotingen te ontlasten .
1.5 . De in de laatste jaren bereikte duidelijke verbeteringen
van de aanbodvoorwaarden en de positieve effecten
van de olieprijsdaling zijn op zich nog niet voldoende
om de Gemeenschap op de weg naar een toereikende
en arbeidscheppende groei te brengen , die het moge
lijk maakt de werkloosheid op de nagestreefde wijze te
verminderen . Onderzoeken betreffende de middellan
ge termijn wijzen uit dat ondanks de verbeterde
voorwaarden de gemiddelde groei in de periode
1986-1990 nog onder de 3% zou kunnen blijven en
dat onder deze omstandigheden de werkloosheid in de
Gemeenschap van de Twaalf in 1990 nog boven de
10% zou kunnen liggen . Dit hangt deels ook samen
met het feit dat in de komende jaren geen sterke
groei-impulsen van de wereldeconomie verwacht kun
nen worden . De verleden jaar vastgestelde en hierbo
ven onder punt 1 . 1 samengevatte Gemeenschapsstra
tegie voor meer groei en werkgelegenheid is derhalve
geenszins overbodig geworden . Integendeel , zij moet
thans welbewust en vastberaden worden toegepast .
Op deze wijze kunnen de op gang gekomen verbete
ring van de aanbodvoorwaarden en de verandering
van de gedragspatronen ten dienste van een snellere
stijging van de werkgelegenheid worden gesteld . Op
deze wijze kunnen ook de uit de daling van de olieprijs
en van de inflatie voortvloeiende gunstige omstandig
heden het best worden benut . Indien deze kans niet in
1 987 en 1988 wordt aangegrepen , zal het tot het einde
van het decennium niet meer mogelijk zijn de werk
loosheid in de Gemeenschap duidelijk te verminde
ren .
De in 1986 waarneembare en voor 1987 geraamde
sterke stijging van de investeringen van het bedrijfsle
ven bevordert niet alleen de vraag , maar leidt ook tot
een vergroting van de produktiecapaciteit . De inves
teringsquote van de Gemeenschap als geheel ( in % van
het BBP ) ligt echter nog steeds ongeveer 4 punten
onder het niveau van voor de eerste olieschok , en de
groei van de produktiecapaciteit alsmede de schepping
van nieuwe arbeidsplaatsen moeten geleidelijk nog
verder worden bespoedigd . De versterkte investe
ringsinspanning blijft derhalve nog verscheidene jaren
noodzakelijk .
De inflatiepercentages zijn opnieuw gedaald en hun
convergentie in de richting van meer stabiliteit is
verder verbeterd . Deze gunstige ontwikkeling kan
voor een groot deel ook aan de verbetering van de
ruilvoet worden toegeschreven . De prijsdaling bij de
invoer , met name voor aardolie , remt de stijging van
het prijsindexcijfer van het gezinsverbruik af en leidt
in de meeste landen tot een geringere stijging van de
nominale lonen en kosten . Deze ontwikkeling moet
echter ook worden gezien als een verder resultaat van
de sedert enige jaren in het EMS en in de Gemeenschap
gevoerde meer convergente stabiliteitspolitiek . De
gemiddelde inflatie in de Gemeenschap (prijzen van
het gezinsverbruik 1986 : 3,7% ; 1987 : 3,0% ) heeft
thans een waarde bereikt die sedert twee decennia niet
meer kon worden waargenomen . Deze grotere stabi
liteit en prijsconvergentie dienen te worden behouden
en geconsolideerd . In dit verband lijkt een zeker
optimisme gerechtvaardigd . De bezettingsgraad van
de produktiecapaciteit is weliswaar gestegen , maar de
toeneming van de investeringen begint bij te dragen tot
de uitbreiding van de capaciteit en het punt van waaraf
spanningen ontstaan , zou verder kunnen opschuiven .
Overigens schijnt de ontwikkeling van de invoerprij
zen ook in 1987 de interne stabiliteit niet aan te tasten
en er bestaat een kans dat de stijging van de nominale
lonen in de meeste landen mede wordt afgestemd op
de verminderde inflatie . In verband met dit laatste
aspect is de betekenis van de sociale dialoog duide
lijk .
De tenuitvoerlegging van de Gemeenschapsstrategie
voor meer groei en werkgelegenheid is ook een
belangrijk element voor de totstandbrenging van de
grote projecten en taken van de Gemeenschap op
middellange termijn . In dit verband is er sprake van
een bijzondere relatie tussen een aantal elkander
versterkende effecten . De bevordering van de techni
sche vooruitgang en de voltooiing van de interne
markt leveren een essentiële bijdrage tot het econo
misch potentieel en het concurrentievermogen van de
Gemeenschap ; tegelijkertijd kan deze taak veel
gemakkelijker worden volbracht — ook in sociaal
opzicht — , indien de tenuitvoerlegging van de strate
gie inderdaad leidt tot een sterkere en meer werk
scheppende groei . Deze groei zou het inhaalproces van
de achtergebleven regio 's en de omschakeling van de
achteruitgaande industriegebieden in sterke mate ver
gemakkelijken ; tegelijkertijd zouden de versterking
van de economische en sociale samenhang van de
Gemeenschap en het herstel van het proces van
convergentie in de reële sfeer bijdragen tot de vergro
ting van het economisch potentieel en de totale
dynamiek van de Gemeenschap . Ten slotte vergemak
kelijkt groei in combinatie met stabiliteit de verdere
ontwikkeling van het EMS en de monetaire samen
werking; tegelijkertijd bevordert het scheppen van een
monetaire stabiliteit het handelsverkeer , versterkt het
de integratie en verzwakt het externe storende invloe
den .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 9
1.6 . In 1987 en daarna moet het streven naar verbetering
van de aanbodvoorvvaarden en van het aanpassings
vermogen van de markten worden voortgezet . Wan
neer dan het positieve effect van de verbetering van de
ruilvoet uitgewerkt zal zijn , dient de binnenlandse
vraag onder handhaving van de doelstelling van
sanering van de overheidsfinanciën te worden onder
steund .
Het meest dynamische element moeten en kunnen de
investeringen van het bedrijfsleven zijn . Bij de zich
reeds aftekenende ontwikkeling is een zekere stroom
versnelling voldoende om de voor de doelstellingen
van de Gemeenschapsstrategie vereiste toeneming te
bereiken . Natuurlijk berust elke investering op een
nuchtere rentabiliteitsberekening ; derhalve is het van
belang te blijven streven naar verbetering van de
rentabiliteit , vermindering van de reële rentetarieven
op gezonde basis en bevordering van de beschikbaar
stelling van risicodragend kapitaal . De investerings
beslissing berust echter ook op vertrouwen en bereid
heid van het bedrijfsleven om risico 's te nemen ; deze
gedragspatronen dienen eveneens positief te worden
beïnvloed . De bijdrage van het bedrijfsleven bestaat er
derhalve vooral in , zo snel mogelijk op de stijgende
rentabiliteit te reageren met hogere en werkscheppen
de investeringen .
De overheidsinvesteringen en de investeringen in
infrastructuurvoorzieningen in ruimere zin, die niet
alle door de overheid behoeven te worden gefinan
cierd , dienen eveneens een dynamisch element van de
vraag te worden . Dc overheidsinvesteringen hebben
onder de sanering van de overheidsfinanciën geleden ;
hun aandeel in het BBP van de Gemeenschap is sedert
het begin van de jaren zeventig met bijna 1 ,5 procent
punt gedaald . Ten gevolge daarvan bestaat er thans
behoefte aan dit soort voor de nationale economie
rendabele projecten . Het gaat er hier om de noodza
kelijke initiatieven ook op communautair niveau te
nemen en de nodige particuliere en openbare middelen
beschikbaar te stellen . De manoeuvreerruimte die
binnen het kader van de overheidsbegrotingen ont
staat door herstructurering en door met de groei en de
werkgelegenheid verband houdende hogere ontvang
sten of lagere uitgaven , dient deels voor deze doelstel
lingen te worden gebruikt .
Ook het gezinsverbruïk als grootste component van de
binnenlandse vraag kan de komende jaren de vraag
schragen . De gematigde reële loonstijging, de toene
mende werkgelegenheid en de daling van belastingen
en sociale verzekeringspremies ten gevolge van de
grotere budgettaire manoeuvreerruimte maken het
mogelijk dat het gezmsverbruik ook op middellange
termijn reëel bijna evenveel kan stijgen als het BBP . In
dit verband is het van belang dat , terwijl gezondma
king van de openbare financiën op middellange
termijn wordt nagestreefd , de belasting- en premiever
minderingen relatief snel worden ingevoerd . In een
latere fase , wanneer de rentabiliteit van het bedrijfs
leven beter is hersteld en de werkgelegenheid sterker
toeneemt , kunnen groeiende werkgelegenheid en
geleidelijk toenemende reële loonstijgingen het gezins
verbruik gemakkelijker zelf ondersteunen en tegelij
kertijd leiden tot hogere ontvangsten en lagere uitga
ven op de overheidsbegrotingen .
1.7 . Het beleid op bet gebied van de openbare financiën
heeft bij de tenuitvoerlegging van de Gemeenschaps
strategie een belangrijke , maar bijzonder moeilijke rol
te vervullen . Het doel van gezondmaking van de
overheidsfinanciën op middellange termijn dient ver
der te worden nagestreefd . Tegelijkertijd gaat het
erom alle aanwezige en beschikbaar komende
manoeuvreerruimte vastberaden en zo snel mogelijk te
gebruiken voor de verbetering van de vraag- en
aanbodsituatie door middel van belasting- en premie
verminderingen en een versterking van investeringsac
tiviteit van de overheid . Deze manoeuvreerruimte
ontstaat door de aanvullende ontvangsten en geringe
re uitgaven ten gevolge van de sterkere groei en de
stijgende werkgelegenheid . De manoeuvreerruimte
ontwikkelt zich in de verschillende Lid-Staten echter
zeer uiteenlopend . In Duitsland en Luxemburg schijnt
de situatie het gunstigst te zijn . In Frankrijk is de
bestaande ruimte reeds aangewend . Voor 1987 zijn
reeds aanzienlijke belastingverlagingen voorzien en
voor 1988 zijn verdere verlagingen aangekondigd ,
terwijl het tekort in beide jaren wordt verminderd .
Naarmate de expansie in het buitenland en vooral in
de Gemeenschap sterker is , wordt het begrotingsbe
leid in Frankrijk vergemakkelijkt . In het Verenigd
Koninkrijk heeft de regering in haar verklaring van
afgelopen herfst voorzien in een verhoging van de
openbare uitgaven van ongeveer 4,75 miljard pond in
1987-1988 . Dit brengt met zich dat de voor
1987-1988 voorziene openbare uitgaven in reële
termen ongeveer 2 % hoger zullen liggen dan het
geraamde resultaat van 1986-1987 . Daarentegen ver
eisen de nog steeds te hoge tekorten en de stand van de
overheidsschuld dat in België , Griekenland , Ierland ,
Italië en Portugal de begrotingssanering met voorrang
wordt voortgezet . Dat ook dit met een gunstige
ontwikkeling van de investeringen van het bedrijfsle
ven en van de werkgelegenheid verenigbaar kan zijn ,
heeft het voorbeeld van Denemarken de laatste jaren
aangetoond . In een laatste groep landen (Denemar
ken , Spanje , Nederland ) zijn de budgettaire beperkin
gen weliswaar minder sterk , maar wordt de ma
cro-economische manoeuvreerruimte begrensd door
andere aspecten van de te verwachten ontwikke
ling .
In 1987 en 1988 zal derhalve waarschijnlijk slechts
een kleine groep landen in staat zijn om door het
begrotingsbeleid de vraag- en aanbodvoorvvaarden in
het algemeen te beïnvloeden . Belangrijk is ook dat
deze landen groter in aantal worden bij een voort
schrijdend economisch herstel . Deze positieve ket
tingreactie dient door gecoördineerd optreden te
worden versterkt . Bovendien bestaat er in alle Lid-Sta
ten nog aanvullende manoeuvreerruimte om door
herstructurering van de overheidsontvangsten en -uit
gaven (met inbegrip van een doelgerichte verminde
ring van subsidies ) gunstiger algemene voorwaarden
voor de verhoging van de werkgelegenheid te schep
pen . Deze mogelijkheden dienen niet te worden
onderschat en er dient een uitwisseling van in dit
opzicht opgedane ervaringen plaats te vinden . Het
Nr . L 385 / 10 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
principe van herstructurering dient ook op de
Gemeenschapsbegroting te worden toegepast .
1.8 . Ondanks het sterk veranderde internationale mone
taire klimaat behoeven de fundamentele beleidslijnen
voor het monetaire beleid in de Gemeenschap niet te
worden toegepast . Het monetaire beleid dient erop
gericht te blijven de beschikbare speelruimte voor de
reële groei op passende wijze te financieren en tegelij
kertijd reeds bereikte resultaten bij de vermindering
van de inflatietendensen te consolideren en waar
nodig te versterken . Tot nog toe kon het monetaire
bebeid in belangrijke mate profiteren van de interna
tionale economische ontwikkeling . De devaluatie van
de dollar en de daling van de olieprijzen en de
Amerikaanse rentetarieven hebben de ruimte voor
renteverlagingen vergroot , zonder dat dit gevaren
voor de inflatie met zich brengt . Een verdere , duide
lijke daling van de dollar zou een flexibele reactie van
de rentetarieven in Europa kunnen vereisen om het
gevaar van een opnieuw verkeerd gewaardeerde dol
lar , met alle negatieve gevolgen op middellange
termijn vandien , het hoofd te bieden . Daarbij moet er
echter op worden gelet dat geen nieuw inflatiepoten
tieel wordt opgebouwd . De vermindering van de
inflatieverwachtingen en de versterkte besparingen
van de economie als geheel zouden in de meeste landen
ook tot een daling van de langlopende reële renteta
rieven op gezonde basis kunnen leiden . Dit ligt in de
lijn van de strategie . Het EMS is een stabiliserende
factor gebleken . De voortschrijdende convergentie in
combinatie met een liberalisering van het kapitaalver
keer heeft de noodzaak van een nauwere coördinatie
van de economische politiek van de Lid-Staten ver
sterkt , en wel zowel intern , tussen het monetaire
beleid , het begrotingsbeleid en de inkomensontwikke
ling , alsook tussen de Lid-Staten . De vorderingen die
bij de schepping van een gebied van monetaire
stabiliteit zijn gemaakt , verminderen de afhankelijk
heid van externe invloeden en zijn de voorwaarde voor
verdere vooruitgang bij de integratie van de Europese
economieën .
neerslag zouden moeten krijgen in een sterk stijgende
werkgelegenheid . Ook een zekere verlaging van de
sociale verzekeringspremies zou kunnen bijdragen tot
een versterking van de werkgelegenheid ; hierbij zou
het moeten gaan om de benutting van financiële
speelruimte , waardoor noch de kwaliteit van de
sociale verzekeringsstelsels , noch het financiële even
wicht van deze stelsels wordt aangetast . Ook de
aanpassing van bepaalde overdreven of achterhaalde
regelingen van de arbeidsmarkt zou kunnen helpen
nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen . Een groot aantal
initiatieven die de schepping van arbeidsplaatsen voor
met name zelfstandigen alsmede in kleine onderne
mingen bevorderen , zijn reeds ten uitvoer gelegd of
worden momenteel onderzocht ; zij dienen te worden
aangemoedigd en de in dit verband opgedane ervarin
gen dienen te worden uitgewisseld .
De maatregelen ter verbetering van het aanpassings
vermogen van de markten en met name van de
arbeidsmarkt raken dikwijls belangrijke sociale aspec
ten . Deze dienen grondig met de sociale partners te
worden besproken . Voor een groot deel vallen zij
onder de CAO-bevoegdheden van de sociale partners .
Dit geldt bij voorbeeld voor de reorganisatie en
verkorting van de arbeidstijd , die het groeiproces
eveneens werkscheppender kunnen maken , voor
zover het kostenniveau hierdoor niet wordt
beïnvloed .
Voor dit gebied als geheel dient het in het economisch
jaarverslag van vorig jaar geformuleerde beginsel te
blijven gelden : „De geest waarin de discussie over de
marktflexibiliteit wordt gevoerd is belangrijk voor het
slagen daarvan . De verhoging van de flexibiliteit mag
niet leiden tot vernietiging van de reeds bereikte
sociale verworvenheden , doch heeft als doel meer
werkgelegenheid te scheppen . Voor zover enigszins
mogelijk zal de economische efficiency derhalve hand
in hand moeten gaan met het behoud en de verdere
ontwikkeling van de sociale verworvenheden .".
1.10 . Voor het welslagen van de Gemeenschapsstrategie
voor meer groei en werkgelegenheid is het zaak , dat zij
in alle Lid-Staten ook daadwerkelijk ten uitvoer wordt
gelegd . Dit geldt zowel voor de macro- en micro-eco
nomische beleidsmaatregelen alsook voor de sociale
dialoog op communautair niveau en op nationaal
niveau .
De Commissie is voornemens in haar voor juli 1987
geplande mededeling aan de Raad „Economie en
financiën" een tussenbalans van de toepassing van de
Gemeenschapsstrategie op te maken . De bespreking
dienaangaande stelt de Raad ECOFIN in de gelegen
heid om het van de Europese Raad in Den Haag
ontvangen mandaat uit te voeren , waarbij haar wordt
opgedragen de voortgang van de eind 1985 overeen
gekomen Gemeenschapsstrategie te volgen . Ten einde
deze rol beter te kunnen vervullen nodigt de Commis
sie elke regering van de Lid-Staten uit begin mei 1987
een kort verslag in te dienen , waarin de door haar
genomen initiatieven en maatregelen van het econo
1.9 . De maatregelen ter verbetering van het aanpassings
vermogen van de markten en van het ondernemings
klimaat , ter bevordering van de oprichting van nieu
we , vooral kleine en middelgrote ondernemingen en
van de beroepsopleiding alsmede ter stimulering van
de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technolo
gieën , moeten met prioriteit verder worden uitge
voerd . De voltooiing van de interne markt is een
essentieel element ter versterking van de mededinging
en ter verbetering van de werking van de markten . De
arbeidsmarktpolitiek is van bijzonder belang voor de
totstandbrenging van een arbeidscheppende groei . De
sociale partners dienen nog enige tijd een beleid
gericht op werkscheppende , gematigde reële loonstij
ging na te streven , totdat de werkscheppende investe
ringen rendabel genoeg zijn geworden en de werkloos
heid duidelijk en van jaar tot jaar in toenemende mate
daalt . In dit opzicht zijn in de meeste landen de laatste
jaren aanzienlijke vorderingen gemaakt , die bij een
voldoende ontwikkeling van de vraag snel hun
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 11
misch beleid worden uiteengezet . Deze verslagen —
eventueel aangevuld met eigen verslagen van de
sociale partners — zouden in het Comité voor econo
mische politiek en in het kader van de Europese sociale
dialoog kunnen worden besproken .
kei 3 van Richtlijn 74 / 121 / EEG van de Raad van 18
februari 1974 betreffende de stabiliteit , de groei en de
volledige werkgelegenheid in de Gemeenschap ('),
rekening houdende met de bijzondere omstandighe
den in elk land .
Bovendien dringt de Commissie er bij de sociale
partners op aan in voorkomend geval zeif het initiatief
voor de dialoog op nationaal niveau over de thema's
van de Gemeenschapsstrategie te nemen .
Op nationaal niveau is de sociale dialoog over de
thema's van de Gemeenschapsstrategie in vele landen
onvoldoende voortgeschreden . De Commissie dringt
er derhalve bij de regeringen van de Lid-Staten op aan
de nodige initiatieven te nemen overeenkomstig arti C 1 ) PB nr . L 63 van 5 . 3 . 1974 , blz . 19 .
2 . ECONOMISCHE ONTWIKKELING EN CONVERGENTIE
2.1 . De wereldeconomie
In het afgelopen anderhalf jaar hebben zich in de wereldeco
nomie drie belangrijke gebeurtenissen voorgedaan : de halve
ring van de aardolieprijs in US-dollar , een correctie van de
overgewaardeerde dollar en de daling van de rentevoeten . De
gecombineerde weerslag van deze drie factoren zal het de
wereldeconomie mogelijk maken op middellange termijn een
stabielere groei te hervinden . De vooruitzichten op korte
termijn betreffende de groei van de wereldeconomie zijn
echter niet meer zo optimistisch als in het afgelopen jaar op
hetzelfde tijdstip . De groei in de OESO-zone als geheel zal in
1986 en 1987 waarschijnlijk ongeveer 2,5% bedragen , of
iets minder dan in 1985 .
De aardolieprijzen zijn van 25 a 30 US-dollar per vat in 1985
teruggevallen tot 10 a 15 US-dollar per vat in de loop van dit
jaar . In Europese valuta berekend is de relatieve daling nog
groter . In dollar uitgedrukt zijn de spotprijzen namelijk met
circa 50 % gedaald gedurende de twaalf maanden welke aan
september 1986 voorafgingen , terwijl de prijsdaling in Ecu
zo'n 65 % beliep . De gevolgen van deze ontwikkeling zullen
zich niet beperken tot de aardoliemarkt ; ook de indirecte
gevolgen zullen aanzienlijk zijn , namelijk de vermindering
van de aardolierekening , de desinflatoire druk , de gunstige
consequenties voor de produktiecapaciteit van de industrie
landen en derhalve de mogelijkheid om een op een sneller
groeitempo gericht economisch beleid te voeren . De halve
ring van de aardolieprijs is een uniek feit waarvan de
gevolgen voor de wereldeconomie nauwelijks met zekerheid
kunnen worden ingeschat .
Het is te verwachten dat de tot 10 a 15 US-dollar per vat
teruggevallen prijzen tot een aanzienlijke stijging van het
aardolieverbruik en een grotere energie-intensiteit van de
groei zullen leiden , die des te geprononceerder zou zijn
naarmate de prijzen van de onderscheiden energiebronnen op
de binnenlandse markt de olieprijsdaling zouden volgen .
Binnenslands zou zulks de problemen in verband met de
milieubescherming kunnen doen toenemen . Buitenslands
zou , te zamen met de vermindering van het aardolieaanbod
door de producentenlanden , een aanmerkelijke versnelling
van het verbruik van aardolieprodukten de waarschijnlijk
heid van een snel herstel van de aardolieprijs vergroten .
De halvering van de prijs in dollar maakt het mogelijk de
kosten van het aardolieverbruik van de westelijke wereld met
circa 220 miljard US-dollar te verminderen . Aangezien meer
dan de helft van deze aardolie op de internationale markten
verhandeld wordt , zouden de betalingen van de netto-aard
olie-importerende landen aan de netto-exporterende landen
met circa 120 miljard US-dollar verminderen . De verminde
ring van de totale aardolierekening van de Gemeenschap
(met inbegrip van de eigen produktie ), berekend op basis van
de verbruiksniveaus van 1985 , beloopt circa 85 miljard Ecu
( 2,5 % van het BBP ) terwijl de verlichting van de netto-aard
olierekening ( invoer ) wordt becijferd op ongeveer 60 miljard
Ecu ( 1,8% van het BBP).
De vertraging van de inflatie ten gevolge van de daling van de
aardolieprijzen heeft bijgedragen tot de daling van de
rentevoeten . In de Verenigde Staten is de korte rente met
1,5 procentpunt gedaald in het aan juli 1986 voorafgaande
jaar , terwijl de lange rente nog duidelijker is teruggelopen
met 2,5 procentpunten . In de Gemeenschap was de achter
uitgang van dezelfde grootte (de korte rentevoeten vermin
derden eveneens met 1 ,5 procentpunt en de lange rentevoeten
met 2 procentpunten ). De duidelijke versoepeling van het
monetair beleid , met name in de Verenigde Staten , heeft een
bijdrage van betekenis geleverd tot deze ontwikkeling van de
rentevoeten ( zie grafieken 8 en 9 ).
De inzakking van de aardolieprijzen en de daling van de
rentevoeten hebben de winstgevendheid van de energiege
bruikende industrieën verbeterd , en het is waarschijnlijk dat
de ondernemers hun nieuwe investeringen zullen uitbreiden
of de buitenbedrijfstelling van oudere installaties zullen
vertragen . Hieruit zou een zekere door de aanbodzijde
aangezwengelde stijging van de produktiecapaciteit resulte
ren .
De algemene daling van de rentevoeten is een welkome , doch
onvoldoende ruggesteun voor de ontwikkelingslanden met
hoge schulden . Een algemene daling van de rentevoeten met
1 procentpunt vertegenwoordigt voor deze landen circa
7 miljard US-dollar per jaar (waaruit de omvang van hun
schuldpositie op korte termijn of tegen variabele rente blijkt).
De ontwikkelings-debiteurenlanden hebben hun ruilvoet
echter opnieuw zien verslechteren ( - 1,7% in 1985 ) en hun
inkomsten uit uitvoer zien dalen (- 1,6% in 1985 en
- 0,9 % geraamd voor 1986 ). Dientengevolge is hun tekort
Nr . L 385 / 12 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
op de lopende rekening van de betalingsbalans nog groter
geworden en zijn zij niet in staat geweest hun groei te
vergroten (4,1 % in 1985 en 3,3 % geraamd voor 1986 ). Met
name de aardolie-exporterende landen ( in hoofdzaak de
landen van de OPEC , doch ook Mexico , China en Maleisië )
maken een bezuinigingsperiode door , die een inkrimping van
hun invoer zal vergen . De vooruitzichten zijn echter beter
voor bepaalde van de nieuwe industrielanden ( zoals bij
voorbeeld Taiwan en Zuid-Korea ) wier mededingingsvermo
gen sterk is toegenomen ten gevolge van de afstemming van
hun valuta op de dollar , waarvan de koers daalt .
De weliswaar aanzienlijke daling van de dollar ( 33% ten
opzichte van de Ecu in het anderhalf jaar voor september
1986 , 40 % ten opzichte van de yen ) volstaat als zodanig niet
om de handelsbalans van de Verenigde Staten snel in
evenwicht te brengen . In het eerste halfjaar van 1986 heeft de
inzakking van de aardolieprijzen de gevolgen van de depre
ciatie van de dollar voor de ruilvoet geneutraliseerd . In de
vooruitzichten op korte termijn van de diensten van de
Commissie worden echter geen nieuwe dalingen van de
aardolieprijs verwacht , zodat de stijging van de invoerprijzen
van niet-aaraolieprodukten zou uitlopen op een verslechte
ring van de ruilvoet . Na zekere tijd zal hieruit een aanpassing
van het export- en importvolume in de Verenigde Staten
resulteren . Voor 1986 en 1987 kan echter nog geen verbe
tering van het handelstekort worden verwacht , daar de
invoeruitgaven sneller zouden kunnen toenemen dan de
exportontvangsten (gevolgen van de J-curve ). Bovendien zal
het saldo op de lopende rekening geleidelijk verslechteren
wegens de rentelasten van de toenemende buitenlandse
schuld van de Verenigde Staten . Dit betekent dat het tekort
op de lopende rekening van de Verenigde Staten in 1986 en
1987 flink boven de 100 miljard US-dollar zal blijven . De
overschotten van de Gemeenschap en Japan zullen in 1986
aanzienlijk toenemen wegens de invloed van de aardolieprij
zen . Het Japanse overschot zou in 1986 meer dan 4% van het
BBP kunnen vertegenwoordigen , dit is viermaal zoveel als het
Gemeenschapbcijfer .
Over het geheel genomen zal de groei van de wereldhandel in
industrieprodukten bescheiden blijven . De ruilvoet van de
industrielanden is in 1986 sterk verbeterd (met 7,5 % , doch
met meer dan 30% exclusief intra-OESO-handel ), de
sterkste toeneming sinds de oorlog . De mondiale invoer ,
exclusief die van de Gemeenschap , gewogen met de markt
aandelen van de Gemeenschap , zou reëel echter slechts een
zeer lichte vooruitgang vertonen (circa 1 ,3 % in 1986 , 2,4 %
in 1987), waaruit blijkt dat een intern gegenereerde econo
mische expansie van Europa als één geheel steeds noodzake
lijker wordt .
De huidige economische indicatoren wijzen voor 1987 noch
op een sterke groei , noch op een recessie van de wereldeco
nomie . Zelfs dit vrij bescheiden vooruitzicht is echter niet vrij
van risico's , en de hypothesen van de Commissie op het
gebied van de wereldhandel zouden te optimistisch kunnen
blijken . Immers :
i ) de depreciatie van de dollar heeft nog niet tot een
aanwakkering van inflatie in de Verenigde Staten geleid .
Het is echter waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd
eer de depreciatie tot uiting komt in hogere invoerprijzen
in de Verenigde Staten en een zekere opwaartse aanpas
sing van de in dollar luidende wereldgrondstoffenprij
zen . Derhalve moet het gevaar voor een heropleving van
de inflatie niet worden onderschat . Indien een restrictief
budgettair beleid , dat beheerst wordt door het streven
naar vermindering van het begrotingstekort , zou samen
gaan met een verkrapping van het monetair beleid ten
einde een te sterke daling van de dollarkoers te voorko
men of een snelle opkomst van de inflatie een halt toe te
roepen , zou zich inderdaad een recessie kunnen voor
doen ;
ii ) de aardolieprijs zou zich sneller kunnen herstellen dan
thans verwacht , met name indien de OPEC-landen tot
overeenstemming kunnen komen over een gezamenlijke
produktiebeperking , wat zich reeds voordeed in het
midden van 1986 . Het is mogelijk dat de vaststelling van
quota door de OPEC-landen midden 1986 reeds een
aanzet van een ontwikkeling in deze zin heeft gevormd .
Ook moet echter gezegd worden dat de aardolieprijs
thans sterk in beide richtingen kan schommelen ;
iii ) ten gevolge van de hoge internationale schuldenlasten en
de weinig bevredigende vooruitzichten voor de ontwik
kelingslanden loopt het internationale bankwezen nog
steeds het gevaar , dat omvangrijke betalingsverplichtin
gen niet worden nagekomen .
In het afgelopen jaar is het mondiaal economisch klimaat
ingrijpend gewijzigd ten gevolge van de daling van de
aardolieprijs , de depreciatie van de dollar en de daling van de
rentevoeten . Wat de aardolieverbruikende industrielanden
betreft moet hier worden gesproken van een sinds de oorlog
ongekende omvang en snelheid van de daarmee gepaard
gaande verbetering van de ruilvoet . Verwacht moet worden
dat de binnenlandse vraag van de industrielanden voldoende
zal zijn om een eventuele mondiale tendens tot vertraging van
de vraag en de produktie te vermijden . Het economisch
aanpassingsproces zal echter tijd vergen en het gevaar
Wat het binnenlandse aanpassingsbeleid in de Verenigde
Staten betreft heeft de eind 1985 aangenomen wet
Gramm-Rudman-Hollings inzake de terugbrenging van het
tekort een stringente begrotingsdiscipline willen opleggen ten
einde het gehele tekort op de federale begroting in vijf jaar uit
te wissen . De vooruitzichten voor de verwezenlijking van
deze doelstelling blijven echter onzeker . Niettemin wordt
grote druk uitgeoefend om het tekort in te krimpen tot
230 miljard US-dollar voor het begrotingsjaar 1986 , hetgeen
het voeren van een krappe begrotingspolitiek gedurende een
aantal jaren zou vereisen . De begrotingspolitiek van Japan
blijft gericht op een doelstelling van gezonde overheidsfinan
ciën op middellange termijn ; in de herfst is dan ook een
pakket maatregelen ter ondersteuning van de binnenlandse
vraag door de regering aangenomen , dat met name 3 000
miljard yen versnelde uitgaven voor openbare werken
inhoudt , of circa 1 % van het nominaal bruto binnenlands
produkt . Ondanks deze maatregelen lijken de gevolgen van
de ruilvoetwinsten slechts gedeeltelijk door te stromen naar
de gehele economie en met name naar de consumenten , zodat
de hiervan verwachte impuls zich nog niet heeft geconcreti
seerd .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 13
bestaat, dat de ontwikkeling die tot een nieuwe en meer
evenwichtige toestand van de wereldeconomie moet leiden
wordt verstoord . Het is met name aan de industrielanden om
ven gericht en gecoördineerd beleid te voeren ten einde ten
volle profijt te trekken van de verbetering van de aanbod
voorwaarden en om het correctieproces van de voornaamste
onevenwichtigheden op de betalingsbalansen te versnellen.
Bovendien is de situatie van de ontwikkelingslanden met
betrekking tot hun schuldpositie nog steeds precair en blijft
zij gevaar opleveren voor de internationale economie .
TABEL 1
Wereldproduktie , handel en prijzen
1984 1985 1986 198"
Bruto binnenlands produkt in constante prijzen —
mutatie in % per jaar:
-
EUR-12 2,2 2,4 2,5 2,8
Andere OESO-landen 5,5 3,4 2,6 2,4
— Verenigde Staten 6,5 2,8 2,8 2,3
— Canada 5,0 4,5 3,3 2.8
— Japan 5,7 4,5 2,0 2,4
— rest OESO 3,3 3,6 2,5 2,4
Totaal OESO 4,4 3,0 2,6 2,5
Wereldinvoervolume — mutatie in % per jaar:
Incl . EUR — gewogen met aandelen in de wereldinvoer 9,3 3,4 3,8 4,4
Excl . EUR — gewogen met aandelen in de wereldinvoer 10,4 2,2 2,3 3,1
Excl . EUR — gewogen aan de hand van de EUR-markt \
aandelen 7,5 1,9 1,3 2,4
Wereldexportprij -en in dollar — mutatie in % per jaar:
Grondstoffen , excl . brandstoffen - 1,5 - 10,5 3,2 - 1,6
Ruwe aardolie — fob - 4,5 - 3,0 - 47,3 - 12,9
Industrieprodukun - 2,8 - 1,2 17,3 4,0
Lopende rekening van de betalingsbalans — in miljard
US-dollar:
EUR-12 2,8 14,4 50,5 43,5
Andere OESO-landen - 67,5 - 74,4 - 65,8 ^ 75.5
— Verenigde Staten - 101,6 - 117,7 - 139,5 - 140,5
— Canada 1,9 - U - 5,4 - 6,5
— Japan 35,1 49,2 85,0 79,0
— rest OESO - 3,0 - 4,3 - 6,0 - 7,6
Totaal OESO - 64,7 - 60,0 - 15,3 - 32,0
OPEC-landen - 6,0 1,4 - 32,2 - 24,8
Andere ontwikkelingslanden (') - 20,0 - 22,2 - 22,3 - 21,2
Andere landen i 2 ) 25,2 5,0 — 1,4 - 0,7
Vergissingen en weglatingen - 65,5 - 75,8 - 71,1 - 78,6
(') De rubriek „andere ontwikkelingslanden" is inclusief China , Joegoslavië en Zuid-Afrika .
( -') De rubriek „andere landen" is exclusief de intra-Comecon-handel .
Bron : Diensten van de Commissie ( op basis van de economische vooruitzichten van oktober 1986 ).
Nr . L 385 / 14 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 2
Balans besparingen / investeringen in de Verenigde Staten , Japan en de Gemeenschap ( percentage van het
BNP/BBP )
Middelen Bestedingen
Particuliere Particuliere _ Besparings - _ ^^ ende* + Overheids
besparingen investeringen ~ overschot - rekening tekort
Verenigde Staten 1985
1986
1987
17,2 - 16,6 = 0,6 = - 2,9 + 3,5
16,4 - 16,5 = - 0,1 = - 3,5 + 3,4
15,9 - 16,6 = - 0,7 = - 3,3 + 2,6
Japan 1985
1986
1987
32,9 - 28,0 = 4,9 = 3,7 + 1,2
34,2 - 28,9 = 5,3 = 4,3 + 1,0
33,5 - 29,5 = 4,0 = 3,5 + 0,5
EUR-12 1985
1986
1987
21,7 - 16,1 = 5,6 = 0,5 + 5,1
22,4 - 16,5 = 5,9 = 1,2 + 4,7
22,6 - 17,0 = 5,0 = 0,9 + 4,1
NB: De gegevens van de nationale rekeningen voor de Verenigde Staten , Japan en de Gemeenschap zijn niet strikt
vergelijkbaar .
Bron : Diensten van de Commissie ( op basis van de economische vooruitzichten van oktober 1986 ).
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 15
GRAFIEK 1
De aardolieprijs
Gemiddelde invoerprijzen van ruwe aardolie in de Gemeenschap ( F.UR-12 ) in US-dollar , Ecu en reëel ( Index
1973 = 100 )
{') Gecorrigeerd met het prijsindexcijfer van de particuliere consumptie .
Bron: Eurostat en diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 16 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Economische gevolgen van de olieprijsterugslag
De inzakking van de aardolieprijs vormt een van de voornaamste factoren van de economische
conjunctuur van 1986 . Op basis van de — plausibele doch niet zekere — hypothese van een
gemiddelde aardolieprijs van 15 US-dollar per vat in 1986 zou de daling ten opzichte van 1985 45 %
belopen . De aanzienlijke depreciatie van de dollar ten opzichte van de Ecu heeft deze beweging nog
verruimd : uitgedrukt in Ecu zou de prijs van een vat aardolie in 1986 met circa 55 % terugvallen ten
opzichte van 1985 . De belangrijke rol van aardolie als een bron van energievoorziening in onze
economieën maakt dat de omvang van de daling erop wijst dat de olieprijsterugval grote gevolgen voor
de vooruitzichten van de Europese economieën zal hebben .
Deze gevolgen zullen zowel de vooruitzichten op korte termijn als op middellange termijn beïnvloeden
en zich niet alleen uitstrekken tot vraag en aanbod , maar ook tot het economisch beleid . Voorlopig
moet echter op twee punten een voorbehoud worden gemaakt :
— De hypothese gaat uit van een definitieve daling van de aardolieprijs ; verondersteld wordt derhalve
dat de gevolgen de tijd hebben die nodig is om ten volle tot uiting te komen ( anders dan in de later in
dit document weergegeven scenario's waarin de aardolieprijs zich op middellange termijn
herstelt ). Dientengevolge is geen enkele vertraging in de reacties van de economische subjecten
ingecalculeerd , hoewel in de economische realiteit de onzekerheid over het duurzame karakter van
de daling deze reacties mogelijkerwijs vertraagt .
— Voorts hebben zich in 1986 ook andere gebeurtenissen van betekenis ( bij voorbeeld de depreciatie
van de dollar ) voorgedaan die zich met de zuiver aan de olieprijsterugval gekoppelde consequenties
zullen vermengen . De gunstige gevolgen die daarvan voor Europa verwacht kunnen worden
zouden derhalve wel eens niet tot uiting kunnen komen in een onmiddellijke en aanzienlijke
verbetering van de Europese conjunctuur .
TABEL 3
Raming van de gevolgen van de daling van de aardolieprijzen van 27 tot 15 US-dollar per vat
Niveau van het
BNP
' in % )
Niveau van de
consumptieprijzen
( in % )
Omvang van de
werkgelegenheid
( in % )
Saldo lopende
rekening
( in % van het BNP )
1 1986 1987 1986 1987 1986 1987 1986 1987
Ramingen van
dt: Commissie ( l ): \
Duitsland 1,4 1,7 - 1,7 - 2,4 0,9 1,2 1,4 0,3
Frankrijk 0,9 1,9 - 1,4 - 2,2 0,9 1,2 1,5 0,9
Italië 0,3 2,1 - 1,2 - 2,9 0,2 0,7 ! 1,5 0,5
Verenigd Koninkrijk 0,3 0.9 - 0,3 0,2 0 0 ! - 1,4 - 0,7
EUR-10 0,9 1,4 - 1,4 - 2,2 0,5 0,9 1 ,0 0,5
HERMES-model ( z ): !
Frankrijk 1,1 1,9 - 3,5 - 4,4 0,3 0,5
;
Bronnen :
( 1 Deze ramingen zijn verricht door de diensten van de Commissie en zijn niet rechtstreeks gebaseerd op econometrische modellen .
De raming betreffende de Gemeenschap (EUR-10 ) is gebaseerd op prognoses voor elk land.
Het HERMES-model (Harmonised European Research for Macrosectorial and Energy Systems ) berust op de hypothese dat
30% van de winststijging geïnvesteerd wordt in de modernisering van de industrie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 17
Op korte termijn zullen twee directe effecten naar voren komen : een overdracht van de inkomsten van
de aardolieproducerende landen naar de netto-invoerlanden en een algemene vermindering van de
produktiekosten van de oliegebruikers . In de hypothese van een aardolieprijs van 15 US-dollar per vat
zullen deze inkomstenoverdrachten aanzienlijk zijn : 1,8 procentpunt van het BBP voor de Europese
Gemeenschap , met zeer duidelijke verschillen tussen de Lid-Staten al naar gelang van hun
afhankelijkheidsgraad (van 4,1 procentpunten voor Portugal tot -0 ,8 procentpunt voor het
Verenigd Koninkrijk ). Apart genomen 0 ) zou zulks leiden tot een snellere groei van het BBP in
constante prijzen , dat na twee jaar 1 ,5 % hoger zou zijn dan het zonder de daling van de aardolieprijs
zou zijn geweest . Deze gunstige gevolgen zullen echter worden afgezwakt door de waarschijnlijk forse
daling van de invoer van de aardolieproducerende landen , hoewel men het er over eens is dat de
gevolgen daarvan voor de Europese landen per saldo positief blijven . Voor het overige zou de daling
van de aardolieprijs het mogelijk moeten maken de overheidstekorten te verlichten ( besparingen op de
energie-uitgaven van 0,1 tot 0,5% van het BBP , reële grondslagverhoging van belastingen en
heffingen ).
De ruilvoetvoordelen ten gevolge van de olieprijsterugval zullen eveneens tot een zeer aanzienlijke
afneming van de inflatie in de Europese landen leiden ( behalve waarschijnlijk in het Verenigd
Koninkrijk wegens de depreciatie van het pond sterling ): zij zou na twee jaar bijna 2% kunnen
bedragen . Dit heeft een reeds aanzienlijke daling van de nominale rentetarieven op de kapitaalmarkt
ten gevolge gehad ( - 2,0 punten van juli 1985 tot juli 1986 voor de Gemeenschap ) waarbij de daling
van de korte rente paradoxalerwijze aarzelender lijkt , daar deze nauw verbonden is met de
wisselkoersbewegingen . Deze daling speelt een belangrijke rol dank zij de verbetering van de
solvabiliteit die zij voor de economische subjecten die lenen oplevert , zelfs op korte termijn ,
afhankelijk van de schuldpositie tegen variabele rentevoeten . De desinflatietendens zou ten slotte de
rol van de monetaire autoriteiten kunnen vergemakkelijken .
Op langere termijn zal de duurzaamheid van de hierboven beschreven invloeden cruciaal afhankelijk
zijn van het laag blijven van de aardolieprijzen , doch ook van de op dit punt bij de economische
subjecten bestaande verwachtingen . Zelfs indien de aardolieprijs nog enige tijd in de buurt van
15 US-dollar per vat zou blijven , zou zij vervolgens weer kunnen stijgen onder de gecumuleerde druk
van toeneming van de wereldvraag naar aardolie en vermindering van het aanbod . Er bestaat derhalve
veel onzekerheid over de gevolgen op lange termijn . Het aanbodseffect dat per definitie pas op
middellange termijn zijn volledige draagwijdte zal bereiken , zou voornamelijk afkomstig zijn van een
stijging van de rendabele produktiecapaciteit . Door het herstel van de winstverwachtingen kunnen
bepaalde investeringsplannen worden verwezenlijkt , die zonder inzakking van de olieprijzen niet
zouden kunnen worden uitgevoerd , aangezien dan geen voldoende winstmarges zouden zijn behaald .
Deze werking zou in de eerste jaren kunnen worden versterkt door een uitstel van buitenbedrijfstelling
van de oudste produktie-installaties , die economisch rendabel zouden blijven ten gevolge van de val
van de aardolieprijs . Hoewel deze zuivere aanbodseffecten moeilijk te ramen vallen , zouden zij een
toeneming van de produktiecapaciteit met 2 a 5% op lange termijn voor de gehele Gemeenschap
mogelijk kunnen maken .
De daling van de aardolieprijs heeft gevolgen van betekenis voor de economische politiek . Het is
waarschijnlijk dat zij , vroeger of later al naar gelang van het land , de verschillende beperkingen op het
monetair en budgettair beleid zal versoepelen : een afnemende inflatie , vermindering van het
overheidstekort en verbetering van de lopende rekening van de betalingsbalans in de meeste landen
van de Gemeenschap . De indirecte consequenties die zouden voortvloeien uit de hernieuwde
beschikbaarheid van speelruimte voor de economische politiek zouden derhalve toenemen . Dit zou de
tenuitvoerlegging van de samenwerkingsstrategie voor meer groei en werkgelegenheid alleen maar
vergemakkelijken .
(■ ) Dit cijfer berust op ceteris partbus voorwaarden , zoals met name een ongewijzigde economische politiek , en
komt dus boven op de andere effecten (wet Gramm-Rudman-Hollings ; zwakte van de dollar , enz .).
Nr . L 385 / 18 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
2.2 . De economische vooruitzichten van de Gemeenschap
Ten gevolge van de ingrijpende wijzigingen van het econo
misch klimaat die hierboven zijn geschetst — halvering van
de aardolierekcning , correctie van de dollarkoers , daling van
de rentevoeten en teruggang van de inflatie — zijn de groei
vooruitzichten op middellange termijn van Europa verbe
terd . Begin 1986 gaf het — voor het overige vrij bescheiden
— economisch herstel echter tekenen van aarzeling te zien .
De inkrimping van de vraag naar industrieprodukten in
aardolieproducerende landen was groter dan de stijging van
de binnenlandse vraag in de aardolieverbruikende landen .
Met name de OPEC- en Comecon-landen die in 1985 meer
dan een derde van de totale export van de Gemeenschap naar
derde landen vertegenwoordigden zouden hun invoer in
1986 sterk kunnen beperken ( respectievelijk reëel met 25 en
11% ). Ook hebben de meeste niet aardolieproducerende
ontwikkelingslanden hun invoer in 1986 nauwelijks kunnen
uitbreiden , wegens moeilijkheden in verband met hun bui
tenlandse schuld , de lage grondstoffenprijzen en dientenge
volge een gebrek aan deviezen . De niet bij de Gemeenschap
aangesloten OESO-landen hebben hun ' invoer vergroot ,
doch de externe vraag van de Gemeenschap zal over het
geheel genomen in 1986 nauwelijks toenemen . Daardoor , en
mede door het verlies aan prijsconcurrentie , zou het uitvoer
volume van de Gemeenschap zelfs licht kunnen dalen .
Derhalve is het in hoofdzaak toe te schrijven aan de dynamiek
van de interne vraag van de Lid-Staten dat de totale uitvoer
van de Lid-Staten in 1986 reëel met circa 2,2% zal toene
men , dit is minder dan de helft van het in 1985 bereikte cijfer
( 5,7% ).
Gemeenschap zou in 1986 reëel met ongeveer 3,7% kunnen
toenemen , en derhalve de hoofdfactor van de economische
groei worden . De sterkste toeneming van deze component
( iets minder dan 5% ) zal worden bereikt in Duitsland .
Naast de particuliere consumptie blijven de investeringen een
positieve factor in het economisch herstel , hoewel de groei
lager is dan die welke gewoonlijk in eerdere conjuncturele
opgangsperiodes werden waargenomen . Dit valt voorname
lijk toe te schrijven aan de grote expansie van de investerin
gen in de bouwnijverheid , waarvan het volume in 1986 met
ongeveer 2,3 % zal toenemen na een teruggang van 2,6 % in
1985 . De overige investeringen vertonen nog steeds een
duidelijk stijgende tendens (met circa 6,0% ), zoals blijkt uit
de meest recente enquêtes inzake de bedrijfsinvesteringen in
de Gemeenschap . Volgens deze gegevens zijn de door de
industriële ondernemingen in de afgelopen herfst opgestelde ,
reeds optimistisch ingestelde investeringsprogramma's in
vrijwel alle Lid-Staten opwaarts herzien ( van 7 naar 10% in
volume). De investeringen van bedrijven zullen derhalve in
1986 meer toenemen dan in de gehele economie . De
betrekkelijk snelle stijging van de investeringen in 1985 en
1986 heeft tot nog toe echter slechts tot een stabilisatie van de
werkgelegenheid in de industrie geleid . Het is derhalve
duidelijk dat de investeringen in de komende jaren sterk
zullen moeten toenemen om het verlies aan arbeidsplaatsen te
compenseren , waartoe een te laag investeringsniveau in de
tweede helft van de jaren zeventig en het begin van de jaren
tachtig heeft geleid ( zie grafiek 10).
Evenals in de afgelopen jaren is de toeneming van de
overheidsconsumptie aanzienlijk onder de gemiddelde groei
van de binnenlandse vraag gebleven ( 1 ,7 % ). Over het geheel
zal de binnenlandse vraag van de Gemeenschap in 1986
duidelijk toenemen (met 3,8 % in volume tegenover 2,2 % in
1985 ).
Anders dan bij de groei van het reële bruto binnenlands
produkt het geval is geweest , heeft de werking van de ruilvoet
op de consumentenprijzen zich vrijwel onmiddellijk doen
gevoelen , ondanks het feit dat de kostendaling niet ten volle
in de verkoopprijzen tot uiting is gekomen . De Europese
consument heeft echter gemiddeld meer baat gevonden bij de
verbetering van de ruilvoet dan de Japanse consument ,
omdat in Japan een groter deel van de met deze verbetering
verbonden voordelen in de ondernemingssector is gebleven .
Zoals uit de enquêtes bij de consumenten van de Gemeen
schap is gebleken , heeft de stabilisatie van de prijzen tot een
belangrijke toeneming van de koopkracht geleid . De gemid
delde stijging van de consumptieprijzen in de Gemeenschap
in 1986 (circa 3,7% ) zal de laagste sinds twintig jaar zijn .
Ondanks de aanzienlijke stijging van de reële loonsom per
werknemer ( 2,3 % op basis van het prijsindexcijfer van de
particuliere consumptie ) zullen de reële loonkosten per
werknemer (op basis van het prijsindexcijfer van het BBP) in
de Gemeenschap in 1986 stabiel blijven . Deze gunstige
situatie , die zich in de komende jaren niet zal herhalen , valt
toe te schrijven aan de duidelijke verbetering van de ruilvoet
waardoor de kosten van bedrijven zijn verminderd met een
gelijktijdige stijging van de koopkracht van de consumen
ten .
De invoer van de Gemeenschap zal zijnerzijds aanmerkelijk
sneller toenemen . De buitenlandse handel zal een duidelijk
negatieve bijdrage leveren tot de reële groei van de Gemeen
schap . Zonder deze ongunstige factor zou de groei van de
Gemeenschap meer dan 1 procentpunt groter zijn geweest .
Deze negatieve invloed van de reële netto-uitvoer van de
Gemeenschap levert echter een aanzienlijke bijdrage tot het
wegwerken van de onevenwichtigheden van de wereldhan
del . Desondanks zal het overschot op de lopende rekening
van de betalingsbalans van de Gemeenschap in 1986 , dank
zij de aanmerkelijke verbetering van de ruilvoet , aanzienlijk
groter zijn dan in 1985 ( circa 1,2% van het bruto binnen
lands produkt tegenover 0,5% in 1985 ).
In het eerste halfjaar van 1986 werd de zwakte van de uitvoer
slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de stijging van de
interne vraag . Daar de kopers verdere prijsdalingen ver
wachtten , hebben zij hun aankopen in de eerste maanden van
het jaar enige tijd uitgesteld . Dit gold voor de ondernemingen
die hun input-voorraden verminderden . In eerste instantie
hebben de consumenten , wier reële inkomen onverwacht was
gestegen , meer gespaard . Vanaf het tweede kwartaal ver
toonde de finale vraag echter tekenen van een opleving . Dit
kwam eveneens tot uiting in de vergroting van het consu
mentenvertrouwen , een voorlopende indicator die wordt
opgesteld op basis van regelmatig in de Gemeenschap
uitgevoerde enquêtes . De particuliere consumptie van de
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 19
Voor 1987 lijken er geen tekenen van een eventuele overhit
ting te zijn . Voor de Gemeenschap als geheel voorziet de
Commissie in feite een nieuwe vertraging van de consump
tieprijzen in 1987 ( 3% tegenover 3,7 % in 1986 ) die in
hoofdzaak toe te schrijven valt aan de vooruitgang bij de
inflatiebestrijding in die Lid-Staten die tot nog toe aanzien
lijke prijsstijgingen kenden (Griekenland , Spanje , Portugal
en Italië ). In de andere Lid-Staten zal het inflatiepeil zich
waarschijnlijk stabiliseren op het relatief lage niveau van
1986 , of slechts licht toenemen.
In 1987 zal de binnenlandse vraag ( + 3,5 % ) de voornaam
ste stuwende factor van de groei blijven ; zij zal waarschijnlijk
iets minder toenemen dan in 1986 . Voorts zullen de meer
dynamische factoren weer de particuliere consumptie ( 3,5 %
in volume ) en de investeringen in vaste activa ( 5,1 % ) zijn ; de
investeringen in kapitaalgoederen (6,9 % ) zullen veel dyna
mischer zijn dan de investeringen in de bouwnijverheid
( 3,2 % ). De toeneming van de overheidsconsumptie zal
waarschijnlijk betrekkelijk bescheiden blijven ( 1,3% in
volume ). Bovendien zal de uitvoer in 1987 nauwelijks nog de
groei van de Europese economie stimuleren . Na de virtuele
stagnatie in 1986 zullen de exportmarkten van de Gemeen
schap waarschijnlijk in de loop van het komende jaar een
lichte stijging vertonen (met reëel circa 2,4 % ) onder invloed
van het herstel van het wereldhandelsverkeer . De uitvoer van
de Lid-Staten ( binnen en buiten de Gemeenschap ) zou in
1987 met 3,5 a 4% kunnen toenemen . Daar de invoer van de
Gemeenschap echter nog krachtig zal stijgen (met circa
6,5 % ) zal de buitenlandse handel nog steeds een negatieve
invloed hebben op de reële groei van de Gemeenschap
(waarschijnlijk - 0,8 % tegenover - 1,2 % in 1986 ). De
Gemeenschap zal derhalve blijven bijdragen tot het wegwer
ken van de onevenwichtigheden die de wereldhandel ongun
stig beïnvloeden . Ondanks de negatieve invloed van de
externe handel van de Gemeenschap in reële termen zal het
overschot op de lopende rekening duidelijk positief blijven
( 1987 : 0,9 % van het BBP of 42 miljard US-dollar tegenover
1,2 % van het BBP in 1986 , of 52 miljard US-dollar ).
Het herstel , dat tot nog toe echter niet zeer dynamisch is
geweest , heeft eveneens een invloed gehad op de arbeids
markt. In 1986 zal de werkgelegenheid in de Gemeenschap
met 0,8 % kunnen toenemen , hetgeen duidelijk boven het
gemiddelde van de jaren zestig en zeventig ligt ( zie tabel 4 ). In
macro-economisch perspectief lijkt de drempel waarboven
de produktiestijging gevolgen begint te hebben voor de
werkgelegenheid , nog te zijn verlaagd . De toegenomen
werkgelegenheid valt echter eveneens toe te schrijven aan
specifieke , in het kader van het werkgelegenheidsbeleid
genomen maatregelen , alsmede aan de uitbreiding van de
deeltijdse arbeid . De werkgelegenheidstoename zal boven het
gemiddelde liggen in Denemarken ( 1 ,9 % ), Spanje ( 1 ,8 % ) en
in Duitsland en Nederland ( 1 ,1 % in beide landen ). Ondanks
een duidelijke stijging van het aantal arbeidsplaatsen zal de
werkloosheid in de Gemeenschap in 1986 slechts zeer licht
dalen ( van 12 % in 1985 tot 11,9% EUR-12 ) wegens de
aanhoudende groei van de beroepsbevolking in de Gemeen
schap (met circa 0,8% in 1986 ).
Deze toename was recentelijk veeleer het gevolg van een
stijging van de participatiegraad (met name van vrouwen )
dan van demografische factoren .
Ondanks de geleidelijke verbetering van de arbeidsmarkt
blijven bepaalde onderdelen daarvan specifieke problemen
stellen . Hierbij dient met name te worden gewezen op de
aanhoudende toename van het aantal langdurig werklozen in
de Gemeenschap : thans is circa 40 % van de werklozen sinds
meer dan één jaar zonder werk , tegenover 36% in 1983 .
Hoewel het moeilijk is rechtstreekse vergelijkingen te trekken
tussen de Lid-Staten , lijken zich in dit verband aanzienlijke
verschillen voor te doen : terwijl in Denemarken het aandeel
van de langdurig werklozen bij voorbeeld slechts circa 6%
van de beroepsbevolking uitmaakte , zou dit cijfer in België ,
Nederland en Spanje boven de 50 % liggen en in Duitsland ,
Frankrijk , Ierland , Italië en het Verenigd Koninkrijk uiteen
lopen van 30 tot 40 % . Het aantal werkloze jongeren is licht
afgenomen ( van 4,6 miljoen in 1985 tot 4,5 miljoen in 1986 ,
dit is ongeveer 35% van het totaal aantal werklozen in
EUR-9 ). Dit valt toe te schrijven aan demografische factoren
en speciale programma's in de Lid-Staten om basisonderwijs
en -opleiding voort te zetten . Het werkloosheidspeil onder de
jongeren van 15 tot 25 jaar in de Gemeenschap blijft echter
onaanvaardbaar hoog (circa 20 % ).
Economische vooruitzichten voor 1987. De geleidelijke
opleving van de economische activiteit in de Gemeenschap
zal in 1987 het vijfde jaar ingaan . Volgens het normale
conjunctuurpatroon van de voorafgaande herstelperiodes
gaan wij thans de laatste fase van dit proces in en zullen wij
derhalve niet ver af zijn van de top van de conjunctuurcyclus .
Gezien de feiten lijkt deze conclusie echter niet gerechtvaar
digd , aangezien de conjuncturele ontwikkeling aanzienlijk
afwijkt van die in voorafgaande periodes . Anders dan in
1972 / 1973 en 1979 / 1980 het geval is geweest , is de
toenemende capaciteitsbezetting tot nog toe niet vergezeld
gegaan van een versnelde prijsstijging , doch integendeel van
een daling van de inflatie . De loonkosten per eenheid produkt
zijn evenmin sneller beginnen te stijgen , zoals vroeger het
geval was in de laatste fases van het herstel , omdat thans het
tekort aan arbeidskrachten dat kenmerkend was voor eerde
re gevallen zich niet heeft voorgedaan .
Al bij al , zou de groei van de economie van de Gemeenschap
in 1987 bij het huidige beleid iets onder de 3 % blijven . De
groeipercentages zullen uiteenlopen van 3,6 % in Italië tot
- 0,2 % in Griekenland . Ondanks de hernieuwde stijging
van de werkgelegenheid (0,8 % per jaar in 1986 en 1987 )
blijft de werkloosheid uiterst hoog; in 1987 zal het werk
loosheidspeil in de Gemeenschap van de Twaalf waarschijn
lijk slechts licht afnemen van 11,9 % tot 11,7 % .
Het economisch herstel in de Gemeenschap zet zich voort, in
hoofdzaak ten gevolge van de inkomensoverdracht voort
vloeiende uit de sterke daling van de invoerprijzen . De
binnenlandse vraag, met name de particuliere consumptie en
de investeringen, vormt de meest belangrijke groeifactor,
terwijl de externe markten van de Gemeenschap in hun
geheel een zekere zwakte vertonen. De vertraging van de
prijsstijging en de daling van de rentevoeten zullen de
groeivooruitzichten op middellange termijn verbeteren . De
eerste successen bij de bestrijding van de werkloosheid in de
Gemeenschap worden zichtbaar maar zijn nog onvoldoende
ten opzichte van hetgeen noodzakelijk of mogelijk is .
Nr . L 385 / 20 31 . 12 . 86Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
TABEL 4
EUR-12 : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
(Mutatie in % per ta.ir
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 {') 1987 ( 2 )
r reëel
Bruto binnen - J nominaal
lands produkt |
^ deflator
10.2
4,8
5,1
14,6
2,2
12,1
10,8
- 0,1
10,9
11,2
0,5
10,6
9,6
1,2
8,3
8,8
2,0
6,6
8,5
2,4
6,0
8,8
2,5
6,2
6,4
2,8
3.5
Particulier verbruik , deflator 4,6 12,1 12,1 10,4 8,4 7,0 5,8 3,7 3,0
^ particulier ( u ) 5,6 1,2 - 1,7 - 2,2 - 1,7 3,5 1,7 5,2 5,0
Bruto-investe- ! openbaar { 13 )
ringen in activa |
[ totaal
3,2
5,6
- 0,6
0,5
- 6,8
- 4,1
5,3
- 1,5
0,7
- 0,4
- 1,0
1,3
0,5
2,4
1,2
4,2
2,0
5,1
waarvan : bouwnijverheid . . - 2,6 2,3 3,2
kapitaalgoederen I 8,0 6,1 6,9
Binnenlandse vraag (constante prijzen )
Nationale indicator
Verschil ten opzichte van de andere
OESO-partners
5,0
- 0,6
2,1
- 0,2
- 1,8
- 4,1
0,8
1,0
0,8
- 1,9
1,4
- 4,2
2,2
- 1,1
3,8
0,4
3,5
0,9
r nominaal 10,0 14,9 12,8 10,9 9,9 7,6 6,8 6,0 4,8
Brutoloonsom J reëel A ( 3 )
per werknemer |
L b ( 3 )
4,7
5,2
2,5
2,5
1,7
0,6
0,3
0,4
1,5
1,4
0,9
0,6
0,8
1,0
- 0,1
2,3
1,3
1,8
Produktiviteit ( 4 ) 4,5 2,2 1,1 1,5 2,1 2,1 2,0 1,8 2,0
Reële loonkosten per eenheid produkt ( s ) 100 104,5 104,3 103,0 102,4 101,1 99,9 98,1 97,4
Rentabiliteit ( s ) ( 6 ) 100 67,4 60,0 60,4 62,3 64,7 68,2 75,5 79,0
Mededingingsvermogen ( s ) ( 7 ) 100 108,8 105,5 98,9 93,2 86,7 85,6 95,1 95,9
Werkgelegenheid 0,3 0,0 - 1,2 - 0,9 - 0,8 - 0,2 0,4 0,8 0,8
Geregistreerde werklozen in % van de ac
tieve burgerlijke beroepsbevolking ( s ) ( 9 ) 2,2 4,7 7,8 9,3 10,3 10,8 11,1 11,0 10,8
Saldo van de lopende rekening in % van
het BBP - 0,7 - 0,8 0,0 0,1 0,5 1,2 0,9
Langlopende rente ( I0 ) 7,1 10,5 15,1 14,3 12,7 12,0 10,8 9,0
Liquiditeitenmassa ( n ) 13,5 10,6 11,6 10,6 8,7 9,4 8,4 6,5
Financieringsvermogen of -behoefte van
de overheid in % van het BBP ( 12 ) - 0,6 - 3,8 - 5,4 - 5,6 - 5,5 - 5,4 - 5,1 - 4,7 - 4,1
Overheidsschuld in % van het BBP 45,0 49,8 53,5 56,0 58,9 60,3 61,8
Rente op overheidsschuld in % van het
BBP 2,9 4,1 4,6 4,9 4,9 5,1 5,1 5,0
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Vooruitzichten van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
( 3 ! A : deflator van het BBP; B : deflator van het particulier verbruik .
(*} Reële bruto toegevoegde waarde per werk / aam persoon in de gehele economie .
( 5 ) Index : 1961 1973 = 100 .
( 6 ) EUR-4 : D + F + I + VK ; niet agrarische sector .
( 7 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negen andere industrielanden ) op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de gehele economie .
( s ) Definitie Eurostat .
f 9 ) Exclusief Griekenland , Spanje en Portugal .
( I0 ) Exclusief Spanje en Portugal .
(") Per jaarultimo — liquiditeitenmassa in ruimere zin M2 of M3 al naar gelang van het land .
{ 12 } Exclusief Griekenland , Spanje , Ierland en Portugal .
( 13 ) Raming voor EUR-1Ö .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 21
TABEL 5
Goedereninvoer (volume ) van de grote economische zones
(Mutatie in % per jaar)
1982 1983 1984 1985 1986 (') 1987 (>)
EUR-12 ( incl . intra-EUR ) 2,7 2,0 7,1 5,5 6,3 6,4
Verenigde Staten - 2,3 12,7 23,6 4,7 10,9 6,3
Japan 0,5 - 2,8 11,0 - 1,9 8,5 6,4
OPEC 5,1 - 10,1 - 7,4 - 11,3 - 25,0 - 12,5
Andere ontwikkelingslanden - 8,2 - 1,2 5,5 3,3 1,8 3,0
Wereld - 0,8 1,7 8,9 3,4 3,8 4,4
Ramingen van de diensten van de Commissie : oktober 1986 .
Bron : Eurostat en diensten van de Commissie .
TABEL 6
Middelen en bestedingen in constante prijzen EUR-12
(Mutatie in % per jaar)
1983 1984 1985 1986 (') 198? ( i )
Gezinsconsumptie 1,0 0,9 2 ,2 3,7 3,5
Overheidsconsumptie 1,7 1,0 1,7 1,7 1,3
Bruto-investeringen in vaste activa - 0,3 1,3 2 ,4 4,2 5,1
Invloed op wijziging van het BBP van : \
finale binnenlandse bestedingen ( 2 ) ( 3 ) 0,9 1,0 2 ,1 3,4 3,4
voorraadmutatie ( 2 ) 0,5 - 0,2 0 ,0 0,4 0,2
uitvoersaldo ( 2 ) - 0,3 0,1 0,2 - 1,2 - 0,8
BBP 1,2 2,0 2 ,4 2,5 2,8
Uitvoer (goederen en diensten ) 3,1 7,6 5,7 2,2 3,7
Invoer (goederen en diensten ) 1,5 5,6 5,3 6,3 6,2
') Ramingen van Je diensten van de Commissie : oktober 1986 .
2 ) Verandering in % van het BBP van het voorafgaande tijdvak .
3 ) Met uitzondering van voorraadmutaties .
Bron: Eurostat en diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 22 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 7
Geraamde groei van het bruto binnenlands produkt in 1986 en 1987
Mutatie in % per jaar
1986 ('} ! 987 (')
BBP BBP BBP
r
BBP BBP | BBP
nominaal reëel deflator nominaal reëel ! deflator
België 6,7 2,0 4,6 3,1 1,3 1,8
Denemarken 7,8 2,9 4,8 5,5 1,8 1 3 '7
Duitsland 7,1 3,1 3,9 4,6 3,2 ! M
Griekenland 23,2 0,5 22,6 12,1 - 0,2 ! 12,3
Spanje 15.1 2,9 11,8 9,3 3,0 6,1
Frankrijk 6,9 2,2 4,6 5,3 2,5 2,7
Ierland 7,6 1,8 5,6 6,8 3,1 ! 3,6
Italië 12,7 2,8 9,7 9,1 3,6
i
i 5,3
Luxemburg 8,0 2,4 5,4 5,3 2,6 | 2,6
Nederland 2,0 1,6 0,4 0,1 1,8 1 - 1 '
Portugal 23,8 3,8 19,2 14,4 3,5 j 10,5
Verenigd Koninkrijk 6,3 2,3 3,9 7,0 2,7 j 4,2
EUR- 12 8,8 2,5 6,2
6,4 2,8 " 3,5 1
|
(
TABEL 8
Indicatoren van de ontwikkeling van de arbeidsmarkt
Werklozen in % van de actieve burgerlijke beroeps
bevolking
Werkgelegenheid
Mutatie in % pier jaar
196d 1970 1983
~ -
198S 1986 1987 1961— 1970 1971— 1980 1981 —1985 1986 1987
België 3,1 2,1 14,3 13,7
•
12,9 13,4 0,6 0.3 - 0,8 0,3 - 0,6
Denemarken 1,6 1,1 10,1 8,8 7,6 7,7 1,1 0,7 0,9 1,9 0,3
Duitsland 1,0 0,6 8,4 8,4 8,1 7,7 0,2 - 0,1 - 0,6 1,1 1,0
Griekenland 7,8 7,8 7,6 8,3 - 0,7 0,6 1,0 0,5 0,0
Spanje 17,8 22 1 21,7 21,5 0,7 - 2.1 - 2,2 1,8 1,2
Frankrijk 0,7 1,3 8,8 10,3 10,5 10,7 0,6 0,4 - 0,5 0,1 0,3
Ierland 4,7 5,3 14,9 18,0 18,4 18,0 - 0,0 0,9 - 0,9 - 1,1 0,7
Italië 7,2 4,4 10,9 12,9 13,4 12,8 - 0,5 0,5 0,5 0,5 1,3
Luxemburg 0,1 0,0 1,6 1,6 1,3 1,2 0,6 1,3 0,1 0,8 0,7
Nederland 0,7 1,3 14,3 13,1 12,0 11,1 1,2 0,2 - 0,9 1,1 0,9
Portugal 10,2 8,7 8,6 8,5 - 0,5 - 0,3 - 0,7 0,3 0,3
Verenigd Koninkrijk 1,6 2,5 11,6 12,0 12,0 12,0 0,2 0,2 - 0,8 0,8 0,8
EUR-12 i 11,0 12,0 11,9 11,7 0,2 0,2 - 0,6 0,8 0,8
EUR-9 (>) 2,5 2,0 10,3 11,1 11,0 10,8
Verenigde Staten 5,5 4,9 9,6 7,2 6,9 6,9 1,9 2,0 1,6 2,2 1,7
Japan 1,7 1,1 2,7 2,6 2,8 2,9 1,4 0,8 1,0 i
(') Exclusief Griekenland , Spanje en Portugal .
NB : De hier weergegeven werkloosheidscijfers worden berekend op basis van de gegevens inzake het aantal geregistreerde werklozen volgens een gemeenschappelijke
definitie van Eurostat .
Uitzonderingen : voor Griekenland , Spanje en Portugal zijn de gegevens afkomstig van nationale enquêtes .
Bron: Eurostat en diensten van de Commissie ' oktober 1986 !.
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 23
GRAFIEKEN 2 tot en met 5
Vergelijking tussen de Gemeenschap , de Verenigde Staten en Japan , 1982—1986
2 . Bruto binnenlands produkt , gvs 3 . Industriële produktie ,
voortschrijdend driemaandsgemiddelde , gvs
4 . Werkloosheid, gvs 5 . HandeIsbalans ,
fob / cif , miljard Ecu ,
voortschrijdend driemaandsgemiddelde , gvs
1 000 000 000 Ecu
Nr . L 385 / 24 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
GRAFIEKEN 6 tot en met 9
Vergelijking tussen de Gemeenschap , de Verenigde Staten en Japan , 1983—1986
6 . Consumptief) rijzen ,
verandering over 7es maanden , gvs op jaarbasis
7 . Wisselkoersen ,
indexcijfer van de SDR per valuta-eenheid ,
maart 1979 = 100
8 . Lange termijn interestvoet 9 . Korte termijn interestvoet
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 25
GRAFIEK 10
Tendens van de industriële investeringen in de Gemeenschap ( indicator afgeleid uit enquêtes bij ondernemingen ) in
vergelijking met andere macro-economische indicatoren
198i en 1986 : ramingen van de diensten van de Commissie met uitzondering van de bruto-investeringen in vaste activa in de
industrie , opgesteld op basis van investeringsenquêtes van de Europese Gemeenschap .
Bron : Eurostat en investeringsenquêtes van de Europese Gemeenschap .
2.3 . Nominale en reële convergentie in de Gemeenschap
Het belang van het begrip economische convergentie werd in
het afgelopen jaar vergroot door de belangrijke politieke
ontwikkelingen in de Gemeenschap : akkoord over het
Programma tot voltooiing van de interne markt , de Europese
Akte en de toetreding van Spanje en Portugal .
Het begrip convergentie betreft voornamelijk twee afzonder
lijke doelstellingen . De eerste doelstelling is convergentie
naar prijsstabiliteit , maar omvat tevens een betere beheersing
van de monetaire ontwikkelingen , van de nominale inko
mens en van de grote economische evenwichten zoals die van
de overheidsfinanciën en van de betalingsbalans . Dit kan de
nominale convergentie genoemd worden . De tweede doel
stelling betreft voornamelijk de onderlinge toenadering „naar
boven" van de levensstandaard (gemeten bij voorbeeld aan
het reële BBP per hoofd der bevolking) van de regio's en
Lid-Staten van de Gemeenschap , maar omvat tevens een
onderlinge toenadering van de werkloosheidspercentages
naar een lager niveau . Dit kan worden genoemd de reële
convergentie . Deze doelstellingen van economisch beleid
werden reeds vastgelegd in de preambule en in artikel 104
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economi
i sche Gemeenschap . De Europese Akte bevat in artikel 130
een bevestiging en nadere omschrijving van de doelstelling
„het verschil tussen de onderscheiden regio's en de achter
stand van de minst begunstigde regio's te verkleinen" en wijst
deze doelstelling duidelijk aan als een objectief voor de
coördinatie van het economisch beleid van de Lid-Staten en
voor de activiteiten die de Gemeenschap ontplooit door
middel van haar structuurfondsen en financiële instrumenten
( artikel 130 B ).
Nominale en reële convergentie zijn geen van elkaar onaf
hankelijke doelstellingen . De verwezenlijking van de nomi
nale convergentie is een centrale voorwaarde voor het streven
naar een duurzame en krachtige economische groei . Zulke
groei zal het de relatief meest arme streken en Lid-Staten
gemakkelijker maken de afstand die hen scheidt van de meer
welvarende te verkleinen . Convergerende en geringe inflatie
percentages zijn ook nodig om de stabiliteit in het EMS te
verzekeren en moeten de factoren die investerings- en
spaarbeslissingen bepalen meer voorspelbaar maken .
Te zamen met de voltooiing van de interne markt moet
monetaire stabiliteit een krachtige impuls geven aan de
handel tussen de Lid-Staten . Voorts maakt het ontbreken van
grote tekorten op de overheidsbegroting of met het buiten
land het mogelijk een gestadig beleid tot bevordering van een
krachtige economische groei te voeren .
Nr . L 385 / 26 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
In het navolgende worden de recente ontwikkelingen van de
voornaamste economische indicatoren onderzocht die van
betekenis zijn voor de convergentie .
percentages in Europa in de nabije toekomst . De groei van de
geldhoeveelheid en van de loonkosten per eenheid zal verder
verminderen , terwijl de verschillen tussen de Lid-Staten
kleiner zullen worden .
Nominale convergentie . Overeenkomstig de ontwikkeling in
andere industrielanden is de inflatie in de Gemeenschap
sedert 1982 aanzienlijk verminderd , zoals blijkt uit grafiek
11 . Het prijsindexcijfer van de particuliere consumptie in de
Gemeenschap zal naar schatting in 1986 met 3,7% stijgen ,
wat het laagste cijfer is van de laatste twintig jaar . In het
komende jaar zal deze dalende tendens zich naar verwachting
voortzetten .
Terwijl echter in het monetaire beleid een onderlinge toena
dering optrad is de situatie bij de overheidsfinanciën , zowel
voor de gehele Gemeenschap als in de verschillende Lid-Sta
ten , minder bevredigend . De inspanningen tot verlaging van
de overheidstekorten hadden in verschillende mate succes ,
hetgeen een gevaar zou kunnen betekenen voor de consoli
datie van de convergentie naar monetaire stabiliteit welke tot
dusver was bereikt . Terwijl in verschillende landen het tekort
van de overheid duidelijk werd verminderd bleef de finan
cieringsbehoefte van de overheid in vele andere in de
afgelopen jaren nog te groot . De meeste van laatstgenoemde
landen hebben hun tekort gefinancierd met een toenemend
beroep op het uitgeven van interest dragende passiva buiten
de banksector . Deze gezondere wijze van financiering maakt
deel uit van het eerder genoemde op prijsstabiliteit gerichte
monetaire beleid . Anderzijds hebben de aanhoudende hoge
tekorten onvermijdelijk geleid tot een overeenkomstige ver
zwaring van de overheidsschuld en een opwaartse druk
uitgeoefend op de reële rente op de kapitaalmarkten . De
verzwaring van de rentelast die daaruit voortvloeit zou
moeten geïnterpreteerd worden als een signaal om de
inspanningen op te voeren om de onevenwichtigheden in de
overheidsfinanciën te corrigeren . Indien de overheidstekor
ten van deze landen niet verder worden teruggedrongen zal
de dreiging van een grotere monetaire financiering van de
schuld weer herleven .
De vermindering van het gemiddelde inflatiepercentage ging
gepaard met een geleidelijke afname van de inflatoire
dispariteiten tussen de Lid-Staten , in het bijzonder sedert
1984 , zoals blijkt uit tabel 9 en grafiek 12 . Voor het
prijsindexcijfer van de particuliere consumptie zal de conver
gentie zich in 1986 en 1987 voortzetten . Onder de huidige
omstandigheden wordt een toename van dit indexcijfer
verwacht die varieert van 22% voor Griekenland — een
stijging met 4 procentpunten ten opzichte van het voorgaan
de jaar — tot vrijwel 0 voor Nederland en Duitsland . Uit
tabel 9 blijkt voorts dat de nominale convergentie die zich de
afgelopen jaren heeft voorgedaan nog sterker was voor de
landen die deel uitmaken van het EMS . Het EMS is een
katalysator voor de nominale convergentie gebleken , in die
zin dat de landen met een relatief hoge inflatie onderhevig
waren aan een voor een grotere prijsstabiliteit bevorderlijke
druk gedurende steeds langere perioden waarin de wissel
koerspariteiten onveranderd bleven ( zie hoofdstuk 4.1 ). De
vermindering en de betere convergentie van de inflatieper
centages moeten beschouwd worden als een succes van het
economisch beleid en in het bijzonder van het EMS .
De recente teruggang van de jaarlijkse inflatiepercentages
berust op inspanningen tot een sterkere beheersing van de
daarvoor fundamenteel bepalende factoren ( zie grafiek 13 ).
Het monetaire beleid was steeds meer gericht op prijsstabi
liteit , zoals blijkt uit de geringere groei van de geldhoeveel
heid per eenheid produkt . Dit laatste vloeit ten dele voort uit
het feit dat de begrotingstekorten in mindere mate werden
gefinancierd door geldschepping . Bovendien heeft de aanpas
sing van de nominale lonen geleid tot een duidelijke daling
van de loonkosten per eenheid . Het feit dat de monetaire
voorwaarden en de loonkosten per eenheid van de Lid-Staten
inmiddels zijn geconvergeerd toont aan dat de meeste
Lid-Staten van de Gemeenschap onderling overeenstemmen
de maatregelen tot stabilisatie hebben getroffen .
Voor de Gemeenschap als geheel werd het overheidstekort
teruggebracht van 5,6% in 1982 tot 5,1 % in 1985 en deze
gunstige tendens zal zich dit jaar en het komende jaar
voortzetten en leiden tot een tekort van 4,1 % in 1987 . Voor
de Gemeenschap als geheel was deze vermindering echter nog
niet voldoende om de groei van de openbare schuld in
percenten van het BBP te doen dalen . Deze ratio , die
gemiddeld voor de Gemeenschap in 1982 50% bedroeg, is
voortdurend opgelopen en zal in 1987 meer dan 63%
bedragen (voor nadere bijzonderheden zie hoofdstuk 4.2 ).
Verschillende landen , onder meer België , Ierland en Italië ,
hebben thans te kampen met een schuld die hun BBP per jaar
overtreft . Uit de cijfers voor 1986 en 1987 blijkt dat deze
zorgwekkende ontwikkelingen nog steeds niet gecorrigeerd
zijn .
Terwijl de ontwikkeling van de begrotingstekorten in een
aantal landen nog veel te wensen overlaat , zal voor de meeste
Lid-Staten die te kampen hebben met ernstige betalingsba
lansproblemen de situatie in 1986 en 1987 aanzienlijk
verbeteren . Uit tabel 10 blijkt dat Denemarken , Griekenland
en Ierland het tekort op de lopende rekening, onder invloed
van de krachtige verbetering van de ruilvoet en van maatre
gelen tot vermindering van de binnenlandse consumptie ,
zullen zien dalen .
De vermindering van de inflatie in de loop van dit jaar en in
het komende jaar zaJ worden vergemakkelijkt door gunstige ,
maar omkeerbare , exogene factoren , zoals de sterke daling
van de aardolieprijs en de aanzienlijke depreciatie van de
dollar . Deze factoren hebben echter slechts één enkele maal
een deflatoir effect . Om een lage inflatie te behouden moet de
ontwikkeling van de loonkosten per eenheid en van de
monetaire voorwaarden verenigbaar zijn met prijsstabiliteit .
De verwachtingen voor 1986 en 1987 wettigen een zeker
optimisme ten aanzien van de ontwikkeling van de inflatie
Reële convergentie. De convergentie naar boven van de
ontwikkeling van het reële bruto binnenlands produkt per
hoofd der bevolking en van de werkgelegenheid is bepalend
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 27
voor de economische en sociale samenhang van de Gemeen
schap . De verwezenlijking van de reële convergentie is
uiteraard nog moeilijker geworden na de achtereenvolgende
toetredingen , sedert 1980 , van relatief minder welvarende
maar sterk bevolkte landen . De recente uitbreidingen hebben
de dispariteiten in de Gemeenschap nog vergroot , zowel ten
aanzien van het BBP per hoofd der bevolking als ten aanzien
van het werkloosheidspeil . In tabel 1 1 zijn de Lid-Staten naar
afnemende hoogte van het reële inkomen per hoofd der
bevolking ( uitgedrukt in koopkrachteenheden ) in 1985
gerangschikt . Het blijkt dat de gemiddelde inwoner van de
vier armste Lid-Staten ( Spanje , Griekenland , Portugal en
Ierland ), die ongeveer 20 % van de huidige bevolking van de
Gemeenschap vertegenwoordigen , in het afgelopen jaar
gemiddeld beschikte over een reëel inkomen dat minder dan
de helft bedroeg van dat van de gemiddelde inwoner van de
vier rijkste landen (Duitsland , Frankrijk , Denemarken en
Luxemburg ). De verhouding tussen de uitersten ( Portugal en
Luxemburg) is bijna 1 tot 3 .
fn de jaren zestig , toen de groei van de Europese economie
dynamisch was , de wereldhandel werd geliberaliseerd en de
Douaneunie tot stand werd gebracht , heeft de Gemeenschap
snelle vooruitgang gemaakt met de reële convergentie . Het
reële BBP per hoofd en de werkloosheid in de Lid-Staten
convergeerden tot ongeveer het midden van de jaren zeventig
zie grafieken 14 en 15 ). Grafiek 15 geeft bij voorbeeld aan
dat de armste vier landen van de Gemeenschap van 1960 tot
de eerste oliecrisis ongeveer een derde van de achterstand die
zij hadden op de relatief rijkste Lid-Staten wisten in te halen .
In die periode ging de vermindering van de spreiding van de
Lid-Staten ten opzichte van het Europese gemiddelde ge
paard met een snelle expansie van het reële BBP per hoofd in
de gehele Gemeenschap (4,0% per jaar , zie tabel 11 ).
Hieruit blijkt dat een krachtige economische groei in de
Gemeenschap een belangrijke factor is ter ondersteuning van
het proces van reële convergentie . Indien de Gemeenschap in
staat zou zijn voor de komende tien of vijftien jaren een
overeenkomstige ontwikkeling als in de jaren zestig te
bewerkstelligen zou het doel van reële convergentie en
grotere economische samenhang veel dichterbij komen . De
voorwaarden van de jaren zestig zijn evenwel niet langer
aanwezig en de Gemeenschap moet daarmede rekening
houden .
Sedert 1975 , toen de economische wereldcrisis die teweeg
werd gebracht door de eerste olieschok begon , en toen het
groeitempo op middellange termijn aanzienlijk daalde , werd
de reële convergentie in de Gemeenschap tot staan gebracht
en zelfs omgekeerd . Dit verschijnsel kan worden geconsta
teerd bij zowel de ontwikkeling van de reële groei als bij die
van de werkloosheid . De relatief armste vier landen te zamen
hebben sedert de eerste olieschok de voor Europa in haar
geheel opgetekende groei niet bereikt , en dit wegens de
geringe expansie in Griekenland en vooral in Spanje . Ter
zelfder tijd was in Duitsland en Denemarken , de rijkste twee
landen na Luxemburg , de groei van het BBP per hoofd groter
dan voor de Gemeenschap als geheel . Volgens de huidige
ramingen voor 1986 en 1987 wordt de reële divergentie nog
niet tot staan gebracht .
De ontwikkeling van de werkloosheid in de verschillende
landen — waarvan de vergelijkbaarheid onmiskenbare pro
blemen stelt — was eveneens zeer uiteenlopend sedert 1975 .
Dienaangaande is de spreidingsgraad tussen de Lid-Staten in
één decennium verdrievoudigd , zoals grafiek 16 laat zien . Dit
houdt verband met zowel de ontwikkeling van de werkgele
genheid als met de groei van de beroepsbevolking, twee
variabelen die beide vanaf het midden van de jaren zeventig
een divergente tendens te kennen gaven .
Deze reële divergentie sedert hetmidden van de jaren zeventig
kan tevens worden waargenomen op het niveau van de
regio 's van de Europese Gemeenschap , voor wie uiteraard de
absolute verschillen aanzienlijker zijn ( zie grafiek 16 ). De
indicator van de dispariteit van het reële inkomen per hoofd
tussen de regio 's van elk van de grote Lid-Staten is eveneens
vrijwel onveranderd gebleven tijdens circa de tien jaar die
1984 voorafgaan . In geen enkel land ondergingen de regi
onale inkomensdispariteiten een vermindering van beteke
nis . De verslechtering van de convergentie tussen de Lid-Sta
ten inzake werkloosheid kan ook op regionaal niveau
worden waargenomen . Terwijl in 1976 de gemiddelde
werkloosheid in de 25 minst begunstigde streken van de
Gemeenschap 8 % bedroeg, tegen 2,4 % in de 25 rijkste
gebieden , waren deze percentages in 1985 respectievelijk
21,1 % en 6,6% .
Een krachtigere economische groei is dus blijkbaar een
belangrijke voorwaarde om de relatief minder ontwikkelde
regio's in staat te stellen hun achterstand in te halen en de
verzwakte industriegebieden in staat te stellen zich om te
schakelen . De tenuitvoerlegging van de samenwerkingsstra
tegie en van de voltooiing van de interne markt van de
Gemeenschap zullen bijdragen tot het tot stand brengen van
dit onmisbare gunstige macro-economische klimaat . Ter
vermindering van de ongelijkheden in reële inkomens ten
opzichte van de meest welvarende landen van de Gemeen
schap zullen de minst begunstigde regio's evenwel niet alleen
moeten deelhebben aan de algemene economische expansie
in Europa maar zij zullen bovendien in een hoger tempo dan
het Europese gemiddelde moeten groeien . Het is dan ook
noodzakelijk dat naast het scheppen van een meer dynamisch
groeiklimaat in het geheel van de Gemeenschap , gezondere
grondslagen worden gelegd in de betrokken regio's voor een
stabiele en duurzame economische expansie .
Het regionaal inhaal - en omschakelingsproces moet onder
meer berusten op nieuwe openbare en particuliere investe
ringen , hetgeen omvangrijke financieringsmiddelen zal ver
eisen . Een deel van deze middelen kan worden gegenereerd
door bevordering van binnenlandse besparingen . Maar voor
de investeringen in de armste regio's en landen is ook een
voldoende internationale kapitaaltoevoer vereist . De sponta
ne invoer van kapitaal in deze zones van de Gemeenschap zal
groeien voor zover een voldoende rentabiliteit kan worden
verwacht . Daarom moeten de autoriteiten van deze regio's
een beleid voeren dat gericht is op het scheppen van een
economisch en politiek klimaat dat gunstig is voor bedrijven .
De afschaffing van controles op het kapitaalverkeer , zoals
voorgesteld door de Commissie , zal de overdracht van
kapitaal bevorderen , daar aldus de buitenlandse beleggers
niet hoeven te vrezen dat hun middelen geblokkeerd zullen
worden . De ervaringen uit het verleden doen evenwel
aannemen dat invoer van particulier kapitaal op zich zelf
vaak ontoereikend is . Een doelgericht optreden van de
overheid moet hieraan worden gekoppeld . Hierbij kan de
Gemeenschap een belangrijke rol spelen met haar structuur
fondsen , de Europese Investeringsbank en haar andere
financiële instrumenten .
Nr . L 385 / 28 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
In overeenstemming met artikel 130 D van de Europese Akte
zal de Commissie de Raad een globaal voorstel voorleggen
dat erop gericht is de structuur en de regels inzake de werking
van de Fondsen met structurele strekking te wijzigen .
Het doel is :
— de taken van deze Fondsen nader te omschrijven en te
rationaliseren ten einde bij te dragen tot de verwezenlij
king van de doelstellingen van economische en sociale
samenhang ;
— hun doeltreffendheid te vergroten ;
— hun bijstandsverlening onderling en met die van de
financieringsinstrumenten van de Gemeenschap te coör
dineren .
Aldus moet het mogelijk zijn een belangrijke bijdrage te
leveren tot de economische en sociale samenhang van de
Gemeenschap . Daarnaast zal de versterking van het proces
van reële convergentie bijdragen tot de algemene groeikracht
van de Gemeenschap .
De Gemeenschap heeft in het recente verleden belangrijke
vooruitgang geboekt inzake nominale convergentie . Het
algemene economische beleid en de werking van het EMS
hebben in de afgelopen jaren een daling van de inflatie in de
meeste landen van de Gemeenschap mogelijk gemaakt. Ook
met de correctie van de externe onevenwichtigheden wordt
voortgang gemaakt. Verschillende landen zijn erin geslaagd
hun overheidstekort terug te dringen, maar in andere blijft de
financieringsbehoefte van de publieke sector buitensporig .
Tot het midden van dejaren zeventig kende de Gemeenschap
zowel een krachtige en aanhoudende groei als vooruitgang
op het gebied van de reële convergentie. Dit proces is echter
tot stilstand gekomen en zelfs enigszins omgekeerd. Om de
reële convergentie in de Gemeenschap weer op gang te
brengen moet aan verschillende complementaire voorwaar
den ivorden voldaan . In de eerste plaats moet een kader tot
stand worden gebracht, voor een meer dynamische groei in
de Gemeenschap als geheel, hetgeen het hoofddoel is van de
samenwerkingsstrategie. In de tweede plaats moet het onder
nemingsklimaat in de regio 's met een relatieve achterstand of
met een industriële sector in verval, verbeterd worden door
een geëigend aanpassingsbeleid; dit valt onder de verant
woordelijkheid van de nationale en de regionale autoriteiten .
In de derde plaats moet de Gemeenschap — door middel van
haar financieringsinstrumenten en de leningen van de Euro
pese Investeringsbank — de pogingen van de autoriteiten van
de minder begunstigde regio 's om de grondslagen te leggen
voor een duurzame groei aanvullen . Zo zal de Gemeenschap
in belangrijke mate kunnen bijdragen tot de verwezenlijking
van een grotere samenhang tussen de regio 's en de Lid-Staten
van de Gemeenschap .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 29
TABEL 9
Prijsindexcijfers van de particuliere consumptie (Mutatie in % per jaar )
1961 /
1969
1970 /
1977
1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987
België
Denemarken
Duitsland
Griekenland
Spanje
Frankrijk
Ierland
Italië
Luxemburg
Nederland
Portugal
Verenigd Koninkrijk
3,2
5,7
2,7
2,4
5,9
4,2
4.5
3,7
2.3
4,0
2.6
3,7
7.4
10,0
5.5
10,5
13.4
8,3
13.8
12.9
6,8
8,0
13,1
12.5
4.1
9.2
2,8
12,8
19,2
8,7
8,0
12,9
3.4
4.5
21,0
9,1
3,9
10.4
4,0
16.5
16,2
10.4
14,9
15,1
5.2
4.3
24,0
13.5
6,5
10,7
5.8
21,2
15,6
13.2
18,6
20,2
7,7
6.9
22.3
16.4
8,1
12,0
6,0
23,3
15.1
12,8
21.2
19,2
8,6
6,3
16,9
11,5
7.4
10,2
4,7
21,2
14,2
11,2
16,0
17,0
10,6
5,3
22,5
8.5
7,5
7,2
3.1
18,6
12,2
9,5
8.2
15,1
8,0
2,8
25,5
5,2
5,9
6,5
2.4
18,0
11,1
7.3
8.5
11,1
6.4
2,6
29,3
5,1
4,8
5.0
2.1
18,4
8.4
5,5
4.2
9,4
4,0
2.6
19,3
5.3
1,3
3,3
0,0
22,5
8,6
2,5
3,7
6,2
0,5
0,0
11,8
4,0
1,5
2,8
1,1
12,5
5,3
2,3
3,2
4,0
1,3
- 1,0
9,0
3,9
Gemiddelden :
EUR-12
EUR-10
EMS
3,7
3,6
3,6
9,8
9,3
8,5
9,0
7,7
7,2
10,6
9,8
8,7
13,2
12,9
11,6
12,1
11,7
11,5
10,4
9.8
9.9
8,4
7,7
8,1
7,0
6,2
6,2
5,8
5,3
5,0
3,7
3,1
2,4
3.0
2,6
2.1
a ) Gemiddelde afwijking
van het gemiddelde:
EUR-12
EUR-10
EMS
1,2
1,0
1,0
3,1
3,0
2,5
3,7
3,1
3,6
4,2
4,0
4,2
4,5
4,8
5,0
3,9
3,9
4,6
4,0
3,9
4,3
4,2
3,9
4,1
3,3
2,8
3,0
2,5
2,1
2,3
2,7
2,3
2,0
1,6
1,4
1,1
b) Gemiddelde afwijking
van het minimum :
EUR-12
EUR-10
EMS
3,3
1,8
1,5
5.3
4,9
3.4
6,1
4,9
4,4
6,7
5,9
4,7
7,3
6,9
5,8
6,1
5,7
5,4
5,8
5,2
5,2
5,6
4,9
5,3
4,6
3,8
3,8
3,7
3,3
2,9
3,7
3,1
2,3
4.0
3,6
3.1
Bron : Eurostat en diensten van de Commissie , oktober 1986 .
TABEL 10
Saldo lopende rekening
( in % van het BBP)
1961 / 1970 1971 / 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986
Verschil
1986 / 1982
1987
België / Luxemburg 0,9 0,6 - 3,2 - 2,0 0,5 1,1 1,8 3,5 5,5 3,8
Denemarken - 2,2 - 2,9 - 3,0 - 4,2 - 2,2 - 3,2 - 4,4 - 4,1 0,1 - 3,6
Duitsland 0,7 0,6 - 0,8 0,6 0,7 1,0 2,2 3,2 2,7 2,1
Griekenland - 3,1 - 2,2 - 0,2 - 3,8 - 4,7 - 4,1 - 8,4 - 5,8 - 2,0 - 3,7
Spanje - 0,9 - 2,4 - 2,3 - 1,4 1,3 1,7 3,5 5,9 3,7
Frankrijk 0,2 - 0,4 - 1,4 - 3,0 - 1,7 - 0,9 - 0,8 0,1 3,1 0,4
Ierland - 2,3 - 6,4 - 14,8 - 10,7 - 6,9 - 5,7 - 3,2 - 1,3 9,4 - 1,3
Italië 1,8 - 0,2 - 2,3 - 1,6 0,2 - 0,8 - 1,1 1,2 2,8 0,9
Nederland 0,0 1,2 2,1 2,8 2,9 4,1 4,3 3,9 1,1 2,8
Portugal - 1,0 - 3,3 - 11,7 13,5 - 7,2 - 3,0 1,8 5,4 18,9 4,2
Verenigd Koninkrijk 0,0 - 0,6 2,4 1,5 0,8 0,3 0,8 - 0,1 - 1,6 - 0,6
EUR-12 0,4 « - 0,1 - 0,6 - 0,6 0,0 0,1 0,5 1,2 1,8 0,9
1 EUR- 10 .
Nr . L 385 / 30 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 1 1
BBP in prijzen en KKS van 1980 per hoofd van de bevolking
1960 1965 1970 1975 1980 1985
Luxemburg
Denemarken
Duitsland
hrankrijk
België
Nederland
Verenigd Koninkrijk
Italië
Spanje
Ierland
Griekenland
Portugal
LUR-12
145,4
126,6
123,4
104,9
103,4
118,3
125,8
83,5
59,9
67,3
39,1
32,8
100,0
135,5
129,5
121,5
106,9
104,7
114,9
116,5
85.4
69.8
65,9
46,1
36.5
100.0
128,8
123.5
118,7
109,9
107,1
115.6
105,9
92.2
73,7
66,7
52.3
41,2
100,0
126,9
117,7
114,5
114.4
111,0
114,7
103.5
89,3
81,6
68,5
57,7
43,5
100,0
124,4
115,9
119,3
115,6
112,2
110,9
98,7
93.3
75.2
70.4
59,0
47.3
100,0
129,3
123,9
121,6
114.0
109,8
106.1
102,0
91,7
75.0
70,7
57.1
46.2
100,0
Verenigde Staten
Japan
186,6
63,1
179,5
79,7
163,0
104,3
154,7
106,5
152,6
114,0
157,6
128,1
EUR- 12 ( 1960 = 100 ) 100,0
100,0
100,0
121,8
116,9
153,5
147,7
129,5
244,0
166,4
137,7
280,1
189,0
154,4
340,6
198,2
166,9
401,4
Verenigde Staten
( 1960 = 100 )
Japan ( 1960 = 100 )
Bron: Diensten van de Commissie ,
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 31
GRAFIEK 11
Prijsindexcijfer van de particuliere consumptie
( Mutatie in % por jaar )
Bron : Diensten t an dc Commissie .
Nr . L 385 / 32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
GRAFIEK 12
Prijsindexcijfer van de particuliere consumptie
Gewogen gemiddelde EUR-12 en hoogste en laagste van de inflatiepercentages van de Lid-Staten
Bron: Diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 33
GRAFIEK 13
Prijsindexcijfer van de particuliere consumptie , arbeidskosten per eenheid , groei van de liquiditeitenmassa per
eenheid produkt
Gewogen gemiddelde van de groeipercentages — EUR-12
( 1 ) Liquiditeitenmass i in ruime zin (M2 of M3 ) gedeeld door BBP tegen lopende prij /en .
Bron : Diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 34 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
GRAFIEK 14
Ontwikkeling van het reële BBP per hoofd der bevolking : verschillen tussen de Lid-Staten (')
Standaardafwijking van het reële BBP per hoofd , ten opzichte van het communautaire gemiddelde , in %
(') De verschillen zijn gemeten met de gewogen variatiecoëfficiënt .
gewogen standaardafwijkingDe gewogen variatiecoëfficiënt ( gemiddelde X 100 j geeft de relatieve spreiding aan ten opzichte van het
gemiddelde .
Een vermindering van de coëfficiënt geeft een vermindering van de spreiding aan .
Bron: Diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 35
GRAFIEK 15
Verhouding tussen het inkomen (') per hoofd in de armste vier landen en de rijkste vier landen van de
Gemeenschap (EUR-12 ) ( in % )
(') BBP per hoofd in prijzen en KKS van 1980 .
Bron : Eurostat en diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 36 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
GRAFIEK 16
Ontwikkeling van de verschillen in werkloosheid ( ! ) tussen de Lid-Staten en tussen de regio's van de
Gemeenschap
Standaardafwijking ten opzichte van het werkloosheidspercentage voor de Gemeenschap
( 1 ; De verschillen worden gemeten met met de bevolking gewogen standaardafwijkingen . De regio's zijn gekozen op niveau II van
desaggregati . Dit zijn bij voorbeeld de „Provincies" in België , de „Regierungsbezirke" in Duitsland , de „Régions" in Frankrijk ,
de „Reggioni in Italië , de „Provincies" in Nederland en de „groups of counties" in het Verenigd Koninkrijk . Geen van de cijfers
omvat Griekenland . De cijfers voor de eerste jaren betreffen EUR-9 .
Bnm: Diensten van de Commissie , Directoraat-generaal Regionaal Beleid .
3 . DE SAMENWERKINGSSTRATEGIE VOOR GROEI EN WERKGELEGENHEID
3.1 . Doelstellingen en methoden
Met het Economisch Verslag 1985 / 1986 heeft de Raad een
strategie aangenomen die gericht is op het aanzienlijk en
duurzaam verminderen van de werkloosheid in de Gemeen
schap in de periode tot het eind van het decennium door het
probleem bij de wortel aan te vatten . Dit doel werd
geïllustreerd met een vermindering van ongeveer 30 a 40 %
van het aantal werklozen (dat is 4 tot 5 miljoen personen ), dit
wil zeggen een verlaging van het werkloosheidspercentage
met 3 tot 4 procentpunten .
Na de toetreding van Spanje en Portugal blijft het hoofdpro
bleem gelijk ; deze twee landen hebben immers ook te
kampen met een omvangrijke werkloosheid ( in 1986 :
21 ,7 % voor Spanje en 8,6 % voor Portugal ). Aldus bedraagt
de werkloosheid voor de Gemeenschap van de Twaalf in
1986 gemiddeld 11,9% (')•
In hun analyses op middellange termijn gaan de diensten van
de Commissie uit van de hypothese dat de beroepsbevolking
in de Gemeenschap in de komende vijf jaar zal toenemen in
een tempö van 0,3% per jaar . Een vermindering van de
werkloosheid met 3 tot 4 procentpunten tot 1990 vereist
onder deze omstandigheden een jaarlijkse uitbreiding van de
werkgelegenheid met 1 tot 1,5% tot het eind van het
decennium .
Evenals in het vorige jaarverslag worden in dit document
scenario's op middellange termijn beschreven om de orden
van grootte en de nodige maatregelen te doen uitkomen ( zie
kaderartikel ).
In een eerste scenario , het basisscenario , worden de ontwik
kelingen aangegeven die voort zouden vloeien uit ten opzich
te van het verleden ongewijzigde gedragingen en vormen van
beleid . In dit basisscenario wordt uiteraard rekening gehou
den met de in de afgelopen maanden in de internationale
verhoudingen opgetreden wijzigingen , alsmede met de
ramingen voor de jaren 1986 en 1987 .
Gemiddeld wordt de groei voor de jaren 1986—1990
geraamd op 2,7% (EUR-10 ) en de toeneming van de
(') In de berekening van het gemiddelde voor de Genieenschap van
de Twaalf zijn de voor Griekenland , Spanje en Portugal
gebruikte cijfers niet geheel vergelijkbaar met die voor de andere
landen , zie tabel 8 ter zake .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 37
werkgelegenheid in deze periode op 0,7% per jaar , hetgeen
nog onvoldoende zou zijn om de werkloosheid belangrijk te
doen afnemen ; in 1990 zou het werkloosheidspercentage
( ElJR-10 ) ongeveer 9,7% van de beroepsbevolking bedra
gen , tegen 10,8% in 19X6 . In de Gemeenschap van de
Twaalf zou de werkloosheid dan nog hoger zijn dan
10% .
Een nadere analyse van de jaren 1986 en 1987 ten opzichte
van de eisen van de samenwerkingsstrategie wordt beschre
ven onder punt 3.2 van dit verslag . Nagegaan kan woorden in
welke mate deze in 1986 en 1987 gunstigere ontwikkeling
voortvloeit uit een wijziging van de gedragingen in de door de
samenwerkingsstrategie gewenste zin of uit de uitzonderlijke
verbetering van de ruilvoet die dit jaar aan de Europese
economie ten goede kwam .
In ieder geval blijkt dat het werkloosheidsprobleem niet
vanzelf zal verdwijnen . Om deze reden , rekening houdend
met de recente conjunctuurontwikkelingen , worden in dit
Jaarverslag een aantal maatregelen aanbevolen die beant
woorden aan de samenwerkingsstrategie die het vorig jaar
werd omschreven .
In dit verband nemen de investeringen, zowel de particuliere
als de openbare, een sleutelpositie in .
In het kader van de samenwerkingsstrategie versterken zij in
de eerste plaats de vraag waarzonder een snellere groei niet
mogelijk is . Aan de aanbodz\\dt wordt de kapitaalvoorraad
versterkt . De terugkeer tot een duurzame hogere groei vereist
een snellere vergroting van de kapitaalvoorraad en dus een
stijging van het aandeel van de middelen dat elk jaar bestemd
wordt voor particuliere en openbare investeringen . De
investeringen blijven echter in de Gemeenschap van de
Twaalf bijna 4 punten van het BBP achter bij het niveau in de
jaren zestig . Deze daling is overigens voor meer dan een derde
een gevolg van de vermindering van het aandeel van de
overheidsinvesteringen in het BBP .
De gegevens die voorts beschikbaar zijn voor de marktsector
( zonder woningbouw en landbouw ) van de grootste vier
landen van de Gemeenschap doen eveneens uitkomen dat een
belangrijke verhoging van de investeringsquote noodzakelijk
is . Gemiddeld blijft in deze vier landen de groei van de
kapitaalvoorraad stagneren op het laagste niveau sedert
1980 , dat is ongeveer 2,5% ( zie grafiek 18 ). Om de
kapitaalvoorraad weer te doen groeien in een tempo van
gemiddeld 3,5% per jaar , hetgeen een duurzame produk
tiegroei van dezelfde omvang mogelijk maakt , moet het
aandeel van de investeringen in de toegevoegde waarde van
de marktsector met 2 a 3 procentpunten verhoogd worden
( uitgaande van een constante kapitaalintensiteit ). De vereiste
investeringsgroei is dus aanzienlijk .
Om de beoogde vermindering van de werkloosheid te
verwezenlijken is het voorts noodzakelijk dat het per groei
punt gecreëerde aantal arbeidsplaatsen blijft toenemen . Uit
historisch oogpunt is de verhouding tussen groei en werkge
legenheid sedert de jaren zestig ten gunste van de laatste
veranderd . Dit blijkt duidelijk uit de vermindering van het
verschil tussen de economische groei en de groei van de
werkgelegenheid , dit wil zeggen die van de gemiddelde
produktiviteitsstijging per werkzaam persoon ( zie grafiek
17 ). De vrij gunstige reactie van de werkgelegenheid op het
bescheiden herstel van de groei sedert 1983 is eveneens in dit
opzicht van betekenis .
Het feit dat de produktiviteitsstijgingen per arbeidskracht in
de economie als geheel betrekkelijk gering blijven betekent
evenwel niet dat Europa genoegen moet nemen met een
verdedigende strategie op het gebied van de werkgelegenheid
en moet afzien van technische vooruitgang . Integendeel ,
modernisering van de produktiecapaciteit , gepaard gaande
met belangrijke produktiviteitsstijgingen , overal waar zulks
mogelijk is , is wenselijk ter vergroting van de economische
doelmatigheid en de levensstandaard en is tevens noodzake
lijk voor de versterking van het concurrentievermogen van
Europa en de bevestiging van het aandeel van Europa op de
belangrijke wereldmarkten waar Europa in de jaren zeventig
tecrein heeft verloren .
Het is dus noodzakelijk de modernisering van de produktie
capaciteiten in overeenstemming te brengen met de schep
ping van voldoende arbeidsplaatsen in de economie als
Deze maatregelen en hun effecten op middellange termijn
worden in dit verslag nader beschreven ( punt 3.3 en
hoofdstuk 4 ). Zij moeten leiden tot een vermindering van de
werkloosheid langs twee wegen : enerzijds door terugkeer tot
een krachtige groei , die voor de jaren 1986 tot en met 1990
gemiddeld tussen 3 % en 3,5 % moet liggen ; anderzijds door
behoud en zelfs uitbreiding van de arbeidsintensiteit van elk
groeipunt . In hoofdzaak zijn deze maatregelen van tweeërlei
aard : in macro-economisch opzicht moet de vraag op een
passend niveau worden gehouden onder vergroting van de
rentabiliteit van investeringen die nieuwe arbeidsplaatsen
opleveren door vast te houden aan een matige groei van de
reële loonkosten per hoofd ; in micro-economisch opzicht
moet de verbetering van de aanpasbaarheid van de markten
voor goederen en produktiefactoren worden voortgezet en
moet de oprichting van ondernemingen worden bevor
derd .
Aldus bedraagt bij voorbeeld in het scenario dat dit jaar de
samenwerkingsstrategie weergeeft de gemiddelde groei in de
jaren 1986—1990 3,5% , welk cijfer ook werd aangegeven
voor het afgelopen jaar . De werkloosheid zou in de periode
tot 1990 met ongeveer 4 procentpunten kunnen worden
verminderd en aldus aan het eind van het decennium in de
Gemeenschap van de Tien ongeveer 7 % komen te bedragen
( ongeveer 8 % in de Gemeenschap van de Twaalf). Een groei
die gemiddeld in de jaren 1986—1990 ongeveer 3,5% zou
bedragen veronderstelt echter een geleidelijke versnelling .
Onder deze omstandigheden zou de werkgelegenheid tegen
het einde van het decennium kunnen toenemen in een tempo
dat iets hoger ligt dan 1,5 % . De vastberaden toepassing van
de strategie zou aldus leiden tot een situatie in 1990 waarin
niet alleen de werkloosheid belangrijk zou zijn verminderd ,
maar waarin ook de Europese economie zodanig gesaneerd
zou zijn dat het mogelijk is voor de volgende jaren te rekenen
op een passende groei in stabiliteit en verdere snelle vermin
deringen van de werkloosheid .
Nr . L 385 / 38 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
deze sectoren met geringe produktiviteitsstijgingen hun
rentabiliteit behouden en aldus kunnen zij werkgelegen
heid scheppen . Een overdracht van koopkrachtverbete
ringen in verband met de technische vooruitgang vindt
aldus plaats tussen sectoren , zulks onder omstandig
heden die gunstig zijn voor de werkgelegenheid (').
Opdat dit mechanisme goed werkt , zoals wenselijk is uit
een oogpunt van de werkgelegenheid , moet voorname
lijk aan twee voorwaarden zijn voldaan : de gematigde
toeneming van de reële loonkosten per werknemer
moet ook ten goede komen aan de sectoren waar
van de produktiviteitsstijgingen het gemiddelde
overtreffen . Bovendien moeten de markten hun functie
bij de prijsvorming zo doeltreffend mogelijk vervullen :
een versterking van de concurrentie en de voltooiing van
de interne markt zullen daartoe bijdragen . Een stabiele
monetaire omgeving doet voorts de signalen die de
prijsveranderingen inhouden duidelijker uitkomen .
Zo heeft een matige verhoging van de reële loonkosten in de
gehele economie , waardoor de relatieve beloning van arbeid
en kapitaal in een voor de laatste gunstige zin wordt
gewijzigd , ook op micro- en macro-economisch niveau een
gunstige invloed op de werkgelegenheid . Onder deze omstan
digheden worden de ondernemingen ertoe aangespoord hun
capaciteit zo volledig mogelijk te benutten . Tegelijkertijd
worden omstandigheden tot stand gebracht die gunstiger zijn
voor de ontwikkeling van bedrijvigheden die meer arbeids
plaatsen met zich brengen .
Een belangrijk aspect van de met de samenwerkingsstrategie
aanbevolen maatregelen komt aldus duidelijk tot uiting : de
nauwe complementariteit die bestaat tussen deze maatrege
len , ongeacht of zij van macro-economische of van
micro-economische aard zijn . Een versnelde groei is te meer
gunstig voor de werkgelegenheid als de ondernemingen
soepel kunnen reageren op een gestegen vraag . Maar een
groter aanpassingsvermogen van de markten voor goederen ,
arbeid en kapitaal is op zich zelf niet voldoende om de
ondernemingen ertoe te brengen investeringen uit te voeren
waarvan de rentabiliteit niet verzekerd is door gunstige
vraagvooruitzichten . Uiteindelijk komt een groter aanpas
singsvermogen van de markten eerst volledig in economisch
en sociaal opzicht tot zijn recht in omstandigheden van
krachtige groei . In het tegengestelde geval bestaat het gevaar
dat weer defensieve gedragingen opkomen die de grondslag
zelf van de vernieuwing van de Europese economie in gevaar
brengen .
Indien de gedragingen en het beleid niet snel worden
omgebogen zul de Gemeenschap in 1 990 noggeconfronteerd
worden met een werkloosheid van meer dan 10% . Dit
geheel . Dit is mogelijk , aangezien de relatie op macro-eco
nomisch niveau tussen groei en werkgelegenheid in werke
lijkheid de resultante is van verschillende factoren :
i ) Bij een krachtiger groei kan de bezettingsgraad van de
kapitaalvoorraad duurzaam hoger zijn , zodat de kapi
taalproduktiviteit verbetert en gunstige omstandigheden
voor nieuwe arbeidsplaatsen ontstaan .
ii ) Vermindering en herverdeling van de arbeidstijd kunnen
eveneens bsjdragen tot vergroting van de arbeidsintensi
teit van de groei . Een dergelijke vermindering kan
plaatsvinden door uitbreiding van deeltijdarbeid of door
een vermindering van de wekelijkse of jaarlijkse arbeids
duur . Deze maatregelen zullen slechts dan volledig effect
hebben op de werkgelegenheid indien zij geen remmende
werking uitoefenen op de mechanismen die — op
macro-economisch niveau — leiden tot een sterke groei
die meer arbeidsplaatsen oplevert en indien zij neutraal
zijn uit een oogpunt van kosten . In dat geval kan de
produktiviteitsstijging ook uitgekeerd worden in de
vorm van vermindering van de arbeidsduur . Bovendien
kan ook vergroting van het aantal uitzendkrachten en
werknemers met een arbeidscontract van beperkte duur
bijdragen tot vergroting van de arbeidsintensiteit van
de groei , in het bijzonder indien bedrijven dientengevol
ge afzien van het gebruik van overwerk . Deze maatre
gelen vallen grotendeels onder overeenkomsten tussen
de sociale partners en de tenuitvoerlegging ervan dient
onderwerp te vormen van grondige onderhandelingen
tussen hen .
iii ) Ten slotte bestaat er een tendens op lange termijn die
verklaard wordt door de geleidelijke herstructurering
van de arbeid ten gunste van sectoren met een geringe
produktiviteitsstijging per persoon (met name de dien
stensector ), ten koste van de industrie , waar de produk
tiviteitsstijgingen groter zijn . Van 1970 tot 1983 is het
aandeel van diensten ( tertiair en quartair ) in de werkge
legenheid in de Gemeenschap ( EUR-6 ) toegenomen van
48 % tot 59% . De produktiviteit in de dienstensector is
in deze periode evenwel slechts gemiddeld per jaar met
1,6% toegenomen , terwijl die van de verwerkende
industrie steeg met 3,3% .
Uiteenlopende ontwikkelingen van de produktiviteits
stijgingen tussen sectoren en ondernemingen zijn nor
maal . In gunstige omstandigheden moet echter bereikt
kunnen worden dat de in de sectoren met de beste
resultaten bereikte produktiviteitsstijgingen ten goede
komen aan de gehele economie en uiteindelijk leiden tot
nieuwe werkgelegenheid . Een gematigde stijging van de
reële loonkosten per hoofd in alle sectoren van de
economie en het mechanisme van de relatieve prijzen
spelen daarbij een essentiële rol .
Indien immers de sectoren met produktiviteitsstijgin
gen die boven het gemiddelde uitgaan deze toenamen
gebruiken voor een relatieve verlaging van hun prijzen
verbeteren zij hun concurrentievermogen en kunnen zij
hun eigen produktie tegenover een toegenomen vraag
uitbreiden ; ook echter komt deze verlaging ten goede
aan sectoren waar de produktiviteitsstijgingen geringer
zijn . Dank zij namelijk de overeenkomstige stijging van
de relatieve prijzen van hun eigen produkten kunnen
(') Over de relatieve ontwikkeling van de werkgelegenheid , de
produktiviteit en de prijzen in de verschillende sectoren in de
Gemeenschap , zie hoofdstuk B.3 van het Economisch Jaarover
zicht 1986 / 1987 . In tabel 14 van dit verslag wordt bovendien
aangetoond dat dit mechanisme in Japan een bijzonder belang
rijke rol speelt : de verschillen in produktiv iteitsverbeteringen ,
maar ook de wijzigingen in de relatieve prijzen , waren bijzonder
groot tussen de industrie en de andere sectoren . Het dynamisme
van de Japanse industrie is ook ten goede gekomen aan de andere
sectoren van de economie , die ( te zamen ) als enige hun werkge
legenheid hebben uitgebreid .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 39
vooruitzicht is onaanvaardbaar. Een aanzienlijke en duurza
me vermindering van de werkloosheid kan worden bereikt
door een krachtigere en meer arbeidscheppende groei, van
gemiddeld 3 tot 3,S % in de jaren 1986—1990 . De investe
ringen spelen in dit verband een zeer belangrijke rol. Hun
aandeel in de toegevoegde waarde moet geleidelijk ver
hoogd worden met ongeveer 3 procentpunten . Voorts moet
de verhouding tussen groei erx werkgelegenheid beter wor
den . Dit betekent niet dat Europa genoegen kan nemen met
een defensieve strategie op het gebied van de werkgelegen
heid . De buitenlandse concurrentie maakt het integendeel
noodzakelijk dat de produktiestructuren gemoderniseerd
worden . De verhouding die tot stand komt tussen groei en
werkgelegenheid wordt echter bepaald door andere factoren
zoals een voor het kostenniveau neutrale vermindering en
herinrichting van de gemiddelde arbeidsduur van elke wer
kende, een snellere schepping van arbeidsplaatsen in sectoren
met een betrekkelijk zwakke produktiviteitsstijging, en een
gematigde toeneming van de reële loonkosten per hoofd in
alle sectoren van de economie . Indien immers de sectoren met
een produktiviteitsstijging die uitgaat boven het gemiddelde
evenzeer profiteren van een matige stijging van de reële
loonkosten per hoofd kunnen zij hun relatieve prijzen
verlagen . Dit verbetert hun eigen concurrentievermogen en
komt bovendien ten goede aan sectoren met een geringere
produktiviteitsstijging, welke alsdan hun rentabiliteit zien
verbeteren en arbeidsplaatsen kunnen scheppen . Technische
vooruitgang en vergroting van het aantal arbeidsplaatsen
kunnen aldus op macro-economisch niveau met elkaar in
overeenstemming worden gebracht. Deze factoren zijn voor
een belangrijk deel afhankelijk van een groter aanpassings
vermogen van de markten . Dit zal evenwel slechts in
omstandigheden van snellere groei economisch en sociaal tot
zijn recht komen. Dit doet de nauwe complementariteit
uitkomen van de maatregelen die zowel op macro- als op
micro-economisch niveau met de samenwerkingsstrategie
worden aanbevolen .
huishoudingen ten goede . De reële loonsom per hoofd is uit
een oogpunt van kosten vrijwel stabiel , terwijl de reële
loonsom per werknemer ( prijsindexcijfer particuliere con
sumptie ), dit wil zeggen uitgedrukt in koopkracht , met 2,3 %
zal toenemen ; dit is het hoogste tempo sedert 1980 .
Voorts heeft de daling van de aardolieprijs rechtstreeks een
positief effect op het niveau van de economisch rendabele
produktiecapaciteit : ofwel door middel van een hogere
bezetting van de bestaande kapitaalvoorraad , ofwel omdat
de ondernemingen installaties die anders buiten bedrijf
zouden zijn gesteld langer in gebruik houden .
Uit de verschillende indicatoren blijkt dat in de tendens van
de jaren zestig tot verslechtering van de aanbodvoorwaarden
een omslag is opgetreden . Deze omslag dateert van het begin
van de jaren tachtig :
— sedert 1980 zijn de reële loonkosten per werknemer in de
Gemeenschap gemiddeld slechts met ongeveer 1 % per
jaar gestegen , vergeleken met 2,4% in de jaren
1973—1980 . Door de werknemers zijn in verschillende
landen aldus reeds belangrijke inspanningen geleverd , te
meer daar hun beschikbaar inkomen veelal aan een
zwaardere belasting- en premiedruk onderhevig was ;
— de reële loonkosten per eenheid , welke de maatstaf
vormen voor de relatieve ontwikkeling van de reële
loonsom per werknemer en de arbeidsproduktiviteit
liggen thans in de Gemeenschap weer op een niveau dat
overeenkomt met dat van de jaren zestig ;
— de gelijktijdig opgetreden stijging van het macro-econo
mische winstaandeel ( exploitatieoverschot ten opzichte
van toegevoegde waarde ) heeft ertoe geleid dat de
rentabiliteit van het kapitaal (exploitatieoverschot ten
opzichte van kapitaalvoorraad ) opnieuw stijgt . De ren
tabiliteit heeft echter gemiddeld in de Gemeenschap nog
slechts een deel van het sedert de eerste oliecrisis verloren
terrein teruggewonnen ( zie grafiek 18 );
— voor de eerste maal sedert ten minste twintig jaar stijgt de
rentabiliteit gedurende geruime tijd sneller dan de reële
lonen per hoofd .
In 1987 lijkt de ontwikkeling van de reële loonsom per
werknemer een versnelling te ondergaan . Volgens de meest
recente ramingen zou de stijging 1 ,3 % bedragen , het hoogste
tempo sedert 1980 . De reële loonkosten per eenheid zouden
slechts met 0,7 % dalen , het laagste cijfer sedert 1 981 , terwijl
uit een oogpunt van extern concurrentievermogen de situatie
eveneens minder gunstig is geworden .
De Ecu is namelijk ten opzichte van de dollar in de periode
maart 1985 / juni 1986 met 42% geapprecieerd en slechts
met 7,4% gedeprecieerd ten opzichte van de yen . Uiteraard
werden voor elk der Europese economieën afzonderlijk deze
omvangrijke koerswijzigingen verzacht door de relatieve
stabiliteit van de communautaire valuta's onderling, met
3.2 . De vooruitzichten voor 1986 en 1987 uit het oogpunt
van de samenwerkingsstrategie
Gezien de doelstellingen van de samenwerkingsstrategie zijn
de vooruitzichten voor 1986 en 1987 weinig bevredigend .
Zowel in 1986 als in 1987 blijven de economische groei
( 2,5 % en 2,8 % ) en de uitbreiding van de werkgelegenheid
( gemiddeld 0,8% ) achter bij het noodzakelijke tempo .
Weliswaar kan de terugkeer tot een sterke groei slechts
geleidelijk plaatsvinden , maar het huidige lage tempo van het
proces is zorgwekkend , te meer daar de Gemeenschap
momenteel profiteert van een aanzienlijke verbetering van
haar ruilvoet die in beginsel de aanbod- en vraagvoorwaar
den beïnvloedt in de door de samenwerkingsstrategie gewilde
richting .
De verbetering van de ruilvoet heeft de Europese economieën
immers de gelegenheid geboden verder voortgang te maken
naar een bevredigende rentabiliteit en tevens de reële inko
mens van de gezinshuishoudingen betrekkelijk krachtig te
doen toenemen . De daling van de prijzen van ingevoerde
produkten komt zowel aan de bedrijven als aan de gezins
Nr . I. 385 / 40 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
name van die welke deel uitmaken van het EMS . Dit neemt
niet weg dat in de Gemeenschap de gemiddelde appreciatie
ten opzichte van de valuta 's van de negentien voornaamste
handelspartners varieert van een maximum van 14,3 % voor
de Bondsrepubliek Duitsland tot een minimum van 1,2%
voor het Verenigd Koninkrijk . Voor de landen van de
Gemeenschap te zamen , na uitsluiting van de handel tussen
de Lid-Staten , bedraagt deze appreciatie 17,8% . Europa
heeft thans aldus de voordelen verloren die het op verschil
lende derde markten had dank zij een krachtige dollar .
De zwakke vraag in de afgelopen jaren en de onzekerheden
dienaangaande kunnen evenwel een nadelige invloed hebben
op de investeringen . In dit verband kunnen bij nadere
beschouwing van de grafieken 18 en 19 , waarin de groei van
de kapitaalvoorraad in de vier grootste landen van de
Gemeenschap wordt vergeleken in verband met de rentabi
liteit en de bezettingsgraad , de volgende twee belangrijke
conclusies worden getrokken :
— terwijl de vermindering van de groei van de kapitaalvoor
raad de na de eerste aardoliecrisis opgetreden daling van
de rentabiliteit volgde hadden de tijdelijke stijging van
deze laatste in de jaren 1976—1978 en die welke intrad in
1982 geen voldoende gunstige uitwerking op de investe
ringen ;
— de vrij nauwe band die tot in 1 975 lijkt te hebben bestaan
tussen bezettingsgraad en groei van de kapitaalvoorraad
lijkt sedertdien losser te zijn geworden . Zoals tussen de
curve van de rentabiliteit en de curve van de groei van de
kapitaalvoorraad doet zich sedert 1981 een groter wor
dende kloof voor tussen de groei van de kapitaalvoorraad
en de bezettingsgraad .
In 1986 heeft de verbetering van de ruilvoet dus een gunstig
effect gehad op zowel de aanbodvoorwaarden als de
vraag . Deze effecten zullen ongetwijfeld ook in 1987 nog een
gunstige invloed op de binnenlandse vraag hebben . Zij
blijven echter onvoldoende en zullen bovendien snel afne
men . Thans is een daadwerkelijke toepassing van de samen
werkingsstrategie nodig om op een verbetering van de
vooruitzichten voor de werkloosheid te kunnen rekenen .
De wijzigingen in de internationale economische verhoudin
gen hebben uiteraard gevolgen gehad voor de groei en de
structuur van de totale vraag . Een verbetering van de ruilvoet
in de mate als die welke de Gemeenschap heeft gekend , leidt
uiteraard tot een herverdeling van externe en interne vraag .
De negatieve effecten op de uitvoer van de appreciatie van de
Europese valuta 's en van de vertraging van de groei bij
belangrijke handelspartners van de Gemeenschap werden
snel gevoeld . Zoals om andere redenen wenselijk was werden
de inkomsten uit het buitenland in verschillende landen voor
een bedrag van ongeveer 2 % van het BBP gebruikt hetzij ter
verbetering van de financiële positie van de ondernemingen ,
daar waar de nominale lonen snel werden aangepast aan de
vermindering van de inflatie , hetzij voor een snellere sanering
van de overheidsfinanciën . In deze landen is de wederople
ving van de binnenlandse vraag veel zwakker en meer in de
tijd gespreid dan het geval zou zijn geweest indien de
verbetering van de ruilvoet voornamelijk ten goede zou zijn
gekomen aan de consumenten .
Per saldo zal de totale vraag ( binnenlandse vraag plus
uitvoer ) in 198 7 slechts met 3,6% toenemen , hetgeen
rekening houdend met de reactie van de invoer onvoldoende
is om een hogere groei van het BBP dan 3% te bereiken .
De groei van ae binnenlandse vraag bestaat sedert 1985
voornamelijk uit de snelle toeneming van de particuliere
consumptie (gemiddeld 3,6% in 1986 en 1987 ) en van de
investeringen in uitrusting (6 tot 7% in 1986 en 1987 ). Het
herstel van de investeringen in gebouwen is merkbaar maar
de stijging blijft gering ( 3,2% in 1987 ).
Ter verwezenlijking van de doelstellingen van de samenwer
kingsstrategie is een , soms aanzienlijke , wijziging in gedrag
en beleid van alle deelnemers aan het economische leven
noodzakelijk , zulks reeds in 1987 .
In de eerste plaats moeten de ondernemingen met meer
doortastendheid op de huidige verbetering van de aanbod
voorwaarden reageren door toenemende investeringen .
Uiteraard berust elk investeringsbesluit op een economische
berekening . Om deze reden dient verder gestreefd te worden
naar verbetering van de rentabiliteit , verlaging van de reële
rentetarieven op lange termijn op een gezonde grondslag en
uitbreiding van de markt voor risicodragend kapitaal . Een
investeringsbesluit berust evenwel ook op vertrouwen en
bereidheid tot ondernemen . Ook deze gedragingen moeten in
een voor de werkgelegenheid gunstige zin worden omgebo
gen . In de eerste plaats zal een krachtigere ontwikkeling van
de bedrijfsinvesteringen positief zijn uit oogpunt van de
vraag . In de tweede plaats zou een dusdanige investerings
groei aan de aanbodzijde een gelijkopgaande ontwikkeling
van produktiecapaciteit en produktie mogelijk maken , het
geen de inflatoire spanningen die voort zouden kunnen
vloeien uit een stijgende bezettingsgraad doet verminderen .
De Europese economieën zouden aldus volledig van de
huidige situatie kunnen profiteren . De inflatoire spanningen
die kunnen voortvloeien uit de stijging van de bezettings
graad worden thans immers grotendeels geneutraliseerd door
de matiging van de kosten van invoer en de loonmatiging .
Het aandeel in het BBP van de middelen die worden gebruikt
voor investeringen en voor uitbreiding van de kapitaalvoor
raad blijven echter nog achter bij wat op middellange termijn
noodzakelijk is . Verschillende factoren die bepalend zijn
voor de investeringen van het bedrijfsleven geven niettemin
een gunstige ontwikkeling te zien . De gemiddelde rentabili
teit van de kapitaalvoorraad stijgt ( zie grafiek 18 ), ook al
wordt slechts in de Bondsrepubliek Duitsland het rentabili
teitsniveau van voor de eerste oliecrisis benaderd . In de
landen van de Gemeenschap te zamen is de bezettingsgraad
van de produktiecapaciteit snel verbeterd ( zie grafiek 19 voor
de vier grootste landen van de Gemeenschap ). De daling van
de nominale rentetarieven blijft aanhouden en draagt mede
bij tot een verschuiving van de verhouding van het rendement
op beleggingen ten opzichte van het rendement op investe
ringen ten gunste van dit laatste .
Jl . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 41
Bovendien vormt de verbetering van de rentabiliteit die een
gevolg is van deze matiging een aansporing tot een intensiever
gebruik van de kapitaalvoorraad . In de derde plaats vormt
een snellere totstandkoming van nieuwe arbeidsplaatsen een
duidelijke rechtvaardiging voor de inspanningen die reeds in
vele landen door de werknemers zijn geleverd . Aldus worden
de mogelijkheden dat de stijging van de reële lonen gedurende
voldoende lange tijd gunstig blijft voor de werkgelegenheid ,
groter .
Ook de voor het economisch beleid verantwoordelijke
instanties hebben evenwel een taak . Zij moeten met hun
optreden aantonen dat zij vastbesloten zijn bij te dragen tot
een meer dynamische ontwikkeling van vraag en aanbod in
de Gemeenschap . Hun verantwoordelijkheid blijft in ieder
geval onverminderd .
/n 1986 heeft de verbetering van de ruilvoet een gunstig effect
gehad op aanbodvoorwaarden en vraag . Het herstel van de
rentabiliteit, dat in het begin van het decennium inzette dank
zij de gematigde toeneming van de reële loonkosten, werd
sneller. De gemiddelde rentabiliteit in de Gemeenschap heeft
echter het niveau van dejaren zestig nog niet bereikt. Volgens
de ramingen zal de groei van de reële loonkosten per
werknemer in 1 987 versnellen . Anderzijds blijft in 1987 die
groei van de totale vraag op een niveau dat lager is dan dat
wat uit oogpunt van de samenwerkingsstrategie noodzake
lijk is . In het bijzonder de investeringen geven niet die
krachtige ontwikkeling te zien die verwacht mocht worden,
gezien de verbetering van de meeste bepalende factoren . Een
verbetering van de vraagvooruitzichten zou in dit verband
een positieve invloed hebben . Thans moet ter verbetering van
de vooruitzichten voor de werkloosheid een beroep worden
gedaan op een daadwerkelijke toepassing van de samenwer
kingsstrategie door alle betrokkenen . De bedrijven moeten
door investeringen en nog snellere schepping van arbeids
plaatsen reageren op de verbetering van de aanbodvoorwaar
den . Dit zal de mogelijkheden en tevens de rechtvaardiging
bieden voor de noodzakelijke voortzetting van een matige
stijging van de reële loonkosten per werknemer. Ook de voor
het economisch beleid verantwoordelijke instanties hebben
daarbij een taak .
3.3 . Taken voor het macro-economisch beleid in 1987 en
daarna
De sedert het begin van het decennium getroffen sanerings
maatregelen en de recente wijzigingen in de internationale
economische omstandigheden bieden de Europese econo
mieën uitzonderlijke mogelijkheden . De rentabiliteit van de
bedrijven wordt beter . De inflatoire druk van binnenlandse
oorsprong blijft gering ; de verbetering van de ruilvoet heeft
een krachtige neerwaartse invloed gehad op de inflatie en het
gemiddelde inflatiepercentage in de Gemeenschap is op het
laagste niveau sedert de jaren zestig . De verlaging van de
olierekening heeft de betalingsbalanspositie van de Gemeen
schap verbeterd en een overschot op de lopende rekening
opgeleverd ten belope van 3,2% van het BBP , ondanks de
verzwakking van de uitvoer .
De mogelijkheden die de Gemeenschap worden geboden
moeten vastberaden worden aangegrepen . Niet alleen om
een oplossing te geven aan het meest dringende probleem
waarmede de Europese economieën geconfronteerd worden ,
de werkloosheid , doch ook om Europa zijn bijdrage te doen
leveren aan het herstel van de onevenwichtigheden tussen de
lopende rekeningen in de wereld en aan het antwoord dat
gegeven moet worden op de problemen van de ontwikke
lingslanden .
De vereiste combinatie van economische beleidsmaatregelen
komt overeen met die welke in het jaarverslag van het vorig
jaar werd omschreven . Thans moeten deze maatregelen
daadwerkelijk worden toegepast . Dit impliceert tevens dat de
huidige sociale dialoog op het niveau van de Gemeenschap
wordt uitgebreid tot de Lid-Staten zodat de respectieve
bijdragen van de ondernemingen , werknemers en overheid
beter onderling in overeenstemming gebracht kunnen wor
den .
Op het niveau van de landen moet in het beleid niet alleen
rekening worden gehouden met de beschikbare en nieuw tot
stand komende ruimte , maar tevens moet de tenuitvoerleg
ging ervan door de sociale partners in ruime mate worden
aanvaard , waartoe een grondige dialoog op nationaal niveau
met en tussen de sociale partners nodig is .
Het begrotingsbeleid vervult een belangrijke functie via
herstructurering van overheidsuitgaven en -ontvangsten ten
gunste van een groei die meer arbeidsplaatsen oplevert en via
de manier waarop het de vraag ondersteunt . In dit opzicht
kunnen drie typen maatregelen worden overwogen . De
implicaties daarvan worden in hoofdstuk 4 nader behan
deld :
— uitbreiding van economisch rendabele overheidsinveste
ringen zou , naast de wederopleving van de particuliere
investeringen , de modernisering van het Europese pro
duktieapparaat kunnen dienen en zou bovendien een
rechtstreekse ondersteuning van de groei betekenen ;
— de matige stijging van de reële loonsom per werknemer
moet in de orde van grootte blijven ( ongeveer 1 % per
jaar ) die in het vorige jaarverslag werd aangehouden en
zou aangevuld kunnen worden met enige verlaging van de
sociale premies ; voor de bedrijven zou deze maatregel ,
die de aanbodvoorwaarden verbetert en gunstig is voor
de investeringen , de indirecte loonkosten , die gemiddeld
in de Gemeenschap ongeveer 30 % van de totale loonkos
ten uitmaken , verminderen . Dit zou een snellere groei van
de koopkracht van de werknemers mogelijk maken ,
hetgeen een ondersteuning van de vraag zou beteke
nen .
Uiteraard moet de financiering van de stelsels van sociale
verzekering gezond worden gehouden . Ook echter moet
rekening worden gehouden met het feit dat naargelang de
situatie verbetert de economische crisis in mindere mate
voor de sociale stelsels zal leiden tot extra uitgaven en
minder ontvangsten . De ruimte die aldus zou ontstaan
moet systematisch worden gebruikt ter verlichting van de
lasten die op de loonkosten drukken , zodat de trend van
de jaren zeventig kan worden omgekeerd . Budgettering
van die sociale uitgaven die verband houden met de crisis
zou ruimere overweging verdienen ;
— verlaging van de directe belastingen op gezinshuishoudin
gen en bedrijven zou eveneens bijdragen tot de noodza
kelijke ondersteuning van de vraag en de verbetering van
de aanbodvoorwaarden .
Nr . L 385 / 42 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Over het geheel genomen zullen deze maatregelen ( 1 ) het
proces tot verlaging van het begrotingstekort op middellange
termijn niet noodzakelijkerwijs in gevaar brengen . Gecom
bineerd met andere maatregelen die bijdragen tot verbetering
van de aanbodvoorwaarden dragen zij immers bij tot een
duurzame en krachtigere groei en tot vermindering van de
werkloosheid . Dientengevolge zullen de crisisuitgaven gelei
delijk verminderen en zal de belastinggrondslag sneller
toenemen .
Een versnelling van de groei is echter reeds noodzakelijk in
1987 . Deze zou ongetwijfeld kunnen worden bereikt door
een betere coördinatie van het economisch beleid met de
voornaamste partners van Europa ( zie hoofdstuk 4.7 ),
alsmede door een verdere versnelling van de particuliere
investeringen als gevolg van een groter vertrouwen van de
ondernemers in de toekomstige ontwikkelingen van vraag en
rentabiliteit . In geval van een ongunstige ontwikkeling zou
het nodig kunnen blijken een beperkte en tijdelijke verhoging
van het gemiddelde begrotingstekort in de Gemeenschap te
overwegen , echter onder handhaving van de doelstelling van
sanering van de overheidsfinanciën op middellange ter
mijn .
Dit doet uiteraard het probleem van de coördinatie van het
begrotingsbeleid in de Gemeenschap rijzen . Enkele landen
moeten nog belangrijke inspanningen tot sanering van de
begroting leveren . Andere beschikken over ruimte of zullen
daarover beschikken in een situatie van snellere groei .
De taak van de eerstgenoemde landen zou aanzienlijk
worden vergemakkelijkt door een dergelijke context . Voor
de andere zou een begrotingssanering bij hun partners die zou
plaatsvinden in een situatie van een zwakke groei schadelijk
kunnen zijn voor hun eigen groei . Ook in dit opzicht zijn de
voordelen van een gezamenlijk optreden duidelijk .
De voortzetting van de daling van de rentetarieven in de
Gemeenschap , als afspiegeling van de geringere en meer
convergente inflatie , zal eveneens positief kunnen bijdragen
tot de vraag . Ook zouden de monetaire autoriteiten aanlei
ding kunnen zien verdere renteverlagingen te aanvaarden om
weerstand te bieden aan de druk die wordt uitgeoefend op de
dollarkoers . Intern dient echter voorkomen te worden dat
een potentieel aan liquiditeiten ontstaat dat later de successen
die werden behaald in de inflatiebestrijding in gevaar zou
kunnen brengen , zonder dat evenwel mag worden nagelaten
te zorgen voor een voldoende financiering van de reële groei .
De ruimte waarover de monetaire autoriteiten dienaangaan
de beschikken zal des te groter zijn naarmate de binnenlandse
inflatoire druk , en met name de ontwikkeling van de
nominale loonkosten , zwak blijft .
De uitvoering van een macro-economisch beleid dat geba
seerd is op de bovenbeschreven richtsnoeren zal de door de
werknemers gebrachte offers rechtvaardigen . Het is ook een
voorwaarde voor het volledig doeltreffend zijn ten aanzien
van de werkgelegenheid van de noodzakelijke micro-econo
mische maatregelen tot verbetering van het aanpassingsver
mogen van de markten .
De sedert het begin van het decennium ten uitvoer gelegde
saneringsmaatregelen en de recente wijzigingen in de inter
nationale verhoudingen bieden de Europese economieën
uitzonderlijke mogelijkheden . Deze mogelijkheden moeten
vastberaden worden aangegrepen, niet alleen om een oplos
sing te geven aan het werkloosheidsprobleem, maar ook om
Europa een bijdrage te doen leveren aan het herstel van de
onevenwichtigheden in de wereld op betalingsbalansgebied
en aan het antwoord dat moet worden gegeven op de
problemen van de ontwikkelingslanden . Het begrotingsbe
leid heeft dienaangaande een belangrijke taak via de herstruc
turering van de overheidsuitgaven en -ontvangsten in een zin
die gunstig is voor de verbetering van aanbodvoorwaarden
en werkgelegenheid en via de passende steun die het moet
geven aan de vraag. Geringere en meer convergente inflatie
moet een verdere verlaging van de rentetarieven mogelijk
maken . Rekening houdend evenwel met de problemen die
voort zullen vloeien uit een verdere daling van de dollar op de
valutamarkten en met de noodzaak te zorgen voor gezonde
financiering van degroei, dient voorkomen te worden dat een
potentieel aan liquiditeiten ontstaat dat op den duur schade
lijk zou zijn voor de stabiliteit. De tenuitvoerlegging van de
aanbevolen maatregelen moet plaatsvinden in nauwe samen
werking a) tussen de Lid-Staten , met name om rekening te
houden met de verschillende mogelijkheden van elk der
landen en b) tussen en met de sociale partners, met name op
nationaal niveau, zodat zij in ruime mate aanvaard worden
door de sociale groepen en zodat de bijdragen van een ieder in
evenwicht zijn .
Deze maatregelen worden nader toegelicht in het kaderarti
kei .
TABEL 12
Overheidsinvesteringen en totale investeringen in de Gemeenschap (')
in % van het BBP
1970 1974 1979 1984 1985 : J ) 1986 ( ; ) ; 1990 ( M
Bruto-mvesteringen in vaste activa
van de overheid 4.2 4,0 3.2 2,8 2.8 2,7 3,6
Bruto-investeringen in vaste activa
van de gehele economie 22,7 22,3 20,8 18,6 18,4 18,5 21,7
(' . Zonder Griekenland , Ierland , Spanje en Portugal .
( 2 Economische budgetten van oktober 1986 van de diensten van de Commissie .
Samenvverkingsscenario .
Bronnen : Eurostar en diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 43
TABEL 13
Indicatoren van vraag en aanbod
1961 -
1973
(gemid
delde )
1974
1981
(gemid
delde )
1982 1983 1984 1985 (■) 1986 (>} 1987 f)
i) Indicatoren van de vraag
(veranderingen in % per jaar):
Binnenlandse vraag tegen constante
prijzen :
— Indexcijfer voor de Gemeenschap
— Verschil EUR / andere landen van de
OESO
5,0
- 0,5
1,6
- 0,6
0,8
1,0
0,8
- 1,9
1,4
- 4,2
2,2
- 1,1
3,8
0,4
3,5
0,9
Particuliere consumptie 5,0 3,0 0,6 1,0 0,9 2,2 3,7 3,5
Bruto-investeringen in vaste activa 5,6 0,0 - 1,5 - 0,3 1,3 2,4 4,2 5,1
Uitvoer van goederen en diensten 9,2 4,6 1,5 3,1 7,6 5,7 2,2 3,7
ii) Indicatoren van de aanbodsvoor
waarden:
Werkgelegenheid
(verandering in % per jaar) 0,3 - 0,1 - 0,9 - 0,8 0,1 0,4 0,8 0,8
Produktiviteit
(verandering in % per jaar) 4,5 2,1 1,5 2,0 1,9 2,0 1,7 2,0
Reële loonkosten per eenheid
(indexcijfer, 100 - gemiddelde
1961 - 1973) 100,0 104,3 103,0 102,4 101,1 99,9 98,1 97,4
Rentabiliteit ( 2 )
( indexcijfer, 100 = gemiddelde
1961—1973) 100,0 68,0 61,8 59,8 64,7 68,4 77,9 82,8
Investeringen in installaties
(verandering in % per jaar) I 0,2 0,3 3,4 8,0 6,1 6,9
Concurrentievermogen ( 3 )
(indexcijfer, 100 = gemiddelde
1961—1973) 100,0 108,8 98,9 93,2 86,7 85,6 95,1 95,9
(') Schattingen en ramingen van de diensten van de Commissie ( oktober 1986 ).
( 2 ) Schatting voor de Gemeenschap van de Tien : bruto-exploitatieoverschot in de gehele economie ten opzichte van
kapitaalvoorraad tegen vervangingsprijzen .
( 3 ) Reële effectieve wisselkoers op grond van de loonkosten per eenheid in de gehele economie ten opzichte van de andere landen
van de OESO , exclusief intracommunautaire handel .
Bronnen: Eurostat en diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 44 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 14
Ontwikkelingen naar sector, Europa , Verenigde Staten , Japan 1970—1982
EUR-6 ( 3 ) VS Japan
1 . Toegevoegde waarde tegen constante prijzen
(mutaties in % per jaar)
Landbouw 1,8 2,1 0,2
Industrie (') 1,7 2,1 7,1
Diensten marktsector 3,4 3,6 5,1
Diensten quartaire sector ( 4 ) 2,4 1,9 4,2
Totaal ( 2 ) 2,5 2,7 5,2
2 . Werkgelegenheid in 1982
(1970 = 100)
Landbouw 67,2 97,2 68,7
Industrie ( J ) 83,0 97,8 100,4
Diensten marktsector 117,2 136,2 132,2
Diensten quartaire sector ( 4 ) 124,5 121,4 133,4
Totaal ( 2 ) 99,9 121,7 111,5
3 . Produktiviteit per arbeidskracht
(mutaties in % per jaar) -
Landbouw 5,2 2,3 3,5
Industrie (') 3,3 2,3 7,1
Diensten marktsector 2,1 1,0 2,7
Diensten quartaire sector ( 4 ) 0,5 0,2 1,8
Totaal ( 2 ) 2,5 1,0 4,3
4 . Relatieve prijs ten opzichte van de prijs
van industrieprodukten in 1982
( 1970 = 100)
Landbouw 83,5 120,7 147,9
Industrie (') 100,0 100,0 100,0
Diensten marktsector 110,3 112,4 161,3
Diensten quartaire sector ( 4 ) 138,4 125,3 240,8
Totaal ( 2 ) 110,6 116,4 147,8
i 1 ) In enge zin .
! 2 ) Met inbegrip van de andere sectoren : energie , bouwnijverheid en openbare werken .
3 ) België , Duitsland , Frankrijk , Italië , Nederland en het Verenigd Koninkrijk .
' 4 ) Voornamelijk overheid .
Bron: Eurostat en diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 /45
GRAFIEK 17
BBP en tewerkstelling in de Gemeenschap (EUR-12 ) ( jaarlijkse procentuele groeivoet ) (')
( 1 ) De horizontale lijnen geven de gemiddelde jaarlijkse groeivoeten aan voor elke periode .
Bron : Eurostat en diensten van de Commissie ( 1985—1987 : Schattingen en ramingen van de diensten van de Commissie , oktober
1986 ).
Nr . L 385 / 46 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
GRAFIEK 18
Rentabiliteit (') en groei van de kapitaalvoorraad ( 2 ) in de Gemeenschap ( EUR-4 ) ( 3 )
;') Netto-exploitatieoverschot ten opzichte van de bruto-kapitaalvoorraad tegen vervangingskosten .
i 2 ) Bruto-kapitaalvoorraad tegen constante prijzen (veranderingen in % per jaar ).
( J ) Duitsland , Frankrijk , Italië en het Verenigd Koninkrijk .
Bron : Diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 /47
GRAFIEK 19
Groei en bezettingsgraad van de kapitaalvoorraad (') ( 2 ) ( Indexcijfer , 100 = maximum van de afgelopen
25 jaar )
Duitsland Frankrijk
Italië Verenigd Koninkrijk
Groei van dc bruto-kapitaalvoorraad .
\! Bezettingsgraad bepaald op grond van enquêtegegevens met betrekking tot de verwerkende nijverheid .
Bron : Diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 48 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Scenario 's op middellange termijn van de samenwerkingsstrategie
De mogelijke ontwikkeling van de Gemeenschap wordt op twee manieren weergegeven : enerzijds met
een projectie op middellange termijn op grond van de hypothese dat het huidige beleid onveranderd
wordt voortgezet en dat geen wijziging komt in de economische gedragingen en anderzijds met een
zeer schematische voorstelling van de samenwerkingsstrategie . De kwantitatieve invulling dient
slechts ter illustratie en moet niet worden beschouwd als formele doelstelling van economisch
beleid .
De scenario's werden berekend met het model COMPACT voor de Gemeenschap van de Tien . Dit
model is nader beschreven in Europese Economie nr . 27 .
Hypothesen voor de internationale context
Voor het referentietraject en voor de samenwerkingsstrategie werd uitgegaan van de hypothese dat de
aardolieprijs voor het eind van het decennium weer zal gaan stijgen . Dit doet de ruilvoet met ongeveer
7% verslechteren voor de jaren 1987—1990 . Voor de wisselkoers wordt uitgegaan van vrijwel
stabiele dollar / Ecu- en yen / Ecu-koersen ten opzichte van hun gemiddelde van 1986 .
In de Verenigde Staten zal het overheidstekort geleidelijk worden verlaagd van 3,4 % van het BBP in
1986 tot 1 % in 1990 . Het zal in Japan worden gestabiliseerd op 0,5 % van het BBP vanaf 1987 , na in
1986 1 % te hebben bedragen . De groei zal in de Verenigde Staten gematigd ( 2,7 % a 2,8 % gemiddeld
in 1986—1990 volgens de scenario's ) zijn en vrij krachtig in Japan ( 3,7 % a 3,8 % voor dezelfde
periode ).
Een scenario ter illustratie van de samenwerkingsstrategie
Het scenario dat voor dit jaar de samenwerkingsstrategie illustreert levert dezelfde groei op als die
welke werd opgenomen in het verslag van het vorige jaar (gemiddeld 3,5% voor de jaren
1986—1990 ). De groei van de nominale vraag in het samenwerkingsscenario wordt bij benadering
gehandhaafd op het niveau van het referentietraject (6 % of iets meer ). Deze groei is voldoende om de
werkloosheid terug te brengen met 3,7 procentpunten ( van de beroepsbevolking) van 1986 tot 1990
en maakt het mogelijk aan het eind van het decennium de werkgelegenheid met iets meer dan 1 ,5 %
per jaar te doen toenemen . De combinatie van economische beleidsmaatregelen heeft tot doel onder
monetaire stabiliteit een grotere expansiekracht van de Europese economieën te bewerkstelligen door
maatregelen die zowel de aanbodvoorwaarden als de vraag betreffen .
Voor de stijging van de reële loonkosten per hoofd werd dezelfde hypothese als voor het vorig jaar
aangehouden , dit wil zeggen een jaarstijging met 1 % (gemiddelde 1986—1990 ); het verschil met de
produktiviteitsstijging bedraagt gemiddeld per jaar 1,3 % .
Deze gematigde stijging van de reële loonkosten wordt bereikt met twee middelen : in de eerste plaats
een matiging van de reële lonen ( exclusief sociale bijdragen van de werkgevers ): evenals in het scenario
van het vorige jaar stijgen zij gemiddeld met 1,1 % in de jaren 1986 tot en met 1990 ; in de tweede
plaats een verlaging van de sociale bijdragen die ten goede komt aan zowel werkgevers als
werknemers . Gecumuleerd over vier jaar ( 1987—1990 ) bedraagt de ex-ante veronderstelde
vermindering van de sociale premies 1 % van het BBP .
Het begrotingsbeleid op middellange termijn wordt gekenmerkt door een geleidelijke verlaging van de
directe belastingen voor gezinshuishoudingen en een verhoging van de overheidsinvesteringen . Deze
twee maatregelen te zamen over vier jaar vertegenwoordigen elk 1,2% van het BBP . Naast de
endogene verlagingen van bepaalde overdrachtsbetalingen (met name werkloosheidsuitkeringen )
werd verondersteld dat de geleidelijke verbetering van de economische situatie zal leiden tot een
minder sterke stijging van de uitgaven die rechtstreeks strekken tot verlichting van de arbeidsmarkt
(programma's vervroegde uittreding , bij voorbeeld ).
De duurzame vermindering van de inflatie , de verbetering van de financiële positie van de bedrijven —
waardoor de kapitaalmarkt ruimer wordt — en een monetair beleid , dat ook al blijft het gericht op
stabiliteit , de financiering van een snellere reële groei mogelijk maakt , impliceren een verlaging van de
nominale rente op lange termijn , met ongeveer 3 procentpunten van 1986 tot 1990 als gemiddelde
voor de Gemeenschap . Gemiddeld voor de periode bedraagt de reële rente 3,6% .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 49
Tussen 1987 en 1990 bedragen de belastingverlagingen en de verhogingen van de overheidsuitgaven
op middellange termijn gecumuleerd in totaal 3,2 % van het BBP . Deze invloed op het overheidstekort
wordt voor een belangrijk deel gecompenseerd door een snellere economische groei en een
vermindering van de sociale uitkeringen . In 1990 is de verhouding van het overheidstekort ten
opzichte van het BBP 0,5 procentpunt lager dan in 1986 . Deze terugdringing is echter langzamer dan
die welke is aangehouden in de basisprojectie .
In het samenwerkingsscenario is het saldo van de lopende rekening gemiddeld van 1986 tot 1990 in
procenten van het BBP 0,5 punt lager dan het niveau van de basisprojectie (0,1 % van het BBP tegen
0,6 % ). In punt 4.7 wordt een variant gegeven van het samenwerkingsscenario waarin Japan geacht
wordt een grotere bijdrage tot de vermindering van de onevenwichtigheden in de wereld te leveren . In
dat geval geeft de lopende rekening van de Gemeenschap in de jaren 1986—1990 een verbetering met
0,3 punt van het BBP ten opzichte van het samenwerkingsscenario te zien .
Enkele belangrijke macro-economische grootheden die de samenwerkingsstrategie weergeven
Basiprojectie Samenwerkingsstrategie
2,7
3,3
6,0
0,7
2,0
3,0
3 , i
1,9
- 0,3
3,5
2.7
6,2
1,2
2.3
3.4
6.8
1,1
- 1,3
Gemiddelde jaarlijkse groei
1986—1990, in %
BBP naar volume
Prijzen van het BBP
Nominaal BBP
Werkgelegenheid
Produktiviteit
Particuliere consumptie
Investeringen
Reële lonen per hoofd
Reële loonkosten per eenheid
Gemiddelde jaarniveaus
1986—1990, in %
Kapitaalmarktrente ( in % )
Saldo lopende rekening
( in % van het BBP 0,6
6,3
0,1
Huidig niveau 1986 Niveau in 1990 rolgen :samenwerkingsstrategie
Werkloosheid in %)
Overheidstekort (in % van het BBP)
10,8
4,7
7,1
3,9
Aantekening : De cijfers hebben betrekking op E UR - 1 0 , Het voornaamste verschil voor het communautaire gemiddelde EUR-1 2
betreft de werkloosheid : 1986 11,9 % ; 1990 S,2% .
De bovenvermelde cijfers zijn berekend met een zeer schematisch model en worden slechts \ ermeld ter indicatie van mogelijke orden
van grootte .
4 . BIJDRAGE VAN DE BELEIDSVOERING TOT DE SAMENWERKINGSSTRATEGIE
4.1 . Monetaire richtsnoeren en coördinatieproblemen
De Lid-Staten van de Gemeenschap hebben opnieuw voor
uitgang geboekt bij de convergentie naar een monetair beleid ,
waarbij genoeg ruimte wordt gelaten voor een reële groei in
een stabiel monetair klimaat . De minder snelle groei van de
monetaire grootheden en een grotere convergentie daarvan
zijn onbetwistbaar het teken van een grotere coherentie van
het nationaal monetair beleid ( tabel 15 ). Aan het eind van de
jaren zeventig nam in de Gemeenschap de liquiditeitenmassa
in ruimere zin jaarlijks nog met circa 15 % toe ( EMS 13 % },
terwijl zij thans met circa 9,5 % toeneemt ( EMS minder dan
7% ), en normalerwijze geen versnelling van dit tempo
behoeft te worden verwacht . Het monetair beleid heeft aldus
een belangrijke bijdrage geleverd tot de vertraging van de
inflatie in de Gemeenschap . Het gemiddelde inflatiecijfer in
de Gemeenschap zal dit jaar op 3,7 % terug kunnen vallen ,
terwijl het in 1980 nog 13 % bedroeg .
Nr . L 385 / 50 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
althans op korte termijn . Weliswaar wordt in het huidige lage
inflatiecijfer de inflatietrend onderschat . Dit betekent echter
niet dat de Lid-Staten alle op dezelfde wijze moeten reageren
op de ingevoerde prijsstabiliteit .
De landen waarin het inflatiepercentage en de inflatiever
wachtingen zich reeds op een laag niveau hebben gestabili
seerd , behoeven hun monetair beleid , dat was vastgesteld
voordat de invoerprijzen begonnen te dalen , niet wezenlijk te
herzien . Aldus zal het monetair beleid een hogere reële groei
ondersteunen . Overigens vergt een initiële en tijdelijke
afwijking van de monetaire doelstelling niet noodzakelijker
wijze een correctie , aangezien de verwachtingen in dergelijke
landen daardoor nauwelijks zullen worden beïnvloed . Indien
de huidige omstandigheden inderdaad tot een opstuwing van
de tendens van de reële groei in 1987 leiden , zou het monetair
beleid daarmee rekening moeten houden bij de vaststelling
van de kwantitatieve monetaire doelstelling .
Een van de eerste doelstellingen van het monetair beleid is het
bereiken en handhaven van een hoge mate van monetaire
stabiliteit , hetgeen volledig in de lijn van de Samenwerkings
strategie ligt . De monetaire stabiliteit is bepalend voor de
verwezenlijking van de andere doelstellingen van het econo
misch beleid . Door de onzekerheden inzake de toekomstige
koopkracht van het geld te verminderen , schept zij gunstige
voorwaarden voor een coöperatief gedrag van de economi
sche subjecten en vermindert zij met name de behoefte aan
indexeringsmechanismen . Zij verbetert zodoende de voor
waarden voor de aanpassing van de relatieve prijzen en
draagt juist daardoor bij tot een doeltreffende aanwending
van de produktiefactoren .
Het formuleren van het monetair beleid op middellange
termijn maakt het mogelijk de verwachtingen duurzaam om
te buigen in de gewenste zin , zonder de bij de inflatiebestrij
ding geboekte resultaten weer in het geding te brengen .
Het monetair beleid dient echter naar behoren rekening te
houden met de mogelijke reële groeimarge . Indien het
expansietempo van het produktiepotentieel tijdens de uitvoe
ring van de samenwerkingsstrategie zou versnellen , zou het
monetair beleid dienovereenkomstig moeten reageren . Ook
zou er behoefte bestaan aan extra liquiditeiten indien de
aanhoudende zwakte van de energieprijzen het produktiepo
tentieel zou doen toenemen .
De landen die resultaten van betekenis hebben behaald bij de
inflatiebestrijding , doch wier inflatiepercentage aanzienlijk
boven het communautair gemiddelde blijft liggen — bij
voorbeeld Italië — zouden het ingevoerde stabiliteitsaandeel
moeten consolideren , waarvan het initiële effect alleen
betrekking heeft op het prijspeil , en moeten pogen de inflatie
duurzaam te verminderen . Dit doel kan worden bereikt , mits
het ondubbelzinnig wordt aangekondigd en ondersteund
door geloofwaardige monetaire maatregelen . Een monetair
beleid dat beoogt de vergroting van de liquiditeitenmassa te
matigen zou geen hindernis vormen voor een nieuwe daling
van de rentevoeten . Integendeel , naarmate de inflatiever
wachtingen zich neerwaarts stabiliseren zullen ook de nomi
nale en reële rentevoeten op lange termijn dalen .
De vaststelling van kwantitatieve doelstellingen voor de
liquiditeitenmassa of de kredietverlening speelt steeds een
belangrijke rol in een monetair beleid op middellange
termijn , dat gebaseerd is op een grote prijsstabiliteit . De
financiële innovaties , de toenemende liberalisatie van de
kapitaalbewegingen , de structurele wijzigingen van de geld
en kapitaalmarkten en het wisselend gedrag van de vraag
naar geld zijn soms van aanzienlijke invloed op de monetaire
grootheden . Daarmee zal rekening moeten worden gehouden
bij de beoordeling van de monetaire ontwikkeling . De
aankondiging van een jaarlijkse kwantitatieve monetaire
doelstelling zet de bakens uit voor het monetair beleid . De
werkgevers , de werknemersorganisaties en de regeringen
kunnen hun besluitvorming dienovereenkomstig aanpassen .
Door een betere informatie van de economische subjecten
verminderen de voor het geldaanbod vastgestelde doelstellin
gen de gevaren voor wrijvingen en vergemakkelijken zij de
onderlinge afstemming tussen de sociale partners . De landen
die slechts over een beperkte marge voor een zelfstandig
monetair beleid beschikken en wier hoofddoelstelling de
stabilisatie van de wisselkoers van hun valuta is , zouden
eveneens baat vinden bij het voeren van een op de middel
lange termijn gericht monetair beleid in de grote landen , voor
zover de wisselkoersspeculaties zich zouden stabiliseren en zij
een grote prijsstabiliteit zouden kunnen invoeren en handha
ven .
Ten slotte moeten de landen waar het inflatiecijfer thans laag
is doch waar de inflatieverwachtingen hoger liggen dan
hetgeen het huidige prijsstijgingstempo impliceert — bij
voorbeeld Frankrijk — , zich houden aan een gematigde
vergroting van de liquiditeitenmassa , die verenigbaar is met
de doelstelling van de reële groei op middellange termijn . De
onlangs in Frankrijk waargenomen afneming en stabilisatie
van de curves van de rentevoeten , met een daling van de
langlopende rente met 3 % en van de kortlopende rente met
2% tussen januari en augustus 1986 , wijzen op een nieuwe
geloofwaardigheid van het monetair beleid . De stabilisatie
op een laag niveau van de rentevoeten is afhankelijk van die
van de inflatieverwachtingen .
De hier voor het monetair beleid aanbevolen oriëntatie
vereist echter dat overwegingen van conjuncturele aard naar
het tweede plan worden verwezen , indien de bereikte
vooruitgang naar een hoge mate van prijsstabiliteit niet weer
in gevaar wil worden gebracht . Ook mag niet uit het oog
worden verloren dat een op de middellange termijn gericht
monetair beleid eveneens bijdraagt tot de stabilisatie van de
conjunctuurcyclus . In een recessiefase neemt de liquiditeiten
massa relatief sneller toe dan het BBP . De liquiditeiten nemen
toe , doch zonder ongunstige invloed op de inflatieverwach
Voorshands is de conjuncturele ontwikkeling in de meeste
Lid-Staten vrijwel gelijk : in de meeste doet zich een fase van
bescheiden herstel voor en alle landen ( behalve Griekenland )
voeren de stabiliteit in dank zij de sterke daling van de
invoerprijzen . Tot nog toe is geen enkele dreiging van een
nieuwe sterke toeneming van de inflatie aan de dag getreden ,
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 51
tingen . Daarentegen leidt de vermindering van de liquiditei
ten in een expansiefase tot een matiging van de inflatiever
wachtingen , doch zonder de onaangename begeleidende
effecten van een stabilisatiebeleid .
Bij een stelsel van flexibele wisselkoersen kan het monetair
beleid echter geconfronteerd worden met een conflict tussen
de interne en externe vereisten . Het monetair beleid zou
derhalve een soepel beheer kunnen vereisen aan de hand van
de wisselkoersontwikkelingen buiten de Gemeenschap ten
einde daadwerkelijke storingen te voorkomen , die leiden tot
distorsies en die uiteindelijk de prioritaire doelstelling van de
monetaire stabiliteit in gevaar brengen . Een dergelijke reactie
zou de gekozen richtsnoeren echter niet fundamenteel in het
geding moeten brengen .
De nominale rentevoeten zijn in de laatste jaren in Europa
sterk gedaald . In 1981 beliep het gemiddelde nominale
rentepercentage op korte termijn 15% voor de Gemeen
schap , terwijl het thans is teruggevallen tot 8,8% , hetgeen
vrijwel overeenkomt met het gemiddelde percentage van de
jaren zeventig ( tabel 16 ). Verwacht wordt dat de daling van
de rentevoeten zich — doch in een langzamer tempo — in de
nabije toekomst zal voortzetten . Ondanks het bij de inflatie
bestrijding behaalde succes worden de reële rentevoeten op
lange termijn voor het ogenblik nog als betrekkelijk hoog
beschouwd . Wat het huidige peil van de reële rentevoeten
betreft moet echter niet worden vergeten dat thans het
inflatiepercentage in bepaalde landen onder het inflatieper
centage op middellange termijn ligt en dat het niveau van de
reële rentevoeten derhalve wordt overschat . Te lage reële
rentevoeten weerspiegelen niet voldoende de betrekkelijke
kapitaalkrapte . In de jaren zeventig kwamen zij tot uiting in
een te grote kapitaalintensiteit van de produktie , hetgeen
wijst op de gebrekkige macro-economische verdeling van
betrekkelijk geringe besparingen en een verslechtering van de
rentabiliteit impliceert . Bovendien ontmoedigen te lage reële
rentevoeten de besparingen zodat de grondslag voor een
versnelling van de groei wordt weggenomen . Zoals uit
grafiek 20 blijkt , komt het voor 1986 voorziene niveau van
de reële rentevoeten vrijwel overeen met dat van het eind van
de jaren zestig . Daarentegen is het rendement op vaste activa
nog niet op dit niveau teruggekomen .
Enerzijds zijn voldoende hoge reële rentevoeten noodzakelijk
om een verkeerde bestemming van de middelen te voorko
men en een door het aanbod aangezwengelde groei te
handhaven , die meer arbeidsplaatsen schept . Anderzijds zou
het zeker gewenst zijn dat zowrel de nominale als de reële
rentevoeten dalen naarmate de inflatieverwachtingen zich op
een laag niveau stabiliseren en de totale besparingen zich
herstellen . Een op de middellange termijn gerichte monetaire
strategie vormt het passende middel om , op gezonde grond
slagen , tot de nagestreefde „organische" daling van de reële
rentevoeten te komen .
Het EMS heeft een beslissende bijdrage geleverd tot de
convergentie van het monetair beleid en de bestrijding van de
inflatie door de deelnemende landen te verplichten een
duidelijke wisselkoersdiscipline na te leven . De landen met
een vrij sterke inflatie hebben een zekere mate van prijssta
biliteit kunnen invoeren gedurende de steeds langere periodes
van stabiele wisselkoersen , waardoor het desinflatieproces is
versterkt . Het EMS heeft echter alleen aan stabiliteit kunnen
winnen door een strikte naleving van een gemeenschappelijke
stabiliteitsdoelstelling . Dientengevolge is de grotere stabili
teit van de wisselkoersen zowel de oorzaak als het gevolg
geweest van de grotere stabiliteit van prijzen en kosten
binnen het EMS . De in april en augustus 1986 plaatsgevon
den herschikkingen van de wisselkoersen hebben geen wijzi
ging aangebracht in deze fundamentele onderlinge afhanke
lijkheid .
Het EMS blijft ondanks alles een stelsel van vaste doch
aanpasbare wisselkoersen . Bij een onvolledige coördinatie
van het economisch beleid maken de dan tot stand komende
verschillen bij de belangrijkste determinanten van de wissel
koersen periodieke aanpassingen noodzakelijk , doch een
beleid van dit type staat in beginsel geen uiteenlopende
economische tendensen vanaf het begin toe . In de toekomst
zal een nauwere integratie van de kapitaalmarkten een
grotere en wenselijke liberalisatie van de kapitaalbewegingen
vereisen . De rentevoeten zijn in het kader van het EMS reeds
aanzienlijk nader tot elkaar gekomen . Het verschil tussen de
Duitse en Franse lange-termijnrente is in feite niet meer dan
2 % sinds de herschikking , terwijl het voordien 3 % bedroeg .
Ook in België is de langlopende rente spectaculair
gedaald .
De herschikking heeft derhalve concrete gevolgen gehad voor
de rentevoeten . De valuta 's waarvoor een neerwaartse
herschikking werd voorzien , moesten weerstand bieden aan
de aanpassingsdruk door optrekking van hun rentevoeten ,
waaruit wel blijkt dat in landen met de sterkste uitholling van
de geldwaarde het uitstel van herschikking een belangrijke
stabiliserende werking heeft gehad .
Daar omvangrijkere kapitaalbewegingen moeten worden
verwacht , vertegenwoordigt de toenemende liberalisatie van
het kapitaalverkeer initieel een mogelijk gevaar voor de
stabiliteit van het EMS , dat echter geneutraliseerd kan
worden door een grotere convergentie van het monetair
beleid en van het algemeen economisch beleid . De voortzet
ting van het programma voor de liberalisatie van het
kapitaalverkeer is derhalve nauw verbonden met de sterkere
integratie van de economieën van de Gemeenschap en de
ontwikkeling op hechte grondslagen van het Europees
Monetair Stelsel .
Een grotere monetaire integratie vergt een betere coördina
tie . Dit geldt voor het monetair beleid van elk land dat
deelneemt aan het EMS , doch ook voor de afstemming op
nationaal niveau van de instrumenten van het algemeen
economisch beleid , die zodanig dienen te worden gehanteerd
dat zij het stelsel van vaste wisselkoersen niet in gevaar
brengen . Vooral van betekenis is echter dat een op de interne
en externe stabiliteit gebaseerd monetair beleid wordt onder
steund door de begrotingspolitiek en een passende inkomens
ontwikkeling . In het kader van het EMS is de noodzaak tot
coördinatie , met name tussen de grote Lid-Staten , nog
dwingender geworden . In eerste instantie zal de overeenstem
ming over de doelstellingen van het stabiliteitsbeleid moeten
worden versterkt .
Een gecoördineerd optreden op het gebied van het monetaire
beleid staat echter niet gelijk met een uniform beleid in alle
Lid-Staten . De problemen zijn immers in elk land anders , en
er zullen met name verschillende methoden moeten worden
Nr . L 385 / 52 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
aangewend om een eind te maken aan het ernstige gebrek aan
convergentie van het begrotingsbeleid en de daarmee samen
hangende divergenties die met betrekking tot de inflatiever
wachtingen zijn blijven bestaan . Ieder land moet , binnen de
grenzen van zijn mogelijkheden , zoeken naar de juiste
beleidsdosering zodat hij zich het best kan afstemmen op het
gemeenschappelijke doel van een duurzame , niet-inflatoire
en meer werkgelegenheidscheppende groei .
Bij de algemene oriëntatie van het monetair beleid van de
EMS-landen zal eveneens rekening moeten worden gehou
den met de ontwikkelingen buiten het EMS . Naarmate de
economische convergentie en de liberalisatie van de kapitaal
bewegingen groter zullen zijn , kan de stabiliteit van het EMS
door externe effecten minder worden bedreigd daar hun
relatieve betekenis afneemt in een geïntegreerde monetaire
zone . De kapitaalbewegingen tussen de EMS-zone en de
landen daarbuiten zullen een geringer gevaar inhouden voor
de stabiliteit van het EMS , omdat de deelnemende landen er
in gelijke mate mee te maken zullen krijgen . In dit opzicht is
de versterking van de rol van de Ecu van bijzondere
betekenis . In het geval van een vlucht uit de dollar zou een
dergelijke versterking het mogelijk maken dat een deel van
het kapitaal terugvloeit naar de Ecu , en niet geïnvesteerd
wordt in de Duitse mark , zoals dikwijls het geval is geweest .
Gelet op de onzekerheden met betrekking tot de toekomst
van de dollar , zou deze betere integratie van het Europees
beleid op monetair gebied en op het gebied van de wissel
koersen bijzonder gewenst zijn , en voor Europa bovendien
het voordeel hebben dat een onderling afgestemd optreden
word.t vergemakkelijkt met het oog op het opheffen van de
onevenwichtigheden in het internationale betalingsverkeer .
Het monetair beleid van de Gemeenschap zou zich moeten
richten op een passende financiering van de beschikbare reële
groeunarge alsmede op het behoud, en zo nodig , de verster
king van de resultaten die bij het streven naar een duurzame
vermindering van de inflatietrend zijn bereikt. Tot nog toe is
haar taak vergemakkelijkt door de externe ontwikkelingen .
De daling van de dollar, de inzakking van de aardolieprijzen
en de daling van de Amerikaanse rentevoeten hebben de
marge voor een verlaging van de Europese rentevoeten
vergroot, zonder gevaar voor een nieuwe inflatoire druk .
Indien de dollar duidelijk zal blijven dalen, zou het noodza
kelijk kunnen zijn tot een flexibel beheer van de Europese
rentevoeten te komen ten einde het hoofd te bieden aan de
gevaren van een nieuwe geprononceerde depreciatie van de
dollar met de ongunstige gevolgen die zulks op middelllange
termijn impliceert . Hierbij dient een nieuwe accumulatie van
inflatoir werkende factoren echter absoluut te worden
voorkomen. Gebleken is dat van het EMS een stabiliserende
werking uitgaat. De bij de convergentie en de liberalisatie van
het kapitaalverkeer geboekte vooruitgang heeft de behoefte
aan een nauwere coördinatie van het economisch beleid
zowel op nationaal niveau — tussen het monetair, budgettair
en inkomensbeleid — als tussen de Lid-Staten nog versterkt .
Het bij de schepping van een zone van monetaire stabiliteit
behaalde succes verzacht de weerslag van externe factoren en
vormt een belangrijke voorwaarde voor een verdere integra
tie van de Europese economieën .
TABEL 15
Minder snelle toeneming en convergentie van de groei van de liquiditeitenmassa
ui
1961 /
1969
1970 /
1977
1978 1979 1980 1981 1^82 1983 1984 1985 1986 198"
Gewogen gemiddelde : I I \
EUR 14,8 14,8 13.9 11,9 11,5 11,3 11,2 9,5 9,9 9 ," 7,4
EMS 11,7 14,0 13,8 12,9 9.7 8,7 9,5 10,2 8,4 7,7 6,9 5,6
Gemiddelde afwijking ten
opzichte van het
gemiddelde ( x ):
EUR 4,2 4,0
'
3.9 4,1 4,1 2J 3,6 3,0 4,4 4,2 2,6
EMS 2,1 3,4 4,2 4,0 3,4 2,5 2J 3,5 3,1 3,2 1,5 1,2
Gemiddelde afwijking ten
opzichte van de kh inste
grootheid ( 1 j :
EUR 6,5 10,2 9,0 6,6 7,3 4,8 5,8 5.5 5,0 4.4 3,8
EMS 4,8 5,2 9,2 8,1 4,4 4,4 3, 4,8 4,4 2,8 1,6 2,0
'' M Gewogen som van de absolute afwijkingen van een refereiuiegrootheid .
Bron : Diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 53
TABEL 16
Ontwikkeling van de rentevoeten
In % ;
1961 /
1969
1970 /
1977
1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986
Nominale rentevoeten l l
op korte termijn: i I
EUR-12 4,8 8,5 8,8 10,9 13,7 15,0 13,7 11,9 11,2 10,5 8,8
EMS 4,5 7,8 : 6,9 9,8 12,2 14,0 11,8 8,9 9,0 8,3 6,3
Verenigde Staten 4,1 5,7 ; 7,4 10,1 11,6 14,0 10,6 8,7 9,4 7,5 6,5
Japan — 8,0 5,1 5,8 10,7 7,4 6,8 6,5 6,3 6,5 5,3
Nominale rentevoeten l
op lange termijn : l I
EUR-12 6,5 9,8 10,3 11,2 13,0 15,1 14,3 12,7 12,0 10,8 9,0
EMS 6,3 9,2 ; 8,8 10,1 11,5 13,5 12,5 10,6 10,3 9,1 7,5
Verenigde Saten 4,6 6,5 7,9 8,7 10,8 12,9 12,2 10,8 12,0 10.8 8,1
Japan — 7,7 ; 6,3 8,3 8,9 8,4 8,3 7,8 7,3 6,5 5,2
Reële rentevoeten op langel I \ l
termijn (gecorrigeerd met hetI II
prijsindexcijfer van het II
BBP) H: I
EUR-12 2,4 - 0,3 0,1 0,4 0,1 4,2 3,7 4,4 5,7 4,8 2,6
EMS 2,3 0,4 j 0,6 1,3 0,8 3,5 2,1 2,7 4,5 4,1 2,1
Verenigde Staten 1,6 0,3 ! 0,5 0,2 1,2 4,0 5,3 7,7 8,2 7,0 3,9
Japan — - 1 ,0 ! 1,7 5,7 6,1 5,7 6,6 7,1 6 ,7 5,2 3,9
{') Bij de definitie van reële rentevoeten doen zich methodologische problemen voor . Deze worden nog groter wanneer grotere wijzigingen van de ruilvoet , zoals bij
voorbeeld in 1 986 , de meting van de interne prijzen ten opzichte v an de inflatietrend ( al naar indicatoren , opwaarts of neerwaarts ) beïnvloeden . Een verbetering
van de ruilvoet tendeert naar een stijging van de prijzen van het BBP .
Bron : Diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 54 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
GRAFIEK 20
Kapitaalrendement en rentevoeten in de Gemeenschap
Index 1960 = 100
(') Netto-exploitatieoverschot van bedrijven (exclusief woningen ) als aandeel van de kapitaalvoorraad ( EUR-4 ) ( index 100 =
1960i .
(-') Rendement op overheidsleningen na deflatie met het prijsindexcijfer van het BBP .
Bron : Diensten van de Commissie .
4.2 . Begrotingsoeleid
4.2.1 . Begrotingstekorten, overheidsschuld, groei en werk
gelegenheid
De groeiperspectieven in de Gemeenschap kunnen worden
verbeterd door een grotere evenwichtigheid van de over
heidsbegrotingen van de Lid-Staten . De vermindering van de
begrotingstekorten verliep over het geheel in 1986 iets sneller
dan in het voorafgaande jaar . Voor de gehele Gemeenschap
( EUR-12 ) is het netto-financieringstekort van 5,1 % van het
BBP in 1985 gedaald tot 4,7% in 1986 , terwijl deze
vermindering in 1985 slechts drie tiende procentpunt had
bedragen ( tabellen 17 en 18 ). De vermindering van het
netto-financieringstekort was het grootst in bepaalde landen
met een zeer hoog tekort (Griekenland en Italië ) alsmede in
Denemarken , waar de begroting in 1986 een overschot zal
vertonen . In 1987 zullen de tekorten verder kunnen worden
verminderd .
In talrijke landen zijn deze tekortreducties echter niet
voldoende om de stabilisatie mogelijk te maken en nog
minder om de verhouding van het overheidstekort tot het
BBP te verbeteren . Voor de jaren 1986 en 1987 te zamen zal
de overheidsschuld , uitgedrukt in een percentage van het BBP
in de helft van de Lid-Staten van de Gemeenschap (België ,
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 55
Spanje , Ierland , Italië , Nederland en Portugal - tabel 19 )
namelijk met 4 procentpunten toenemen . Deze ontwikkeling
moet worden toegeschreven aan de aanhoudend hoge begro
tingstekorten . In verschillende landen is de rentelast min of
meer even hoog als het totale tekort . In drie landen ,
Duitsland , Luxemburg en vooral in Denemarken , wordt
daarentegen een daling van het relatieve niveau van de
overheidsschuld verwacht .
De begrotingstekorten die tot uiting komen in een hoge
overheidsschuld hebben , macro-economisch gezien , twee
belangrijke gevolgen . In de eerste plaats zullen de economi
sche subjecten alleen bereid zijn een toenemend aandeel van
hun activa te beleggen in overheidsleningen indien als
tegenprestatie steeds hogere reële rentevoeten worden gebo
den . Voorts doen dergelijke begrotingstekorten de gevaren
voor een inflatoire vergroting van de geldschepping stijgen ,
hetgeen tot een met een risicopremie gelijk te stellen verdere
toeneming van de reële rentevoeten leidt . Wegens het hoge
niveau van de reële rentevoeten worden de particuliere
investeringen als het ware weggedrukt , met de negatieve
gevolgen daarvan voor de groei op middellange termijn .
Bij een hoog niveau van overheidstekort en overheidsschuld
hebben de negatieve effecten daarvan op middellange termijn
de overhand en zouden de gevolgen van een vermindering
alleen maar gunstig kunnen zijn . Wellicht overheersen op
korte termijn de negatieve gevolgen van deze aanpassing voor
de vraag wanneer initieel gevaar bestaat voor financiële
instabiliteit , doch dit zal van voorbijgaande aard zijn . De
Deense ervaring van de afgelopen jaren is hier een voorbeeld
van .
Daarentegen winnen , wanneer het gevaar voor financiële
instabiliteit beperkt is en de verhouding van de overheids
schuld tot het BBP reeds daalt , de negatieve aspecten van de
budgettaire besnoeiing voor de vraag aan betekenis . Indien in
dit geval tot belastingverlaging wordt overgegaan en andere
maatregelen ter bevordering van het aanbod worden geno
men , kan de initiële verslechtering van het begrotingssaldo
althans ten dele vrij snel worden gecompenseerd .
Dientengevolge zou , te oordelen naar het niveau van de
overheidsschuld en het tempo waarmee deze in de afgelopen
jaren is gestegen , een aanzienlijke vermindering van het
begrotingstekort uitgedrukt in procent van het BBP een
prioritaire doelstelling moeten blijven in België , Spanje ,
Griekenland , Ierland , Italië en Portugal . Overtuigende maat
regelen voor een sanering van de begroting op middellange
termijn zouden te zamen met een daadwerkelijke monetaire
stabilisatie een sterke vermindering van de nominale en de
reële rentevoeten mogelijk maken , zodat de beperking van de
essentiële begrotingsuitgaven tot het noodzakelijk minimum
kan worden beperkt .
Hoewel de vermindering van de begrotingstekorten onbe
twistbaar een prioriteit vormt voor bijna de helft van de
Lid-Stater., vormt zij geen doelstelling op zich , wanneer de
overheidsfinanciën voldoende gezond zijn . Een bepaalde
mate van overheidsschuld ten opzichte van het BBP is
namelijk verenigbaar met het financieel evenwicht op mid
dellange termijn van een economie , en uit op het aanbod
georiënteerde normatieve begrotingsbeginselen zoals die van
de Raad van Economische Deskundigen in Duitsland blijkt
bij voorbeeld dat een bepaalde jaarlijkse toeneming van de
overheidsschuld gerechtvaardigd is . De Raad van Deskundi
gen waardeert voor Duitsland deze „gerechtvaardigde" toe
neming aan de hand van de definitie van „overheidsfinan
ciën" op 1,5% van het produktiepotentieel .
Bij de keuze van een begrotingsstrategie moet steeds rekening
worden gehouden met aanbod en vraag . Onder de huidige
omstandigheden bestaan er goede redenen om te kiezen voor
een versterking van zowel het aanbod als van de vraag . De
voornaamste Lid-Staten die hun overheidsschuld vrijwel
hebben gestabiliseerd zijn Duitsland , Frankrijk en het Ver
enigd Koninkrijk . In Duitsland kan zelfs een verlichting van
de druk van de overheidsschuld vastgesteld worden . In
Frankrijk is de bestaande ruimte reeds aangewend . Voor
1987 zijn reeds aanzienlijke belastingverlagingen voorzien
en voor 1988 zijn verdere verlagingen aangekondigd , terwijl
het tekort in beide jaren wordt verminderd . Naarmate de
expansie in het buitenland en vooral in de Gemeenschap
sterker is , wordt het begrotingsbeleid in Frankrijk vergemak
kelijkt . In het Verenigd Koninkrijk heeft de regering in haar
verklaring van afgelopen herfst voorzien in een verhoging
van de openbare uitgaven van ongeveer 4,75 miljard pond in
1987 / 1988 . Dit brengt met zich dat de voor 1987 / 1988
voorziene openbare uitgaven in reële termen ongeveer 2%
hoger zullen liggen dan het geraamde resultaat van 1986 /
1987 . Indien aldus de Gemeenschapsstrategie door zijn
toepassing de grondslag zou worden van de economische
actie voor de gehele Gemeenschap , zouden enige van deze
drie landen een nieuwe combinatie van belastingverlaging en
overheidsinvesteringen kunnen overwegen , die per land
kunnen verschillen . Op redelijke termijn kan worden gere
kend met een gedeeltelijke compensatie door extra inkom
sten en door de vermindering van de crisisuitgaven waartoe
een sterkere groei zou leiden .
De begrotingspolitiek moet een hoofdrol spelen bij de
tenuitvoerlegging van de Samenwerkingsstrategie . De conso
lidatie van de begrotingstekorten en van de overheidsschuld
moet een prioritaire doelstelling blijven voor bijna de helft
van de Lid-Staten van de Gemeenschap . De andere Lid-Sta
ten die te zamen ongeveer twee derde deel van het BBP van de
Gemeenschap vertegenwoordigen, hebben aanvaardbare
tekorten en beschikken over een zekere marge voor recht
streekse groeiondersteunende begrotingsmaatregelen . Deze
landen zouden thans een snellere en meer gecoördineerde
uitvoering van budgettaire acties ter versterking van aanbod
en vraag moeten overwegen . De vergroting van de bedrijvig
heid in deze landen zal de andere Lid-Staten in staat stellen
eveneens de doelstellingen van de begrotingssanering te
bereiken bij een hoger niveau van bedrijvigheid en werkge
legenheid.
4.2.2 . Overheidsuitgaven, belastingen, groei en werk
gelegenheid
Het begrip van de budgettaire „beleidsmarge" wordt soms
teveel in verband gebracht met het ongetwijfeld belangrijke ,
doch niettemin partiële , aspect van de begrotingstekorten .
Nr . L 385 / 56 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Wanneer een strategie voor meer groei op middellange
termijn moet worden vastgesteld , zijn peil en structuur van
belastingen en overheidsuitgaven nog belangrijker elemen
ten . Op deze beide gebieden beschikken alle landen van de
Gemeenschap inderdaad over een zeer ruime „beleidsmarge"
om in de gewenste zin beleidsmaatregelen te nemen die op
significante wijze kunnen bijdragen tot de verhoging van de
groeivoet op middellange termijn van de produktie , de
investeringen , cle besparingen en de werkgelegenheid . Een
belangrijk punt van de maatschappelijke dialoog is de
totstandbrenging van een bredere consensus over de wijze ,
waarop kan worden bijgedragen tot de verwezenlijking van
doelstellingen van de Samenwerkingsstrategie door een
beïnvloeding van niveau en structuur van de overheidsuitga
ven en de belastingen .
Niveau en structuur van de overheidsuitgaven . Een onder
verdeling naar drie grote categorieën van overheidsuitgaven
kan dienstig zijn .
i ) De eerste categorie omvat de infrastructuurinvesteringen
en bepaalde andere investeringen, met name op het gebied
van onderzoek en ontwikkeling en onderwijs . Deze investe
ringen , in ruimere zin , kunnen ten dele worden gefinancierd
door de particuliere sector . Mits deze investeringsprogram
ma's doeltreffend worden beheerd en daarbij criteria van een
hoge of voldoende maatschappelijke rentabiliteit worden
gehanteerd , is er geen enkele reden om deze uitgavenposten te
verminderen . Het is voor een dynamische economie normaal
dat een aanzienlijk gedeelte van haar middelen besteed wordt
aan investeringen van dit type , met hoge of voldoende
rentabiliteitspercentages . De programma's voor overheidsin
vesteringen zijn door de begrotingsbeperkingen meer dan
proportioneel besnoeid en van 1975 tot 1985 teruggebracht
van 4 tot 2,5 % van het BBP . Mits efficiency-criteria worden
gehanteerd , zouden deze programma's thans over verschil
lende jaren kunnen worden ontwikkeld in het kader van de
Samenwerkingsstrategie .
Een programma van grote infrastructuurwerken met inbe
grip van projecten van communautair belang , zoals uiteen
gezet in het economisch jaarverslag van het voorafgaande
jaar , kan een goed onderdeel vormen van deze strategie .
Dergelijke projecten van Europees belang zouden kunnen
worden ondernomen door en gefinancierd onder verant
woordelijkheid van de particuliere sector . Het gaat hier met
name om de volgende projecten :
— de opzet van een grensoverschrijdend telecommunicatie
net ( circa 3 miljard Ecu );
— drie verbindingsnetten - over de weg , per spoor en over
de binnenwateren ( 20 a 25 miljard Ecu );
— de verbinding Parijs-Brussel-Keulen met supersnelle trei
nen (3 miljard Ecu );
— de vaste verbinding onder het Kanaal (4 miljard Ecu ).
In totaal kan op middellange termijn worden gedacht aan een
over vijf a zeven jaar te verdelen investeringsvolume van 30 a
35 miljard Ecu . Bovendien kunnen op langere termijn andere
projecten worden verwezenlijkt : autowegverbinding met de
Scandinavische landen via Denemarken en de zeestraten van
de Oostzee , verbinding Venetië-München , getij-installaties
op de Severn , een brug over de Straat van Messina , enz .
Dergelijke projecten zouden eveneens mogelijkheden schep
pen voor nationale openbare investeringen op infrastructuur
gebied . Bovendien bestaan er in de meeste landen investe
ringsmogelijkheden op terreinen als de stadsvernieuwing en
milieubescherming (waterzuivering , enz .). In bepaalde
regio 's , met name in de nieuwe Lid-Staten , moet de infra
structuur dringend worden verbeterd . Over het geheel
genomen is er derhalve geen gebrek aan investeringsprojecten
met een voldoende maatschappelijke rentabiliteit . Vooruit
gang bij de bevordering van deze projecten zou in aanzien
lijke mate en op nuttige wijze bijdragen tot groei en
werkgelegenheid .
Gezien de nauwe relaties tussen groei , werkgelegenheid en
technologie hebben de meeste overheden de betekenis van
een dynamisch onderzoek- en ontwikkelingsbeleid voor een
krachtiger economische groei erkend . In deze dient met name
te worden gewezen op de tendens tot het geven van prioriteit
aan de onderzoekwerkzaamheden met betrekking tot
geavanceerde technologieën ten einde de innovatie en een
betere aansluiting van basisonderzoek en industrie steeds
meer te bevorderen . De Europese successen bij ondernemin
gen als Airbus , Ariane , Jet , Esprit en Brite benadrukken de
waarde en de doeltreffendheid van het O & O-potentieel van
Europa . Bovendien zijn zij een voorbeeld van de verschillen
de financieringsmogelijkheden via Europese programma's en
een financiële deelneming van het preconcurrentieel indus
trieel onderzoek . De Gemeenschap heeft kaderpro
gramma's opgesteld om een grotere efficiency van de com
munautaire onderzoekprogramma's te bewerkstelligen . Bo
vendien moet worden gewezen op het Eureka-initiatief
waarin het streven van de regeringen tot uiting komt nieuwe
samenwerkingsmogelijkheden op financieel en economisch
gebied op het vlak van de Europese industriële samenwerking
te vinden .
Naast de infrastructuurinvesteringen dient de staat een
wezenlijke rol te spelen bij de verbetering van het menselijk
potentieel door een beroepsopleiding en voortgezette oplei
ding . Ook daar zou een nauwe samenwerking tussen de
overheden en de betrokken partijen het mogelijk moeten
maken de passende financieringsvormen te vinden , rekening
houdend met de mogelijkheden en voordelen die een ieder
door een betere beroepsbekwaamheid worden geboden ( zie
ook punt 4.3.2 ).
ii ) Een tweede categorie is die van de gangbare openbare
diensten , zoals gezondheidszorg en pensioenverzekering. Uit
maatschappelijk oogpunt is een hoge mate van spreiding van
deze diensten gewenst . Grote beheersproblemen doen zich
inderdaad voor en er moet — economisch gesproken — een
redelijke discipline gehandhaafd worden , gelet op de omstan
digheid dat de verzoeken om uitbreiding van deze program
ma's de economische capaciteit te boven kunnen gaan . Bij de
organisatie van deze programma's vormt de verdeling tussen
de openbare en de particuliere sector eveneens een belangrijk
vraagstuk , zowel om redenen van beheersefficiency als van
sociale rechtvaardigheid . De mogelijkheid van een gedeelte
lijke privatisering van gezondheids- en bejaardenzorg moet
echter met uiterste voorzichtigheid worden bestudeerd . Met
name dient te worden aangetekend dat de overdracht van
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 57
deze sociale lasten aan particuliere verzekeringsstelsels de
kosten daarvan niet noodzakelijkerwijze doet verminderen .
Zo zou de vermindering van de sociale lasten gecompenseerd
kunnen worden door hogere sociale zekerheidsbijdragen , die
zouden worden uitgekeerd aan particuliere organismen en op
dezelfde wijze worden geïnd door de werkgevers . De weer
slag op de totale loonkosten en op de looneisen zou derhalve
niet zeer significant zijn . Per slot van rekening moeten deze
programma's op redelijk economische wijze worden
beheerd , doch mogen zij niet worden ontmanteld .
iii ) Een derde categorie is die van de sociale uitkeringen die
worden betaald wegens de slechte werking van het econo
misch stelsel . De werkloosheidsuitkeringen zijn hier het beste
voorbeeld van , althans boven een bepaald minimum werk
loosheidspeil . Deze categorie „voorkoombare" overheidsuit
gaven is in feite echter veel groter , omdat zij eveneens de
aanvullende gezinsbijslagen ten behoeve van werklozen , de
omvangrijke programma's voor vervroegde pensionering en ,
in talrijke landen , de invaliditeitspensioensprogramma's
omvatten die zijn uitgebreid tot personen die in het geheel
niet of slechts licht arbeidsongeschikt zijn . Het totaal van
deze „voorkoombare" overheidsuitgaven is in de afgelopen
vijftien jaar in de Gemeenschap met gemiddeld ten minste
5 % van het BBP toegenomen . In termen van een verzwaring
van de sociale lasten vertegenwoordigen deze posten onge
veer 10% van de loonkosten , hetgeen kennelijk enorm is in
het licht van de discussie over het economisch gerechtvaar
digde niveau van de arbeidskosten .
De tenuitvoerlegging van de Samenwerkingsstrategie zou het
mogelijk moeten maken de deugdelijkheid van dergelijke
programma's te heroverwegen , naarmate de werkgelegen
heidsvooruitzichten verbeteren . Zo zouden — met eerbiedi
ging van de verkregen rechten van personen die reeds
vervroegd zijn gepensioneerd — in het kader van een beleid
dat beoogt de deelnemingsgraad van de bevolking die binnen
de produktieve leeftijdsgroep valt te verhogen en de werk
loosheid weg te werken — de criteria kunnen worden
heroverwogen , die gelden bij het in aanmerking komen voor
bepaalde speciale vervroegde uittredingsprogramma's . Der
gelijke initiatieven zijn in talrijke landen in studie , zoals Italië
en Nederland , waar vervroegde uittredingsprogramma 's ten
behoeve van personen in de produktieve leeftijdsgroep zijn
uitgebreid tot meer dan 10 % van de beroepsbevolking . Ook
in andere landen hebben soortgelijke uitgaven tot een
toeneming van de sociale heffingen geleid , die heeft bijgedra
gen tot een afremming van de werkgelegenheid . Een vermin
dering van de overheidsuitgaven en sociale heffingen in deze
zin zou derhalve een integrerend deel kunnen vormen van een
nieuwe „heilzame cirkel " van schepping van arbeidsplaatsen
en vermindering van belastingen . Overigens kan een grotere
doeltreffendheid van deze sociale uitgaven worden bereikt
indien zij strekken tot verruiming van de arbeidsmogelijkhe
den voor degenen voor wie dergelijke programma's zijn
bestemd .
Mogelijkheden voor belastingherziening . De hoofddoelstel
lingen van het economisch beleid ten behoeve van een
herziening van niveaus en structuur van de belastingheffing
liggen op de vier volgende terreinen : a ) de vraag naar arbeid ,
b ) het aanbod van arbeid , c ) het niveau van de besparingen en
derhalve van de accumulatie van kapitaal en d ) de doeltref
fende bestemming van de middelen .
Belastingheffing, loonkosten en vraag naar arbeid. Het is
waarschijnlijk dat een groot deel van de door de werknemers
gedragen fiscale en sociale lasten doorwerkt in de loonko
sten , waardoor deze kunnen worden verhoogd . Daar een
dergelijke ontwikkeling in het algemeen tendeert tot afrem
ming van de vraag naar arbeid bij de bedrijven , zal de
werkgelegenheid in de particuliere sector worden ontmoe
digd en zal de economische groei verzwakken , zodat maat
regelen ter vermindering van de bovengenoemde sociale en
fiscale lasten van belang zijn .
Belastingheffing en arbeidsaanbod. Hoge marginale belas
tingtarieven kunnen de bereidheid tot arbeid afremmen en
daardoor de grondslagen van de economische groei verzwak
ken .
Belastingheffing, beschikbaar inkomen en gezinsbesparin
gen . Ook andere factoren hebben indirecte gevolgen voor de
werkgelegenheid door ontmoediging van de besparingen en
derhalve van de accumulatie van kapitaal . Een zwaardere
belastingheffing op de gezinsinkomens verminden het
beschikbaar inkomen daarvan en hun besparingen . Indien de
staat een groter gedeelte van zijn ontvangsten , na overdrach
ten , consumptief aanwendt dan de gezinnen , neemt de
nationale spaarquote af .
Belastingheffing en bestemming van de middelen . Indien
voor talrijke inkomens- of uitgavencategorieën belasting
vrijstellingen gelden , zullen zich distorsies voordoen bij de
bestemming van de middelen , waarvan de gemiddelde
produktiviteit zal verminderen . In dit geval zullen de in het
algemeen van toepassing zijnde belastingtarieven hoger
moeten zijn , hetgeen , zoals gezien , negatieve gevolgen zal
hebben voor de arbeidsbereidheid , de werkgelegenheid , de
besparingen en de investeringen . Uit dien hoofde moet
worden nagegaan of elke bestaande belastingvrijstelling nog
economisch of sociaal geheel gerechtvaardigd is , rekening
houdend met het feit dat de afschaffing ervan het mogelijk
zou maken de belastinggrondslag uit te breiden en de tarieven
van het gemeenschappelijk stelsel naar evenredigheid te
verlagen . Deze redenen hebben ten grondslag gelegen aan de
recente verlaging van tarieven en vrijstellingen van de
inkomstenbelasting in de Verenigde Staten .
In de Gemeenschap dienen nog verschillende plannen voor
belastingherzieningen te worden genoemd .
In talrijke landen worden thans de niveaus van vennoot
schapsbelasting verminderd (Verenigd Koninkrijk , Frank
rijk , Nederland , België en Luxemburg), met gedeeltelijke
compensering van deze verlaging door een vermindering van
de afschrijvingsmogelijkheden . Bepaalde landen zijn voorne
mens andere ondernemingsbelastingen te verminderen of op
te heffen , die niet op de winsten geheven worden , zoals de
belasting op het maatschappelijk kapitaal in Duitsland , de
beroepsbelasting in Frankrijk en de handelsbelasting in
Duitsland .
Wat de belasting op het inkomen van natuurlijke personen
betreft zijn Frankrijk , Duitsland en het Verenigd Koninkrijk
overgegaan tot een geleidelijke vermindering van de hoge
Nr . L 385 / 58 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
marginale tarieven , die ten dele gefinancierd wordt door een
uitbreiding van de belastinggrondslag ( Verenigd Koninkrijk )
en ten dele door algemene budgettaire besparingen . In
Frankrijk , Duitsland en het Verenigd Koninkrijk vormen
nieuwe verminderingen van de inkomstenbelasting een der
voornaamste doelstellingen van de overheid in de komende
jaren .
Bij de daling van de prijzen van aardolieprodukten hebben
talrijke landen de verbruiksbelastingen op aardolie ver
hoogd , dikwijls ten einde hun tekort te verminderen (Dene
marken , Spanje , Griekenland , Italië , Ierland en Portugal ).
De voorstellen van de Commissie op het gebied van de
harmonisatie van de wetgevingen inzake indirecte belastin
gen zouden eveneens tot een wijziging van de structuur van de
verplichte heffingen in bepaalde landen kunnen leiden .
Specifieke maatregelen met betrekking tot niveau en struc
tuur van de overheidsuitgaven en de belastingen zouden sterk
kunnen bijdragen tot de tenuitvoerlegging van de Samen
werkingsstrategie . Overheidsinvesteringen met een voldoen
de sociaal rendement zouden thans kunnen worden vergroot,
hetgeen eveneens ten goede zou komen aan de ontwikkeling
van het produktiepotentieel en de particuliere investeringen .
De sociale heffingen zouden op middellange termijn moeten
worden verminderd. De verbetering van groei en werkgele
genheid kan met de daaruit resulterende toeneming van de
overheidsontvangsten en besparingen bij de overdrachtsuit
gaven een „ heilzame cirkel" scheppen . Bij de belastingher
vormingen zou men zich eveneens moeten richten op de
vermindering van de tarieven van de inkomstenbelasting, op
de wijziging van de structuur van de belastingheffing in een
voor de werkgelegenheid gunstiger zin en op de bevordering
van het nader tot elkaar brengen van de indirecte belastingen
in de Gemeenschap .
IABLI ! 7
Ontvangsten en uitgaven van de overheid ('), EUR- 12
I In miljard KKS In % van het BBP Mutaties in %
1985 1986 ( 2 ) 1984 1985 1986 !-) 1987 ( 2 ) 1985 1986 ( 2 ) 198"
Indirecte belastingen 517,3 568,3 13,5 13,3 13,4 13,5 7,4 9,9 6,8
Directe belastingen 497,0 526,9 12,7 12,8 12,5 12,4 9,7 6,0 6,2
Ontvangen sociale-zekerheidsbijdragen 589;1 631,8 15,2 15,2 14,9 14,9 8,1 7,2 6,1
Totaal belastingen en sociale-zeker
heidsbijdragen 1 603,4 1 727,0 41,3 41,3 40,8 40,8 8,4 7,7 6,3
Andere lopende ont \ angsten 148,4 152,4 3,7 3,8 3,6 3,3 12,3 2,7 - 3,3
Totaal lopende ontvangsten 1 751,8 1 879,4 45.0 45,1 44,4 44,1 8,7 7,3 5,6
Lopende overdrachten op kasbasis 877,8 933,4 22,8 22,6 22,1 21,7 7,5 6,3 4,4
Effectieve renten op kasbasis 198,7 217,1 4,9 5,1 5,1 5,0 12,3 9,3 2,7 '
Overheidsconsumptie 722,6 770,1 18,8 18,6 18,2 18,0 7,6 6,6 5,1
Totaal lopende bestedingen 1 799,0 1 920,7 46,5 46,3 45,4 44,6 8,1 6,8 4,5
Brutobesparingen - 47,3 - 41,2 - 1,5 - 1,2 - 1,0 - 0,5 — — —
Netto-kapitaaloverdrachten 45,5 41,5 1,1 1 ,2 1,0 0,9 17,1' - 8,8 - 4,5
Bruto-investeringen in vaste activa 107,3 114,8 2,8 2,8 2,7 2,7 7,7 7,0 6,0
Financieringscapaciteit ( + )
of - tekort ( - ) - 200,0 - 197,5 - 5,4 - 5,1 - 4,7 - 4,1 —
p.m .: nominaal BBP 3 882,2 4 225,8 100,0 100,0 100,0 100,0 8,6 8,9 6,4
('f Definitie van nationale rekeningen , met uitzondering van leningen , voorschotten en deelneming.
( 2 ; Vooruitzichten .
Bron: Diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 59
TABEL 18
Financieringstekort ( - ) of -capaciteit ( + ) van de overheid
(In % van het BBP
1970 1973 1981 1982 1983 1984 1985 (') 1986 (>} 1987 (')
België - 2 2 - 3,3 - 12,6 - 11.1 - 11,7 - 9,5 - 8,4 - 8,0 - 6,2
Denemarken 4,1 5,2 - ~,1 - 9,3 - 7,3 - 4,2 - 1,9 2,8 2,8
Duitsland 0,2 1,2 - 3,9 - 3,4 - 2,5 - J '9 - 1,1 - 0,9 - 0,7
Griekenland — — - 10,6 - 9,4 - 8,9 - 10,1 - 13,9 - 10,6 - 7,1
Spanje 0,7 1,1 - 3,0 - 5,8 - 5,4 - 5,0 ; - 6,2 - 4,9 - 4,4
Frankrijk 0,9 0,9 - 1,8 - 2,5 - 3,2 - 2,9 - 2,6 - 2,9 - 2,6
Ierland — — - 15,8 - 14,2 - 11,8 - 9,8 - 11,6 - 10,7 - 9,9
Italië - 3,5 - 7,0 - 11,7 - 12,7 - 12,4 - 13,0 - 14,0 ' - 12,7 - 11,0
Luxemburg 2,7 3,3 - 2,3 - 1,3 - 0,8 1,5 4,1 3,7 2,6
Nederland - 1,2 1,0 - 5,2 - 7,1 - 6,5 - 6,2 - 5,1 - 5,5 - 6,6
Portugal — — - 10,1 - 8,8 - 7,1 - 7,7 - 11,2 - 8,0 - 7,5
Verenigd
Koninkrijk 3,0 - 2,7 - 2,7 - 2,4 - 3,7 - 3,9 - 2,8 - 2,9 - 2,5
EUR-12 0,3 P) 1,0 ( 2) - 5,4 - 5,6 - 5,5 - 5,4 - 5,1 - 4,7 - 4,1
( 1 ) Ramingen en economische vooruitzichten van de diensten van de Commissie ( oktober 1986 ).
• 2 ) Met uitzondering van Griekenland , Ierland en Portugal .
TABEL 19
Overheidsschuld ( 2 )
fin % van het BBP
1973 1981 1982
■
1983 1984 1985 ''} 1986 (') 1987 (')
België ( 3 ) 63,2 88,1 96,1 105,1 111,6 118,3 121,9 125,6
Denemarken 5,0 43,6 52,7 62,7 67,6 66,3 62,1 57,6
Duitsland 18,6 36,4 39,5 41,7 42.0 42,7 41,9 41,7
Griekenland (") — 33,0 36,7 41,4 49.9 56,8 58.4 61,2
Spanje — 21,0 26,2 32,1 39.3 46,3 48,8 52,5
Frankrijk 25,1 26,0 29,1 30 ,/ 29,3 31,8 34,0 35,0
Ierland ( 4 ) 65,5 89,8 96,6 107,7 113,6 115,7 119,1 124,8
Italië 62,5 73,2 80,0 87,6 94,5 103,0 106,3 108,1
Luxemburg 20,5 14,0 14,4 14,8 14,8 14,5 13.8 12,8
Nederland ( ) 43,4 50,3 55,6 62,3 67,0 70,6 76,3 82,9
Portugal — 59,0 62,2 70,9 75.7 81,2 81,5 85,2
Verenigd
Koninkrijk (') 63,3 51,1 57,7 | 57,4 58,7 56,9 57,9 58,0
EUR-12 40 ,3 ( 6 ) 45,0 49,8 53,5 56,0 58,9 60,3 61,8
(') Ramingen en vooruitzichten van de diensten van de Commissie op basis van de economische begrotingen \ an oktober
1986 .
( 2 ) Totale overheid exclusief België , Griekenland , Ierland en Nederland .
( 3 ) Totale overheid exclusief diensten voor sociale zekerheid .
( 4 ) Cenrale overheid .
( 5 ) Nominale schuldpositie .
( 6 ) Exclusief Griekenland , Spanje en Portugal .
Bron : Eurostdt en diensten van de Commissie .
Nr . L 385 / 60 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 20
Ontwikkeling van de sociale-zekerheidsuitgaven van de overheid
fin % van het BBPi
I België Denemarken Duitsland Frankrijk' Ierland Italië Luxemburg Nederland VerenigdKoninkrijk EUR-8 (')
1970 :
Ziekte
Invaliditeit + arbeidsongevallen
Pensioenen
Moederschap + gezin
Werkloosheid
Andere
3,8
2,2
7,1
3,5
0,6
0,0
5,6
2,7
6,9
2,7
0,4
0,1
5,7
2,6
9,4
2,1
0,1
0,3
4,9
1,8
7,5
3,1
0,3
0,0
4,1
1,3
4,6
2,3
0,4
0,1
—
2.7
2,9
7.8
1,8
0,0
0,0
5,7
3,1
7,7
2,6
0,6
0,8
3,9
1,2
6,7
1,5
0,3
0,1
5.0
2.1
7,9
2,3
0,3
0,2
Totaal 17,4 19,0 20,7 18,2 13,3 — 15,4 19,0 13,8 18,0
1 983 :
Ziekte
Invaliditeit + arbeidsongevallen
Pensioenen
Moederschap + gezin
Werkloosheid
Andere
6,5
3,3
11,5
3,0
4,2
0,5
7,1
2,6
10,4
3 ,1
4,1
1,1
7,5
3,1
12,1
2,0
2,0
0,6
6,8
2,3
11,2
3,1
2,7
0,2
8,4
7,4
3,1
5,7
5,4
11,5
2,0
0,8
0,0
11,1
12,0
1,2
0,0
0,8
8,4
6,4
10,3
2,7
4,2
0,0
4.7
2,2
9,8
2,8
2,3
0,3
6,7
2,9
11,1
2,6
2,5
0,4
Totaal 29,5 30,1 27,8 27,4 23,2 25,5 25,5 32,7 23,1 27,0
Groei 1970 tot en met 1983 :
Ziekte
Invaliditeit + arbeidsongevallen
Pensioenen
Moederschap + ge / in
Werkloosheid
Andere
2,7
1,1
4,4
- 0,5
3,6
0,5
1,5
- 0,1
3,5
0,4
3,7
1,0
1,8
0,5
2,7
- 0,1
1,9
0,3
1,9
0,5
3,7
0,0
2,4
0,2
4,3
2,8
3,0
8,4
4,2
- 0,6
0,0
0,8
2,7
3,3
2,6
0,1
3,6
- 0,8
0,8
1,0
3,1
1,3
2,0
0,2
1,7
0,8
3,1
0,2
2,3
0,2
Totaal 12,1 11,1 7,1 9,2 9,9 — 10,1 13,7 9,3 9,0
(') Exclusief Italië .
Bron : Eurostat , „Europees Stelsel van de statistieken van de sociale zekerheid ".
NB : De cijfers zijn nier vergelijkbaar aangezien de uitkeringen van uiteenlopende aard zijn . Het relatief gewicht van de openbare en particuliere sector bij bepaalde
uitgavenposten (gezondheidszorg , pensioenvoorzieningen ) loopt van land tot land aanzienlijk uiteen .
4.3 . Lonen en arbeidsmarkt
4.3.1 . Inkomens en loonkosten
De Samenwerkingsstrategie stelt voor dat de sociale partners
tot een overeenkomst komen over een ontwikkeling van de
loonkosten die samengaat met een belangrijke toename van
de werkgelegenheid . Het scenario van de Samenwerkings
strategie voorzier voor de periode 1986—1990 in een
gematigde stijging van de reële lonen van 1,1% per jaar ,
waarbij voor „lonen" een definitie wordt gehanteerd die
ongeveer dezelfde is als die welke in het algemeen tijdens de
loononderhandelingen wordt gebruikt , namelijk de lonen
zonder de sociale lasten van de werkgever . Naast het effect
van deze matige stijging komt dat van een zekere verlaging
van de sociale bijdragen van de werknemer . In de genoemde
periode zou de gemiddelde produktiviteitsverhoging per
hoofd 2,3 % bedragen . Dank zij een evenredige verlaging van
de sociale lasten van de werknemers en de directe belastingen
alsmede de veranderingen van de ruilvoet zou de koopkracht
van het nettoloon in de periode 1986—1990 gemiddeld iets
sneller kunnen stijgen .
Deze ontwikkeling van de totale loonkosten en de totale
netto-looninkomens verdient de instemming van zowel de
werkgevers als de werknemers , want zij zal leiden tot veel
betere resultaten op het gebied van de werkgelegenheid en
een rentabiliteitsverbetering in het bedrijfsleven , alsook tot
een matige reële loonsverhoging voor de werknemers .
Sedert het begin van de jaren tachtig zijn in alle landen
vorderingen gemaakt bij de matiging van de reële loonstij
gingen in verhouding tot de produktiviteitsverhogingen . De
winsten zijn daardoor verbeterd . De resultaten verschilden in
de jaren 1981—1985 echter sterk van Lid-Staat tot Lid-Staat
( zie tabel 21 ).
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 61
van een bevredigende reële loonontwikkeling . De inspannin
gen die de laatste jaren zijn gedaan om de indexeringsme
chanismen te versoepelen zouden eveneens moeten worden
voortgezet . Het huidige klimaat van stabiliteit zal dat
ongetwijfeld vergemakkelijken .
In 1986 zal echter een meer convergente ontwikkeling
worden bereikt . De verbetering van de ruilvoet heeft landen
als België , Frankrijk en Italië , die tot in 1985 minder
vooruitgang hebben geboekt , in staat gesteld dit jaar een
belangrijke verbetering van de rentabiliteit in het bedrijfsle
ven te verwezenlijken . Voor België kan dit verklaard worden
door het bestaan van vrij starre indexeringsmechanismen ,
waardoor de vermindering van de inflatie automatisch haar
terugslag heeft op de nominale lonen . In Frankrijk is in het
kader van de contractuele loonpolitiek , die een aanpassing
vooraf van de nominale lonen aan het streefcijfer inzake
prijsstijgingen beoogt , rekening gehouden met de verminde
ring van de inflatie , die sneller verliep dan verwacht was .
Ook moet in ieder land een zekere soepelheid in de loonvor
ming op regionaal vlak in acht worden genomen . De
toegenomen sociale en economische cohesie in de Gemeen
schap maakt het noodzakelijk dat de regionale werkloos
heidspercentages convergeren naar een lager niveau zonder
een ontvolking van de armste regio's .
Tot de verwezenlijking van dit doel kan en moet worden
bijgedragen door overdrachten van middelen door de
Lid-Staten of de Gemeenschap . Deze kunnen echter slechts
echt doeltreffend zijn als zij worden aangevuld met particu
lier kapitaal dat door een rentabiliteit wordt aangetrokken
die ten minste even hoog is als in de meer welvarende
regio 's .
Slechts in vijf landen — België , Griekenland , Spanje , Frank
rijk en Italië — zal de stijging van de reële loonkosten per
hoofd in 1987 1% of iets minder zijn . In de laatste drie
landen lijkt een lagere stijging van de reële loonkosten dan het
gemiddelde van de Gemeenschap trouwens gerechtvaardigd
gelet op het thans nog zwakke herstel van de werkgelegen
heid en het zeer hoge peil van de werkloosheid . Dit geldt ook
voor België en Portugal , waar de reële loonkosten per hoofd
vermoedelijk met bijna 1 % zullen stijgen .
Ten slotte moet de gematigde verhoging van de reële
loonkosten per hoofd worden veralgemeend en aan alle
sectoren en ondernemingen ten goede komen .In de andere landen van de Gemeenschap wordt een stijging
van de reële loonkosten per hoofd van 2 tot 3 % verwacht ( zie
tabel 22 ). In die landen zouden de sociale partners tijdens de
loononderhandelingen rekening dienen te houden met de
ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werkloosheid .
Zo mag in de Bondsrepubliek Duitsland , met haar relatief
geringe werkloosheid en vrij snelle stijging van de rentabili
teit , de ombuiging van de loonkosten minder ingrijpend zijn .
In het Verenigd Koninkrijk daarentegen is het probleem van
de snelle reële loonstijgingen ondanks een hoge werkloosheid
bijzonder acuut .
In dit verband moeten de produktiviteitswinsten van de
meest rendabele sectoren vooral worden gebruikt om het
concurrentievermogen en de rentabiliteit van de economie te
verbeteren en in mindere mate voor het optrekken van de
lonen boven het gemiddelde in deze sectoren . Daardoor
zouden de sectoren met geringere produktiviteitswinsten een
grotere speelruimte krijgen , die zij dan kunnen gebruiken om
werkgelegenheid te scheppen .
De eis tot loonmatiging betekent voor de sociale partners een
grote verantwoordelijkheid . De loonvorming vindt in ieder
land volgens traditionele procedures plaats , die vaak sedert
lang beproefd zijn . Zonder iets aan die procedures af te willen
doen moet toch op enkele beginselen worden gewezen :
Het kan echter nuttig zijn in de ondernemingen een zekere
conjuncturele soepelheid op loongebied in stand te houden .
Dit tegenwicht is vaak noodzakelijk voor de stabiliteit van de
werkgelegenheid in tijden van conjuncturele vraag- of prijs
schommelingen . Een techniek die daarbij kan worden
gebruikt is bij voorbeeld het verdelen van de lonen in een vast
gedeelte en een aan de bedrijfswinst gekoppeld gedeelte ,
hetgeen overigens ook kan bijdragen tot de verbetering van
de motivatie van de werknemers . Een dergelijke soepelheid
kan de bestaande ondernemingen tevens de nodige speel
ruimte opleveren voor herstructureringsmaatregelen met
behoud van een bepaald werkgelegenheidsniveau .
De loonovereenkomsten moeten het mogelijk maken snel , in
de door de Samenwerkingsstrategie gewenste zin , rekening te
houden met sterke veranderingen van de ruilvoet , die
overigens moeilijk te voorspellen blijven . De sociale partners
moeten zich de vraag stellen of het in dat geval nuttig is een
zekere soepelheid in de nominale loonontwikkeling te behou
den . Een van de mogelijkheden is de opname van vrij
waringsclausules in de sociale overeenkomsten waardoor
beide partijen tot op zekere hoogte worden beschermd .
Daardoor kan worden voorkomen dat het herstel van de
rentabiliteit in gevaar komt wanneer de ruilvoet verslechtert
of, omgekeerd , kan het herstel worden versneld met behoud
De hier vermelde aspecten van de loonvorming zijn vooral
van belang voor de sociale partners . Dergelijke vraagstukken
moeten in het kader van de sociale dialoog grondig worden
onderzocht om het juiste evenwicht te bereiken tussen het
aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt en de bescher
ming van de werknemers .
Nr . L 385 / 62 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Aanpassing en vermindering van de arbeidstijd kunnen tot
een meer werkgelegenheidscheppende groei leiden als zij
kostenneutraal zijn . Dit kan worden bereikt door reorgani
satie van het produktieproces met vermindering van de
arbeidstijd doch verlenging van de machinetijd en grotere
mobiliteit van de werknemers in het bedrijf . Met een
dergelijke formule kan de produktiviteit van het kapitaal
worden verhoogd , hetgeen de particuliere investeringen zal
stimuleren . Inzet van de bestaande capaciteit om meer te
produceren met een hogere bezetting is tevens een oplossing
voor het tekort aan vaste activa ten opzichte van hetgeen
nodig zou zijn bij een hoog werkgelegenheidsniveau .
De ontwikkeling van de loonkosten in de laatste jaren heeft
tot een zekere verhoging van de rentabiliteit van bet bedrijfs
leven geleid en zal dus tot de verbetering van de werkgele
genheid bijdragen . De daling van de aardolieprijzen versterkt
deze ontwikkeling . Op middellange termijn moet een con
sensus worden bereikt overeen matige verboging van de reële
lonen die, indien mogelijk , gepaard gaat met een verlaging
van de sociale bijdragen , betgeen een duurzame gunstige
invloed zou uitoefenen op de rentabiliteit en het concurren
tievermogen . Om de mogelijkheden tot een snelle verminde
ring van de werkloosheid te vergroten moet er ook over
worden gewaakt dat de loonvormingsprocedures soepel
genoeg blijven, zowel met het oog op onvoorspelbare
ontwikkelingen in internationaal verband als met het oog op
de regionale ongelijkheden . Op het niveau van de onderne
mingen kunnen mogelijkheden worden overwogen om tot
een soepele loonvorming te komen waardoor de motivatie
van de werknemers wordt verbeterd en de werkgelegenheid
gestabiliseerd ten tijde van conjuncturele vraag- of prijs
schommelingen . De meer dan gemiddelde produktiviteits
winsten van de meest rendabele sectoren en ondernemingen
moeten echter vooral worden gebruikt om de concurrentie
positie van de volledige economie te verbeteren en niet om de
lonen in deze sectoren tot boven het gemiddelde te ver
hogen .
De onzekerheden en aanpassingskosten van een arbeidsreor
ganisatie kunnen aanzienlijk zijn . Dit proces dient dan ook
plaats te vinden op basis van samenwerking en met vermij
ding van iedere verhoging van de kapitaal - of arbeidskosten .
In veel gevallen moet de overheid de experimenten en het
uitwisselen van gegevens aanmoedigen en soms zelfs de
aanpassingskosten op zich nemen . In verscheidene Lid-Sta
ten heeft de overheid diverse middelen aangewend om de
herstructurering te vergemakkelijken .
Deregulering van de systemen van arbeidsbescherming kan
geen doel op zich zelf zijn . Een algemeen wetgevend kader ,
zoals dat in alle Europese landen en Japan bestaat , is een
garantie voor stabiele en billijke arbeidsomstandigheden . De
wetgeving op de bescherming van de arbeid kan ook een
integrerend deel uitmaken van een sociaal contract in de
ruime zin van het woord , in het kader waarvan de samen
werking in de sociale betrekkingen gebaseerd is op de
werkgelegenheidsvooruitzichten van het bedrijfsleven .
Uit de grote verscheidenheid van de systemen van arbeids
bescherming die de Gemeenschap kent en die alle in een
algemeen juridisch kader zijn opgenomen blijkt hoe te
beperkende reglementeringen nadelig kunnen zijn voor de
schepping van werkgelegenheid in een economie . Enquêtes
van de Commissie bij het bedrijfsleven hebben aan het licht
gebracht dat de reglementering van het ontslaan en doen
afvloeien van personeel in bepaalde landen als zeer nadelig
voor de werkgelegenheid wordt beschouwd . De kosten ,
procedures en rechtsmiddelen op het gebied van het aanwer
ven en ontslaan van personeel zouden dus opnieuw moeten
worden bezien zonder dat echter wordt geraakt aan de
fundamentele sociale rechten . Dergelijke hervormingen moe
ten verenigbaar zijn met de doelstellingen die in artikel 1 18A
van de Europese Akte zijn omschreven .
4.3.2 . Aanpassing van de arbeidsmarkt met het oog op een
meer werkgelegenheidscheppende groei
Naast de macro-economische factoren die voor de werkge
legenheid van belang zijn en die reeds zijn besproken - totale
vraag , loonpeil en kosten van de sociale zekerheid - bestaan
een reeks micro-economische instrumenten waarmee de
geneigdheid van de economie werkgelegenheid te scheppen
kan worden gestimuleerd of afgeremd . De voornaamste
zijn :
— aanpassing van de arbeidstijd ,
— systemen van arbeidsbescherming ,
— mogelijkheden tot beroepsopleiding of herscholing ,
— reglementering van de oprichting van kleine ondernemin
gen , de vestiging van zelfstandigen en coöperaties , en
— maatregelen om langdurig werklozen weer in het arbeids
proces op te nemen en werkgelegenheid te verschaffen
aan jonge werklozen .
Op deze gebieden zijn onlangs in verschillende Lid-Staten en
op het niveau van de Gemeenschap initiatieven genomen of
zijn studies in uitvoering . Daarnaast is een groot aantal zeer
bepaalde maatregelen ter verbetering van de arbeidsmarkt
onlangs gebundeld in het Memorandum „Groei van de
werkgelegenheid in het vooruitzicht van de jaren negentig -
Strategie voor de arbeidsmarkt", dat in juni 1986 aan de
Raad van Ministers van Arbeid en Sociale Zaken werd
voorgelegd door de ministers van Ierland , Italië en het
Verenigd Koninkrijk .
Ook de voorschriften betreffende deeltijdse arbeid en con
tracten voor een bepaalde duur hebben een grote invloed op
het evenwicht tussen de kwaliteit en de hoeveelheid van de
aangeboden betrekkingen . Overigens is het groeiende aantal
aanbiedingen van dit soort werk en van personen die het
willen aanvaarden bij de huidige werkgelegenheidsschaarste
in de Gemeenschap voldoende groot opdat men erover zou
waken dat dit type arbeidscontracten niet te streng wordt
gereglementeerd . Om tot een hogere participatiegraad te
komen , hetgeen absoluut noodzakelijk is gelet op de komen
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 63
Dat opleiding en kwalificatie van belang zijn voor een grotere
regionale flexibiliteit van de arbeidsmarkt in de Gemeen
schap is erkend door het besluit van de Raad over de
overeenstemming van de beroepsopleidingskwalificaties tus
sen de Lid-Staten , dat met name op halfgekwalificeerde
arbeidskrachten (niveau 2 ) van toepassing is . Het besluit
vormt een aanvulling op de actie van de Gemeenschap om
sneller tot de wederzijdse erkenning van diploma's en andere
certificaten te komen die worden verleend ten bewijze van de
afsluiting van een beroepsopleiding . Het is in de eerste plaats
van belang voor de sectoren waarin de grensoverschrijdende
mobiliteit reeds vaak een hoog niveau heeft bereikt . Dit
vormt een etappe in de verwezenlijking van de menselijke
dimensie van de interne markt .
de structurele problemen ten gevolge van demografische
factoren , zal de Gemeenschap inderdaad gedeeltelijk moeten
steunen op deze vormen van arbeidscontracten , die bijzonder
goed geschikt zijn voor bepaalde groepen ( bij voorbeeld als
tweede betrekking in een gezin of voor oudere werknemers ).
Een bijkomend voordeel van deze contracten in de huidige
situatie is dat de marginale kosten die uit de wetgeving en de
overeenkomsten op het aanwerven van nieuwe werknemers
voortvloeien , worden verminderd zonder de arbeidszeker
heid van het bestaande personeel in gevaar te brengen . Ook
kunnen zij bijdragen tot een meer werkgelegenheidscheppen
de groei . Voorzorgen moeten echter worden genomen om de
risico's van arbeidsonzekerheid te beperken en de kwaliteit
van dergelijke contracten te verzekeren . Deze zouden moeten
voorzien in een minirrule sociale bescherming en andere
arbeidsvoorschriften zoals met betrekking tot de vaststelling
van minimumlonen .
Twee van de belangrijkste voorwaarden voor het aanpas
singsvermogen van de arbeidsmarkt om de groei meer
werkgelegenheidscheppend te maken zijn de reglementerin
gen en overeenkomsten inzake a ) arbeidstijd en b ) bescher
ming van de arbeid . De enquêtes die de Commissie onlangs
ter zake heeft uitgevoerd ( 1 ) hebben aangetoond dat zowel bij
de werkgevers als bij de werknemers de wens bestaat dat
bepaalde voorschriften betreffende de arbeidsmarkt worden
versoepeld . Van deze instelling moet gebruik worden
gemaakt bij de verdieping van de sociale dialoog over deze
thema's .
Onderwijs, opleiding en herscholing zijn sleutelvariabelen in
het economische aanpassingsproces . Zij mogen bij de opstel
ling van arbeidsmarktmaatregelen niet uit het oog worden
verloren wil men belangrijke knelpunten voorkomen en de
sociale gevolgen van de industriële herstructureringen ver
zachten . De centrale betekenis die onderwijs en opleiding
thans in de Lid-Staten hebben wordt onderstreept door de
toenemende erkenning van het verband tussen opleiding ,
produktiviteit en economisch succes , alsmede door het
belang dat de ondernemingen steeds meer hechten aan
investeringen in opleidingen . Als instrument voor sociale
aanpassing moet vooral van herscholing worden gebruik
gemaakt bij bedrijfssluitingen , sectoriële inkrimpingen en
nog meer in industrieel achterblijvende regio's .
Zoals reeds in een mededeling van de Commissie aan de Raad
in 1984 (COM(84 ) 484 def.) werd beklemtoond , zijn de
langdurig werklozen wellicht die laatsten die een verbetering
van de algemene economische resultaten ten goede komt . Het
beleid ter stimulering van de algemene economische groei en
de toename van de werkgelegenheid moet worden aangevuld
met bijzondere maatregelen ten behoeve van de langdurig
werklozen . Daarom heeft de Commissie een aantal maatre
gelen voorgesteld om langdurige werkloosheid te voorkomen
en tegelijkertijd personen die twaalf maanden of langer geen
werk hebben gehad te reïntegreren . Deze maatregelen vor
men de basis van de resolutie van de Raad van december
1984 ( 2 ), die de verbintenis bevat het probleem aan te pakken
door de verbetering van de doelmatigheid van de
bestaande sociale politiek en het werkgelegenheidsbeleid in
het kader van een effectieve communautaire actie ter bestrij
ding van de werkloosheid . Zij vormen een aanvulling op de
maatregelen , vermeld in de resolutie van de Raad van januari
1984 over de jeugdwerkloosheid , waarin de Lid-Staten hun
instemming betuigden met een reeks maatregelen ter bevor
dering van de opleiding en de aanwerving van jongeren .
De Werkgroep „Opleiding en Motivering van de Werkne
mers in verband met de Nieuwe Technologieën" tracht in dit
verband en in het kader van de sociale dialoog op commu
nautair vlak (Hertoginnedal ) bij te dragen tot het scheppen
van een gunstig klimaat . Dit is vooral van belang waar het
gaat om het Programma voor de beroepsopleiding en de
nieuwe informatietechnologieën (EURO-TECNET) en het
besluit over de aanvaarding van het Programma tot samen
werking tussen de universiteiten en het bedrijfsleven op het
gebied van de opleidingen op hoog niveau (COMETT ).
Bijzondere inspanningen worden vereist om te komen tot een
doelmatig beheer van de menselijke mogelijkheden op lokaal
en regionaal niveau . Dit moet worden gesteund door vol
doende investeringen in opleiding , gefinancierd door de
particuliere en de openbare sector , om op alle niveaus tot een
verhoging en modernisering van de kwalificaties te kunnen
komen . Het midden- en kleinbedrijf wordt met bijzondere
problemen op het gebied van opleiding en herscholing
geconfronteerd ( beheer , advies , toegang tot opleidingsmoge
lijkheden , soepelheid van de leveringen ). De Lid-Staten
worden verzocht positief te reageren op de voorstellen van de
Commissie over een volledig gamma maatregelen op dat
gebied . De behoefte aan een groter aanpassingsvermogen van
het personeel in het bedrijf wijst ook op de betekenis die de
verhoging van het opleidingsniveau heeft voor een betere
interne mobiliteit .
Uit het Europees Sociaal Fonds en het Programma ter
bestrijding van de armoede ( 3 ) zijn middelen ter beschikking
gesteld voor een aantal specifieke initiatieven ten behoeve
van langdurig werklozen . Verschillende Lid-Staten hebben
nieuwe maatregelen ten behoeve van de langdurig werklozen
(') „Problemes de lemploi : opmions des chefs dentrepnse et des
travailleurs", Economie Européenne, nr . 27 , maart 1986 .
( J ) Resolutie van de Raad van 19 december 1984 over de bestrijding
van de langdurige werkloosheid .
( J ) COM(83 ) 211 def ., 25 april 1983 .
Nr . L 385 / 64 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
genomen of de bestaande maatregelen uitgebreid . Toch is het
percentage van hen die een jaar of langer werkloos zijn verder
toegenomen en momenteel bedraagt het ongeveer 40 % voor
de Gemeenschap als geheel . Bovendien is het percentage van
werklozen die twee jaar of langer geen werk hebben gehad
ook aanzienlijk gestegen . Het optreden van de Gemeenschap
is dus duidelijk niet toegesneden op het probleem : er is beslist
een grotere politieke en financiële inspanning nodig om de
doelstellingen van de resolutie van 1984 te bereiken . Gedacht
kan worden aan concrete maatregelen zoals een verlaging
van de sociale lasten bij de aanwerving van langdurig
werklozen .
Wat de jeugdwerkloosheid betreft moet vooral worden
gestreefd naar maatregelen ter vergroting van de latere
aanwervingsmogeiijkheden en dus minder naar maatregelen
die slechts tot doel hebben de toetreding van de beroepsbe
volking tot de arbeidsmarkt uit te stellen . Voorts moet
bijzondere aandacht besteed worden aan de problemen van
jonge werklozen die ouder zijn dan twintig jaar : velen lopen
het gevaar langdurig werkloze te worden wanneer de moge
lijkheden tot stages of tijdelijke arbeidsovereenkomsten
uitgeput zijn .
De Commissie zal eind 1986 nagaan welke vorderingen zijn
gemaakt bij de uitvoering van de acties uit de resolutie van de
Raad . Zij zal de Raad begin 1987 een verslag voorleggen in
de vorm van een mededeling en daarin nieuwe acties
voorstellen . Dat verslag zal worden opgesteld aan de hand
van de mededelingen van de Lid-Staten en de conclusies van
recente rapporten van de Commissie en andere instellingen
die zich met de vermindering van de langdurige werkloosheid
bezig houden .
Er zijn tal van reglementeringen en initiatieven betreffende
het scheppen van werkgelegenheid die tot een meer werkge
legenheidscheppende economie kunnen leiden . Zij moeten
op coherente wijze worden opgenomen in een positief
macro-economisch beleid zoals beschreven in de Samen
werkingsstrategie . De Gemeenschap dient niet te streven
naar een algemene deregulering van de arbeidsbescherming,
maar de Lid-Staten zouden in sommige gevallen de te
beperkende voorschriften kunnen aanpassen om de toename
van verschillende werkgelegenheidsvormen niet af te rem
men, met dien verstande wel dat de fundamentele principes
van de sociale zekerheid en andere voorwaarden worden
gerespecteerd. Een kostenneutrale aanpassing van de
arbeidstijd kan eveneens bijdragen tot een meer werkgele
genheidscheppende groei . Ingrijpender acties zijn noodzake
lijk om de langdurige werkloosheid en de jeugdwerkloosheid
te doen afnemen . De maatregelen daartoe zullen binnenkort
opnieuw door de Gemeenschap worden onderzocht.
TABEL 21
Reële loonkosten per eenheid produkt
1961 1 97.3 1975 1981 1982 1984 1985 {') 1986 ('■; 1987 (' :
België 100 110,0 115,0 112,9 111,9 110,2 106,1 104,6
Denemarken 100 104,6 100,5 99,2 96,1 94,4 923 93,5
Duitsland 100 105,9 103,5 102,2 98,9 97,8 96,1 95,7
Griekenland 100 90,2 106,4 106,1 107,2 109,2 101,2 98,9
Spanje 100 104,0 102,9 100,7 94,4 91,8 89,1 87.7
Frankrijk 100 105,9 108,1 107,3 105,3 104,4 102,1 100,2
Ierland 100 104,6 101,3 99,5 95,2 92,9 91,4 91,3
Italië 100 110,9 108,6 108,6 109,4 108,5 103,2 101,7
Luxemburg 100 123,4 124,9 120,4 111,2 109,3 106,4 107,5
Nederland 100 108,8 102,5 101,1 95,8 94,3 95,4 97,8
Portugal 100 136,2 116,1 108,6 100,5 96,9 92,0 90,6
Verenigd Koninkrijk 100 110,1 100,3 98,5 98,8 97,9 99,9 100,3
EUR - 1 2 100 107,2 104,3 103,0 101,1 99,9 98,1 97,4
t 1 ) Ramingen en prognoses .
Bron : liurostat en diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 65
TABEL 22
Loonkosten en werkgelegenheid in 1987 (')
Werkloos
heid ( 6 }
Werkge
legenheid
(M utatie
in %
per jaar)
Loonkosten per w erknemer ( 2 )
'Mutatie in % per jaar ' Produktivi
teit totale
economie
Reële loon
kosten per
eenheid
produkt ( 5 )
{ Mutatie
in %
per jaar ,
nominaal reëel (-') reëel ( 4 )
1 1 3 4 5 6 7
België 13,4 - 0,6 2,2 0,4 0,7 1,9 - 1,4
Denemarken 7,7 0,3 5,9 2,1 3,0 1,5 0,6
Duitsland 7,7 1,0 3,2 1,8 2,1 2,2 - 0,3
Griekenland 8,3 0,0 9,6 - 2,4 - 2,6 - 0,2 - 2,2
Spanje 21,5 1,2 6,3 0,2 1,0 1,8 - 1,6
Frankrijk 10,7 0,3 3,0 0,3 0,7 2,2 - 1,9
Ierland 18,0 0,7 . 6,0 2,3 2,7 2,5 - 0,1
Italië 12,8 1,3 6,1 0,8 2,1 2,3 - 1,5
Luxemburg 1,2 0,7 5,6 2,9 4,2 1,9 1,1
Nederland 11,1 0,9 1,7 3,4 2,7 0,9 2,4
Portugal 8,5 0,3 12,3 1,6 3,1 3,2 - 1,5
Verenigd Koninkrijk 12,0 0,8 6,6 2,3 2,6 1,9 0,4
EUR-12 11,7 0,8 4,8 1,3 1,8 2,0 - 0,7
(') Prognoses van oktober 1986 .
( 2 ) Lonen plus sociale lasten .
( 3 ) Uit het oogpunt van de kosten ; gedefleerd met het prijsindexcijfer van het BBP .
( 4 ) Uit het oogpunt van de koopkracht ; gedefleerd met het prijsindexcijfer van de particuliere consumptie .
( 5 ) Kolom 4 gedeeld door kolom 6 .
( s ) Geregistreerde werklozen ( Eurostat-definitie ) in % van de burgerlijke beroepsbevolking , behalve voor Griekenland , Spanje en
Portugal , wier gegevens afkomstig zijn uit nationale enquêtes .
Bron : Eurostat en diensten van de Commissie .
Versterking van het groeipotentieel en de daarmee samen
gaande verbetering van de werkgelegenheid zijn niet mogelijk
zonder structurele aanpassingen . Deze worden echter verge
makkelijkt in een klimaat van dynamische groei , waarin ook
de sociale aspecten van het aanpassingsproces meer aandacht
krijgen .
4.4 . Aanpassingsvermogen van de markten
In de Samenwerkingsstrategie vormt de verbetering van het
aanpassingsvermogen van de markten een essentieel element
voor het herstel van de concurrentiepositie van de onderne
mingen en hun resultaten , vooral op het gebied van de
werkgelegenheid . Een dergelijke verbetering kan ongetwij
feld op middellange termijn tot stand worden gebracht , maar
de effecten zullen slechts geleidelijk zichtbaar worden . Het
voorgestelde beleid kan echter ook snellere positieve effecten
hebben in de mate dat het bijdraagt tot het richting geven aan
en het stabiliseren van de verwachtingen van de economische
subjecten . Het grote doel is de werking van de marktmecha
nismen te verbeteren door :
— de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengren
zen met vrij verkeer van goederen , personen , diensten en
kapitaal ,
— de schepping , in de Lid-Staten , van gunstigere voorwaar
den voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven en de
bevordering van de ondernemingsgeest .
Naar de voltooiing van de interne markt. In juni 1986 wees
de Europese Raad van Den Haag op de noodzaak de
besluitvorming over de voltooiing van de interne markt sterk
te verbeteren ten einde zowel de doelstellingen voor het
lopende jaar als het einddoel in 1992 te kunnen bereiken . Er
dienen belangrijke vorderingen te worden gemaakt om te
kunnen overgaan van de vergevorderde Douane-unie van
thans tot een economische ruimte zonder grenzen in 1992 .
In het Witboek over de interne markt werden de verschillende
actiegebieden aangegeven . De opmerkelijkste economische
resultaten mogen worden verwacht van :
Nr . L 385 / 66 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
— de opheffing van belemmeringen voor het intracommu
nautaire handelsverkeer : hierbij gaat het in de eerste
plaats om de afschaffing van belemmeringen aan de
grenzen , waarvan het voornaamste resultaat een verla
ging van de kosten van het intracommunautaire handels
verkeer zal zijn waardoor het handelsverkeer weer zal
kunnen opleven dat , na een sterke groei in de periode
1958—1973 ( waarin het aandeel daarvan in de totale
handel van de Gemeenschap steeg van 34 tot 53 % ) een
fase van relatieve stagnatie heeft gekend . Voorts gaat het
om de gemeenschappelijke markt van diensten , vooral
van financiële , die ook onder invloed van een grotere
concurrentie goedkoper ( zowel de diensten zelf als de
financiële bemiddeling ) zullen worden voor de onderne
ming en voor de consument ;
— meer concurrentie bij het verlenen van overheidsopdrach
ten : de betekenis van de overheidsopdrachten is aanzien
lijk : de aankopen van goederen en diensten door de
overheid ( inclusief de BIVA ) bedroegen in 1985 ongeveer
18 % van de totale overheidsuitgaven en 9 % van het BBP
van de Gemeenschap , waarbij de aankopen van het grote
aantal onder het -privaatrecht vallende overheidsbedrij
ven buiten beschouwing zijn gelaten . Meer concurrentie
bij het verlenen van overheidsopdrachten zal budgettaire
besparingen opleveren , die volgens voorlopige ramingen
in bepaalde sectoren aanzienlijk zullen zijn . Een bijko
mend voordeel voor de leveranciers is dat zij zich meer
kunnen specialiseren en profiteren van de voordelen van
de produktie op grotere schaal ;
— de verbetering van het aanbod : met name zal de verster
king van de intra-Europese concurrentie leiden tot een
grotere specialisatie van de ondernemingen en bijgevolg ,
althans in bepaalde sectoren , tot voordelen van de
produktie op grotere schaal . Deze effecten zullen aan
belang winnen , vooral door intensivering van de
intra-Europese industriële samenwerking en een grotere
concentratie en doelmatigheid van de onderzoek- en
ontwikkelingsuitgaven . Voorts zullen zeer positieve
effecten uitgaan van de opheffing van ongelijkheden op
het gebied van technische specificaties ( technische voor
schriften , normen , vergunningsprocedures ), middelen
die nog steeds worden aangewend , zowel door de
overheid als door dominerende ondernemingen , om de
markten te segmenteren en aldus de concurrentie in de
Gemeenschap aan banden te leggen ;
— ten slotte een betere onderlinge afstemming van de stelsels
van de indirecte belastingen : dit kan een belangrijk
element voor de versterking van de intracommunautaire
concurrentie zijn omdat daardoor een grotere doorzich
tigheid van de consumptieprijzen in de verschillende
landen tot stand wordt gebracht . Bovendien kan dit in
bepaalde gevallen en landen de mogelijkheid scheppen
om een structuur van verplichte heffingen in te voeren die
beter aan het aanbodbeleid ( zie punt 4.2 ) is aangepast .
voltooiing van de interne markt zal het structurele verande
ringsproces echter worden versneld . De sociale aspecten
daarvan mogen absoluut niet uit het oog worden verloren ,
hetgeen ook wordt aanbevolen in artikel 118A van de
Europese Akte . Bovendien moet , om sociale onrechtvaardig
heden of blokkeringen te voorkomen , ervoor worden
gewaakt dat de last van de aanpassing niet volledig door
enkele groepen moet worden gedragen terwijl andere er
voordeel van zouden hebben . Bij het economische en het
sociale beleid — waarbij ook moet worden gedacht aan de
thans aangewende instrumenten ter vergemakkelijking van
het structurele aanpassingsproces ( Sociaal Fonds , EFRO ,
enz .) — moet dan ook worden gezorgd voor een billijke
verdeling van de kosten en de voordelen van de integratie en
voor de bevordering van een grotere economische en sociale
samenhang .
Bovendien moet aan de grote interne markt ziin volledige
financiële dimensie worden gegeven .
Liberalisatie van het kapitaalverkeer vloeit feitelijk voort uit
de algemene doelstelling een zo goed mogelijke allocatie van
de middelen te verzekeren . Gesteund moet worden op een
sterke convergentie van de economische en monetaire poli
tiek , een factor van stabiliteit en vertrouwen , die bevorderlijk
is voor het investeringsgedrag en een duurzame groei in de
volledige Gemeenschap .
Meer specifiek zal door de liberalisatie van het kapitaalver
keer , die gepaard gaat met een vooruitgang naar de schep
ping van een gemeenschappelijke markt van de financiële
dienstverlening , de aantrekkingskracht van de Europese
financiële ruimte worden vergroot en de ontwikkeling van
een volledig gamma aan de jongste technieken aangepaste
instrumenten worden gestimuleerd . Door aan de spaarders
een grotere verscheidenheid van beleggingsvormen te bieden ,
en de ondernemingen , van welke omvang dan ook , een
internationale uitbreiding van hun financiering mogelijk te
maken , zal de liberalisatie van het kapitaalverkeer een
mobilisatie van de Europese besparingen op grotere schaal
tot gevolg hebben , die dan ter beschikking van de investe
ringen kunnen worden gesteld waardoor met minder kosten
nieuwe werkgelegenheid kan worden geschapen .
Met dit voor ogen heeft de Commissie op 21 mei 1986 een
mededeling aan de Raad vastgesteld waarin zij een program
ma voor de liberalisatie van het kapitaalverkeer in de
Gemeenschap voorstelt . Dit programma bestaat uit twee
fasen .
De eerste fase is reeds ingezet . Gestreefd wordt naar een
werkelijke liberalisatie in de gehele Gemeenschap van de
kapitaaltransacties die onmiddellijk nodig zijn voor de goede
werking van de gemeenschappelijke markt en de verbindin
gen tussen de geld- en kapitaalmarkten .
Dit betekent in de eerste plaats dat de van de communautaire
verplichtingen afwijkende regelingen geleidelijk moeten wor
den afgeschaft . De nog toegestane restricties — hetzij de in
het Verdrag opgenomen vrijwaringsclausules zoals toegepast
door Ierland , Italië en Griekenland , hetzij de tijdelijke
regelingen ingevolge het Toetredingsverdrag van Spanje en
Portugal — moeten geleidelijk worden opgeheven .
Het is moeilijk de precieze gevolgen te voorzien van een
grotere economische integratie op het gebied van de produk
tie , de produktiviteit en de werkgelegenheid . Door de
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 67
Dit komt vervolgens neer op een uitbreiding van de huidige
liberalisatieverplichtingen . Een ontwerp-richtlijn in die zin
werd in juni 1986 bij de Raad ingediend ; deze betreft de
uitbreiding van de liberalisatieverplichting tot lange-termijn
krediet voor commerciële transacties , de aankoop van niet
ter beurze verhandelde effecten en de toelating van effecten
op de nationale kapitaalmarkten .
In een tweede fase moet het principe van een volledige
liberalisatie van het kapitaalverkeer , met inbegrip van finan
ciële kredietverlening en beleggingen van monetaire aard
( deposito's , effecten van de geldmarkt ), worden erkend . Het
tijdperk van de liberalisatie van deze verrichtingen moet
rekening houden met de uiteenlopende economische situatie
in de Lid-Staten en hun zeer ongelijke regimes van wissel
controle . De Commissie zal in de loop van 1987 nieuwe
voorstellen bij de Raad indienen .
De verzekering van betere voorwaarden voor de ontwikke
ling van het bedrijfsleven . Een groter aanpassingsvermogen
van de markten aan de fluctuaties van vraag en aanbod en
externe schokken houdt in dat de ondernemingen moeten
kunnen genieten van een klimaat dat zowel stabiel is als
bevorderlijk voor hun ontwikkeling .
van de concurrentie kunnen de hoger dan gemiddelde
produktiviteitswinsten van de goed presterende sectoren de
gehele economie ten goede komen in de vorm van een daling
van de prijzen van die sectoren . De daaruit voortvloeiende
vraagstijging heeft een gunstige invloed op de groei en de
werkgelegenheid . Ove
rigens werkt hetzelfde mechanisme ook voor de minder
rendabele sectoren , zodat ook deze in staat zijn nieuwe
arbeidsplaatsen te scheppen .
Aan de andere kant hebben de regeringen van enkele landen ,
ten einde een grotere economische doelmatigheid tot stand te
brengen , getracht in hun economieën de bemoeiingen van de
overheid terug te dringen . Of het nu gaat om deregulering op
een aantal gebieden (vervoer , energie , enz .), overgang ( of
terugkeer ) tot de particuliere sector van voorheen aan de
overheid toevertrouwde taken , of een duidelijke bereidheid
de omvang van de overheidsinterventies in de vorm van
steunverlening te beperken , het doel blijft steeds verhoging
van de economische doelmatigheid . In dit verband vereist de
voltooiing van de interne markt , in zover zij meer restricties
op de staatssteun inhoudt , een vergroting van de doorzich
tigheid en een regelmatige beoordeling van de overheidsin
terventies ten behoeve van het bedrijfsleven in al hun vormen
( subsidies , fiscale uitgaven , garanties , participaties , enz .) om
een beter inzicht te krijgen in de effecten en doeltreffendheid
ervan voor de concurrentiepositie van de ondernemingen in
de Gemeenschap .
Hoewel de verbetering van het ondernemingsklimaat en de
versterking van de rol van de concurrentie op zich zelf reeds
gunstig zijn voor het midden- en kleinbedrijf , is de Commis
sie wegens het belang van de kleine en middelgrote onderne
mingen voor de werkgelegenheid voornemens een dynami
scher, meer speciaal op het midden- en kleinbedrijf en de
coöperaties gericht beleid te ontwikkelen . Zij heeft reeds een
actieprogramma (') aangenomen waarmee niet alleen gunsti
gere voorwaarden voor de oprichting en uitbreiding van
kleine en middelgrote ondernemingen worden geschapen ,
maar ook tegemoet wordt gekomen aan de specifieke
behoeften van die ondernemingen aan kapitaal en mogelijk
heden tot aanpassing en anticipatie van de afzet ( flexibiliteit ).
De voorgestelde acties hebben vooral betrekking op oplei
ding (omscholing van het personeel , opleiding van bedrijfs
leiders en directeuren ), centralisatie van de informatie op
nationaal niveau en de ontwikkeling van communautaire
informatiepunten ten behoeve van het midden- en kleinbe
drijf , hulp ter vergemakkelijking van de afzet in derde
landen , steun voor oprichting en innovatie , partnerschap
tussen grote ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf,
aanpassing van de communautaire financieringsmiddelen
aan de behoeften van het midden - en kleinbedrijf en ontwik
keling van een Europese activiteit met risicodragend kapi
taal .
Dit actiepakket , waarover met de sociale partners (organisa
ties van het midden- en kleinbedrijf en vakbonden ) overleg
is gepleegd , moet een nieuwe impuls geven aan de ontwikke
ling van het midden- en kleinbedrijf en de schepping van
werkgelegenheid daarin en is daardoor een belangrijk ele
De verbetering van de fiscale, financiële en reglementaire
voorwaarden . Dit is een constante beleidsdoelstelling van de
Commissie . Een dergelijke verbetering — meestal gebaseerd
op aanbevelingen tot aanpassing aan de beste nationale
praktijken in de Gemeenschap — draagt bij tot de doorzich
tigheid en de harmonisatie van de activiteitsvoorwaarden
voor het bedrijfsleven in de Gemeenschap en vermindert de
behoefte aan willekeurige maatregelen waardoor de concur
rentie kan worden vervalst . De Commissie heeft , met name
naar aanleiding van haar mededeling van 1983 over fiscale en
financiële maatregelen ten behoeve van de investeringen ,
verschillende initiatieven genomen om het fiscale (overdracht
van verliezen , vermindering van het inbrengrecht ), financiële
(bevordering van een Europese activiteit met risicodragend
kapitaal ) en reglementaire klimaat (onderzoek van de invloed
van communautaire en nationale voorschriften op kleine
ondernemingen en coöperaties ) te verbeteren . Dit beleid zal
actief worden voortgezet , maar het zal des te effectiever zijn
naarmate het door de Lid-Staten wordt overgenomen en
versterkt door maatregelen van de overheid op centraal en
regionaal vlak .
Betekenis van de concurrentie voor de versterking van het
aanpassingsvermogen van de economieën in de Gemeen
schap . De klemtoon die hierop wordt gelegd is voor bepaalde
Lid-Staten aanleiding geweest om maatregelen te nemen
waardoor de ondernemingen meer speelruimte krijgen of de
mogelijkheid een soepeler en doelmatiger beheer te voeren .
Daardoor is in verschillende landen een beweging op gang
gekomen — in de meeste gevallen bevorderd door de
desinflatie — naar meer vrijheid van de ondernemingen bij
het vaststellen van hun prijzen . De meeste Lid-Staten
beschouwen prijsflexibiliteit trouwens als een bijzonder
belangrijk element voor de verbetering van hun groei- en
werkgelegenheidsresultaten . Vooral dank zij de werking
(') Actieprogramma voor het midden- en kleinbedrijf, COM{86 )
445 van 16 juli 1985 .
Nr . L 385 / 68 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
werkelijke marktomstandigheden aangepast structuurbe
leid . Bovendien zal de Commissie overeenkomstig artikel
130 van de Europese Akte de werking van de Structuurfond
sen , instrumenten van communautaire financiële solidariteit ,
rationaliseren opdat zij optimaal zouden bijdragen tot de
nagestreefde economische en sociale cohesie en de verminde
ring van de achterstand van de achtergebleven regio's en van
de regio 's waar de industrie uitdooft . Dit rationalisatiebesluit
past in de Samenwerkingsstrategie , die moet w aarborgen dat
via een dynamische groei de levensstandaard in alle Lid-Sta
ten en regio's nader tot elkaar gebracht wordt .
ment van de Samenwerkingsstrategie voor groei en werkge
legenheid .
De door de Gemeenschap en de Lid-Staten overwogen
maatregelen om de werking van de goederen-, diensten- en
kapitaalmarkten te verbeteren zijn een belangrijk bestand
deel van de Samenwerkingsstrategie . De voornaamste maat
regelen die de Commissie in baar Programma ter voltooiing
van de interne markt heeft voorgesteld hebben betrekking op
a) de opheffing van de technische belemmeringen voor het
handelsverkeer en de kosten bij het overschrijden van de
grenzen, b) de concurrentie bij het verlenen van over
heidsopdrachten, c : de harmonisatie van de stelsels van
indirecte belasting , en d) de liberalisatie van de kapitaal
markt. De sociale aspecten mogen hierbij echter niet uit het
oog worden verloren . Voorts heeft de Commissie voorstellen
gedaan om het fiscale en juridische ondernemingsklimaat te
verbeteren, waarbij HIJ vooral heeft gelet op de behoeften van
het midden- en kleinbedrijf .
Door de voortgezette begrotingsinspanning ten gunste van
industrie , onderzoek en innovatie versoepelt en versnelt de
structuuraanpassing en verbetert de concurrentiepositie van
bedrijven . Deze uitgaven zijn van groot belang voor het
welslagen van de Samenwerkingsstrategie , naarmate zij de
wetenschappelijke en technologische basis van het bedrijfs
leven versterken , een onderwijs creëren dat bevorderlijk is
voor de penetratie van de informatietechnologieën en het
vormingsproces van de gemeenschappelijke markt stimule
ren door op het industriële aanbod invloed uit te oefenen .
Momenteel wordt de EG-begroting voor 1987 voorbereid .
Het voorontwerp van de Commissie bedraagt 36,6 miljard
Ecu en blijft dus binnen de BTW-marge van 1,4% . Dank zij
een beperkte verhoging van de uitgaven van het EOGFL ,
afdeling Garantie ( 3,8% ), die evenwel nog steeds 62,5%
van de totale uitgaven vertegenwoordigen , konden de kre
dieten voor structurele uitgaven in belangrijke mate worden
opgetrokken .
De begroting die de Raad in eerste lezing heeft goedgekeurd
bedraagt 35,9% miljard Ecu , maar bevat besnoeiingen van
de kredieten voor de structuurfondsen en het onderzoek .
4.5 . Financiering van het communautaire beleid : begroting
en financiering
De structuuraanpassing en de convergentie van de econo
mieën van de Lid-Staten vormen met de beheersing van de
financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de
voornaamste doelstellingen van de begroting van de vergrote
Gemeenschap . Overeenkomstig de Samenwerkingsstrategie
kan de Gemeenschapsbegroting een grotere bijdrage leveren
aan doelstellingen zoals meer werkgelegenheidscheppende
groei , versterking van economische en sociale samenhang ,
evenwichtige integratie van de nieuwe Lid-Staten en verbe
tering van de interne markt . De instrumenten , waarover de
Gemeenschap beschikt , dienen op een meer vindingrijke en
doeltreffende wijze in deze strategie te worden ingezet .
Bovendien overweegt de Commissie , uitgaande van de
conclusies van de Europese Raad van Fontainebleau , de
Raad een verhoging van het maximale BTW-percentage met
ingang van 1988 voor te stellen .
De EG-begroting: de precaire toestand van de EG-begroting
weerspiegelt het moeilijk te verwezenlijken evenwicht tussen
de financiering van het door de Raad vastgestelde gemeen
schappelijk landbouwbeleid en de ontwikkeling van de niet
verplichte uitgaven , gericht op een grotere economische en
sociale samenhang , waarvan het belang sedert de uitbreiding
nog is toegenomen . Het vraagstuk van de landbouwuitgaven
wordt verzwaard doordat deze mede worden bepaald door
externe factoren . Aldus moest het door de Raad vastgestelde
referentiekader van begrotingsdiscipline voor de uitgaven in
1986 wegens de daling van de landbouwprijzen en de
toegenomen concurrentie van andere landbouwproducenten
op de wereldmarkt worden herzien .
Als prioritaire doelstellingen heeft de Commissie in haar
richtsnoeren met betrekking tot „een toekomst voor de
Europese landbouw"' aangegeven : de geleidelijke verminde
ring van het aanbod in sectoren met een overschot , de
kwaliteitsverbetering van de produktie en een beter aan de
Financiering. Beperkte begrotingsmiddelen in samenhang
met overvloedige particuliere middelen vormen de nieuwe
financiële basis waarvan de Commissie is uitgegaan , waarbij
zij een bijzonder accent legde op de verdere ontwikkeling van
de financiering . Ten behoeve van de tenuitvoerlegging van
deze activiteit is in het voorontwerp van begroting 1987 dat
door de Commissie werd voorgesteld een nieuw hoofdstuk
opgevoerd .
De nieuwe activiteit zou erin bestaan de markt te stimuleren
instrumenten of mechanismen te creëren of te ontwikkelen
waarmee de financiering kan worden vergemakkelijkt van
acties of projecten waaraan de Gemeenschap bijzonder
belang hecht . Het doel is de bestaande instrumenten ( lenin
gen en subsidies ) zo goed mogelijk te gebruiken ten einde een
katalysatoreffect te bewerkstelligen , het toepassingsgebied
en de aanwending van de communautaire interventies uit te
breiden en tot een soort in elkaar grijpen te komen van
communautaire en particuliere financiering waardoor de
markt nieuwe financieringsvormen kan bieden die zijn
toegesneden op de innovatie-, technologie- en ondernemings
plannen .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 69
Volgens de Commissie zijn er in de Gemeenschap tal van
projecten waarvan de uitvoering kan worden vergemakke
lijkt door de gepaste financieringsmodaliteiten ter beschik
king te stellen . De Commissie heeft voor de onmiddellijke
toekomst voorrang gegeven aan drie toepassingsgebieden
voor haar financiering , waarvoor zij in nauwe samenwerking
met de Europese Investeringsbank de ontwikkelingsmoge
lijkheden onderzoekt .
— projecten met een hoge technologie die zich boven in de
bedrijfskolom bevinden die zich uitstrekt van het onder
zoek tot de industriële toepassing . Het betreft met name
projecten die de industriële toepassing zijn van door de
Gemeenschap medegefinancierde onderzoekprogram
ma's . Omdat deze programma's het best uit eigen mid
delen kunnen worden gefinancierd , heeft de Commissie
enkele ideeën naar voren gebracht (oprichting van parti
culiere investeringsmaatschappijen , gesteund door een
garantiemechanisme ) waarvan zij in financiële kringen de
deugdelijkheid heeft laten toetsen ;
— het midden- en kleinbedrijf , vooral als het innoverend is ,
dat met bijzondere financieringsmoeilijkheden te kampen
heeft . Op dit gebied wil de Commissie een zo ruim
mogelijk gamma van instrumenten tot stand brengen
( risicodragend kapitaal , garantiefondsen , kredietverze
kering , adviesinstanties en dergelijke ); de Commissie zal
deze instrumenten verder ontwikkelen ;
— grote infrastructuurprojecten , die moeilijk tot stand te
brengen zijn en een aanzienlijke kapitaalinbreng onder
diverse vormen en tegen bijzondere voorwaarden verei
sen . De rol van de Gemeenschap kan op dit gebied
bestaan uit :
— het verzekeren van de voorwaarden noodzakelijk
voor de lancering van grote projecten („verklaring
van Europees nut", budgettaire bijstand ),
— het verbeteren van de algemene voorwaarden voor de
particuliere investeerders ,
— het mobiliseren van de markt door een vernieuwde
vorm van communautaire interventie ( bij voorbeeld
financiering van projecten ).
De uitbreiding van de Gemeenschap, de totstandbrenging
van de interne markt en de noodzaak de werkloosheid te
verminderen impliceren dat de structurele veranderingen in
de Gemeenschap moeten worden versneld . Dit proces kan
worden vergemakkelijkt door budgettaire toewijzingen van
wege de Gemeenschap . Bovendien kan volgens de Commissie
daartoe worden bijgedragen door financiering van acties of
projecten, waaraan de Gemeenschap een bijzonder belang
hecht; de prioritaire toepassingsgebieden van deze financie
ring zijn : projecten met een hoge graad van technologie,
innovatie in het midden- en kleinbedrijf en bepaalde grote
infrastructuurprojecten .
TABEL 23
Algemene begroting van de Europese Gemeenschappen 1985—1987 : Kredieten voor betalingen
fin miljoen Ecu )
1985 {')
EUR-10
1986 {-n
EUR-12
1987 ')
EUR-12
1 987 {*)
F.UR-12
Uitgaven : II
Landbouw , afdeling Garantie 19 726 22 112 22 961 22 961
Landbouw , afdeling Oriëntatie 738 802 966 983
Visserij 82 190 221 208
Sociaal Fonds 1 413 2 533 2 589 2 499
Regionaal Fonds 1 624 2 373 2 495 2 422
Geïntegreerde mediterrane programma's 9 133 240 175
Vervoer 76 27 34 21
Energie en industrie 129 114 173 147
Onderzoek en innovatie 578 648 847 744
Voedselhuïp 544 553 616 524
Ontwikkelingshulp 541 618 642 536
Overige uirgaven , inclusief
terugbetalingen aan de Lid-Staten 2 763 5 071 4 892 4 726
Totaal 28 223 35 174 ( 5 ) 36 676 ( 6 ) 35 946
(') Uitvoering .
( 2 ) Begroting goedgekeurd door het Parlement op 10 juli 19S6 .
( J ) Voorontwerp van begroting 1987 , door de Commissie bij de Raad ingediend op 21 juli 1986 .
( 4 ) Voorontwerp , aangenomen door de Raad op 9 september 1986 .
( 5 ) De correctie van de begrotingsonevenwichtigheid ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk (2 685 miljoen Ecu ) is opgenomen
bij de ontvangsten .
( 6 ) De correctie van de begrotingsonevenwichtigheid ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk (2 366 miljoen Ecu ) is opgenomen
bij de ontvangsten .
Nr . L 385 / 70 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
(In miljoen Ecu)
I 1985 (')EUR-1Ü 1986 ( 2 )EUR-12 1987 ( 3 )EUR-12 1987 (*)EUR-12
Ontvangsten :
Landbouwheffingen 2 179 2 699 3 297
Douanerechten 8 310 9 700 9 762
Belasting over de toegevoegde waarde I
(BTW ) 15 218 22 468 23 130
Speciale bijdragen 1 911 211 212
Diversen 654 96 275
Totaal 28 272 ( 7 ) 35 174 ( 5 ) 36 676 ( 6 ) 35 946
Maximaal BTW-percentage 1,0 1,4 1,4
Werkelijk BTW-percentage 1,0 1,39 ( 8 ) 1,38 (»)
Totale begroting in % van het BBP 0,85 1,03 1,02
(') Uitvoering .
( 2 ) Begroting goedgekeurd door het Parlement op 10 juli 1986 .
( 3 ) Voorontwerp van begroting 1987 , door de Commissie bij de Raad ingediend op 21 juli 1986 .
( 4 ) Voorontwerp , aangenomen door de Raad op 9 september 1986 .
( s ) De correctie van de begrotingsonevenwichtigheid ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk (2 685 miljoen Ecu ) is opgenomen
bij de ontvangsten .
( 6 ) De correctie van de begrotingsonevenvvichtigheid ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk (2 366 miljoen Ecu ) is opgenomen
bij de ontvangsten .
C ) Inclusief ten naar het begrotingsjaar 1986 overgedragen overschot van 49 miljoen Ecu .
( 8 ) Behalve voor de Bondsrepubliek Duitsland ( 1,33697 ) en het Verenigd Koninkrijk (0,67663 ).
( 9 ) Behalve voor de Bondsrepubliek Duitsland ( 1,3296 ) en het Verenigd Koninkrijk (0,8176 ).
Bron: 1 '^ 85 , jaarrekening; 1986 , de op 10 juli 1 986 door het Parlement goedgekeurde begroting ; 1987 , het door de Commissie bij
de Raad op 21 juli 1986 ingediende voorontwerp van begroting, het door de Raad op 9 september 1986 goedgekeurde
voorontwerp .
TABEL 24
Financiering van de investeringen van de Europese Gemeenschappen met kapitaalmarktleningen en verstrekte
leningen
(In miljoen Ecu)
1984 1985 1986
Verstrekte leningen per instelling of mechanisme:
Europese Investeringsbank 5 007 5 641
Commissie :
Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal 825 1 010
Euratom 186 211
Nieuw communautair instrument 1 182 884
Totaal 7 200 7 746 7 800 - 8 300
Verstrekte leningen per sector of doelstelling:
Particulier bedrijfsleven 2 709 2 830 2 500 - 2 800
waarvan : globale leningen voor het midden- en \
kleinbedrijf 1 719 1 735 1 400 - 1 600
Infrastructuurwerken 2 132 2413 2 800 - 2 900
Energie 2 359 2 503 2 500 - 2 600
Totaal 7 200 7 746 7 800 - 8 300
Bron: Commissie van de Europese Gemeenschappen „Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europese Parlement over de
leningsactiviteiten van de Gemeenschap in 1985", COM(86 ) 289 def., mei 1986 . Voor het jaar 1986 zijn de vermelde
bedragen ramingen van de diensten van de Commissie .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 71
4.6 . Sociale dialoog
Het welslagen van de Samenwerkingsstrategie hangt af van
een , vaak aanzienlijke , ombuiging van de economische
gedragingen en politiek . De stijging van de werkloosheid in
de jaren zeventig en de trage economische groei gingen
gepaard met een toename van defensieve gedragingen , die
vaak reacties waren om gewettigde posities en rechten te
vrijwaren in een door de aardoliecrisis verstoorde context . In
veel gevallen werd daarbij echter niet voldoende rekening
gehouden met de werkloosheid , zodat het nog moeilijker
werd dit probleem op te lossen .
Dit geldt voor de ondernemingen , die minder geneigd zijn te
investeren als het klimaat naar hun mening onzeker is . Dit
geldt voor de werknemers , die hun koopkracht en werkge
legenheid willen beschermen . En dit schijnt nu ook te gelden
voor de met de economische politiek belaste autoriteiten , die
door de duur en de kosten van de saneringen van het begin
van de jaren tachtig beginnen te aarzelen om gebruik te
maken van de speelruimte waarover zij beschikken .
In de Gemeenschap is op instigatie van de Commissie een
vruchtbare dialoog tot stand gekomen met en tussen de
sociale partners , vertegenwoordigd door de Unie van Indus
triefederaties der Europese Gemeenschap (UNICE ), het
Europees Centrum van Openbare Bedrijven (CEEP ) en het
Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV). De werk
zaamheden , onderverdeeld in twee groepen , de ene hande
lend over macro-economische onderwerpen , de andere over
micro-economische , hebben tot een akkoord over verschei
dene punten geleid . Dit akkoord kan als volgt worden
samengevat :
— alle partijen — ondernemingen , werknemers en overheid
— moeten de Samenwerkingsstrategie daadwerkelijk ten
uitvoer leggen om de werkloosheid in de gewenste mate te
doen afnemen ;
— er moet een snelle herallocatie van de middelen plaats
vinden ten behoeve van arbeidscheppende investeringen ,
waarbij de rentabiliteit van het bedrijfsleven nog moet
worden verhoogd door reële loonmatigingen en door een
zo sterk mogelijke beperking van de tijd die tussen de
verhoging van de rentabiliteit en de investeringsactiviteit
verloopt ;
— er moet een kader van monetaire stabiliteit in stand
worden gehouden en de inflatie moet , waar zij nog te
hoog is , worden teruggedrongen ;
— onderzoek en ontwikkeling alsmede de opleiding van de
werknemers moeten worden bevorderd ;
— de interne markt moet snel tot stand worden gebracht met
inachtneming van alle sociale aspecten daarvan ;
— de investeringen van het bedrijfsleven moeten worden
aangevuld met nieuwe economisch en sociaal rendabele
overheidsinvesteringen .
Uiteraard waren er ook enkele meningsverschillen , met name
over de rol van de overheid in het economisch leven , zowel op
het vlak van haar uitgaven en ontvangsten als op dat van de
marktregulering , alsook over de invloed op de werkgelegen
heid van een kostenneutrale hervorming en vermindering van
de arbeidstijd .
Op communautair niveau zal de Commissie de sociale
dialoog blijven aanmoedigen . In haar mededeling van juli
1 986 (COM(86 ) 364 def . ) moest zij echter vaststellen dat op
nationaal niveau niet voldoende voordeel wordt ontleend
aan de bereidheid tot samenwerking waarvan de sociale
partners op Europees niveau blijk hebben gegeven . De
regeringen van alle Lid-Staten zouden concrete aansporingen
moeten geven — waarbij zij met de nationale tradities
rekening mogen houden maar die zij misschien ook zouden
kunnen voorbijstreven — om in de nationale context tot een
dialoog over alle onderwerpen van de strategie te komen en
een voor de dialoog gunstig klimaat op het niveau van de
bedrijfstakken en de ondernemingen te scheppen ( 1 ). In
Al deze gedragingen samen hebben tot de huidige oneven
wichtigheden geleid . Slechts als zij ook alle samen worden
omgebogen kan de Europese economie aan een nieuwe
bloeitijd beginnen . De investeringsneiging van het bedrijfsle
ven zal toenemen als de vooruitzichten van de rentabiliteit en
van de vraag beter worden . De werknemers zullen gemak
kelijker instemmen met een reële loonmatiging en grotere
aanpassingen op de arbeidsmarkt als daar zichtbare werkge
legenheidseffecten tegenover staan en ten volle rekening
wordt gehouden met de sociale gevolgen van de maatregelen .
Het gevaar dat een sterker op de groei gericht macro-econo
misch beleid de inflatie stimuleert en opnieuw tot externe
onevenwichtigheden aanleiding geeft , zal des te kleiner zijn
naarmate de interne kosten worden beheerst , de onderne
mingen tegelijkertijd hun produktieve capaciteit uitbreiden
en in de Gemeenschap een dynamischer klimaat tot stand
wordt gebracht .
Het doel van de sociale dialoog moet dus zijn de gedragingen
van alle economische subjecten tegelijkertijd om te buigen .
Het is duidelijk dat de sociale dialoog alle thema's van de
Samenwerkingsstrategie , zowel de macro-economische als
de micro-economische , moet omvatten . Deelnemers zijn de
vertegenwoordigers van de werkgevers , de werknemers en de
regeringen . Gestreefd moet worden naar een ruime consen
sus over de bijdrage van iedere partij aan de Samenwerkings
strategie . Op regelmatig te houden vergaderingen — die dicht
genoeg bij elkaar moeten liggen om rekening te kunnen
houden met het conjunct uurverloop — zullen de deelnemers
de concrete toepassing van de Samenwerkingsstrategie
onderzoeken en hun acties aan de jongste ontwikkelingen
aanpassen . Ook moet de sociale dialoog het op alle niveaus
mogelijk maken de sociale gevolgen en de werkgelegenheids
effecten van de vereiste structurele en technologische veran
deringen beter op te vangen .
(') Zie artikel 3 van Richtlijn 74 / 121 / EEG van de Raad van
18 februari 1974 over de stabiliteit , de groei en de volledige
werkgelegenheid in de Gemeenschap , PB nr . L 63 van
5 . 3 . 1974 , blz . 19 .
Nr . L 385 / 72 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Japanse overschot tot een meer aanvaardbaar peil terug te
brengen . De Groep van Vijf heeft erkend dat het evenwicht
moet worden hersteld , maar op dit gebied is vrijwel nog geen
vooruitgang geboekt . Het Amerikaanse tekort en het Japanse
overschot zullen dus in 1986 en 1987 vermoedelijk nog te
hoog zijn . Het overschot van de Gemeenschap zal vermoe
delijk tijdelijk iets stijgen ten opzichte van 1985 , maar toch
binnen redelijke grenzen blijven . De algemene verdeling van
overschotten en tekorten tussen de Lid-Staten maakt evenwel
aanpassingen meer noodzakelijk , ook al is het duidelijk dat
de lopende rekeningen van de betalingsbalansen niet volledig
in evenwicht hoeven te zijn .
landen waar de regering om bijzondere redenen zich niet in
staat acht de sociale dialoog op gang te brengen , kunnen de
sociale partners zelf het initiatief nemen ; op die wijze zal ook
in deze landen de dialoog over de thema's van de commu
nautaire strategie tussen de sociale partners en — in de mate
van het mogelijke — met deelname van de regering kunnen
worden aangevat .
De sociale dialoog is een belangrijk element van de Samen
werkingsstrategie . tiet doel ervan is in het bijzonder door het
samenbrengen van vertegenwoordigers van werkgevers ,
werknemers en regeringen te komen tot de noodzakelijke
ombuigingen van het gedrag van alle economische subjecten
en tot een ruime consensus over de bijdrage van iedere
partner. De thema 's die aan de orde zouden komen moeten
alle economische en sociale aspecten van de Samenwerkings
strategie omvatten . In de Gemeenschap is op instigatie van de
Commissie een vruchtbare dialoog begonnen met en tussen
de sociale partners . De Commissie wil die dialoog nog
verdiepen . De regeringen van de Lid-Staten zouden concrete
initiatieven moeten nemen om op nationaal vlak een dialoog
op gang te brengen over alle thema 's van de strategie, daarbij
steunende op de bereidheid tot samenwerking waarvan de
sociale partners hebben blijk gegeven en rekening houdend
met de in elk land bestaande bijzondere omstandigheden .
De Verenigde Staten hebben herhaaldelijk bij de landen met
een overschot , vooral Japan en de Bondsrepubliek Duitsland ,
erop aangedrongen de binnenlandse vraag te stimuleren om
sneller tot een vermindering van hun overschot ten opzichte
van het buitenland , en derhalve van het tekort van de
Verenigde Staten , te komen . Het is echter weinig waarschijn
lijk dat een snellere groei in die twee landen , die slechts 15 %
van de Amerikaanse uitvoer opnemen , zal volstaan om het
tekort van de Verenigde Staten te doen dalen . Als alle
industrielanden , behalve de Verenigde Staten , hun binnen
landse vraag stimuleren , zal een sterkere invloed op het
Amerikaanse tekort worden uitgeoefend , want dan gaat het
om ongeveer 60% van de uitvoer van de Verenigde Staten .
Een snellere groei in alle industrielanden zou echter wel tot
een vermindering van het Amerikaanse tekort kunnen leiden ,
maar zou vrijwel geen effect hebben op het overschot van
Japan en de Bondsrepubliek Duitsland . Het vraagoverschot
van de industrielanden in de richting van Japan en de
Bondsrepubliek Duitsland zal immers een neutraliserend
effect hebben op de expansie van de invoer ten gevolge van de
snellere toename van de binnenlandse vraag in deze twee
landen .
4.7 . Internationale coördinatie van de economische
politiek
Om het tekort op de betalingsbalans van de Verenigde Staten
tot een houdbaar peil terug te brengen , moet in dat land de
binnenlandse vraag worden afgeremd , hetgeen een periode
van betrekkelijk geringe groei ten opzichte van de andere
industrielanden inhoudt . In tegenstelling tot de uitvoer is de
Amerikaanse invoer zeer inkomenselastisch , zodat deze
laatste in principe onmiddellijk op een vertraging van de
binnenlandse vraag zal reageren . In tabel 25 wordt , bij de
veronderstelling dat de reële wisselkoersen op het peil van
midden 1986 blijven , de verdeling weergegeven van de
overschotten en tekorten op de lopende verrichtingen die
men mag verwachten als de Verenigde Staten een meer
restrictieve begrotingspolitiek zouden voeren . Aan het einde
van de jaren tachtig zou het Amerikaanse tekort dan tot
ongeveer 2 % van het BBP zijn teruggedrongen , terwijl het
overschot van de Gemeenschap zou verdwijnen , maar dat
van Japan zou nog steeds onaanvaardbaar hoog blijven .
Ruim een jaar geleden werd een proces ingezet tot correctie
van de belangrijkste externe onevenwichtigheden waarvan
de wereldeconomie sedert 1982 te lijden heeft . Sedert maart
1985 , toen de dollar op zijn hoogtepunt stond , stemt het
koersverloop van de voornaamste valuta 's beter overeen met
de economische basisgegevens . Dit proces werd nog gestimu
leerd door de overeenkomst van de Groep van Vijf, die in
september 1985 te New York besloot dat een waardevermin
dering van de dollar met een overeenkomstige waardeverho
ging van de andere valuta's , met name de yen , noodzakelijk
was om een meer solide basis te geven aan de structuur van de
internationale betalingen .
Eind september 1986 waren de munten van de andere leden
van de Groep van Vijf sterk ten opzichte van de dollar
gestegen . De effectieve koers van de dollar was met 22%
gedaald , die van de yen daarentegen met 38% ten opzichte
van zijn gemiddeld niveau van 1985 verhoogd . De effectieve
koersen van de Europese valuta's waren minder verbeterd ,
doordat hun buitenlandse handel voor ongeveer de helft
tussen Europese landen plaatsvindt . Vermoedelijk zijn de
koersen , althans die van de Ecu ten opzichte van de dollar ,
thans voldoende aangepast .
Als echter rekening wordt gehouden met de enorme oneven
wichtigheden die zich in de loop van de jaren hebben
opgestapeld , vooral in de Verenigde Staten en Japan , moeten
de wisselkoersaanpassingen worden aangevuld met interne
aanpassingsmaatregelen om het Amerikaanse tekort of het
Een vastberaden toepassing van de Samenwerkingsstrategie
in de komende vier jaren zou dus een negatief effect hebben
op de betalingsbalans van de Gemeenschap . Dat kan worden
aanvaard , maar het leidt niet tot een duurzaam evenwicht .
Het zou vooral voordelen opleveren voor de betalingsbalans
van bepaalde andere Europese landen en de ontwikke
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 73
lingslanden . De invloed van deze ontwikkeling op het saldo
van de lopende verrichtingen van de Amerikaanse betalings
balans zou vrij gering zijn en bovendien een nog grotere
vertraging bij de opslorping van het Japanse overschot tot
gevolg hebben ( zie tabel 26 ). Dit zou niet de optimale koers
zijn . Een internationale dosering van maatregelen om de
onevenwichtigheden tot een aanvaardbaar peil terug te
brengen zou dus , naast een fase van betrekkelijk geringe groei
in de Verenigde Staten en snellere groei in de Gemeenschap ,
een nieuw e appreciatie van de yen samen met een budgettair
stimuleringsbeleid in Japan vereisen . In tabel 27 wordt de
verdeling gegeven van de saldi op de lopende rekeningen die
zouden ontstaan als Japan in de periode 1987—1990
begrotingsstimulansen voor een bedrag van 1 % van het BBP
geeft en de effectieve koers van de yen in de jaren
1987—1988 opnieuw met 20% stijgt . Deze dosering , met
eveneens maatregelen om de goederen- en kapitaalmarkten
open te stellen , zou het overschot van Japan sterk doen
verminderen . Dit voorbeeld toont aan dat het totale resultaat
veel groter wordt dank zij samenwerking . Het zou nog
verbeterd kunnen worden met de deelname van de EVA-lan
den , die reeds gunstig hebben gereageerd .
De gebeurtenissen van de laatste tijd hebben bewezen dat de
internationale coördinatie van de economische politiek nog
sterk kan worden verbeterd . De landen die aan de Topcon
ferentie van Tokio hebben deelgenomen zijn overeengeko
men dat het beste middel daartoe zou zijn een geheel van
indicatoren te ontwerpen om voldoende precieze streefcijfers
vast te kunnen stellen en de resultaten te volgen . Volgens dit
project zouden de nationale prognoses op hun consistentie en
op hun onderlinge verenigbaarheid worden gecontroleerd
om mogelijke bronnen van spanningen op te sporen en
corrigerende maatregelen te treffen . Vervolgens zouden met
de indicatoren de resultaten van de landen w?orden gemeten
en met de streefcijfers vergeleken om eventueel bijsturings
maatregelen te kunnen treffen . Een dergelijk systeem is
uiteraard nog geen oplossing voor alle problemen van de
internationale economische samenwerking . Voor zover dat
het een meer volledige analytische basis verschaft voor de
beoordeling van het beleid van de grote landen en de
binnenlandse en buitenlandse gevolgen daarvan , worden de
mogelijkheden vergroot om ernstige onverenigbaarheden in
het beleid van de deelnemende landen , met al wat dat aan
spanningen kan inhouden , te voorkomen .
Het besluit dat in september te Punta del Este is genomen om
aan een nieuwe ronde multilaterale onderhandelingen in het
kader van de GATT te beginnen , doet de hoop toenemen dat
een einde zal komen aan de protectionistische tendensen . Dit
is een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling van een
meer open en duurzaam multilateraal handelssysteem .
Bovendien wordt verwacht dat door de onderhandelingen de
structuren en disciplines van de GATT , die thans door
ongunstige omstandigheden verzwakt zijn , zullen worden
versterkt . Van bijzondere betekenis in dit verband is de
afspraak dat zal worden gepoogd de handel in landbouw
produkten in de besprekingen te betrekken . Ten slotte zal de
GATT zich moeten aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen in
de samenstelling van de handel . De beslissing ook de
liberalisering van de dienstverlening tot onderhandelingsthe
ma te maken is een belangrijke stap : daardoor wordt een
nieuwe sector in het multilaterale handelssysteem opgeno
men .
De recente ontwikkelingen in de internationale produktie en
de wereldhandel zijn niet voordelig geweest voor de ontwik
kelingslanden . De zwakke groei in de industrielanden vormt
een rem voor de uitvoer van de ontwikkelingslanden en heeft
de koersen van de grondstoffen doen dalen , zodat de
koopkracht van de uitvoer van de ontwikkelingslanden
( uitvoerontvangsten gedefieerd met de invoerprijzen ) dit jaar
naar raming met 1 1 % is gedaald . Bovendien is het tekort op
de lopende rekening van deze groep landen na vier jaren van
gestage verbetering weer groter geworden ondanks de verla
ging van de rentebetalingen op hun buitenlandse schuld . Het
beste middel om hun buitenlandse positie te verbeteren ligt in
de verhoging van hun uitvoer . Markten die meer openstaan
voor de produkten van de ontwikkelingslanden vormen een
essentiële voorwaarde voor enig herstel van de kredietwaar
digheid van de ontwikkelingslanden . Bovendien moet nieuw
kapitaal ter beschikking worden gesteld voor een succesvolle
herstructurering en aanpassing in de schuldenlanden om een
sterkere groei te verwezenlijken , zoals in het Baker-initiatief
is voorgesteld . Als positief voorbeeld kunnen de recente
onderhandelingen over de buitenlandse schuld en het binnen
landse aanpassingsbeleid van Mexico worden genoemd .
De recente ontwikkeling van de wisselkoersen hebben gun
stige voorwaarden geschapen voor het corrigeren van de
grote externe onevenwichtigheden die in de afgelopen jaren
werden opgebouwd, maar niet in die mate dat de oneven
wichtigheden volledig zullen verdwijnen . Een meer houdbare
structuur van de betalingsbalanssaldi zal eerst tot stand
komen als de Verenigde Staten zich budgettaire beperkingen
opleggen en Japan het omgekeerde beleid voert en de yen
opwaardeert. Als de economische politiek die koers volgt,
kunnen de voornaamste externe onevenwichtigheden van de
Verenigde Staten en Japan tegen 1 990 verdwenen zijn . Een
Een opleving van de groei in de ontwikkelingslanden is
noodzakelijk om te voorkomen dat de levensstandaard er
nog meer daalt en om het probleem van de schuldenlast te
kunnen oplossen . Het is daarbij van essentieel belang dat de
correcties van de lopende rekeningen tussen de industrielan
den onderling geen remmende invloed uitoefenen op de groei
in de ontwikkelingslanden . Een grotere groei in deze landen
kan zelfs in belangrijke mate bijdragen tot een gestage
expansie van de wereldhandel .
Nr . L 385 / 74 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
verbetering van de groeitendens in de Gemeenschap door de
tenuitvoerlegging van de Samenwerkingsstrategie voor groei
en werkgelegenheid , en in de EVA-landen , zal gunstige
effecten hebben op de wereldhandel . Deze positieve ontwik
keling zal worden versterkt door de nieuwe ronde van
multilaterale onderhandelingen in het kader van de GATT .
Dit zou een positieve invloed sorteren op de uitvoer van de
ontwikkelingslanden , zodat zij meer mogelijkheden krijgen
om hun externe positie op middellange termijn te
verstevigen .
Lopende rekening van de betalingsbalans in de periode 1986—1990
TABEL 25
Huidig beleid en wisselkoersen van medio 1986 ( referentiescenario )
( In % van het BBP
1985 1986
Gemiddelde
1987—1990
- 3,0 - 2,5 - 2,2
+ 3.7 + 4,5 + 3,2
+ 0,5 + 1,2 + 0,4
Verenigde Staten
Japan
Europese Gemeenschap
In uit scenario is de gemiddelde reële groei van het BBP in de periode 1986 tot eind 1990 : Verenigde Staten 2,7 % , Japan 3,6 % ,
Europese Gemeenschap 2,6 % .
TABEL 26
Samenwerkingsstrategie ( zonder bijzondere samenwerking van Japan )
; hl % van het BBP;
1985 1986
Gemiddelde
1987—1990
Verenigde Staten - 3,0 - 2,5 - 2,0
Japan + 3,7 + 4,5 + 3,5
Europese Gemeenschap + 0,5 + 1,2 - 0,1
In ent scenario is de gemiddelde reële groei van het BBP in de periode 1986 tot eind 1990 : Verenigde Staten 2,8% , Japan 3,7 % ,
Europese Gemeenschap 3,5°/...
TABEL 27
Samenwerkingsstrategie met expansieve begrotingspolitiek in Japan en verhoging van de effectieve koers van de
yen met 20 %
In "/o van het BBP}
1985 1986
Gemiddelde
1987—1990
Verenigde Staten - 3,0 - 2,5 - 1,7
Japan + 3,7 + 4,5 + 2,2
Europese Gemeenschap + 0,5 + 1,2 + 0,1
In dit scenario is de gemiddelde reële groei van het BBP in de periode 1986 tot eind 1990 : Verenigde Staten 2,9 % , Japan 3,4 % ,
Europese Gemeenschap 3,6 % .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 75
DEEL II
HET ECONOMISCH BELEID IN DE LID STATEN
TOEPASSING VAN DE SAMENWERKINGSSTRATEGIE VOOR GROEI EN WERKGELEGENHEID
IN DE LID-STATEN IN 1987
Bij beschouwing van de ontwikkeling van de werkgelegen
heid in de afgelopen jaren komt men noodzakelijkerwijze tot
de conclusie dat een krachtige actie in alle Lid-Staten
noodzakelijk is ter wille van een forse terugdringing van de
werkloosheid . Een uitzondering vormt Luxemburg waar de
werkloosheid zeer laag is . De gemiddelde werkloosheid per
jaar is in 1 986 slechts in vier van de twaalf landen gedaald en
zal in 1987 in de helft van de landen dalen . Voor slechts twee
landen (Duitsland en Nederland ) strekt de daling zich uit
over beide jaren . In 1986 bevond de groei van het bruto
binnenlands produkt van slechts twee landen (Duitsland en
Portugal ) zich binnen de marge van 3 tot 3,5% , die op
middellange termijn noodzakelijk wordt geacht voor een
aanzienlijke vermindering van de werkloosheid . In 1987
treedt een aanzienlijke verbetering op aangezien zich dan zes
Lid-Staten in deze positie bevinden , waaronder drie met een
groot relatief aandeel in het communautaire BBP (Duitsland ,
Spanje , Italië ), terwijl de cijfers van Frankrijk en het
Verenigd Koninkrijk slechts een kwart punt onder de
benedengrens van deze marge liggen . Hoewel derhalve
vooruitgang in de goede richting is geboekt , is het van
buitengewoon groot belang na te gaan of en onder welke
voorwaarden deze resultaten in de Lid-Staten in 1987 en de
daaropvolgende jaren kunnen worden geconsolideerd en
verbeterd en in hoeverre het economisch en sociaal beleid
tussen de landen moet verschillen in verband met de
bijzondere eisen die de economische situatie in een Lid-Staat
stelt .
Het spreekt vanzelf dat . zoals reeds in het Economisch
Jaarverslag 1985 / 1986 is gezegd , het zeer moeilijk zo niet
onmogelijk is zuiver nationaal maatregelen te treffen ter
verbetering van de werkgelegenheid en dat deze alleen
kunnen slagen bij een intensiever sociaal overleg , zowel op
het niveau van de Gemeenschap als in de Lid-Staten . De
wisselwerking tussen het regeringsbeleid en de visie van de
sociale partners is een essentiële voorwaarde voor het slagen
van iedere actie tot herstel van de werkgelegenheid .
Het rekening houden met de bijzondere nationale economi
sche omstandigheden betekent niet noodzakelijkerwijs dat
alle in het eerste gedeelte van dit verslag aanbevolen maat
regelen naar land moeten worden gedifferentieerd .
Het is wenselijk de in de punten 4.3 tot 4.6 van het eerste
gedeelte gedane voorstellen homogeen en gesynchroniseerd
uit te voeren .
Voor de verbetering van de werking van de markten voor
goederen , diensten en kapitaal en de uitvoering van het door
de Gemeenschap opgestelde Programma voor de voltooiing
van een grote interne markt zullen de Lid-Staten vrijwel
dezelfde maatregelen moeten treffen . Overgangsregelingen
zouden overigens slechts mogen worden ingesteld in verband
met bijzondere problemen van de Lid-Staten .
Voorts is het wenselijk dat de Lid-Staten een parallel beleid
voeren op de arbeidsmarkten en ten aanzien van de loon
kosten ( zoals matiging van het stijgingstempo van de reële
lonen , uit oogpunt van kostenneutrale vermindering van de
arbeidsduur , herordening van de arbeidsduur , verlaging van
de sociale lasten , krachtiger stimulering van het aanstellen
van arbeidskrachten , bevordering van de oprichting van
particuliere bedrijven ).
De stimulering van de interne vraag, die voor het bereiken
van de doelstelling van de strategie onontbeerlijk zou kunnen
worden wanneer in de loop van 1987 de stimulerende
effecten van de ruilvoetwinst beginnen weg te ebben , moet
noodzakelijkerwijze worden gedifferentieerd naar de situatie
in elke Lid-Staat .
Uit monetair oogpunt zal van een verdere rentedaling een
zeer krachtige impuls uitgaan op de investeringsactiviteit . In
landen als de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland zijn de
rentetarieven door de krachtige desinflatie reeds aanzienlijk
gedaald . Een verdere geforceerde verlaging zou de stabili
teitsdoelstellingen , die inherent zijn aan een gezond monetair
beleid , in gevaar brengen . In de meeste andere landen , met
name in Frankrijk en Italië , kan daarentegen bij geringere
inflatieverwachtingen een voortzetting van de dalingstendens
worden verwacht .
Deze binnenlandse doelstellingen kunnen echter alleen wor
den bereikt wanneer de Lid-Staten zich gezamenlijk en in het
kader van de internationale monetaire samenwerking bezig
houden met de externe aspecten van deze problematiek .
Naar alle waarschijnlijkheid zal de dollarkoers in 1987 onder
grote druk blijven staan , gezien de behoefte aan een ingrij
pende aanpassing van de betalingsbalans van de Verenigde
Staten . Een extreme depreciatie van de dollar zou niet in het
belang van de Gemeenschap zijn wegens de negatieve effecten
daarvan op de economische groei van de Gemeenschap . Aan
de aanpassingen van het monetaire beleid om een dergelijke
ontwikkeling tegen te gaan worden evenwel bepaalde gren
zen gesteld bij overschrijding waarvan deze „self-defeating"
zouden worden .
Op grond van deze overwegingen kan worden gesteld dat in
het gehele pakket van beleidsmaatregelen het monetaire
beleid in bepaalde Lid-Staten nog een stimulerend effect kan
hebben op de groei , doch dat zijn betekenis in dit opzicht in .
andere Lid-Staten zeer beperkt is .
Nr . L 385 / 76 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Op het gebied van de openbare financiën bestaat er een nog
groter verschil in beleidsruimte . In de Bondsrepubliek Duits
land en Luxemburg is de begrotingssituatie voldoende
ontspannen om een zekere ruimte te laten aan de overheid ; in
het Verenigd Koninkrijk heeft de regering in haar verklaring
van afgelopen herfst voorzien in een verhoging van de
openbare uitgaven van ongeveer 4,75 miljard pond in
1987 / 1988 . Dit brengt met zich dat de voor 1987 / 1988
voorziene openbare uitgaven in reële termen ongeveer 2 %
hoger zullen liggen dan het geraamde resultaat van 1986 /
1987 . In Frankrijk zal in 1987 een belangrijke belastingver
mindering plaatsvinden en zijn voor 1988 verdere verlichtin
gen aangekondigd , terwijl het begrotingstekort in beide jaren
zal worden verminderd . Daarentegen vereist de staat van de
openbare financiën en vooral het hoge niveau van de
overheidsschuld de voortzetting van de sanering in België ,
Griekenland , Ierland , Italië en Portugal . In een derde groep
landen (Denemarken , Spanje en Nederland ) zijn de begro
tingsmoeilijkheden minder ernstig , doch bepaalde aspecten
van de vooruitzichten voor 1987 beperken de macro-econo
mische beleidsruimte .
Bijgevolg zijn alleen de landen die tot een zeer kleine groep
behoren in staat in het algemeen invloed uit te oefenen op de
vraag- en aanbodomstandigheden . Wel zullen alle Lid-Staten
door structurele veranderingen in openbare ontvangsten en
uitgaven gunstiger constellaties kunnen scheppen voor de
ontwikkeling van de werkgelegenheid .
Desalniettemin kan worden voorzien dat in de loop van 1987
de beleidsruimte van een toenemend aantal landen groter zal
worden en dat in landen waar een dergelijke beleidsruimte
reeds bestaat krachtiger kan worden ingegrepen . Dit zal
uiteraard het geval zijn wanneer , zoals verwacht , de verbe
tering van de fundamentele voorwaarden voor het econo
misch evenwicht die reeds in 1986 is ingetreden zich in 1987
nog verder zal voortzetten .
BELGIÈ
In België zal de economische groei in 1986 vermoedelijk
aanzienlijk groter zijn dan in de periode 1981—1985 ,
waarbij de tempoversnelling niet alleen kan worden toege
schreven aan de val van de olieprijzen doch eveneens aan de
vertraging bij de opstelling van het nieuwe programma tot
sanering van de begroting . Het reële beschikbaar inkomen
van de gezinshuishoudingen zal evenals het particuliere
verbruik met meer dan 2,5% kunnen toenemen nadat deze
gedurende verscheidene jaren op vrijwel gelijk niveau waren
gebleven . Voorts zullen de bedrijfsinvesteringen krachtig
kunnen toenemen onder invloed van de verbetering van de
winstmarges . Daarentegen zal de groei in 1987 ongetwijfeld
worden geremd door de matiging van de gezinsinkomens als
gevolg van het in het voorjaar van 1986 aangenomen
programma tot sanering van de begroting . De economische
groei zal derhalve meer het werk zijn van de bedrijfsinveste
ringen en de uitvoer . De prijsstijging zal vermoedelijk zeer
zwak blijven na de belangrijke vertraging van het inflatie
tempo in 1986 (van 4,9 tot 1 ,3 % ). De lopende rekening van
de betalingsbalans zal in de beide beschouwde jaren een ruim
overschot vertonen . Het financieringstekort van de overheid
daarentegen zal in 1986 slechts een zeer geringe verbetering
vertonen , doch daarna in 1987 met 1,5 a 2 procentpunten
van het BBP kunnen dalen . De maatregelen tot sanering van
de openbare financiën zouden een ongunstig effect kunnen
hebben op de werkgelegenheid in de overheidssector , die
grotendeels zal moeten worden gecompenseerd door een
toeneming in de particuliere sector , met name op grond van
de tussen de sociale partners gesloten overeenkomsten . Voor
de jaren 1 986 en 1 987 te zamen zal de totale werkgelegenheid
en de werkloosheid nauwelijks enige wijziging ondergaan .
De inkomensontwikkeling in 1986 en 1987 past in de lijn van
het sedert 1982 gevoerde beleid dat tot nu toe is gericht op
een gematigde ontwikkeling van de reële lonen tot behoud
van het na 1982 bereikte concurrentievermogen en ter
bevordering van de verdeling van de werkgelegenheid . De
bereiking van deze doelstellingen zal in 1986 worden verge
makkelijkt door de vertraging van het inflatietempo dat door
het stelsel van indexering snel heeft geleid tot vermindering
van het stijgingstempo van de nominale lonen . De loonon
derhandelingen met betrekking tot de jaren na 1 986 verlopen
binnen het beperkende kader van de bevoegdheden waarover
de regering beschikt om het concurrentievermogen in stand te
houden . Wanneer de sectoriële loonovereenkomsten te sterk
afwijken van de algemene aanbevelingen die zijn opgenomen
in het in september 19-86 gesloten nationale akkoord tussen
de sociale partners en die verenigbaar zijn met de handhaving
van dit concurrentievermogen en de bevordering van de
werkgelegenheid , in hoofdzaak voor de jongeren , kan
gebruik worden gemaakt van de wettelijke beperkingsbe
voegdheden . De vertraagde stijging van de lonen heeft geleid
tot een daling van de reële loonkosten per eenheid produkt
van bijna 9% tussen 1981 en 1986 . De rentabiliteit van de
ondernemingen is parallel daaraan gestegen en hun financiële
situatie is verbeterd . Bovendien werd besloten tot een verdere
verlaging van de vennootschapsbelasting waarbij het maxi
male belastingpercentage zal worden teruggebracht van
45 % tot 43 % in 1 988 . Het monetair beleid ten slotte is erop
gericht om op korte termijn de rentevoet zoveel te verlagen
als verenigbaar is met de handhaving van een stabiele
wisselkoers met het resultaat dat de rente voor investerings
kredieten sedert april 1986 is gedaald tot 8,25% tegenover
12,75 % begin 1985 . Toch moest tot 1986 worden gewacht
totdat deze verbeterde omstandigheden hebben geleid tot een
aanmerkelijke groei van de bedrijfsinvesteringen aangezien
de onzekerheid omtrent de ontwikkeling van de gezinsinko
mens als gevolg van de maatregelen ter sanering van de
begroting vermoedelijk de tenuitvoerlegging van nieuwe
projecten heeft geremd . Zo zal ook de flexibiliteit op het
gebied van de arbeidstijd binnenkort worden vergroot door
de wettelijke bekrachtiging van de met de sociale partners
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 77
overeengekomen algemene invoering van een grotere
arbeidstijdflexibiliteit , waardoor een betere aanpassing van
de ondernemingen aan de schommelingen van de vraag
mogelijk zal worden zodra de nieuwe loonovereenkomsten in
werking zullen zijn getreden .
Daarentegen bevinden de openbare financiën zich in een
zodanige staat dat de enige prioriteit een strikte en snelle
sanering is ter verbreking van de spiraal „rentelasten-schul
den". De Belgische regering heeft in het voorjaar het in haar
regeringsverklaring van december 1985 aangekondigde pro
gramma ter sanering van de begroting opgesteld volgens
hetwelk het netto door de Schatkist te financieren saldo zal
worden teruggebracht tot 8% van het BNP in 1987 en tot
7% in 1989 , terwijl dit nog 11,5% in 1985 bedroeg . De
maatregel heeft in hoofdzaak betrekking op de besnoeiing
van de uitgaven . Het programma van belastingverlichting
voor natuurlijke personen , waartoe reeds eerder was beslo
ten , werd gehandhaafd en iedere verzwaring van de belas
tingheffing op aardolieprodukten werd verworpen . Het
geheel van maatregelen zou tijdelijk kunnen ingaan tegen de
recente gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid en de
binnenlandse vraag . Desalniettemin maakt de val van de
aardolieprijzen het de Belgische economie mogelijk geduren
de de periode van interne aanpassing een betrekkelijk
gunstige groei te handhaven .
De toestand van de openbare financiën beperkt noodzakelij
kerwijze de mogelijkheden tot ondersteuning van de vraag
via de begroting . Evenals vroeger zou prioriteit moeten
worden gegeven aan het herstel van het evenwicht van de
openbare financiën en de uitschakeling van de starheden aan
de kant van het aanbod , waarna pas een krachtiger en
duurzame groei mogelijk wordt . Ook de tenuitvoerlegging
van een monetair beleid dat is gericht op een zo groot
mogelijke verlaging van de rentetarieven als verenigbaar is
met de handhaving van de pariteit van de frank in het EMS
wordt sterk beïnvloed door de vermindering van het finan
cieringstekort van de overheid .
Het enorme gebrek aan begrotingsevenwicht impliceert dat
de doelstelling van de regering met betrekking tot het netto te
financieren saldo daadwerkelijk en binnen de gestelde ter
mijn moet worden bereikt en wel te meer daar de interna
tionale context in verscheidene opzichten betrekkelijk gun
stig is en de besnoeiing van de overheidsuitgaven in 1986 en
1987 door de daling van de rentetarieven wordt vergemak
kelijkt . Vóór het aflopen van de bijzondere volmachten
zullen eventueel nieuwe corrigerende maatregelen moeten
worden getroffen ter waarborging van de bereiking van de
doelstelling ( een netto door de Schatkist te financieren saldo
van 8 % van het BBP in 1987) en dit ter vermijding van elke
ontsporing die zou kunnen volgen uit een te zwak rendement
van de getroffen maatregelen of uit een minder gunstige
ontwikkeling van de exogene factoren . De enige op korte
termijn beschikbare beleidsruimte op het gebied van de
begrotingspolitiek heeft betrekking op de structuur van de
ontvangsten die beter kan worden afgestemd op het doen
ontstaan van een meer arbeidscheppende groei . Eén van de
mogelijkheden is de compensatie van een verlichting van de
premiedruk op de lonen door verhoging van de indirecte
belastingen in het algemeen of van de belastingheffing op
aardolieprodukten in het bijzonder .
Het is wenselijk een mogelijkheid te behouden tot inperking
van de loonontwikkeling na afloop van de bijzondere
machten op dit terrein , gezien de noodzaak voor de Belgische
economie gedurende de periode van interne aanpassing
concurrentiekrachtig te blijven ten opzichte van de buiten
landse vraag . De handhaving van een politiek van algemene
loonbeperking gedurende een lange periode zou desalniette
min thans in beperkte gevallen een zekere versoepeling
wettigen als reactie op de signalen van de arbeidsmarkt
wanneer zich knelpunten voordoen die moeilijk kunnen
worden weggenomen door maatregelen op het gebied van de
beroepsmobiliteit .
Nr . L 385 / 78 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 28
België : Voornaamste economische grootheden , 1961— 1987
(Jaarlijkse mutaties in
1961 /
1973
1974 /
1 980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 (') 1987 (-)
r nominaal
Bruto binnen- J reëel
lands produkt 1
deflator
9,2
4,9
4,1
10,0
2,5
7,5
3,4
- 1,5
5,0
8,7
1,5
7,1
6,3
- 0,1
6,3
6,8
1.4
5,5
6,7
1 ,5
5,1
6,7
2,0
4,6
3,1
1,3
1,8
Particulier verbruik , deflator 3,7 7,8 8,1 7,4 7,5 5,9 4,8 1,3 1,5
. f Privé
Investeringen in
vaste activa ,
- 18,1
- 6,3
- 0,3
- 8,9
- 3,6
- 7,6
4,4
- 8,8
3,8
- 13,2
7,0
- 6,4
6,9
- 9,8
volume totaa ] 5,1 1,9 - 16.3 - 1,7 - 3,9 1,0 1,2 5,3 5,0
waarvan : bouw - 22,9 - 5,4 - 5,1 - 4,2 - 0,4 2,1 2,2
installaties li 3,6 8,0 - 9,5 9,9 3,6 9,5 8,4
Binnenlandse vraag in constante prijzen - 4,1 0,3 - 2,5 1,7 1,3 3,0 1,3
Verschil ten opzichte van de partners
van de Gemeenschap ( 3 \ -0,8 - 2,6 - 0,3 - 0,8 - 0,5 - 1,4
r nominaal
Loonsom per j reëel A ( 4 )
werknemer |
L B ( 4 )
8,9
4,6
5,1
11,6
3,8
3,5
6,4
1,4
- 1,5
8,1
1,0
0,7
6,4
0,0
- 1,0
6,8
1,4
0,8
4,5
- 0,6
- 0,3
2,5
- 2,0
1,2
2,2
0,4
0,7
Produktiviteit ( 5 ) 4,3 2,4 0,5 2,9 0,9 1,4 1,0 1,7 1,9
Reële loonkosten per eenheid produkt 0,3 1,4 0,9 - 1,8 - 0,9 0,0 - 1,6 - 3,6 - 1,5
Concurrentievermogen ( 6 ) - 0,2 1,5 - 8,2 - 11,5 - 2,3 0,1 1,8 2,9 - 0,6
Werkgelegenheid 0,6 0,1 - 2,1 - 1,3 - 1,6 0,2 0,5 0,3 - 0,6
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 7 ) 2,2 6,8 11,1 13,0 14,3 14,4 13,7 12,9 13,4
Saldo lopende rekening in % van het BBP 1,0 - 1,4 - 4,6 - 3,3 - 0,6 - 0,4 0,4 2,3 2,8
Rente kapitaalmarkt 6,5 9,4 13,8 13,5 11,8 12,0 10,6 8,0 7,2
Liquiditeitenmassa 8 ) 10,1 11,2 10,0 7,5 7,0 6,1 6,7 5,8 4,0
Financieringsbehoefte of capaciteit
van de overheid in % van het BBP - 1,9 - 5,8 - 12,6 - 11,1 - 11,7 - 9,5 - 8,4 - 8,0 - 6,2
Overheidsschuld in % van het BBP 64,8 88,2 95,9 105,1 110,7 117,4 120,6 125,7
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP \ 4,4 8,0 9,3 9,4 9,9 10,6 10,6 10,7
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
(-'} Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
(') Verschil in procentpunten .
( 4 ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( 6 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
F ) Definitie Eurostat
(*) Jaarultimo .
31 . 12 . 86 Nr . L 385 / 79Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
DENEMARKEN
In Denemarken deed zich de laatste jaren in belangrijke
opzichten een aanzienlijke economische vooruitgang voor :
zowel in 1 984 als in 1985 groeide het BBP in hoog tempo met
respectievelijk 3,9 % en 3,8 % ; tegelijkertijd is de werkgele
genheid gestegen met respectievelijk 2,4% en 3,1% en ,
hoewel de toeneming van het arbeidsaanbod snel heeft
gereageerd op die van de vraag is de werkloosheid gedaald
van het recordcijfer van 10.2% in 1983tot8,2% eind 1985 .
Deze ontwikkeling werd gesteund door een krachtig herstel
van de investeringen in vaste activa als gevolg van een
aanmerkelijke verbetering van de rentabiliteit die op zich zelf
samenhangt met het stringente loonbeleid van het begin van
de jaren tachtig .
opnieuw . Deze krachtige stijgingstendens kan in hoofdzaak
worden toegeschreven aan een daling van de besparingen van
de gezinnen die eveneens een groter gebruik van leningen
hebben gemaakt . Ondanks de overheidsmaatregelen van
december 1985 en maart 1986 , die verdere verslechtering
beoogden te voorkomen , bleef de betalingsbalans verslech
teren . Desalniettemin is als gevolg van deze maatregelen de
vraag van de gezinshuishoudingen gestabiliseerd en vertoont
de activiteit in de bouwnijverheid , hoewel nog steeds inten
sief, tekenen van verzwakking . De overige particuliere
investeringen vertoonden een matige stijging met uitzonde
ring van enkele sectoren zoals energie en scheepsbouw .
Hoewel de handelsbalans in de loop van het jaar zal
verbeteren blijft de rente op de buitenlandse schuld hoog en
het tekort op de lopende rekening zal voor geheel 1986 niet
dalen . De groei van het reële BBP , die als gevolg van de
restrictieve maatregelen is teruggelopen tot ongeveer 3% ,
heeft een ongunstig effect gehad op de schepping van
werkgelegenheid zodat de werkloosheid op ongeveer 7 V4%
is gebleven . De stijging van de consumptieprijzen zal vermoe
delijk 3,5% bedragen .tegenover 5% in 1985 ondanks de
verhoging van de indirecte belastingen .
De forse toeneming van de werkgelegenheid sinds 1983 —
ongeveer 2 % per jaar — is het meest opmerkelijke resultaat
van het sedert 1982 gevolgde beleid en stemt zeer goed
overeen met de Samenwerkingsstrategie voor groei die door
de Raad in 1985 werd vastgesteld . Dit beleid was in
hoofdzaak gericht op de stimulering van het aanbod door de
groei van de reële en nominale lonen te beperken , de
overheidsuitgaven te besnoeien en door zich aan te sluiten bij
de doelstelling van interne en externe stabiliteit van de munt
binnen het EMS . Als gevolg daarvan zijn de reële lonen
tussen 1983 en 1985 gedaald en vervolgens weinig gestegen
dank zij gematigde collectieve arbeidsovereenkomsten en de
opheffing van de indexering . De hieruit voortgevloeide
toeneming van de rentabiliteit was één van de impulsen voor
de particuliere investeringen . Anderzijds kon het financie
ringstekort van de overheid , dank zij een stringente beper
king van de overheidsuitgaven en een geringe stijging van de
ontvangsten , worden verlaagd van 9,3% van het BBP in
1982 tot 1,9% in 1985 , terwijl in 1986 een overschot van
ongeveer 3% werd geregistreerd . De besnoeiing van de
begroting heeft de ruimte voor de ontwikkeling van de
bedrijfssector vergroot . Doordat het accent werd gelegd op
de inkomens en de overheidsfinanciën behoefde het monetair
beleid niet als enige de last van de stabilisatie te dragen en
bijgevolg zijn de rentetarieven aanzienlijk gedaald .
In oktober 1986 werden nieuwe maatregelen getroffen ter
vergroting van de gezinsbesparingen en ontmoediging van
het consumptief krediet . Deze omvatten een verkorting van
de aflossingsvrije periode voor nieuwe bouwleningen , hogere
zegelrechten op documenten met betrekking tot leningen en
een bijzondere belasting op de rente van aan particulieren
verstrekte consumptieve leningen . De voornaamste gebeur
tenissen die de economische ontwikkeling in het komende
jaar zullen beïnvloeden zijn de invoering per 1 januari 1987
van de eind 1986 goedgekeurde belastinghervorming en de in
maart 1987 te sluiten loonovereenkomsten . Het hoofddoel
van de belastinghervorming is de toeneming van de bespa
ringen door de gezinshuishoudingen . Zij zou een zekere
stimulans kunnen vormen voor de consumptieve vraag van
de gezinnen in 1987 door een deel van de door hun gedragen
druk van de directe belastingen over te hevelen naar het
bedrijfsleven en andere instellingen , inclusief die zonder
winstoogmerk die thans van belasting zijn vrijgesteld . Dit
effect wordt evenwel gecompenseerd door de verhoging van
de heffingen van de lagere overheden , alsmede door de in
oktober 1986 getroffen maatregelen . De vermindering van
de arbeidsduur , die wordt gecompenseerd door een dienover
eenkomstige verhoging van de uurlonen , en de voorgeno
men uitbreiding van de uitkeringen wegens ziekte zullen
leiden tot een loonsstijging per werknemer van meer dan 3 %
begin 1987 , hetgeen de voor nieuwe verhogingen bij de
tweejarige loonovereenkomsten voor maart 1987 beschikba
re marge beperkt . Na de krachtige stijging van 1984—1986
zullen de installatie-investeringen aanzienlijk minder krach
tig zijn in 1987 , vooral in de energiesector . Over het geheel
genomen zal de groei aanzienlijk geringer zijn dan in 1986 en
sterker afhankelijk zijn van externe factoren . De werkloos
heid zal iets hoger zijn dan het waarschijnlijke niveau voor
1986 . Gemiddeld zouden de consumptieprijzen met 3,5 a
4% kunnen stijgen , hetgeen ongeveer even sterk is als in
1986 toen zich de effecten deden gevoelen van de belasting
verhoging voor energie ter wegneming van het effect van de
Ondanks deze belangrijke begrotingscorrectie is het tekort
op de lopende rekening tussen 1983 en 1985 aanzienlijk
toegenomen , zowel onder invloed van een verslechtering van
de handelsbalans en een aanzienlijke toeneming van de
netto-rentelasten als gevolg van het gezamenlijke effect van
de stijging van de dollarkoers tot medio 1985 waardoor het
in nationale munt uitgedrukte bedrag van de schuld groter is
geworden , als van de voortdurende toeneming van de schuld
zelf . Terwijl in 1985 het tekort op de handelsbalans met 4,4
punten van het BBP daalde ten opzichte van 1979 , bedraagt
het tekort op de lopende rekening nog 4,4 % , dit wil zeggen
weinig minder dan de 4,7% van 1979 en aanzienlijk meer
dan de 3,3% van 1984 .
In 1986 bleef de binnenlandse vraag in het eerste halfjaar
aanzienlijk stijgen en overtrof het potentiële aanbod
Nr . L 385 / 80 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
lagere olieprijzen en van de dollarkoers op de koopkracht van
gezinshuishoudingen ( 1 ). De lopende rekening van de beta
lingsbalans zal een aanmerkelijke verbetering vertonen .
De in 1986 waargenomen loondrift als gevolg van sectorieel
gebrek aan evenwicht van de arbeidsmarkt en de verwachte
produktiviteitsstijging maken voortzetting van de matigings
tendens in de loonovereenkomsten wenselijk door met name
de verlichting van de inkomstenbelasting voor 1987 in
aanmerking te nemen .
Afgezien van de netto-rentebetalingen wordt het tekort op de
lopende rekening in hoofdzaak veroorzaakt door een vraag
overschot en niet zozeer door een wijziging van het prijscon
currentievermogen . De recente verzwakking van de Deense
kroon in het EMS wijst er evenwel op dat de ruimte van de
autoriteiten nauw blijft en dat er bij het monetair beleid
rekening moet worden gehouden met de vereisten voort
vloeiend uit buitenlandse financiering . Voorts zijn de maat
regelen ter bevordering van het sparen door gezinshuishou
dingen en de vermindering van hun schuldenlast in het kader
van de in oktober getroffen maatregelen van kardinale
betekenis . De uitbreiding van de pensioenregelingen , die zijn
gebaseerd op vrijwillige bijdragen , tot een groter deel van de
bevolking , eventueel in het kader van de loonovereenkom
sten , zouden hiertoe eveneens een nuttige bijdrage kunnen
leveren . Op korte termijn zal het extern tekort iets geringer
worden , terwijl op langere termijn een toegenomen bespa
ring in staat zal stellen tot financiering van een groter
investeringsvolume en verbetering van het groeipotentieel
zonder het externe evenwicht in gevaar te brengen .
Eveneens is het geboden de economische structuren aan te
passen aan de wijzigingen van het internationale klimaat . Er
zijn reeds maatregelen genomen en andere nog in voorberei
ding ter uitbreiding van de beroepsopleiding en het onder
zoek op die terreinen waar dergelijke maatregelen bijzonder
doeltreffend lijken te zijn . De mogelijkheden tot wijziging
van de huidige arbeidsorganisatie , versoepeling van de
reglementering daarvan en verhoging van het aanpassings
vermogen van de markt zouden moeten worden onderzocht
en met de sociale partners worden besproken .
Als gevolg van de vroegere tekorten is de bruto buitenlandse
schuld thans bijna 40 % van het BBP , welk percentage vrijwel
gelijkelijk wordt gedeeld tussen overheidsschuld en particu
liere schuld . Bij een gemiddelde toeneming van het nominale
BBP van 6 % in de komende jaren zou de verhouding tussen
de buitenlandse schuld en het BBP stabiel kunnen blijven met
een lopend tekort van 2,5 % van het BBP. Bij een geringer
tekort zal deze verhouding kleiner worden . Als eerste etappe
lijkt het urgent reeds in 1988 het tekort terug te brengen tot
een met de stabiliteit van de relatieve schuldenlast verenig
baar niveau , hetgeen op korte termijn amper zou kunnen
worden bereikt zonder een voortdurend strikt begrotingsbe
leid overeenkomstig de officiële doelstellingen . Een extra
verlaging van het betalingsbalanstekort zou in de komende
jaren deze last kunnen verlichten . Voor 1987 zal het
financieringsoverschot van de gehele overheid dat impliciet
in de ontwerp-begroting is opgenomen , ten opzichte van
1986 ongewijzigd blijven , dit wil zeggen ongeveer 3% van
het BBP en overeenkomen met een gering overschot op de
begroting van de centrale overheid . Gezien de betalingsba
lansmoeilijkheden en de noodzaak een evenwichtige econo
mische ontwikkeling te verzekeren zou deze doelstelling
kunnen worden bereikt door de zeer strikte toepassing van
het op nulgroei van de overheidsuitgaven gerichte beleid dat
in de afgelopen jaren is gevoerd .
(') Bij de ramingen in deze tekst is rekening gehouden met de
effecten van de in oktober getroffen maatregelen , terwijl het niet
mogelijk was de overeenkomstige herzieningen in de cijfers van
tabel 29 aan te brengen .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 81
TABEL 29
Denemarken : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
( Jaarlijkse mutaties in %
\ 1961 /1973 1974 /1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 (>) 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen- I reëel
lands produkt j
deflator
11 ,7 11,7
1,6
9,9
9,1
- 0,9
10,1
14,4
3,0
11,3
10,4
2,0
8,1
9,9
3,4
5,8
9,5
3,8
5,4
7,8
2.9
4,8
5,5
1,8
3,7
Particulier verbruik , deflator 6,6 10,1 12,0 10,8 7,2 6,6 5,0 3,3 2,8
r privé
Investeringen
in vaste activa , -j overheid
volume totaa ] 6,6
- 5,1
- 2,2
- 3,1
- 19,7
- 17,0
- 19,2
10,9
- 9,4
7,1
4,0
- 15,4
0,9
12,4
1,7
11,0
15,9
5,4
14,6
10,7
2,4
9,8
- 1,3
2,1
- 0,9
waarvan : bouw - 4,9 - 21,7 - 1,3 1,1 7,2 13,1 6,3 - 0,7
installaties .I 0,7 - 15,0 20,1 0,6 15,8 16,5 13,7 - 1,2
Binnenlandse vraag in constante prijzen \ 0,6 - 4,1 3,5 0,9 4,0 5,3 4,1 1,8
Verschil ten opzichte van de partners
van de Gemeenschap ( 3 ) 2,7 - 0,3 2,6 3,3 - 0,7 - 1,5
r nominaal
Loonsom per J reëel A ( 4 )
werknemer |
L B ( 4 ).
10,7
3,4
3,8
11,7
1,6
0,8
9,2
- 0,8
- 2,5
12,1
1,4
1,6
7,9
- 0,2
0,6
5,4
- 0,3
- 1,1
4,4
- 1,0
- 0,6
4,0
- 0,7
0,7
5,9
2,1
3,0
Produktiviteit ( 5 ) 3,2 1,2 0,4 2,7 1,6 1,2 0,7 0,0 1,5
Reële loonkosten per eenheid produkt 0,2 0,4 - 0,9 - 1,3 - 1,8 - 1,5 - 1,7 - 0,7 0,6
Concurrentievermogen ( 6 ) 1.7 - 0,3 - 7,5 - 3,2 - 0,5 - 3,5 0,9 3,8 0,6
Werkgelegenheid 1,1 0,4 - 1,3 0,3 0,5 2,4 3,1 1,9 0,3
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 7 ) 1,1 5,5 8,9 9,5 10,2 9,8 8,7 7,5 7,6
Saldo lopende rekening in % van het BBP - 2,1 - 3,5 - 3,0 - 4,2 - 2,2 - 3,3 - 4,4 - 4,1 - 3,6
Rente kapitaalmarkt 9,0 16,0 19,3 20,5 14,4 14,0 11,6 10,4 10,5
Liquiditeitenmassa ( 8 ) 10,6 11,7 9,1 11,4 25,5 17,0 15,8 7,7 2,9
Financieringsbehoefte of -capaciteit
van de overheid in % van het BBP 2,0 - 0,6 - 7,1 - 9,3 - 7,3 - 4,2 - 1,9 2,8 2,8
Overheidsschuld in % van het BBP 19,2 43,6 53,0 62,8 67,7 66,4 61,1 57,1
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP 2,2 5,3 6,0 8,1 • 9,6 9,8 8,8 8,0
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 waarbij geen rekening is gehouden met de effecten van de aan het einde van deze maand getroffen
maatregelen , op basis van het huidige beleid .
( 3 ) Verschil in procentpunten .
{*) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( 6 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
( 7 ) Definitie Eurostat .
( 8 ) jaarultimo .
Nr . L 385 / 82 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
BONDSREPUBLIEK DUITSLAND
In de Bondsrepubliek Duitsland is het herstel in 1986 zijn
vierde jaar ingei reden . Aan het begin van het jaar werd de
groei evenwel ongunstig beïnvloed door verschillende uitzon
derlijke factoren , zoals de strenge winter , de onzekerheid
omtrent de toekomstige ontwikkeling van de dollarkoers en
de olieprijs en het bijzonder geringe aantal werkbare dagen .
Ondanks het herstel van de activiteit met ingang van het
tweede kwartaal zal de reële groei voor 1986 , iets groter dan
3 % , wat lager liggen dan aan het begin van het jaar nog werd
voorzien . De groei werd in hoofdzaak bepaald door het
particulier verbruik en de bedrijfsinvesteringen . Het particu
lier verbruik werd gestimuleerd door de loonsstijging die ,
gezien de feitelijke prijsstabiliteit in 1986 , heeft geleid tot de
krachtigste volumestijging van de consumptieve bestedingen
sedert 1971 . Overigens werden de investeringen gestimu
leerd door de vergroting van de binnenlandse afzetmogelijk
heden en door een nieuwe stijging van de winsten als gevolg
van de gunstige ruilvoet . Het zwakke stijgingstempo van het
uitvoervolume en de forse toename van het invoervolume —
welke verschijnselen zich voordeden sedert eind 1985 —
hebben evenwel geleid tot een aanmerkelijke verslechtering
— met 1,4% van het BBP — van de reële buitenlandse
positie , hetgeen evenwel geen belemmering vormde voor een
recordoverschot op de lopende rekening van de betalingsba
lans van bijna 63 miljard DM als gevolg van de aanzienlijke
verbetering van de ruilvoet .
Hoewel het effect van uitzonderlijke factoren die in 1986 de
binnenlandse vraag hebben gestimuleerd wegebt zal deze in
1987 nog op eigen kracht toenemen terwijl de uitvoermoge
lijkheden in het bijzonder binnen het EMS-gebied opnieuw
enigszins zullen verbeteren . Het herstel zal zich derhalve in
het vijfde achtereenvolgende jaar voortzetten . De groei van
het reële BBP zal aldus 3 V4 % kunnen bedragen . Aangezien
de ruilvoet vrijwel ongewijzigd zal blijven zullen de prijzen de
ontwikkeling van het binnenlandse kostenpeil volgen en
opnieuw een matige stijging vertonen . Het saldo van de
lopende rekening zal aanzienlijk teruglopen , tot 44 mil
jard DM , dit wil zeggen 2,1 % van het BBP .
Naar alle waarschijnlijkheid zal de werkgelegenheid in 1986
toenemen met 280 000 eenheden en in 1987 met nog
250 000 . Hoewel in vroegere conjuncturele herstelperioden
de toeneming van de werkgelegenheid zich vooral situeerde
in de dienstensector begint deze zich nu ook in de huidige fase
voor te doen in de verwerkende industrie met groeicijfers van
respectievelijk 1 V2 en 1% . Ondanks het grote aantal
maatregelen ter bevordering van de doorstroming op de
arbeidsmarkt zal het aantal werklozen in 1986 slechts met
80 000 teruglopen en in 1987 met iets meer dan 90 000 ,
hetgeen aanzienlijk minder snel is dan de toeneming van de
werkgelegenheid aangezien de meeste geschapen arbeids
plaatsen worden ingenomen door werkzoekenden die voor
het eerst hun intrede doen op de arbeidsmarkt .
Hoewel in de afgelopen jaren de economische situatie in de
Bondsrepubliek Duitsland steeds gunstiger is geweest dan in
de naburige Europese landen heeft het werkloosheidspro
bleem niets van zijn scherpte verloren . Het is dan ook van het
grootste belang een vastberaden actie te ondernemen ter
oplossing van dit probleem . In de voorgaande jaren hebben
de sociale partners reeds bij de onderhandelingen over de
collectieve arbeidsovereenkomsten rekening gehouden met
de gewijzigde verhoudingen op de arbeidsmarkt ; deze heb
ben geleid tot een verlaging van het loonaandeel tussen 1981
en 1985 met meer dan 4 procentpunten . Onder de gunstige
invloed van de verbetering van de ruilvoet zal deze tendens
zich in 1986 nog voortzetten , hoewel in de collectieve
overeenkomsten uiteraard niet anticipatief met de onver
wacht gunstige ontwikkeling van het binnenlands prijspeil in
1986 rekening kon worden gehouden .
De matige stijging van de reële lonen heeft in de afgelopen
jaren krachtig bijgedragen tot verbetering van de winsten van
het bedrijfsleven en bijgevolg tot verhoging van de rentabi
liteit van de investeringen . Deze verbetering van het investe
ringsklimaat heeft reeds geleid tot een aanzienlijke toeneming
van de bedrijfsinvesteringen , die in de laatste tijd ook vaker in
uitbreiding van de produktiecapaciteiten uitmonden zodat
zich recent weer een krachtige groei voordeed in de bouwin
vesteringen exclusief woningbouw .
De investeringen in woningen vertonen een minder gunstige
ontwikkeling onder invloed van de afnemende bevolking en
de dispariteit tussen de ontwikkeling van de bouwkosten en
van de inkomens die de vertragingstrend van de vraag
krachtig hebben versterkt . De toekomst van de sector zal
worden bepaald door zijn vermogen de kostenstijging bene
den de algemene stijging van het prijsniveau te houden .
Bovendien zal de ombuiging van de investeringen in de
woningbouw naar een betere instandhouding van het
woningbestand en een hogere kwaliteit daarvan in de
toekomst de mogelijkheid tot het scheppen van werkgelegen
heid vergroten .
De crisis in de bouw werd in de afgelopen jaren verergerd
door de vermindering van de overheidsinvesteringen . De
vooruitgang bij de consolidatie van de begroting werd
namelijk eveneens bereikt ten nadele van deze categorie van
vooral op gemeentelijk niveau verrichte investeringen . Sedert
1985 evenwel zijn de overheidsinvesteringen w7eer beginnen
te stijgen . In 1 986 bedroeg de nominale stijging daarvan 6 % .
De investeringen met betrekking tot de infrastructuur , de
milieubescherming en de stadsvernieuwing werden aange
moedigd door nieuwe maatregelen waarvan eveneens de
particuliere investeringen hebben geprofiteerd . De eerste fase
van de belastinghervorming en de geringe verlaging met
0,1% van de werkloosheidspremies , tenslotte , hebben
eveneens een bijdrage geleverd tot de verbetering van de
aanbodomstandigheden terwijl zij tegelijkertijd de vraag
ondersteunden . Bovendien houden de financieringsprogram
ma's op middellange termijn van de lagere overheden tot
1990 een nominale groei in van 4 a 5 % van hun investerin
gen . Daarmee zullen de overheidsinvesteringen , in tegenstel
ling tot de afgelopen jaren , opnieuw in een zelfde tempo als
de algemene economische groei toenemen .
Het monetair beleid bleef gericht op stabiliteit waardoor het
inflatiepercentage nog is teruggelopen en de markttendens
volgend zijn de debetrentetarieven tot een historisch mini
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 83
mum gedaald . Tot dusverre werd deze ontwikkeling bevor
derd door externe invloeden . In 1986 heeft de groei van het
„centrale-bankgeld" de bovengrens van de vastgestelde mar
ge voortdurend overschreden , hetgeen de Bundesbank heeft
genoopt tot een gereserveerde houding ten aanzien van iedere
verdere verlaging van de geldmarktrente .
In het bedrijfsleven zijn de aanbodomstandigheden verbe
terd . Het proces van differentiatie van de lonen op basis van
de beroepskwalificaties is weliswaar niet overal voortge
schreden , doch in veel sectoren werden verminderingen van
de arbeidstijd overeengekomen terwijl steeds talrijkere moge
lijkheden werden geschapen tot herordening van de arbeids
tijd met als doel een verbetering van de werkgelegenheids
situatie . Gezien de inmiddels gebleken klaarblijkelijke
schaarste aan gekwalificeerde arbeidskrachten is het aange
wezen dat de ondernemers zich nog intenser bezighouden
met opleiding en omscholing .
Over het geheel genomen beginnen de door het monetair
beleid , begrotingsbeleid en inkomensbeleid getroffen maat
regelen tot schepping van een heilzame omgeving voor een
meer arbeidscheppende groei vrucht te dragen . Daar komt bij
dat de binnenlandse vraag onder de gunstige invloed van de
verbetering van de ruilvoet krachtiger is geworden . Gezien de
geleidelijke wegebbing van de effecten van de positieve
olieschok evenwel zal het economisch beleid in de toekomst
opnieuw het bewijs moeten leveren dat dit in staat is een
duurzame en bevredigende groei te verzekeren .
Door het begrotingsbeleid van de afgelopen jaren kon het
overheidstekort zodanig worden verminderd dat de inkom
stenbelasting in twee etappes , in 1986 en 1988 , kon worden
verlaagd zonder de reeds bereikte sanering in gevaar te
brengen . In feite is het tekort van de centrale overheid (bond
en deelstaten ) in 1986 nog iets verder teruggelopen . Het voor
1987 verwachte tekort ( bijna 2% van het BBP ) kan in
verband met de huidige groeivooruitzichten als redelijk
worden beschouwd . Gezien met name de gevaren die de
ontwikkeling van de buitenlandse vraag voor de economi
sche bedrijvigheid zou kunnen hebben zou het begrotingsbe
leid desalniettemin in staat moeten zijn snel te reageren op
iedere aanmerkelijke verzwakking van de totale vraag .
De tweede etappe van de belastinghervorming die in 1988
een belastingverlichting voor de gezinshuishoudingen bete
kent van bijna 10 miljard DM zal wegens de daarmee
samenhangende geringere belastingprogressiviteit een stimu
lans vormen tot prestatie en terzelfder tijd de vraag onder
steunen . De voor de volgende regering aangekondigde
belastinghervorming zal eveneens bijdragen tot verhoging
van de prestatieneiging en aldus de groeifactoren bevorderen .
Zij zal daarin des te beter slagen naarmate de concrete
modaliteiten van de hervorming sneller worden vastgelegd .
Wanneer tegelijkertijd de onontbeerlijke uitgavenbezuinigin
gen zouden worden vastgesteld zou veel gemakkelijker het
reeds herhaaldelijk aangekondigde project van systematische
ontmanteling van de subsidies aan het bedrijfsleven kunnen
worden gerealiseerd . Bovendien zou kunnen worden over
wogen al naar de beschikbare capaciteiten de uitgaven voor
rendabele overheidsinvesteringen te verhogen tot boven de
huidige kredieten . Tenslotte zou een verlaging van de sociale
premies die aan het Bondsbureau voor Arbeid worden
overgemaakt kunnen worden overwogen . De desbetreffende
begroting vertoont immers sedert verscheidene jaren een
overschot , dat in de toekomst met het teruglopen van de
werkloosheid nog groter zal worden .
Ook het loonbeleid moet zijn bijdrage leveren tot de
ondersteuning van de werkgelegenheid , hetgeen des te
gemakkelijker is naarmate de vraagvooruitzichten zekerder
zijn . De toeneming van de reële lonen per hoofd moet lager
blijven dan die van de algemene produktiviteit . Te dien
aanzien moeten de sociale partners inzien dat , in tegenstelling
met hetgeen zich uitzonderlijk in 1986 heeft voorgedaan , de
ruilvoet niet opnieuw in 1987 een voor verdeling in aanmer
king komende meerwaarde zal opleveren en dat het geboden
is de aanmerkelijke vermindering van het concurrentiever
mogen , als gevolg van de appreciatie van de mark ten
opzichte van de dollar , voor zover mogelijk niet in de
exportprijzen door te berekenen , hetgeen uiteraard schade
lijk is voor de rentabiliteit van de ondernemingen .
De huidige doelstelling van het monetair beleid , namelijk de
financiering op middellange termijn van een bevredigende
groei van het produktiepotentieel met behoud van de prij
zenstabiliteit , moet worden voortgezet . Onder voorwaarde
dat de loonkosten niet aanzetten tot prijsstijging zou een
dergelijk beleid ruimte moeten bieden tot een verdere
marktconforme verlaging van de toonaangevende rentetarie
ven . Indien daarentegen een daling van deze rentetarieven op
korte termijn om externe redenen noodzakelijk zou worden ,
zou dit een ongunstige invloed kunnen hebben op de
renteanticipaties op de kapitaalmarkt , gezien het tempo van
de monetaire expansie .
Ter verbetering van de aanbodomstandigheden op het
micro-economische vlak , werden in het verleden reeds een
groot aantal maatregelen getroffen die zowel betrekking
hebben op de markten van de goederen als van de produk
tiefactoren . De administratieve belemmeringen en in vele
sectoren de buitensporige staatsbemoeienis blijven evenwel
een belemmering vormen voor een doeltreffender allocatie
van de produktiefactoren . Een krachtiger beleid zal nodig
zijn ter wegneming van deze belemmeringen .
Nr . L 385 / 84 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 30
Bondsrepubliek Duitsland : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
(Jaarlijkse mutaties in %}
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 (') 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen - I reëel
lands produkt |
deflator
8,9
4,4
4,4
7.1
2.2
4,8
4,2
0,2
4,0
3,7
- 0,6
4,4
4,8
1,5
3,3
4,7
2,7
1,9
4,9
2,6
2,2
7,1
3,1
3,9
4,6
3,2
1,4
Particulier verbruik , deflator 3,5 4,8 6,2 4,8 3,2 2,5 2,1 0,0 1,1
r privé
Investeringen in
vaste activa , overheid
volume totaa ]
waarvan : bouw
3,7
5,9
4,0
3,5
0,9
0,3
0,8
- 0,3
- 3,9
- 9,7
- 4,8
- 5,1
- 4,5
- 9,3
- 5,3
- 4,3
5.1
- 8,6
3.2
1,7
1,2
- 2,1
0,8
1,6
- 0,3
- 0,4
- 0,3
- 6,2
7,1
5,0
3,5
0,7
5,5
4,8
5,5
3,5
installaties 5,2 3,0 - 4,3 - 6,7 5,6 - 0,5 9,4 7,5 8,0
Binnenlandse vraag in constante prijzen 4,5 2,3 - 2,7 - 2,0 2,3 1,9 1,5 4,8 4,2
Verschil ten opzichte van de partners van
de Gemeenschap ( 3 ) - 3,4 1,5 0,2 - 0,9 2,0 0,7
r nominaal
Loonsom per J reëel A (" >
werknemer |
L B ( 4 )
9,2
4,6
5,5
7,4
2.5
2,5
5,2
1,2
- 0,9
4,1
- 0,3
- 0,7
3,8
0,5
0,6
3,4
1,4
0,9
3,0
0,8
0,9
4,0
0,1
4,0
3,2
1,8
2,1
Produktiviteit ( 5 ) 4,1 2,5 0,9 1,1 3,0 2,6 1,9 1,9 2,2
Reële loonkosten per eenheid produkt ( 6 ) 0,5 0,0 0,3 - 1,4 - 2,4 - 1,1 - 1,0 - 1,8 - 0,4
Rentabiliteit ( 7 ) || 4,2 11,2 4,4 6,4 12,6 2,9
idem ( 1961 / 19~3 = 100 ) 100 70,9 70,9 73,9 • 82,2 85,8 91,3 102,8 105,8
Concurrentievermogen ( 8 ) || 2,5 1,5 - 2,0 - 2,5 5,4 1,8
Werkgelegenheid 0,2 - 0,3 - 0,7 - 1,7 - 1,5 0,1 0,7 1,1 1,0
Aantal geregistreerde werklozen in % van
de burgerlijke beroepsbevolking ( 9 ) 0,8 3,6 4,8 6,9 8,4 8,4 8,4 8,1 7,7
Saldo lopende rekening in % van het BBP 0,7 0,4 - 0,8 0,5 0,6 1,0 2,2 3,2 2,1
Rente kapitaalmarkt 7,2 7,8 10,4 9,0 7,9 7,8 6,9 5,6 5,1
Liquiditeitenmassa ( 10 ) 10,9 8,5 5,0 7,1 5,3 4,7 5,0 5,6 5,4
Financieringsbehoefte of -capaciteit
van de overheid in % van het BBP 0,3 - 2,9 - 3,7 - 3,3 - 2,5 - 1,9 - 1,1 - 0,9 - 0,7
Overheidsschuld in % van het BBP 17,7 27,7 36,4 39,5 41,0 41,9 42,5 41,6 41,3
Rentelast overheidsschuld in % van
het BBP 0,9 1,6 2,3 2,8 3,0 3,0 3,0 2,9 2,9
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
(') Verschil in procentpunten .
( 4 ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
{ ° ) Verhouding tussen de reële loonsom per werknemer en de produktiviteit .
( 7 ) Netto-exploitatieoverschot op de nettovoorraad kapitaalgoederen tegen vervangingswaarde .
( s ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel .
Positief cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
(*) Definitie Eurostat .
( ,0 ) M3 ; jaarultimo .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 85
GRIEKENLAND
In Griekenland betekenen de stabilisatiemaatregelen van
oktober 1985 tot herstel van de voorwaarden voor een
duurzame groei en een toekomstige economische convergen
tie met de rest van de Gemeenschap een ommekeer in een
economisch beleid dat het gebrek aan evenwicht steeds groter
heeft laten worden . In 1985 was het netto-financieringste
kort van de overheid gestegen tot ongeveer 1 8 % van het BBP
en bedroeg het tekort op de lopende rekening van de
betalingsbalans 3,3 miljard US-dollar , dit wil zeggen 10%
van het BBP . Gezien deze situatie heeft de regering in oktober
1985 een rigoureus herstelplan opgezet , dat onder meer een
devaluatie van de drachme met 15 % inhield en een verplicht
renteloos deposito instelde voor een deel van de invoer . Dit
tweejarenplan is gericht op een krachtige vertraging van het
stijgingstempo van de loonkosten , een aanzienlijke vermin
dering van het financieringstekort van de overheid en een
krachtige beperking van de monetaire expansie . In haar
poging tot herstel van de betalingsbalans werd de regering
gesteund door een communautaire lening waarvan de eerste
tranche onmiddellijk werd overgemaakt en de tweede tran
che begin 1987 zal worden verstrekt .
Het loonbeleid berust thans op de aanpassing van de lonen
niet meer aan het prijsstijgingstempo uit het verleden , maar
aan een geprogrammeerde stijging die de invloed van het
invoerprijspeil uitsluit . Bij vastberaden toepassing zou dit in
1986 leiden tot een daling van de reële lonen met meer dan
7 % en zal de stijging van de loonkosten per eenheid produkt
in de verwerkende industrie worden beperkt tot een jaarge
middelde van 13 % tegenover 20,5 % in 1985 . Deze ontwik
keling zal , te zamen met een desinflatoire wisselkoerspolitiek
die het verschil in de loonkosten per eenheid produkt en niet
in de detailhandelsprijzen compenseert en met een matige
aanpassing van de door de Staat vastgelegde prijzen in 1986 ,
in staat stellen de stijging van de consumptieprijzen te
vertragen van 25% eind 1985 tot 16% eind 1986 . Wegens
het hoge peil eind 1985 komt deze laatste vertraging evenwel
nog niet volledig tot uiting in het jaargemiddelde , dat in 1 986
22,5% zou kunnen bedragen tegenover 19,3% in
1985 ( 1 }.
Op het gebied van de overheidsfinanciën , waar het accent
sterker wordt gelegd op de verhoging van de ontvangsten dan
op het afremmen van de uitgaven , zal het financieringstekort
van de overheid in 1986 ongeveer 14% van het BBP
bedragen , dit wil zeggen 4 procentpunten lager dan in 1985 ,
hetgeen weliswaar in overeenstemming is met het besluit van
de Raad tot verlening van de communautaire lening , doch
aanzienlijk geringer is dan bij de indiening van de begroting
was voorzien . Bovendien kan een aanzienlijk deel van deze
verbetering — ongeveer 2,5 procentpunten — worden
toegeschreven aan de prijsdaling van aardolie welke de
regering grotendeels heeft gecompenseerd door een verho
ging van de belastingheffing op aardolie . Op monetair gebied
dreigt de doelstelling van de binnenlandse algemene krediet
beperking te worden overschreden , niet alleen wegens de
teleurstellende resultaten van de plaatsing van staatsobliga
ties bij het publiek doch eveneens omdat de groeimarge voor
de kredietverlening aan de particuliere sector te ruim was
berekend gezien de daadwerkelijke ontwikkeling van het
begrotingstekort .
Andere factoren hebben bijgedragen tot de vertraging van de
aanpassing van de vraag . Na vele jaren van stijging reageerde
het verbruik slechts zeer traag op de stabilisatiemaatregelen ,
getuigend van een fundamentele inertie in de hand gewerkt
door de schaduweconomie . Daar komt bij de anticipatie op
een nieuwe devaluatie in de eerste maanden , die nog werd
versterkt door de hoge liquiditeit van de economie waartoe in
het eerste halfjaar de overschrijding van de voor de binnen
landse kredietbeperking gestelde normen heeft bijgedragen .
Derhalve heeft de binnenlandse vraag voor geheel 1986
slechts een zeer geringe daling vertoond die in hoofdzaak kan
worden toegeschreven aan het teruglopen van de overheids
investeringen terwijl het particuliere verbruik nauwelijks
verschilt van dat van het voorafgaande jaar . Zo is de invoer
niet in de verwachte mate vertraagd , terwijl de uitvoeront
wikkeling minder krachtig was dan voorzien . Over het geheel
genomen vertoonde het BBP in 1986 nog een geringe groei .
De trage verbetering van de reële handelsbalans , die eveneens
kan worden toegeschreven aan een tijdelijk ongunstige
exportstructuur en de matige resultaten van het toeristenver
keer , heeft te zamen met het ongunstige effect dat de
devaluatie aanvankelijk op de ruilvoet heeft uitgeoefend ,
ertoe geleid dat de lopende rekening van de betalingsbalans
ondanks een aanzienlijke verbetering in het tweede halfjaar
in 1986 een tekort zal vertonen tussen 4,5 en 5% van het
BBP , hetgeen iets groter is dan het gestelde doel van
1,7 miljard US-dollar .
Deze ontwikkelingen nopen tot de vastberaden voortzetting
van het herstelprogramma in 1987 .
Het loonbeleid zal zorg moeten dragen voor een matige
stijging van de nominale lonen op basis van een medio 1987
tot 10 % teruggebracht inflatiepercentage — afgezien van het
effect van de invoering van de BTW — en door rigoureuze
toepassing van het eind 1985 goedgekeurde indexeringsstel
sel . De deflatoire effecten van het loonbeleid zullen in 1987
desalniettemin beperkt zijn , zodat het hoofdaccent van het
stabilisatiebeleid zal moeten worden gelegd op het budgettair
en monetair beleid .
De sanering van de overheidsfinanciën zal streng moeten
worden voortgezet ten einde het netto-financieringstekort
van de overheid in 1987 terug te dringen tot een niveau dat
verenigbaar is met de begrotingsdoelstelling van het herstel
programma . Gezien de toename van de rentelasten impliceert
deze doelstelling een zeer strikt beheer van de andere
uitgaven , met name voor de overheidsconsumptie . Boven
dien zullen de overdrachten aan bedrijven aanzienlijk moeten
worden verlaagd , onder meer door verlaging van de uitvoer
steun , van de landbouwsubsidies en van de financiële
bijstand aan in moeilijkheden verkerende bedrijven . De
noodzakelijke verhoging van de ontvangsten zal grotendeels
( 3 ) In november 1986 heeft de regering de prijzen tot eind januari
1987 bevroren ter vermijding van een buitensporige prijsstijging
als gevolg van de invoering van de BTW .
Nr . L 385 / 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
voortvloeien uit de verruiming van de belastinggrondslag , de
intensievere bestrijding van fraude alsmede de grotere toe
stroming van middelen door de invoering van de BTW per
1 januari 1987 .
Het strikte beheer van de overheidsfinanciën zou gepaard
moeten gaan met een kredietexpansie aan de particuliere
sector die wederom beneden het op 12% geraamde groei
tempo van het nominale BBP moet blijven . Te dien einde zal
het rentebeleid in 1987 krachtiger moeten worden : de
ontwikkeling van de reële rentetarieven naar positieve waar
den als weerspiegeling van de schaarste aan kapitaal zal
moeten aanhouden , terwijl het streven naar meer eenheid in
de rentevoeten voor kredieten , die reeds in 1986 is ingezet ,
moet worden voortgezet . Bovendien zal de plaatsing van
staatsobligaties op middellange termijn bij het publiek
moeten worden bevorderd . Een dergelijk beleid leidt tot een
rationelere allocatie van de financieringsmiddelen , zal de
besparingen aanmoedigen alsmede de toestroming van kapi
taal uit het buitenland , en tegelijkertijd rechtstreeks de
inflatie afzwakken .
Dit stabilisatiebeleid , dat onontbeerlijk is voor het herstel
van de macro-economische evenwichten , is evenwel niet
voldoende voor een duurzame economische ontwikkeling,
die alleen kan voortkomen uit het verrichten van investerin
gen ter versterking en ter modernisering van het produktieap
paraat van het land . Alleen op deze wijze kan het concur
rentievermogen van de economie zodanig worden verbeterd
dat de betalingsbalansmoeilijkheden duurzaam worden
overwonnen en tegelijkertijd de werkgelegenheid voldoende
stijgt om de werkloosheid terug te dringen . In dit verband is
het noodzakelijk niet alleen voort te gaan op de weg naar een
vrije prijs- en winstvorming doch eveneens naar de liberali
satie van de arbeidsmarkt .
De uitvoering van het bovenbeschreven beleid zal in 1987 de
in de tweede helft van 1986 bereikte resultaten moeten
consolideren en met name het betalingsbalanstekort en de
inflatie verder moeten verminderen . De vermindering van het
reële beschikbare inkomen van de gezinshuishoudingen en
het restrictieve begrotingsbeleid zullen leiden tot beperking
van het verbruik , terwijl de bedrijfsinvesteringen in ant
woord op de verwachte verbetering van de rentabiliteit van
de ondernemingen zouden moeten herleven zonder dat dit
evenwel leidt tot verhoging van de totale installatie-investe
ringen wegens de op de overheidsbedrijven rustende begro
tingsbeperkingen . De aldus bewerkstelligde teruggang van de
binnenlandse vraag zal moeten leiden tot een verdere vermin
dering van de invoer , terwijl de uitvoer krachtig zal moeten
blijven door een betrekkelijk gunstige economische omge
ving . Over het geheel genomen zou het BBP over geheel 1987
een geringe volumedaling kunnen vertonen . Vermits deze
vooruitzichten niet op verbetering van de werkgelegenheid
wijzen , zou de werkloosheid nog kunnen toenemen . Indien
daarentegen de aardolieprijzen op het niveau voor 1986
zullen blijven zou het tekort op de lopende rekening kunnen
worden teruggebracht tot 1,3 miljard US-dollar , dit wil
zeggen 3,5% van het BBP hetgeen toch nog hoog is .
Om deze redenen zou het programma tot herstel van de grote
economische evenwichten in 1987 rigoureus moeten worden
toegepast . Op langere termijn zou een aanpassingsbeleid
moeten worden gevoerd dat is gebaseerd op herstructurerings
maatregelen en wordt begeleid door een voorzichtig mone
tair en budgettair beleid .
Alleen onder deze voorwaarden zal de Griekse economie
haar concurrentievermogen terugwinnen en een duurzame
expansie kennen .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 87
TABEL 31
Griekenland : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
Jaarlijkse mutaties in %}
1961
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 (>} 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen - J reëe l
lands produkt |
deflator
12,5
7,6
4,5
19,8
3,4
15,8
19,6
- 0,3
20,0
24,5
- 0,2
24,7
20,3
0,3
19,9
23,0
2,6
19,9
19,6
2,1
17,1
23,2
0,5
22,6
12,1
- 0,2
12,3
Particulier verbruik , deflator 3,6 16,0 23,3 21,2 18,6 18,0 18,4 22,5 12,5
r privé
Investeringen
in vaste activa , -
volume totaa , 10,0 - 1,0 - 7,5 - 1,9 - 1,9 - 4,7 3,4
:
- 3,0
_
0,5
waarvan : bouw - 7,7 - 13,2 3,9 - 7,7 2,6 2,0 1,6
installaties - 7,1 14,1 - 8,2 - 0,9 4,4 - 9,0 - 1,0
Binnenlandse vraag in constante prijzen -l 2,9
■
- 0,7 0,8 4,9 - 0,8 - 1,2
Verschil ten opzichte van de
partners van de Gemeenschap ( 3 )
•
2,6 - 1,4 - 1,0 2,8 - 6,1 - 4,5
r nominaal
Loonsom per 1 reëel A ")
werknemer |L B («)
10,2
5,5
6,5
21,1
4,6
4,5
23,4
2,9
0,1
25,4
0,5
3,4
21,8
1,5
2,7
22,6
2,3
3,9
20,4
2,8
1,7
13,6
- 7,3
- 7,2
9,6
- 2,4
- 2,6
Produktiviteit ( s ) 8,2 2,7 - 5,0 0,9 - 0,1 2,9 1,0 0,0 - 0,2
Reële loonkosten per eenheid produkt - 0,3 1,6 - 0,6 1,9 - 7,3 - 2,3
Concurrentievermogen ( 6 ) 2,6 0,0 3,5 9,0 - 3,4 1,4 - 2,8 - 16,0 - 2,9
Werkgelegenhei d - 0,6 0,8 0,1 - 1,3 - 1,0 - 0,2 1,1 0,5 0,0
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 7 ) 7,9 8,1 7,8 7,6 8,3
Saldo lopende rekening in % van het BBP - 2,9 - 2,2 - 0,2 - 3,8 - 4,7 - 4,1 - 8,4 - 5,8 - 3,7
Rente kapitaalmarkt 11,3 17,7 15,4 18,2 18,5 15,6 14,0 14,5
Liquiditeitenmassa ( 8 ) 18,2 23,7 34,7 29,0 20,3 29,4 26,7 19,0 14,9
Financieringsbehoefte of -capaciteit van
de overheid in % van het BBP I - 10,6 - 9,4 - 8,9 - 10,1 - 13,9 - 10,6 - 7,1
Overheidsschuld in % van het BBP 33,0 36,7 41,4 47,5 54,8 55,0 56,5
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP 1,7 3,2 2,6 3,4 4,6 5,5 6,0 6,1
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
( 3 ) Verschil in procentpunten .
C ) A : deflator van het BBP ; B : drflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in dc economie als geheel .
{ 6 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
( 7 ) Definitie Eurostat .
(*) Jaarultimo .
Nr . L 385 / 88 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
SPANJE
In Spanje is het tempo van de economische groei in 1986
aanzienlijk toegenomen ; de volumegroei van het bruto
binnenlands produkt kon onder invloed van een krachtig
herstel van de binnenlandse vraag stijgen tot ongeveer 3 % .
Het particulier verbruik is niet alleen toegenomen door een
zekere verbetering van de reële lonen doch eveneens , voor de
eerste keer sedert de eerste olieprijsschok , door een aanmer
kelijk herstel van de werkgelegenheid en een ommekeer van
de voortdurende stijgingstendens van de werkloosheid . De
bruto-investeringen in vaste activa werden gunstig beïnvloed
door de verbetering van de winsten , betere afzetvooruitzich
ten en de modernisatiedrang van de industrie in verband met
de uitbreiding van de Gemeenschap . Door de zwakke
exportmarkten en de grote toeneming van het invoervolume ,
met name van industrieprodukten , heeft de handels- en
dienstenbalans de reële groei zeer ongunstig beïnvloed .
Desalniettemin is het overschot van de lopende rekening van
de betalingsbalans aanzienlijk toegenomen wegens de zeer
grote verbetering van de ruilvoet als gevolg van de prijsval
van grondstoffen en energieprodukten . De aan het begin van
het jaar als gevolg van de invoering van de BTW geconsta
teerde versnelde prijsstijging en het omhoog schieten van de
prijzen van voedingsmiddelen in het midden van het jaar
hebben het desinflatieproces in 1986 niet fundamenteel
aangetast . Op jaarbasis is evenwel het inflatieverschil tussen
Spanje en de andere Lid-Staten aanzienlijk .
Lid-Staten — is dit beleid eveneens bedoeld als antwoord op
de door de toetreding tot de Gemeenschap gestelde eisen .
De ongebreidelde ontwikkeling van de loonkosten sedert de
eerste olieprijsschok werd in de afgelopen jaren gevolgd door
een gematigder ontwikkeling . In het kader van het in oktober
1984 gesloten sociaal en economisch akkoord werd de
doelstelling van de handhaving van de koopkracht van de
werknemers in 1985 en 1986 voortgezet . Het akkoord
bepaalde de vaststelling van de nominale loonsverhogingen
op grond van het streefcijfer voor de inflatie . Doordat deze
verhogingen echter gepaard gingen met een aanzienlijke
„wage drift" werd het vertragingsproces van de nominale
loonsverhogingen per hoofd van de afgelopen jaren , in 1986
onderbroken .
Aanzienlijke vooruitgang werd geboekt bij het herstel van de
fundamentele evenwichtsvoorwaarden . Voor de eerste keer
sedert vele jaren daalde het stijgingstempo van de consump
tieprijzen in 1985 tot beneden de tien . De tendensen tot
vermindering van de inflatie werden in 1986 gunstig
beïnvloed door de daling van het invoerprijspeil als gevolg
van de prijsval van aardolie en grondstoffen , doch de
invoering van de BTW en de prijsstijging van voedingsmid
delen hebben in tegengestelde zin gewerkt . De stijging van de
nominale loonkosten per eenheid produkt is overigens
enigszins in tempo toegenomen wegens een vertraging van de
produktiviteitsstijging, hetgeen onder meer heeft bijgedragen
tot nog immer krachtige prijsstijgingen in de dienstensector .
De lopende rekening van de betalingsbalans , die tot 1983 nog
een tekort opleverde , vertoonde vervolgens toenemende
overschotten , mede onder invloed van de voortdurende
vergroting van het overschot wegens dienstverlening en
vooral toerisme .
Door de verbetering van het economisch klimaat is de
winstpositie van het bedrijfsleven , die aan het begin van de
jaren tachtig tot een betrekkelijk laag niveau was gedaald ,
verbeterd en wel te meer naarmate deze werd gesteund door
belastingfaciliteiten op grond waarvan in de jaren 1985 en
1986 investeringen volledig konden worden afgeschreven .
Dit beantwoordt in hoofdzaak aan het streven naar rationa
lisatie en , tot voor kort , naar energiebesparing . De aanzien
lijke toestroming van buitenlandse investeringen , die zich in
de laatste jaren zeer sterk heeft ontwikkeld , hield in 1986
krachtig aan , met name onder invloed van de gunstige
vooruitzichten die door de toetreding worden geboden .
De maatregelen tot terugdringing van het financieringstekort
van de overheid , dat in 1985 was opgelopen tot 6,2% van
het BBP, zullen dit in 1986 ondanks de betrekkelijk snelle
toeneming van het tekort van de lagere overheden terugbren
gen tot minder dan 5% . Bij de belastingontvangsten schijnt
het effect van de invoering van de BTW eerder positief dan
neutraal te hebben gewerkt , terwijl ongeveer twee derde van
de daling van de olieprijs werd wegbelast . Aan de kant van de
uitgaven hebben vooral de geringere stijging van de rente
lasten en de stabilisatie van de kapitaaloverdrachten in 1986
bijgedragen tot vermindering van het tekort . Het monetair
beleid zal ongetwijfeld in staat zijn gemiddeld voor 1986 de
doelstelling van vertraging van de groei van de liquiditeiten
In 1987 zal de volumegroei van het BBP ongeveer even groot
zijn als in 1986 , dit wil zeggen ongeveer 3% . Dank zij het
verwachte herstel van de groei van de markten van derde
landen zal de uitvoer krachtiger worden en bijdragen tot de
handhaving van een groot overschot op de handels- en
dienstenbalans . De binnenlandse vraag zal door dezelfde
gunstige factoren worden gestimuleerd als in 1986 ; het
verbruik , zowel van particulieren als van de overheid , zal
zich echter iets minder snel ontwikkelen dan in het vooraf
gaande jaar . Het prijsstijgingstempo zal aanmerkelijk terug
lopen , doch nog boven het communautaire gemiddelde
blijven . De totale werkgelegenheid zal in 1987 een verdere
verbetering ondergaan onder invloed van een gunstig econo
misch klimaat . De werkloosheid echter zal zeer hoog blijven
( 21 ,5 % van de actieve beroepsbevolking), met name omdat
de beroepsbevolking in snel tempo zal toenemen (met meer
dan 1 % per jaar).
Het sedert 19X3 gevoerde economisch beleid past naar
beleidsvoornemens en in vele andere opzichten bij de kracht
lijnen van de „samenwerkingsstrategie voor groei en werk
gelegenheid" die in het najaar van 1985 door de Gemeen
schap werd vastgesteld , terwijl ook de sociale dialoog goed
op gang is gekomen . In het bijzonder wordt beoogd door een
passende matiging van de groei van de reële lonen de
werkgelegenheidscheppende investeringen te stimuleren met
behoud van een voldoende groei van de binnenlandse vraag
en de handhaving van het concurrentievermogen van de
Spaanse economie . Behalve ter bestrijding van de werkloos
heid — die nog aanzienlijk groter is dan in de andere
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 89
massa te bereiken . De vrijere ontwikkeling in het eerste
halfjaar noopte tot een stringenter monetair beleid en heeft
geleid tot stijging van de rentetarieven , die hun dalingsten
dens pas na juli weer hebben voortgezet . Hoewel de rente
tarieven nominaal nog betrekkelijk hoog zijn , zijn deze reëel
aanzienlijk lager dan het communautaire gemiddelde . Het
wisselkoersbeleid is gericht op een stabilisatie van de nomi
nale effectieve wisselkoers van de peseta ten opzichte van de
partners in de Gemeenschap , hetgeen wegens een snellere
stijging van het binnenlandse prijspeil in 1986 heeft geleid tot
een gering verlies aan concurrentievermogen .
Wegens het bijzonder grote gebrek aan evenwicht tussen
vraag en aanbod van arbeidskrachten zal in het kader van de
verlenging van het economisch en sociaal akkoord moeten
worden blijven gestreefd naar een strikte beheersing van de
reële loonkosten per werknemer . Dit is onontbeerlijk voor
een economie die wordt gekarakteriseerd door een aanmer
kelijke ontmanteling van zijn „beschermingsgraad" en door
een groot aantal kwetsbare middelgrote en kleine bedrijven ,
wil zij haar concurrentievermogen behouden , het proces van
inflatievermindering voortzetten en zorgdragen voor een
harmonieuze integratie in de grote gemeenschappelijke
markt .
Op het gebied van het economisch beleid zou het begrotings
beleid voor 1987 in overeenstemming moeten blijven met de
door de autoriteiten vastgestelde doelstellingen voor de
middellange termijn . Verdere vooruitgang bij de inning van
de BTW alsmede bij de bestrijding van belastingontwijking
zal vermoedelijk tot een betrekkelijk krachtige groei van de
begrotingsmiddelen leiden . Anderzijds zou het beleid tot
matiging van de huishoudelijke uitgaven moeten worden
voortgezet , met name voor het doen ontstaan van beleids
ruimte voor een krachtiger ontwikkeling van de overheidsin
vesteringen . Een vermindering van het financieringstekort
van de overheid tot ongeveer 4% van het BBP in 1987 is
dringend noodzakelijk . Deze vermindering zal trouwens de
taak van het monetair beleid verlichten en in het bijzonder
een daling van de rentetarieven bevorderen , waardoor een
verdere verlaging van de buitenlandse schuld mogelijk
wordt .
Het actieve beleid tot aanpassing van de aanbodfactoren
werd sedert 1983 geïntensiveerd . Dit beleid , dat de voor
naamste economische domeinen raakt , werd in maart 1986
nog verscherpt door maatregelen ter stimulering van bespa
ringen en investeringen , de deregularisering van de economie
en de vergroting van de flexibiliteit van de arbeidsmarkt .
De consolidatie van de reeds bereikte aanzienlijke resultaten
bij het herstel van de belangrijkste evenwichten en de
voortzetting van een krachtig aanpassingsbeleid zijn onont
beerlijk voor een duurzaam herstel van de werkgelegenheid
en een geleidelijke opheffing van de werkloosheid . De
beleidsvoornemens van de na de laatste verkiezingen gevorm
de regering gaan volledig in deze richting .
Nr . L 385 / 90 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 32
Spanje : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
jaarlijkse mutaties in %'
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 " 1985 1986 ( ! ) 1987 ! 2
r nominaal
Bruto binnen- J reëel
lands produkt |
deflator
14,8
7,2
7,1
20,0
1,8
17,8
14,1
0,4
13,6
14,7
0,9
13,7
14,6
2,5
11,9
13,9
2,3
11,3
11,3
2,1
9,0
15,1
2,9
11,8
9,3
3.0
6.1
Particulier verbruik , deflator 6,7 18,2 14,9 13,9 12,5 19,8 8,4 8,6 5,3
r privé
Investeringen
in vaste activa , ■
volume rotaal - 2,0 1,2 - 2,5 - 1,0 - 3,0 5,4 7,2 7,0
waarvan : bouw - 2,2 - 2,0 1,5 1,5 6,0 5,8
installaties - 1,7 5,2 - 7,1 12,0 9,0 8,8
Binnenlandse vraag in constante prijzen 7,8 2,2 - 1,5 0,5 0,8 - 0,9 2,4 4,9 3,9
Verschil ten opzichte van de partners van
de Gemeenschap ' 3 ) \\
r nominaal
Loonsom per J reëel A ( J )
werknemer |
l B ( 4 )
14,7
7,2
7,6
22,3
3,9
3,9
16,3
2,3
1,0
12,8
- 0,7
- 1,2
13,5
1,5
1,1
13,0
1,2
1,7
9,5
0,5
1,1
9,7
- 1,9
1,0
6,3
0,2
0,9
Produktiviteit ( 5 ) 6,4 3,9 3,3 1,4 2,9 6,6 3,4 1,0 1,8
Reële loonkosten per eenheid produkt 0,8 0,0 - 1,0 - 2,1 - 1,4 - 5,1 - 2,8 - 2,9 - 1,6
Concurrentievermogen ( 6 ) ' - 0,5 - 10,9 3,1 0,3 - 0,2 - 0,5
Werkgelegenheid (- 1,9 ) ( - 2,8 ) - 1,0 - 0,7 - 2,9 - 1,2 1,8 1,2
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 7 ) ( 7,1 ) 14,4 16,2 17,7 20,7 22,1 21,7 21,5
Saldo lopende rekening in % van het BBP - 1,7 - 2,4 - 2,3 - 1,4 1,3 1,7 3,5 3,7
Rente kapitaalmarkt 15,8 16,0 16,9 16,5 13,4 11,6 10,6
Liquiditeitenmassa ( 8 ) 17,6 17,0 16,6 16,0 13,2 12,9 11,0 8,0
Financieringsbehoefte of -capaciteit van
de overheid in % van het BBP - 0,9 - 3,0 - 5,3 - 5,3 - 5,0 - 6,2 - 4,9 - 4,4
Overheidsschuld in % van het BBP 13,8 21,0 26,2 32,1 39,3 46,3 49,0 52,7
Rentelast overheidsschuld in % van
het BBP 0,6 0,7 1,0 1,3 2,1 3,5 3,4 3,3
('■) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
(') Verschil in procentpunten .
{*) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( f } Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ;, op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer - verlies aan concurrentievermogen .
( ) Definitie Eurost.it .
(*) Jaarultimo.
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr : L 385 / 91
FRANKRIJK
In Frankrijk waren de consumptieve bestedingen door de
gezinshuishoudingen in 1986 groter dan in 1985 , dank zij
een aanzienlijk snellere toeneming van de koopkracht die
onder meer samenhing niet de bij de desinflatie geboekte
vooruitgang . Onder invloed van de verbetering van de
financiële situatie van het bedrijfsleven bleef het herstel van
de investeringen aanhouden en strekte dit zich nu ook uit tot
de handel en de dienstensector . De binnenlandse vraag was
derhalve krachtiger dan in de voorgaande jaren . Het gevolg
daarvan is een hoog invoerniveau waartegenover de uitvoer
slechts een geringe stijging vertoonde en leidde tot een verder
verlies aan marktaandelen . Gezien de normale vertragingen
heeft de monetaire herschikking van april in 1986 de
verslechtenngstendens van de reële betalingsbalans slechts in
zeer beperkte mate kunnen indammen . De omvang van de
ruilvoetwinst heeft evenwel een aanzienlijke verbetering van
de nominale handelsbalans mogelijk gemaakt . Anderzijds
heeft de daling van de loonkosten en de krachtige daling van
de energie - en grondstoftenprijzen geleid tot aanzienlijke
vooruitgang bij de desinflatie , waarbij de stijging van de
consumptieprijzen voor het gehele jaar gemiddeld 2,4%
bedroeg . In dit verband zal de groei van het reële BBP 2,3 %
kunnen bereiken en de werkgelegenheid in het bedrijfsleven
een zeer geringe stijging vertonen die evenwel onvoldoende is
om de stijgingstendens van de werkloosheid om te buigen .
In 1987 zal de binnenlandse vraag een overeenkomstig
verloop vertonen als in 1986 mits de aanhoudende verbete
ring van de financiële toestand van het bedrijfsleven tot het
verder aantrekken van de investeringen zal leiden . Verder zal
het effect van de verbetering van het concurrentievermogen
als gevolg van de monetaire herschikking van 1986 na
verloop van tijd de ongunstige invloed van de buitenlandse
handel op de groei kunnen verminderen . Over het geheel
genomen zal de groei van het BBP 2,5% kunnen bedragen ,
hetgeen wel zou kunnen leiden tot een iets grotere toeneming
van de werkgelegenheid doch nog niet tot een vermindering
van de werkloosheid . De stijging van de consumptieprijzen
zal nog iets teruglopen en de handelsbalans zal een gestage
verbetering blijven vertonen .
De saneringsmaatregelen , die sedert 1983 getroffen zijn , en
de verbetering van de ruilvoet hebben derhalve wel geleid tot
een aanzienlijke versnelling van de groei , doch nog niet tot
een begin van het gehoopte herstel van de situatie op de
arbeidsmarkt . Hoewel de tewerkgestelde beroepsbevolking
een geringe stijging begint te vertonen schoten de sociale
maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid tekort om de
natuurlijke groei van de beroepsbevolking te compenseren
zodat het werkloosheidspercentage nog enigszins is geste
gen .
Verontrust door de onvoldoende resultaten die op het gebied
van de werkgelegenheid zijn behaald heeft de nieuwe , op
grond van de verkiezingen van 16 maart 1986 tot stand
gekomen , regering een pakket van sociale maatregelen
getroffen of in voorbereiding ter stimulering van de tewerk
stelling . Zo is zij onder meer overgegaan tot verscheidene
wijzigingen van de arbeidswetgeving ten einde er de onder
nemingen door flexibeler arbeidsvoorwaarden toe aan te
zetten personeel aan te werven . In vervolg op de reeds aan het
einde van de vorige regeringsperiode in de reglementering
van de arbeidsduur aangebrachte wijzigingen zijn thans
maatregelen genomen ter vergemakkelijking van het ontslag
van personeel , waardoor met ingang van 1 januari 1987 de
voorafgaande machtiging van de overheid zal verdwijnen .
Thans worden met de sociale partners onderhandelingen
gevoerd over nieuwe ontslagprocedures . Andere maatrege
len , die via ministeriële besluiten worden genomen , beogen
de uitbreiding van de werkingssfeer van arbeidscontracten
voor een bepaalde tijd , deeltijdarbeid en intermitterende
arbeid . Tenslotte worden de reeds door de vorige regering
getroffen sociale maatregelen inzake werkloosheid aange
vuld met een regeling , ingesteld via de gewijzigde begroting
van juni 1986 , ten einde de ondernemingen rechtstreeks te
stimuleren jongeren van 16 tot 25 jaar in dienst te nemen
door tijdelijke verlichting van de sociale bijdragen , terwijl
andere maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid
in voorbereiding zijn .
Het herstel van de werkgelegenheid berust evenwrel funda
menteel op het concurrentievermogen van de economie en de
rentabiliteit van het bedrijfsleven . Zij zijn namelijk bepalend
voor de versterking van het herstel van de investeringen voor
de uitbreiding van de produktiecapaciteiten . De jarenlange
onvoldoende investeringen in de marktgerichte bedrijven , de
gebrekkige verdeling daarvan over de sectoren , het langzaam
op gang komende herstel en de hoofdzakelijke gerichtheid op
rationalisatie hebben namelijk het produktieapparaat onge
schikt gemaakt om afdoende te reageren op een veranderende
en tegelijkertijd een versnellende vraag . De regering beoogt
derhalve directe of indirecte steun te verlenen aan de
pogingen die het bedrijfsleven nog moet doen om aan deze
prioritaire eis te voldoen .
Derhalve werd het beleid , gericht op een vrijere prijsvorming
door het bedrijfsleven , op wegneming van de deviezenmoei
lijkheden en op vergemakkelijking van de bedrijfsfinancie
ring , krachtig voortgezet . Sedert de herfst van 1985 zijn een
aantal maatregelen getroffen die eind 1986 hebben geleid tot
een vrijwel volledig vrije prijsvorming voor en handelsmarges
in de industrie en volledig vrije prijzen en marges in de
dienstensector . De deviezencontrole werd vrijwel geheel
opgeheven , zowel voor ondernemingen als voor particulie
ren . Voorts werden belangrijke hervormingen aangebracht
in de functionering van de kapitaalmarkt , zoals de openstel
ling van de geldmarkt voor niet-financiële makelaars en
herstel van de concurrentie tussen financiële bemiddelende
instellingen door de opheffing van bepaalde voorrechten op
het gebied van de vergaring van besparingen , door de
opheffing van de kredietbeperking en overschakeling naar de
regeling van de liquiditeit door middel van rentevoeten en
door de geleidelijke liberalisatie van de banktarieven . Dit
pakket van versoepelende maatregelen beoogt een heilzamer
klimaat te scheppen voor het ondernemersinitiatief door het
bedrijfsleven in staat te stellen zich gemakkelijker aan de
markttendensen aan te passen .
Nr . L 385 / 92 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Het in de overheidssector gevolgde loonbeleid en de loon
ontwikkeling in de particuliere sector zullen nog steeds het
stempel dragen van grote matiging , hetgeen overigens een
beperkte stijging van de koopkracht van de lonen impliceert .
Deze ontwikkelingen zullen een versterking van het concur
rentievermogen mogelijk maken en zullen de investerings
activiteit van de ondernemingen voldoende verruimen opdat
de ontwikkeling van de produktiecapaciteiten geleidelijk in
tempo zou kunnen toenemen .
Het beleid op het gebied van de openbare financiën zal in
dezelfde richting gaan , daar het zowel is gericht op de
verlichting van de premiedruk op het bedrijfsleven als op de
reductie van het begrotingstekort . Weliswaar worden de
reeds aangebrachte of voorgenomen verlichtingen van de
directe belastingen ten dele gecompenseerd door de verho
ging van bepaalde heffingen ten einde een gebrek aan
evenwicht bij de sociale zekerheid te voorkomen , doch de
getroffen maatregelen zouden over het geheel genomen voor
de gezinshuishoudingen neutraal en voor het bedrijfsleven
gunstig moeten zijn , niet alleen wegens de lastenverlaging
waaruit zij rechtstreeks profijt trekken doch ook ingevolge
het stimulerend effect dat ervan op het aanbod van kapitaal
op de kapitaalmarkt uitgaat . Ook al zouden evenwichtseisen
kunnen leiden tot een verdere besnoeiing van de uitgaven en
in dit kader tot de opheffing van bepaalde subsidies , dan nog
zouden de bedrijven daartegenover een groter voordeel
moeten halen uit de daling van de rentevoeten die door de
verkleining van het tekort wordt bevorderd . Door op deze
wijze het netto-financieringstekort van de centrale overheid
te verminderen en de financieringsbehoefte van de gehele
overheid terug te brengen tot ongeveer 2,6% van het BBP,
streeft het begrotingsbeleid voor 1987 naar sanering , waarbij
tevens de ontwikkeling van de produktiecapaciteiten en de
werkgelegenheid wordt bevorderd .
Het monetair beleid bleef zeer voorzichtig ; desalniettemin
kon een aanzienlijke daling van de nominale rentevoeten
plaatsvinden . De instroom van kapitaal , die de monetaire
herschikking van april 1986 heeft gevolgd , heeft geleid tot de
vervroegde terugbetaling van bepaalde buitenlandse schul
den . Een en ander heeft , te zamen met andere neutralisatie
mechanismen , geleid tot de handhaving van de groei van de
liquiditeitenmassa rond het streefcijfer van 5% , hetgeen
aanzienlijk traag is in verhouding tot de groeicijfers van het
nominale BBP . Dezelfde voorzichtigheid zou ook in 1987
moeten worden betracht ten einde de op het gebied van de
desinflatie reeds grotendeels bereikte resultaten te consolide
ren . Wanneer de internationale context zich hiervoor leent
zou dit geen verdere verlaging van de rentevoeten behoeven
uit te sluiten , hetgeen normaliter zou uitmonden in de
verbetering van het financieel evenwicht van zowel de
ondernemingen als van de Staat .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 93
TABEL 33
Frankrijk : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
Jaarlijkse mutaties in %
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 ( ! ) 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen - J reëel
lands produkt |
deflator
10,7
5,6
4,9
13,9
2,8
10,8
12,3
0,5
11,8
14,7
1,8
12,6
10,3
0,7
9,5
8,7
1,3
7,3
7,2
1,4
5,8
6,9
2,2
4,6
5,3
2,5
2,7
Particulier verbruik , deflator 4,7 10,8 12,8 11,2 9,5 7,3 5,5 2,5 2,3
Investeringen f ^
in vaste activa , •
volume ^ totaa l
7,7
3,2
7,6
1,5
0,3
1,3
- 1,0
- 1,4
- 1,1
- 0,4
9,7
0,7
- 2,2
- 3,0
- 2,3
- 2,0
2,3
- 2,2
2,8
2,2
3,1
5,7
2.8
5,3
6,2
2,4
5,7
waarvan : bouw 0,3 - 2,1 - 3,5 - 3,5 - 4,4 - 0,6 1,0 3,0
installaties 1,8 - 1,6 6,7 - 1,6 - 1,5 5,1 6,9 6,0
Binnenlandse vraag in constante prijzen 5,8 2,9 - 0,4 3,8 - 0,2 0,6 2,1 3,6 2,9
Verschil ten opzichte van de partners
van de Gemeenschap ( 3 ) 1,1 0,8 1,4 3,0 - 1,1 - 1,2 0,1 0,2 0,6
r nominaal 9,9 14,7 14,3 13,7 10,7 7,8 6,7 4,5 3,0
Loonsom per J reëel A ( 4 )
werknemer |
l B ( 4 )
4,8
5,1
3,6
3,5
2,2
1,3
1,0
2,3
1,1
1,1
0,5
0,5
0,9
1,2
- 0,1
2,0
0,3
0,7
Produktiviteit ( s ) 4,8 2,5 1,0 1,7 1,2 2,4 1,7 2,1 2,2
Reële loonkosten per eenheid produkt 0,0 1,1 1,6 - 0,7 - 0,1 - 1,8 - 0,6 - 2,2 - 1,9
Rentabiliteit ( 6 ) - 1,5 5,5 5,0 5,7 14,0 9,9
idem ( 1961 / 1973 = 100 100 57,8 46,3 45,6 48,1 50,5 53,4 60,9 66,9
Concurrentievermogen ( 7 ) - 0,8 0,9 - 5,3 - 2,2 - 1,0 - 0,1 3,0 - 0,2 - 2,3
Werkgelegenheid 0,6 0,2 - 0,7 0,1 - 0,6 - 1,0 - 0,3 0,1 0,3
Aantal geregistreerde werkloden in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 8 ) M 5,0 7,7 8,7 8,8 9,9 10,3 10,5 10,7
Saldo lopende rekening in % van het BBP 0,2 - 0,7 - 1,4 - 3,0 - 1,7 - 0,9 - 0,8 0,1 0,4
Rente kapitaalmarkt 7,0 11,1 16,3 16,0 14,4 13,4 11,9 9,5 7,5
Liquiditeitenmassa ( 9 ) 13,7 13,6 10,4 10,8 11,2 8,3 5,6 4,8 4,5
Financieringsbehoefte of -capaciteit van
de overheid in % van het BBP 0,5 - 0,8 - 1,8 - 2,5 - 3,2 - 2,9 - 2,6 - 2,9 - 2,6
Overheidsschuld in % van het BBP 25,4 26,0 29,1 30,7 32,9 35,2 36,9 39,2
Rentelast overheidsschuld in % van
het BBP 1,3 2,1 2,2 2,6 2,8 2,8 2,9 2,9
( 1 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
i 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
( 3 ) Verschil in procentpunten .
( 4 ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( 6 ) Netto-exploitatieoverschot op de nettovoorraad kapitaalgoederen tegen vervangingswaarde .
( 7 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
: 8 ) Definitie Eurostar .
! 9 ) Jaarultimo .
Nr . L 385 / 94 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
IERLAND
georganiseerd , heeft na een zeer langzame start medio 1986
het gestelde deelnemingspercentage bereikt . Andere pro
gramma's , met name die welke beogen bijstand te bieden aan
werklozen bij de oprichting van hun eigen onderneming en
waarbij subsidie wordt verleend aan de uitbreiding van
personeel , werden eveneens met succes bekroond , althans
gezien naar het aantal personen dat hiervan gebruikt heeft
gemaakt .
In Ierland zijn de economische vooruitzichten voor de nabije
toekomst aanzienlijk verbeterd . Gunstige externe factoren
hebben het lopende herstel behoorlijk versterkt . Het parti
culier verbruik begon in 1985 / 1986 weer te groeien , hetgeen
evenwel moet worden beoordeeld in het licht van de
krachtige daling in de eerste helft van het decennium . De
totale investeringen zijn echter nog niet gestabiliseerd , doch
zij zouden in 1987 sterker kunnen worden , in het bijzonder
doordat het dalingstempo van de overheidsinvesteringen
afneemt . Tot dusverre evenwel heeft de bouwnijverheid
amper tekenen van herstel vertoond . De uitrustingsinveste
ringen in de particuliere sector daarentegen , die zijn terug
gelopen na in 1984 / 1985 de top van hun vervangingscyclus
te hebben bereikt , zouden in 1987 weer een gunstiger
ontwikkeling kunnen vertonen . Na een zeer snelle stijging in
de afgelopen jaren blijft het uitvoervolume stijgen , zij het in
matiger tempo , terwijl de invoerontwikkeling, die tot dus
verre zeer onregelmatig verliep , geacht mag worden de
invloed te zullen ondergaan van het aantrekken van de finale
vraag . Een en ander verklaart dat in 1987 , wanneer de
gunstige effecten van de inzakking van de olieprijzen begin
1986 zich volledig zullen doen gevoelen , het reële BBP op
basis van het huidige beleid meer dan 3 % zal groeien en de
prijsstijging ongeveer 3% zal bereiken , hetgeen het laagste
cijfer is sedert 1966 , terwijl de lopende rekening van de
betalingsbalans nog een gering tekort zal vertonen . Aan de
passiefzijde van dit overzicht moet evenwel de betrekkelijk
langzame ontwikkeling worden opgemerkt bij de verlaging
van het overheidstekort en de nog steeds zorgwekkende
toestand op de arbeidsmarkt . In 1986 is het dalingstempo
van de werkgelegenheid kleiner geworden en is de werkloos
heid gestabiliseerd .
Het zeer open karakter van de economie noopt tot een
loonbeleid dat niet alleen is gericht op de verbetering van de
rentabiliteitsvooruitzichten van de investeringen en op de
afremming van de investeringsactiviteit ter besparing van
arbeidskrachten , doch eveneens op de handhaving van het
concurrentievermogen . De recente verslechtering daarvan
ingevolge de zwakte van het pond sterling heeft in augustus
1986 gedwongen tot een devaluatie van het Ierse pond
binnen het EMS met 8% . Gegeven deze diverse uitgangs
punten is de recente loonontwikkeling in Ierland evenwel
zeer zorgwekkend . Voor het gehele land zijn de reële lonen
per werknemer , gemeten op basis van het prijsindexcijfer van
het gezinsverbruik , aan het begin van de jaren tachtig na een
periode van krachtige stijging enigszins gedaald . Vervolgens
zijn zij opnieuw gestegen en zowel in 1 986 als in 1 987 zouden
deze nog met 3 % kunnen toenemen ( dit wil zeggen respec
tievelijk 1 V4 en 2 V4 % , gemeten op basis van het prijsindex
cijfer van het BBP ); het betrekkelijk hoge stijgingspercentage
van 1987 vloeit ten dele voort uit het in de overheidssfeer
geldende loonakkoord dat een reële verhoging van 3 %
bevat . De toeneming van de reële lonen was in de verwer
kende industrie in het algemeen sterker dan in de economie
als geheel . Hoewel de diversiteit van de bedragen en
termijnen in de loononderhandelingen de zwakste bedrijven
een zekere beleidsruimte heeft gelaten , ondervinden deze niet
in mindere mate het effect van de loonontwikkeling in de
beschutte sector van de economie waar minder strenge eisen
worden gesteld aan de reële kosten .
De toenemende netto-emigratie en de vermindering van de
bedrijvigheid hebben , althans tijdelijk , de toeneming van de
beroepsbevolking tot staan gebracht en de werkloosheid
gestabiliseerd op ongeveer 18 % . In de loop van het jaar dat
in april 1986 eindigt zijn 30 000 personen geëmigreerd ,
hetgeen voor de eerste keer sinds een kwarteeuw heeft geleid
tot een geringe inkrimping van de bevolking . Op middellange
termijn evenwel zouden de demografische factoren kunnen
leiden tot een gemiddelde stijging van het arbeidsaanbod met
0,5% . Ter wille van een snelle vermindering van de werk
loosheid is het derhalve noodzakelijk dat de werkgelegenheid
in een aanzienlijk sneller tempo toeneemt . In laatste instantie
kan het nodige accres alleen worden bereikt wanneer het
economisch potentieel voor schepping van werkgelegenheid
krachtig wordt gestimuleerd . Dit impliceert een doeltreffend
macro-economisch beleid dat in het bijzonder in gericht op de
wegneming van de moeilijkheden die zijn ontstaan door de
omvang van het overheidstekort , de matiging van het
stijgingstempo van de reële lonen en het bieden van grotere
soepelheid en doeltreffendheid aan de functionering van de
markten . De programma's voor beroepsopleiding en de
schepping van extra arbeidsplaatsen , die onlangs zijn uitge
breid , moeten op hun beurt een belangrijke rol spelen . Het
programma voor sociale arbeidsplaatsen , dat begin 1985
werd gelanceerd en aan 10 000 langdurig werklozen de
mogelijkheid biedt te worden betrokken bij de uitvoering van
werken die meestal door de lokale autoriteiten worden
Een van de bijzondere kenmerken van de Ierse economie is de
overheersende positie van de uitvoer door filialen van
buitenlandse ondernemingen die in het algemeen zijn gespe
cialiseerd in activiteiten op het gebied van de geavanceerde
technologie . Zonder afbreuk te doen aan de betekenis van de
buitenlandse vestigingen beoogt het huidige beleid een beter
evenwicht tot stand te brengen tussen produktie en werkge
legenheid door nationale ondernemingen aan te moedigen
zich sterker toe te leggen op de uitvoer en daarmee verwante
activiteiten , hetgeen van hen meer investeringen vereist . In
dit opzicht zijn , gezien de beperkingen van de overheidsuit
gaven en in het bijzonder de toenemende selectiviteit van de
steunverlening, de investeringen thans in grotere mate dan
vroeger afhankelijk van het rentabiliteitsniveau van de
ondernemingen . Daarbij komt het feit dat het hoge reële
renteniveau het fiscale voordeel dat zij hadden door leningen
te sluiten bij de banken meer dan compenseert . Hoewel de
winsten in recente jaren in het algemeen beter worden ,
betekenen de grotere winsten van de buitenlandse bedrijven
dat die van talrijke nationale bedrijven weinig bevredigend
zijn geweest . De algemene verbetering van de winsten als
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 95
gevolg van de daling van de olieprijzen zal onder deze
omstandigheden kunnen bijdragen tot de consolidatie van de
financiële toestand van de ondernemingen alvorens nieuwe
investeringen te verrichten . Aangezien het recente herstel van
de installatie-investeringen sterker voortvloeit uit een streven
naar vervanging of grotere produktiviteit dan uit de wense
lijke uitbreiding van de produktiecapaciteiten van de natio
nale bedrijven , zouden de investeringen in de verwerkende
industrie derhalve aanzienlijk beneden het niveau blijven dat
vereist is ter verzekering van een jaargroei van 7% van de
produktie zoals gepland in het Witboek van 1984 over het
industriebeleid .
macro-economisch beleid op middellange termijn (') zal het
tekort in 1987 moeten terugbrengen tot net onder 10% van
het BNP , dit wil zeggen 8 '/2 % van het BBP . Het is echter
waarschijnlijk dat in 1986 de doelstelling van een tekort van
10 3/4 % van het BBP met één punt zal worden overschreden .
Hoewel deze overschrijding ten dele kan worden toegeschre
ven aan uitzonderlijke factoren zijn er hieronder een aantal ,
met name de invloed op jaarbasis van de in 1986 ingevoerde
verlichting van de inkomstenbelasting en het huidige loon
akkoord in de overheidssfeer , die een last leggen op de
schikbare beleidsruimte om tot de voor 1987 geplande
aanpassing te komen . De autoriteiten zouden er desalniette
min naar moeten streven het gestelde doel te bereiken en in
ieder geval het Schatkisttekort te verminderen met 1 V2 punt
van het BBP ten opzichte van de voor 1986 voorziene 12% .
Overigens is het van even groot belang dat de autoriteiten bij
de uitstippeling van het begrotingsbeleid voor 1987 voldoen
de rekening houden met de vooruitzichten op middellange
termijn door met name begrotingsverplichtingen te vermij
den die de aanpassingsmogelijkheden in 1988 en later zullen
verkleinen en dat zij reeds nu besluiten de tendens van de
uitgaven in de nabije toekomst naar beneden om te buigen ,
zelfs indien het effect daarvan zich pas na 1987 zal doen
gevoelen . Deze besnoeiingen moeten evenwel belangrijker
zijn dan iedere vermindering van de belastingen of belasting
faciliteiten , terwijl tevens bij iedere expansie van de over
heidsinvesteringen rekening moet worden gehouden met de
beperkingen voor de totale middelen .
Hoewel de lopende economische verbetering een beter
evenwicht tussen investeringen en produktie en een herstel
van de groei van de werkgelegenheid kan bevorderen , zullen
nog steeds krachtige maatregelen noodzakelijk zijn ter
bereiking van een gematigde inkomensstijging . In dit ver
band moeten de recente richtsnoeren van de regering met
betrekking tot de nieuwe loonovereenkomsten gunstig wor
den beoordeeld . Het is niet minder essentieel het herstel van
de overheiasrekeningen in sneller tempo voort te zetten . Een
aanzienlijke vermindering op middellange termijn van het
Schatkisttekort is het enige middel om de toeneming van de
overheidsschuld terug te dringen en terzelfder tijd bij te
dragen tot de daling van de reële rentevoeten , zodat een
zekere belastingverlichting en meer in het bijzonder de
schepping van een heilzamer klimaat voor een gezonde groei
van produktie en werkgelegenheid mogelijk wordt . Het ( ! ) Uiteengezet in het overheidsdocument „Building on Realitv".
Nr . L 385 / 96 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 34
Ierland : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
(Jaarlijkse mutaties in % )
Bruto binnen
lands produkt ( 3 )
nominaal
reëel
deflator
Particulier verbruik , deflator
Investeringen
in vaste activa ,
volume
privé
overheid
totaal
waarvan : bouw
installaties
Binnenlandse vraag in constante prijzen
Verschil ten opzichte van de partners van
de Gemeenschap ( 4 )
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 (') 1987 ( 2 )
12,0 19,4 21,3 17,3 9,1 10,8 7,1 7,6 6,8
5,4 2,7 3,4 1,4 - 1,9 4,2 2,0 1,8 3,1
6,4 16,2 17,4 15,7 n,3 6,3 5,0 5,6 3,6
6,3 16,2 19,6 15,9 10,0 7,5 4,2 3,7 3,2
l 4,7 4,0 8,3
\ - 5,2 - 7,6 - 3,7
9,3 4,1 7,3 - 5,5 - 9,3 - 2,7 - 0,3 - 1,6 2,9
8,0 3,6 6,6 - 4,8 - 12,2 - 13,5 - 7,5 - 4,5 1,3
11,2 4,6 8,1 - 6,3 - 6,1 8,1 5,5 0,5 4,0
5,4 2,2 3,0 - 2,9 - 4,1 1,0 - 0,4 1,5 2,5
11,5 19,6 18,3 15,3 11,1 12,3 7,3 6,9 6,0
4,1 3,8 0,8 - 0,3 - 0,2 5,7 2,2 1,3 2,3
5,2 3,0 - 1,1 - 0,5 1,0 4,5 3,0 3,1 2,7
4,1 2,5 4,0 1,9 0,0 6,2 4,6 2,9 2,5
1,0 2,0 - 3,1 - 2,2 - 0,2 - 0,5 - 2,3 - 1,6 - 0,1
0,2 1,1 - 0,7 0,5 - 2,0 - 1,9 - 2,5 - 1,1 0,7
4,7 8,1 10,2 12,2 15,0 16,6 18,0 18,4 18,0
- 4,7 - 7,4 - 14,0 - 9,9 - 6,4 - 5,5 - 3,2 - 1,3 - 1,3
7,2 14,2 17,3 17,0 13,9 14,6 12,7 9,8 8,8
12,1 19,5 17,4 13,0 5,6 10,1 5,3 5,4 7,3
\ - 10,1 - 13,2 - 13,8 - 11,8 - 9,8 - 11,6 - 10,7 - 9,8
I 76,2 89,8 96,2 108,3 114,9 118,2 121,5 125,1
5,4 7,0 8,6 9,1 9,7 10,6 10,0 9,6
Loonsom per
werknemer
nominaal
reëel A ( s )
B ( 5 )
Produktiviteit ( 6 )
Reële loonkosten per eenheid produkt ( 7 )
Concurrentievermogen ( 8 )
Werkgelegenheid
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 9 )
Saldo lopende rekening in % van het BBP
Rente kapitaalmarkt
Liquiditeitenmassa ( 10 )
Financieringsbehoefte of -capaciteit van
de overheid in % van het BBP
Overheidsschuld m % van het BBP ( n )
Rentelast overheidsschuld in % van
het BBP ( n )
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
C 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
( 3 ) In marktprijzen .
( 4 ) Verschil in procentpunten .
( s ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 6 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( 7 ) Verhouding tussen de reële loonsom per werknemer en de produktiviteit .
: 8 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel .
Positief cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
( 9 ) Definitie Eurostat .
( !0 ) M3 ; jaarultimo .
(") Dit cijfer heeft betrekking op de schuld van de Schatkist .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 97
ITALIF
Deze weinig bevredigende ontwikkeling weerspiegelt nog
niet de door de overheid in de laatste drie jaar ter hervorming
van de arbeidsmarkt getroffen maatregelen . Sedert 1984
namelijk zijn de ondernemingen min of meer vrij om uit de
werkzoekenden die op de plaatsingslijsten voorkomen een
keuze te maken op grond van hun beroepskwaliteiten in
plaats van verplicht te zijn zich te houden aan de volgorde van
inschrijving op de lijsten . Voorts werd getracht arbeidscon
tracten voor een bepaalde tijd en opleidingscontracten voor
jonge werknemers af te sluiten , evenwel met beperkt succes .
Bovendien heeft het Ministerie van Arbeid een belangrijk
programma opgesteld om op middellange termijn de arbeids
markt te hervormen door een structuurwijziging en het
mogelijk maken van een grotere flexibiliteit . Dit heeft geleid
tot de goedkeuring van een noodprogramma voor de aan-*
stelling van 40 000 jongeren in twee jaar bij de overheid en de
semi-overheid waarvoor steun door de Staat wordt verleend .
Voorts heeft de regering eind september besloten kredieten te
voorzien voor infrastructuurwerken en wederopbouw in het
zuiden van Italië waardoor voor 200 000 personen tijdelijke
arbeidsplaatsen moeten worden geschapen .
Eind 1985 werd na bemiddeling van de regering het loonin
dexeringsstelsel ingrijpend gewijzigd door een stilzwijgende
overeenkomst voor een duur van vier jaar ; thans compen
seert de indexering slechts ongeveer de helft van de inflatie . In
een rustig sociaal klimaat kon in mei in de industrie een
raamovereenkomst worden gesloten waarbij de geschillen
zijn bijgelegd over de in 1985 niet betaalde decimalen van de
glijdende loonschaal (') en het beginsel werd vastgelegd
maatregelen te treffen ter bevordering van de aanwerving van
jongeren , een groep waarvoor het werkloosheidspercentage
in Italië bijzonder hoog is . Het sluiten van driejarige
collectieve arbeidsovereenkomsten in de industrie vormt de
goedkeuring van de in mei in een kalmer klimaat dan
gewoonlijk gesloten overeenkomst waarbij alleen de arbeids
duurvermindering nog een ernstig probleem vormt .
De sociale dialoog heeft derhalve een duidelijke afzwakking
van de stijging van de produktiekosten mogelijk gemaakt ,
welke nog zal worden versterkt door de krachtige daling van
de invoerprijzen en die zich geleidelijk zal uitspreiden van de
sectoren die nauw verbonden zijn aan de invoer van aardolie
tot de sectoren die daarvan onafhankelijker zijn .
De op het gebied van de inflatiebestrijding bereikte vooruit
gang alsmede de voorzienbare tempoversnelling van de
bedrijvigheid zullen in 1987 leiden tot een spontane stabili
satie van de druk van het overheidstekort op de kapitaal
markt . Dit tekort zal evenwel op een nog te hoog niveau
blijven waardoor een prioritair probleem zal blijven bestaan ,
hetgeen een rechtvaardiging is voor de vastbeslotenheid van
de regering het aandeel van het tekort dat de rentelasten
In Italië hebben de maatregelen tot opheffing van een gedeelte
van de automatismen bij de loonaanpassingen en de belas
tingmaatregelen die onder meer een evenwichtiger verdeling
van de directe belasting over loontrekkenden en zelfstandi
gen beogen , in het begin van het jaar geleid tot afremming
van het gezinsverbruik . Deze tijdelijke vertragingsfactor van
de activiteit werd evenwel gecompenseerd door de krachtige
uitvoer . Vervolgens is het stijgingstempo van de binnen
landse vraag groter geworden onder invloed van het effect
van de sterke daling van het invoerprijspeil op de koopkracht
van gezinnen en de winsten van ondernemingen , terwijl de
uitvoer krachtig bleef . Over het geheel genomen zal het reële
BBP in 1986 met 2,6 % kunnen groeien , hetgeen een stijging
van de werkgelegenheid met zich brengt van 0,5% . Deze
versnelling ging hand in hand met een gevoelige vertraging
van het inflatietempo , waarbij het prijsindexcijfer van het
gezinsverbruik op jaarbasis daalde van 9,4% in 1985 tot
6,2% in 1986 . Terzelfder tijden ondanks de grote elasticiteit
van de invoer vond een krachtig herstel plaats van de
handelsbalans als gevolg van de aanzienlijke verbetering van
de ruilvoet . Zo zal de lopende rekening van de betalingsba
lans in 1986 een overschot vertonen van ongeveer 1 ,2 % van
het BBP tegenover een tekort van 1 % in 1985 .
In 1987 zal de consumptieve vraag worden gestimuleerd
door de inwerkingtreding van nieuwe collectieve arbeids
overeenkomsten die vermoedelijk eind 1986 zullen worden
gesloten en door de nog steeds snelle stijging van de
niet-looninkomens , terwijl de investeringsactiviteit van het
bedrijfsleven nog zal toenemen . De buitenlandse vraag zal
krachtig blijven . Derhalve kan voor het volgende jaar een
grotere vraag en een stijgingstempo van het reële BBP van
ongeveer 3,5% worden verwacht , hetgeen naar alle waar
schijnlijkheid zal leiden tot een aanzienlijke vermindering
van het overschot op de goederen- en dienstenbalans . De
inflatie zal beneden de 4% komen , waarmee het laagste
tempo is bereikt sedert het einde van de jaren zestig .
In deze economische constellatie zijn verdere maatregelen tot
vermindering van de structurele onevenwichtigheden op het
gebied van de werkgelegenheid en de openbare financiën
noodzakelijk om de voorwaarden voor een regelmatige en
duurzame groei te scheppen . Deze beide problemen staan
niet onafhankelijk van elkaar aangezien het nog grote beroep
op middelen door de overheidssector de vooruitgang remt
van de produktieve sector naar een grotere efficiency en naar
een hoger werkgelegenheidsniveau .
Hoewel het hierboven beschreven conjunctuurklimaat , op
korte termijn , gunstig had moeten zijn voor een geleidelijke
verbetering van de arbeidsmarkt en een vermindering van de
werkloosheid , heeft dit in 1986 nog geen concrete gevolgen
gehad . De ondernemingen zijn namelijk begonnen de gedeel
telijk werklozen weer volledig in te schakelen en gebruik te
maken van de toegestane marges voor overuren alvorens
nieuwe werknemers aan te werven . Bovendien heeft de
verbetering van de werkgelegenheidsvooruitzichten een stij
ging van de deelnemingsgraad als gevolg gehad . Zo bedraagt
het werkloosheidspercentage , waarvoor de verwachte daling
nog niet is ingetreden , thans 10,6 .
(') Het Italiaanse werkgeversverbond en werknemersorganisaties
verschillen van mening over de interpretatie van een bepaling van
de paritaire overeenkomsten van 1983 waarbij voor het eerst het
loonindexeringsstelsel was gewijzigd , doch waarin niet duidelijk
was bepaald of de fracties van een indexpunt zullen worden
weggelaten of dat pas later ermee rekening zal worden gehou
den .
Nr . L 385 / 98 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
overschrijdt geleidelijk weg te werken . De conjunctuur in
1987 biedt een zeer gunstige gelegenheid om een concrete
stap in de in het saneringsplan van de minister van de
Schatkist gegeven richting te zetten . Om dit resultaat te
waarborgen werd in juni een nieuwe begrotingsprocedure
aangenomen . Volgens deze zal het parlement elk jaar vóór
eind juli het driejarige economisch-financiële programma
goedkeuren dat de voornaamste macro-economische doel
einden en de grote begrotingsaggregaten bevat . De parlemen
taire discussie sn het najaar zou zich derhalve binnen dit
kader kunnen afspelen , waarbij een vrijwaringsclausule het
mogelijk maakt de kredieten te blokkeren ten belope van de
besparingen die zijn voorzien bij wetten die nog niet zijn
goedgekeurd . Het door de drie bevoegde ministeries ( Schat
kist , Financiën . Begroting ) opgestelde document , dat door
het parlement wegens de regeringscrisis met een aanzienlijke
vertraging is goedgekeurd , bepaalt een macro-economisch
kader voor 1987 dat dicht ligt bij de ramingen van de
diensten van de Commissie en dat het voornemen inhoudt het
financieringstekort van de Schatkist terug te brengen tot
beneden het voor 1986 gestelde doel , en dit te verlagen tot
100 000 miljard lire en 12,2% van het BBP tegenover
110 000 miljard lire en 14,6% van het BBP in 1986 . De
verwezenlijking van deze doelstelling bij een ten opzichte van
1986 vrijwel ongewijzigde belastingdruk veronderstelt , over
eenkomstig het door de regering geuite voornemen , een
verdere accentverschuiving van de belastingheffing naar de
indirecte belastingen alsmede een strikte beperking van de
stijging van de lopende uitgaven tot het inflatietempo en van
de kapitaaluitgaven tot het groeitempo van het nominale
BBP .
Het monetair beleid is gericht op een geleidelijke verminde
ring van de rentetarieven voor zover verenigbaar met de
effectieve verzwakking van de inflatiefactoren . De drie
achtereenvolgende verlagingen van het disconto , namelijk in
maart , april en mei 1986 , waren wegens de daling van de
internationale rentevoeten toch iets groter dan de verminde
ring van het inflatietempo . Deze ontwikkeling zal zelfs in de
toekomst duidelijker kunnen worden door de daadwerkelij
ke tenuitvoerlegging van het aangekondigde begrotingsbe
leid . In het streven naar de verdediging van de positie van de
lire op de wisselmarkten is de regering eveneens overgegaan
tot een voorzichtig doch resoluut liberalisatiebeleid van het
kapitaalverkeer .
De boven geschetste hoofdlijnen van het economisch beleid
laten reeds de eerste tekenen zien van een aanmerkelijk
herstel van de fundamentele evenwichten , waarvan met
name de stabiliteit van de koers van de lire in het EMS
getuigt . Het is noodzakelijk op deze weg verder te gaan en
met name het stringente begrotingsbeleid voort te zetten door
het treffen van alle noodzakelijke maatregelen tot het
daadwerkelijk beperken van het Schatkist tekort tot 100 000
miljard lire zoals in de begroting voor 1987 is beoogd .
Overigens wijst de teleurstellende ontwikkeling van de
werkgelegenheid erop dat de aanpassing van het reële
loonniveau aan de produktiviteit blijkbaar nog niet voldoen
de is en dat de produktieve basis zich nog niet in het gewenste
tempo ontwikkelt . Deze tekortkomingen , die in het noorden
en het midden van het land geringer worden , blijven in het
zuiden nog zeer sterk . Derhalve zou deze toestand , afgezien
van de voortzetting van een voorzichtig loonbeleid , ertoe
kunnen leiden om zonder wijziging van het algemene even
wicht van de overheidsfinanciën de ontvangsten zodanig te
moduleren dat de premiedruk in het zuiden wordt vermin
derd . In dezelfde geest dragen de verbetering van de finan
ciële structuur van de ondernemingen , die met name is
verkregen door het beleggen in aandelen van besparingen aan
te moedigen , en de voortzetting van de sanering van de
verliesgevende overheidsbedrijven ertoe bij het concurrentie
vermogen van de economie te verbeteren en bijgevolg de
groei van de werkgelegenheid op een stabielere basis te
grondvesten .
\
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 99
TABEL 35
Italië : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
'Jaarlijkse mutaties in
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984
1
1985 1986 (') 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen - j reëel
lands produkt |
deflator
1 1 ,0
5.3
5.4
20,9
2,8
17,6
18,5
0,2
18,3
17,2
- 0,5
17,8
14,6
- 0,4
15,0
13.6
2,6
10.7
i
11,3
2,3
8,8
12,7
2,8
9,7
9,1
3,6
5,3
Particulier verbruik , deflator 4,9 17,3 19,2 17,0 15,1 11,1 9,4 6,2 4,0
r privé
Investeringen
in vaste activa , «j overheid
volume totaa |
waarvan : bouw
5,7
6,6
0,9
- 0,2
0,6
0,5
- 5,2
- 3,2
- 3,8
- 2,0
.
4,1
- 0,4
4,1
- 1,7
4,6
1,9
7,2
2,4
installaties 5,0 2,2 1,8 - 6,8 - 5,7 10,1 9,9 7,1 11,3
Binnenlandse vraag in constante prijzen 5,3 2,5 - 2,2 - 0,3 - 2,0 3,3 2,4 3,6 5,1
Verschil ten opzichte van de partners
van de Gemeenschap ( 3 ) 0,6 0,4 0,4 - 1,0 - 3,2 1,9 0,2 - 2,0 1,6
r nominaal
Loonsom per I re£e i A ( 4 )
werknemer |
l R ( 4 )
11,6
5,9
6,5
20,2
2,2
2,3
21,9
3,0
2,3
17,2
- 0,4
0,2
16,5
1,2
1,2
12,0
1,1
0,8
10,0
1,1
0,5
6,7
- 2,7
0,4
6,1
0,8
2,1
Produktiviteit ( 5 ) 5,7 2,2 - 0,3 - 0,4 - 0,5 2,2 1,8 2,3 2,3
Reële loonkosten per eenheid produkt 0,0 1,8 - 1,0 - 0,8 - 4,9 - 1,5
Rentabiliteit ( 6 ) ii I - 8,6 - 28,5 21,0 7,9 40,8 10,4
idem ( 1961 / 1973 = 100 ) 100 51,7 51,1 46,7 33,4 40,4 43,6 61,4 67,8
Concurrentievermogen ( 7 ) - 0,3 - 0,1 - 0,7 2,2 11,3 3,7 - 0,5 0,8 1,9
Werkgelegenheid - 0,4 0,8 0,5 - 0,1 0,1 0,4 0,5 0,5 ' 1,3
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 8 ) 5,2 5,9 8,0 9,7 10,9 11,9 12,9 13,4 12,8
Saldo lopende rekening in % van het BBP 1,5 - 0,5 - 2,3 - 1,6 0,2 - 0,8 - 1,1 1,2 0,9
Rente kapitaalmarkt 6,9 13,3 20,6 20,9 18,0 14,9 13,0 10,6 8,7
Liquiditeitenmassa ( 9 ) 14,7 21,5 15,9 17,2 13,2 12,1 11,1 7,5 7,5
Financieringsbehoefte of -capaciteit van
de overheid in % van het BBP - 3,3 - 9,0 - 11,7 - 12,7 - 12,4 - 13,0 - 14,0 - 12,7 - 11,0
Overheidsschuld in % van het BBP 44,8 67,7 70,2 76,6 84,3 91,1 99,5 103,1 106,8
Rentelast overheidsschuld in % van
het BBP 1,8 4,9 7,2 8,5 9,0 9,6 9,3 9,6
. . ... - -
8,8
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
( 3 ) Verschi ! in procentpunten .
( 4 ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( 6 ) Netto-exploitatieoverschot op de nettovoorraad kapitaalgoederen tegen vervangingswaarde .
( 7 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen ,
,' s ) Definitie Kurostat .
( 5 ) Jaarultimo .
Nr . L 385 / 100 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
LUXEMBURG
In Luxemburg bleef de economische bedrijvigheid in 1 986 op
een hoog niveau dank zij de krachtige binnenlandse vraag
waarvan het ge/ insverbruik , dat werd gestimuleerd door de
stijging van het beschikbare inkomen van de gezinnen , de
stuwkracht vormde . De totale uitvoer is minder snel gestegen
dan het voorgaande jaar onder invloed van een lichte daling
van de afzet van ijzer- en staalprodukten . Over het geheel
genomen bedroeg de groei van het bruto binnenlands
produkt ongeveer 2,5% . De inflatie is aanzienlijk verzwakt
en de werkloosheid is enigszins teruggelopen .
In 1987 zal het bruto binnenlands produkt in vrijwel
hetzelfde tempo toenemen als in 1986 . Een stabilisatie van de
afzet van ijzer- en staalprodukten en de nog krachtige stijging
van de leveringen van andere produkten zullen bijdragen tot
een snellere groei van de totale uitvoer . Daarentegen kan de
toeneming van de bedrijfsinvesteringen iets afzwakken . Het
stijgingstempo \ an het prijsindexcijfer van het gezinsver
bruik zou iets kunnen toenemen wegens een sterke stijging
van de loonkosten in de dienstensector en de grote invloed
van de buitenlandse inflatie op deze zeer open economie . Op
de arbeidsmarkt zal de toeneming van het aantal werknemers
evenals het vorige jaar gepaard gaan met een vermindering
van het aantal werklozen en een sterke daling van het aantal
in het kader van specifieke programma's tewerkgestelde
personen .
De meeste aspecten van het door de regering gevolgde
economisch beleid zijn verenigbaar met de richtsnoeren van
de samenwerkingsstrategie voor groei en werkgelegenheid .
Het begrotingsbeleid heeft hiertoe bijgedragen door vraag
stimulerende maatregelen . De na de herstructurering van de
ijzer- en staalindustrie beschikbaar gekomen beleidsmarge
werd in 1986 ten dele gebruikt voor de vermindering van de
inkomstenbelasting en zal in 1987 worden gebruikt voor een
verdere verlichting van de belastingdruk , zowel voor gezin
nen als voor ondernemingen . Bovendien zullen de reserves
van de investeringsfondsen van de overheid kunnen worden
verhoogd ten behoeve van de financiering van hun program
ma's op middellange termijn . De inspanningen tot diversifi
catie van de Luxemburgse economie werden voortgezet door
selectieve maatregelen ten voordele van nieuwe ondernemin
gen .
Op het gebied van de loonontwikkeling heeft de sedert eind
1984 begonnen inhaalbeweging geleid tot stijgingen in 1986
en 1987 die de vroeger gedane inleveringen compenseren . De
stijging van de reële loonsom per hoofd zou de groei van de
arbeidsproduktiviteit kunnen overtreffen . Zelfs indien dit op
korte termijn een gunstig effect heeft op de binnenlandse
vraag blijft het gevaar bestaan dat het concurrentievermogen
van de ondernemingen wordt aangetast , rationalisatie-inves
teringen worden gestimuleerd die niet gunstig zijn voor de
schepping van bijkomende arbeidsplaatsen en de industriële
diversificatie wordt afgeremd . Bijgevolg zullen de komende
loononderhandelingen van bijzonder grote betekenis zijn .
De opname van jongeren op de arbeidsmarkt zal extra
maatregelen vragen op het gebied van de aanpassing van de
beroepsopleiding aan de behoefte van het bedrijfsleven aan
gekwalificeerde arbeidskrachten ter vermijding van liet blij
vend bestaan van een harde kern van jonge werklozen terwijl
er voor nieuwe arbeidsplaatsen buitenlandse arbeidskrach
ten moeten worden aangetrokken . De aanpassing van de
arbeidsduur in functie van de behoeften van de bedrijven
wordt in het raam van de internationale concurrentie steeds
wenselijker . Een soepeler wetgeving zal voor de sociale
partners de mogelijkheid moeten openen op bedrijfsniveau
onderhandelingen te voeren over de invoering van een
grotere flexibiliteit bij de organisatie van de arbeidsduur .
Als gevolg van de geringe toeneming van de belastingont
vangsten , hetgeen ten dele kan worden toegeschreven aan de
verlaging van de directe belastingen , en een aanhoudende
stijging van de uitgaven , in het bijzonder voor bezoldigingen
en overdrachten , daalt de financieringscapaciteit van de
overheid in 1986 en 1987 . Hoewel de reserves van de
investeringsfondsen toereikend zullen zijn voor de financie
ring van projecten voor de opbouw van een behoorlijke
infrastructuur , zowel op het gebied van de traditionele
overheidsinvesteringen als op dat van de telecommunicatie
en de elektronische gegevensverwerking , zal een zekere
voorzichtigheid bij het beheer van de andere uitgaven moeten
worden nagestreefd ter handhaving van het begrotingseven
wicht van de centrale overheid en om zich aldus te verzekeren
van een zekere beleidsmarge voor de toekomst .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 101
TABEL 36
Luxemburg : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
( Jaarlijkse mutaties in
1961
- 1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 ;■} 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen - I reëel
lands produkt |
deflator
8,6
4,1
4,4
8,5
1.5
6.6
9.8
- 0,1
9.9
10,3
0,9
9,4
9,4
1,6
7,7
12,4
5,3
6,7
7,7
2,2
5,4
8,0
2,4
5,4
5,3
2,6
2,6
Particulier verbruik , deflator 3,1 7,5 8,6 10,6 8,0 6,4 4,0 0,5 1,3
Investeringen f ^
in vaste activa , -
volume totaal 5,1 - 0,3
- 7,7
- 1,4
- 6,2
- 0,7
0,6
- 0,4
- 5,2
2,3
- 3,3
- 0,2
- 4,9
- 1,4
2,5
- 0,5
1,7
3,0
3,0
3,0
2,1
1,1
1,9
waarvan : bouw - 2,5 U - 1,4 - 3,1 0,7 2,1 0,8
Installaties - 13,2 - 3,7 - 7,5 2,5 4,0 5,0 4,0
Binnenlandse vraag in constante prijzen 1,8 - 0,2 0,4 0,2 1,8 3,0 3,0
Verschil ten opzichte van de partners
van de Genieenschap ( 3 ) 0,4 0,4 - 0,9 0,2 - 0,8 - 0,4
r nominaal
Loonsom per I reëel A 4 )
werknemer ]L B -)
7,3
3,0
4,2
11,1
4,3
3,5
8,8
0,6
0,1
7,2
- 2,5
- 3,1
7,6
- 0,6
0,4
6,8
0,2
0,4
4,5
- 0,8
0,5
4,2
- 1,2
3,7
5,6
2,9
4,2
Produktiviteit ( 5 ) 3,1 0,9 - 1,7 1,1 2,8 4,9 0,8 1,6 1,9
Reële loonkosten per eenheid produkt - 0,1 3,4 2,3 - 3,6 - 3,3 - 4,5 - 1,6 - 2,8 1,0
Werkgelegenheid 1,0 0,8 0,4 - 0,4 - 0,1 0,6 1,4 0,8 0,7
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 6 ) 0,0 0,4 1,0 1,3 1,6 1,7 1,6 1,3 1,2
Saldo lopende rekening in % van het BBP 6,7 20,1 19,0 25,0 28,2 30,2 29,6 31,5 30,7
Rente kapitaalmarkt I
Liquiditeitenmassa ( 7 ) l l -l
Financieringsbehoefte of -capaciteit
van de overheid in % van het BBP 2,0 2,9 - 3,1 - 2,3 - 0,6 1,5 4,1 3,7 2,6
Overheidsschuld in % van hei BBP 15,9 14,0 14,4 14,8 14,7 14,3 14,0 14,0
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP 0,8 1,0 1,0 1,1 1,2 1,3 1,3 1,3
(') Ramingen van de diensten var de Commissie , oktober 1986 .
' 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
i 3 ) Verschil in procentpunten .
; 4 } A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( s ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
(*) Definitie Eurostat .
( 7 ) Jaarultimo .
Nr . L 385 / 102 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
NEDERLAND
gen van de arbeidsmarkt hadden vooral betrekking op de
decentralisatie van de loononderhandelingen , de bevriezing
van de minimumlonen , de vermindering van de arbeidsduur ,
de uitbreiding van de mogelijkheden tot deeltijdwerk en
vervroegde uittreding . De aanbodcapaciteit werd eveneens
gunstig beïnvloed door het in twee etappes verlagen van de
vennootschapsbelasting . De stijging van de reële lonen was in
de afgelopen jaren gematigd ; het beleid van gedecentraliseer
de onderhandelingen heeft op bevredigende wijze gefunctio
neerd , terwijl de regering niet rechtstreeks in de opstelling
van de arbeidsovereenkomsten heeft ingegrepen . In de
overheidssector werd het nominale bezoldigingsniveau
bevroren terwijl de regering thans zeer strenge beperkingen
oplegt aan de loononderhandelingen in deze sector waar
rekening moet worden gehouden met de eisen van het
begrotingsbeleid . Dit loonbeleid heeft in 1984 / 1985 geleid
tot een minder sterke groei van het gezinsverbruik ; in 1986
zal de verlaging van het werknemersaandeel in de sociale
bijdragen leiden tot een verbetering van de reële koopkracht
van gezinnen , die overigens voordeel halen uit de terugdrin
ging van de inflatie . De daling van de rentetarieven heeft het
stimulerende effect uitgaande van de verbetering van de
rentabiliteit van de ondernemingen op de investeringen
versterkt .
In Nederland werd de economische ontwikkeling in 1986
gekenmerkt door een minder snelle stijging van het uitvoer
volume door het teruglopen van de uitvoer van aardgas .
Daarentegen heeft de verbetering van de koopkracht van
gezinnen — als resultaat van de verlaging van de sociale
premies en de vermindering van de inflatie als gevolg van een
verbetering van de ruilvoet waarbij de stijging van de
nominale lonen grotendeels eerder was overeengekomen —
geleid tot een forse toeneming van het gezinsverbruik . De
groei van de bedrijfsinvesteringen was nog krachtig , doch de
vraag naar woningen en de overheidsinvesteringen zijn zwak
gebleven . Over het geheel genomen is de groei van het bruto
binnenlands produkt met 1 ,6 % nauwelijks lager dan in het
voorafgaande jaar , maar afgezien van de energiesector is de
produktie in de bedrijven met 2,7% gestegen . Het inflatie
tempo is nul geworden en de rentetarieven zijn met bijna één
procentpunt gedaald . De minder gunstige ontwikkeling van
de handels- en overdrachtenbalans heeft geleid tot een
geringe vermindering van het overschot op de lopende
rekening van de betalingsbalans ondanks de ruilvoetverbete
ring met 2,6% , terwijl de aanpassing van de uitvoerprijzen
van aardgas de val van de olieprijzen slechts met een
belangrijke vertraging heeft gevolgd .
In 1987 zal het groeitempo van het bruto binnenlands
produkt vrijwel niet toenemen en ongeveer 1,8 % bedragen .
De uitvoer zal in totaal aanzienlijk sneller stijgen , terwijl de
volumedaling van de uitvoer van aardgas aanzienlijk minder
zal zijn dan in 1986 . De daling van de olieprijzen in 1986 zal ,
gezien de vertraging waarmee deze doorwerkt op het prijs
niveau van aardgas , in 1987 tot een inkomensherverdeling
leiden — ongeveer 3 % van het BBP — ten voordele van
gezinnen , de bedrijven en het buitenland en ten nadele van de
staatsbegroting . Ondanks de genomen maatregelen ten
aanzien van de uitgaven en ontvangsten ter voorkoming van
een te grote toeneming van het overheidstekort die een
vertragend effect zullen hebben op het gezinsverbruik , zou de
binnenlandse vraag in totaal even snel kunnen stijgen als in
1986 . De verbetering van de rentabiliteit van de onderne
mingen en de stijging van de bezettingsgraad van de produk
tiecapaciteit zullen de bedrijfsinvesteringen verder stimuleren
terwijl de activiteit in de woningbouwsector ongetwijfeld
enigszins zal verbeteren , maar de overheidsinvesteringen
zullen opnieuw teruglopen . Het algemene prijsniveau zou ten
opzichte van 1986 lager kunnen zijn . De verslechtering van
de ruilvoet met meer dan 1 % kan leiden tot een vermindering
van het overschot op de lopende rekening van de betalings
balans . Door de toeneming van de industriële produktie en
door een aanpassing van de arbeidstijd zal de werkgelegen
heid toenemen ; niettegenstaande een daling van de werkloos
heid zal deze nog steeds zeer hoog blijven ( 11,1 % ).
Het beleid van de centrale bank , dat in het bijzonder is gericht
op de handhaving van de koers van de gulden ten opzichte
van de Duitse mark binnen het EMS , heeft ertoe bijgedragen
dat de inflatie is teruggebracht tot een zeer gering niveau en
heeft het mogelijk gemaakt de internationale tendens van
rentedaling te volgen . Op de geld- en kapitaalmarkten
konden liberalisatiemaatregelen worden getroffen ten einde
buitenlandse bankinstellingen gemakkelijker toegang tot de
Nederlandse markt te verlenen en Nederlandse ondernemin
gen in staat te stellen nieuwe financieringsinstrumenten te
gebruiken . Het begrotingsbeleid heeft prioriteit moeten
geven aan de vermindering van het tekort van de overheids
sector op middellange termijn ten einde de uitvoering van de
begroting beter te beheersen en de structurele sanering van de
economie te bevorderen , hetgeen weinig ruimte heeft gelaten
voor de ondersteuning van de economische groei op korte
termijn . Ondanks de in 1 985 bereikte aanzienlijke daling van
het tekort heeft de ontwikkeling op de energiemarkt het
begrotingsprobleem verscherpt . Ter beperking van de grote
toeneming van het tekort in 1987 moest worden overgegaan
tot besnoeiing van de uitgaven en verhoging van de indirecte
belastingen , terwijl een krachtige ondersteuning van de vraag
door middel van de staatsbegroting vrijwel onmogelijk is .
Het economisch beleid van de nieuwe regering is gericht op
de verlaging van het begrotingstekort , stabilisatie — zo niet
vermindering — van de belasting- en premiedruk , handha
ving van de koopkracht en terugdringen van de werkloos
heid . Door de aanzienlijke werkloosheid is het noodzakelijk
bovenal voort te gaan met het zoeken naar de middelen tot
vergroting van de werkgelegenheid en tevens de reeds
genomen maatregelen te verlengen , zelfs indien sommige
daarvan , zoals de vermindering van de arbeidsduur , nog niet
hebben geleid tot het verwachte compenserende aantal
Het economisch beleid van de afgelopen jaren , dat steunt op
het regeerakkoord van het najaar van 1982 , berust op
richtsnoeren die vooruitliepen op bepaalde krachtlijnen van
de samenwerkingsstrategie voor groei en werkgelegenheid .
Zij betroffen verbetering van de werking van de arbeids
markt , loonmatiging en herstel van het begrotingsevenwicht .
De maatregelen tot verbetering van het aanpassingsvermo
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 103
aanwervingen . Het is derhalve van het grootste belang ervoor
zorg te dragen dat de overeenkomst tussen de sociale partners
en het regeerakkoord , die beide erop gericht zijn aan jonge
werklozen een beroepsopleiding of een stagemogelijkheid te
geven , zo snel mogelijk worden uitgevoerd . De zich in
bepaalde sectoren van de arbeidsmarkt voordoende knelpun
ten beklemtonen overigens de noodzaak de beroepskwalifi
catie te verbeteren .
De gedecentraliseerde loononderhandelingen blijken ver
enigbaar met de handhaving van het concurrentievermogen
van de bedrijven . Zo zou ook het niet-ingrijpen van de
overheid in de loononderhandelingen geen invloed mogen
hebben op de ontwikkeling van de overheidsuitgaven aange
zien de band tussen de aanpassingen van de lonen in de
overheidssector en van de sociale overdrachten en die van de
lonen in de privésector werd verbroken en het herstel ervan
niet voorzien is . De overheidssector zal ongetwijfeld niet
volledig kunnen ontsnappen aan een zekere loonmodulering ,
althans voor bepaalde categorieën , ten einde gekwalificeerd
personeel te kunnen aantrekken waaraan reeds een gebrek
bestaat .
De belangrijke terugval van de aardgasontvangsten met
ingang van 1987 vergroot de moeilijkheden bij de verminde
ring van het tekort op de rijksbegroting , dat volgens het
regeerakkoord tot 5 '/ 4% van het netto nationaal inkomen
in 1990 zal moeten worden teruggebracht en dat in 1986 nog
6,7% bedroeg . Een verhoging van het netto-financieringste
kort voor de gehele overheid ( afgezien van vervroegde
terugbetalingen van leningen voor de sociale woningbouw),
dat in 1987 meer dan 8 % van het netto nationaal inkomen
zal bedragen , waarvan 7,9 % voor het rijk , is onvermijdelijk .
Dit resultaat vereist reeds de uitvoering van een uitgebreid
programma voor compensatie van de inkomensderving als
gevolg van de prijsontwikkeling van koolwaterstoffen , zowel
door besnoeiing op de uitgaven als door de nieuwe ontvang
sten . In 1987 zal de overheidsschuld nog met meer dan 7%
van het BBP stijgen en het is derhalve geboden het stringente
begrotingsbeleid te handhaven ten einde het netto-financie
ringstekort van het Rijk te houden binnen de door de
begroting gestelde grenzen en de nodige voorwaarden te
scheppen voor verlaging in de volgende jaren .
Dit richtsnoer loopt geenszins vooruit op het herstructure
ringsbeleid van de overheidsuitgaven en , voor zover moge
lijk , van de overheidsontvangsten ter stimulering van de
ontwikkeling van de privésector , een beleid dat directe
maatregelen inhoudt ten gunste van de werkgelegenheid en
dat reeds bevredigende resultaten heeft opgeleverd .
Nr . L 385 / 104 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
TABEL 37
Nederland : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
(Jaarlijkse mutaties in %
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 ;>) 1987 ( 2 )
Bruto binnen
lands produkt
nominaal
reëel
deflator
Particulier verbruik , deflator
Investeringen
in vaste activa ,
volume
privé
overheid
totaal
waarvan : bouw
installaties
Binnenlandse vraag in constante prijzen
Verschil ten opzichte van de partners
van de Gemeenschap - 3 )
11,3
5,3
6,0
5,2
6,3
11,4
5,0
6,0
3,9
1,1
2,7
0,9
1,3
0,5
5,9
. 10,3
- 0,4
9,6
2,4
7,1
7,3
- 0,2
9,5
2,2
2,0
2,1
0,1
0,7
0,3
5.3
0,8
9,4
9.6
- 2,5
41,7
4,8
- 0,7
5,5
6,3
- 11,5
- 4,6
- 10,4
- 10,8
- 9,6
- 4,6
3.5
- 1,9
- 2,7
0,8
- 2,7
- 9,7
- 1,5
8,6
2,2
12,2
5,3
- 5,5
50,3
4,5
- 1,4
6,0
5,3
- 3,5
- 7,1
- 4,1
- 6,4
0,2
- 0,9
- 1,2
5,8
- 0,3
0,5
1,1
- 1,4
2,5
- 2,5
11,6
3,2
10,5
7,6
- 6,6
55,6
3,0
1,4
1,6
2,7
3,3
- 4,6
2,1
- 3,4
10,0
1.5
- 0,2
3,2
1,5
0,4
3,0
- 1,5
- 2,7
- 1,9
14,0
2,9
8,8
10,5
- 5,9
62,3
4,9
2.4
2.5
2,5
3,7
7,6
4,3
2,5
7.0
1,4
- 0,7
0,8
- 1,7
- 1,7
2,2
- 3,8
- 6,2
- 0,4
14,3
4.1
8,6
7,7
- 6,2
66,3
4,2
1,7
2,4
2,6
5,2
- 4,3
3,7
- 3,3
13,7
2,2
0,7
1,4
- 1,0
- 1,2
0,6
- 2,6
- 3,9
1,1
13,1
4.3
7,8
10,5
- 5,1
70,0
2,0
1,6
0,4
0,0
6,2
0,4
5,4
4,1
7,0
2.3
- 1,5
2.1
1,7
2,1
0,5
1,2
4,4
1,1
12,0
3,9
6.8
5,1
- 5,5
75,5
0,1
1,8
- 1,7
- 1,0
3,7
- 3,1
2.8
2,4
3,3
2.4
- 1,4
1,7
3,4
2,7
0,9
2,5
0,6
0,8
11,1
2.8
6,1
3,5
- 6,6
82,6
Loonsom per
werknemer
nominaal
reëel A ( 4 )
B («)
Produktiviteit ( s )
Reële loonkosten per eenheid produkt
Concurrentievermogen ( 6 )
Werkgelegenheid
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 7 )
Saldo lopende rekening in % van het BBP
Rente kapitaalmarkt
Liquiditeitenmassa ( 8 )
Financieringsbehoefte of -capaciteit
van de overheid in % van het BBP
Overheidsschuld in % van het BBP
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP l 3,1 4,4 4,7 5,3 5,6 6,0 6,4 6,4
( 1 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
; 3 ) Verschil in procentpunten .
( 4 ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
: 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
{') Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
( 7 ) Definitie Eurosfat .
( 8 ) Jaarultimo .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 105
PORTUGAL
De Portugese economie , die wegens de grote afhankelijkheid
van ingevoerde energie bijzonder veel profijt heeft getrokken
van de inzakking van de olieprijzen , heeft haar expansie in
1986 in een hoger tempo voortgezet dan het communautair
gemiddelde . De volumegroei van het BBP wordt geraamd op
bijna 4% en ligt vrij dicht bij dat van 1985 . Terzelfder tijd
wordt de grootste stuwkracht voor de groei verplaatst van de
uitvoer naar de binnenlandse vraag . Na enkele jaren zijn de
reële lonen een krachtiger inhaalbeweging begonnen dan
voorzien , met name omdat de inflatie , die nog aanzienlijk
boven het communautair gemiddelde blijft , aanmerkelijk
lager is uitgevallen dan aanvankelijk werd verwacht . Het
gezinsverbruik heeft daaruit stevige impulsen ontvangen . De
investeringen in vaste activa , die tot 1985 sterk waren
teruggelopen , vertonen een herstel dank zij de verbetering
van de financiële positie van de ondernemingen en het steeds
grotere effect van de stimuleringsmaatregelen ten behoeve
van produktieve investeringen en woningbouw alsmede door
het programma van overheidsinvesteringen . Het groeitempo
van de uitvoer liep terug , vooral wegens een aarzelende
ontwikkeling van de afzer naar derde landen . Door de
krachtige verbetering van de ruilvoet evenwel bereikte het
betalingsbalansoverschot een recordniveau ( 5,4% van het
BBP ). De daling van de werkgelegenheid is tot staan gekomen
en het werkloosheidspercentage is voor het eerst sedert vele
jaren iets gedaald .
In 1987 zal het particulier verbruik iets minder krachtig zijn ,
doch het groeitempo van de investeringen in vaste activa zou
kunnen aantrekken onder invloed van de daling van de
rentevoeten en de krachtige ontwikkeling van de overheids
investeringen . Het groeitempo van het reële BBP zal iets
minder krachtig zijn dan in 1986 en ongeveer 3,5%
bedragen . De ontwikkeling van de buitenlandse markten van
Portugal maakt een matig herstel van de uitvoer mogelijk ;
ondanks een zekere verslechtering zal de lopende rekening
van de betalingsbalans een groot overschot blijven vertonen .
De desinflatie zal voortgaan doch de stijging van de con
sumptieprijzen (+ 9% ) zal nog aanmerkelijk boven het
communautair gemiddelde uitgaan . De werkgelegenheid zal
profijt trekken van de gunstige conjunctuur . De geregistreer
de werkloosheid zal echter slechts langzaam dalen ( van
8,6% van de actieve beroepsbevolking in 1986 tot 8,5% in
1987 ), met name wegens een verdere toeneming van de
bevolking in de produktieve leeftijd .
Op het gebied van de loonontwikkeling in 1986 heeft de
regering een verhoging van 16,5% goedgekeurd voor de
ambtenaren en van 17% voor de particuliere sector aanbe
volen . De collectieve onderhandelingen zijn oorspronkelijk
uitgekomen op soms nog grotere verhogingen , vooral bij de
overheidsbedrijven . De vooruitzichten voor geringere inflatie
zijn evenwel beter geworden ( op jaarbasis 12% tegenover
14% ), zodat de autoriteiten hun loonbeleid naar beneden
hebben herzien en het stijgingstempo van de nominale lonen
per hoofd kleiner wordt . Over het geheel genomen zijn de
nominale loonkosten aanzienlijk sterker gestegen dan het
communautair gemiddelde . Het loonaandeel in het nationale
inkomen evenwel is teruggelopen , hoewel de reële lonen naar
koopkracht ( gedefleerd met het prijsindexcijfer van de
consumptieprijzen ) zijn gestegen .
De investeringen in vaste activa hebben zich gunstig ontwik
keld . Na een gecumuleerde volumedaling van 25,5% in de
voorafgaande drie jaar is het investeringsvolume in 1986 met
ongeveer 8% gestegen , terwijl voor 1987 een zelfde en
wellicht hoger percentage wordt verwacht .
De omvang en de snelle groei van de overheidsschuld (47,4 %
van het BBP in 1980 en 81,2% in 1985 ) hebben de
autoriteiten onder meer genoopt om voor 1986 het financie
ringstekort van de overheid aanmerkelijk te verlagen . In het
verleden was het begrotingsbeleid gericht op de korte
termijn , hetgeen verstoringen heeft veroorzaakt in de alloca
tie van de produktiefactoren , met name door niet-rendabele
overheidsbedrijven te ondersteunen waardoor een verdrin
gingseffect ten nadele van het particuliere bedrijfsleven wordt
uitgeoefend . Thans zijn de autoriteiten voornemens een
sanering op middellange termijn uit te voeren die in het
bijzonder is gebaseerd op een grotere doorzichtigheid van de
rekeningen van de centrale overheid , een poging tot beheer
sing van de overheidsuitgaven , de invoering van een nieuw
stelsel van belastingfaciliteiten voor investeringen en de
dekking van het financieringstekort door een groter beroep
op de kapitaalmarkt .
Ondanks bepaalde bij de modernisering van de financierings
circuits geconstateerde vooruitgang blijft deze ontoereikend
voor de ondersteuning van een voldoende ontwikkeling van
langdurige besparingen en risicodragend kapitaal . Dit draagt
bij tot het blijven bestaan van zeer hoge rentevoeten , met
name wegens de krachtige vraag naar financieringsmiddelen
door de overheid en de overheidsbedrijven , het gebrek aan
stabiliteit van de escudokoers en de anticipatie op een
krachtige inflatie .
De voornaamste uitdaging van de Portugese economie is uit
de vicieuze cirkel te komen van afwisseling van fasen van
afremming en stimulering , hetgeen de economische ontwik
keling in het afgelopen decennium zeer sterk heeft beïnvloed ,
om zich nu te werpen op fundamentele problemen en in het
bijzonder op de modernisering van het produktieapparaat
waarvan de urgentie door de toetreding van het land tot de
Gemeenschap groter is geworden . Bij gebrek aan voldoende
investeringen is de structuur van de uitvoer nauwelijks
gediversifieerd terwijl ieder herstel van de binnenlandse
vraag snel stuit op de betalingsbalansmoeilijkheden . De
regering , die in het najaar van 1985 in functie is getreden ,
heeft zich nu juist als prioritair doel gesteld het herstel van de
investeringen en de verbetering van de voorwaarden voor de
economische groei door sanering van de overheidsfinanciën ,
de wegneming van het verschil in inflatie met de rest van de
Gemeenschap en , op micro-economisch terrein , de versnelde
aanpassing van de markten .
In 1987 zal het terugdringen van de fundamentele oneven
wichtigheden van de economie aanzienlijke vooruitgang
moeten vertonen . Daartoe moet het financieringstekort van
de overheid , een doorslaggevende strategische variabele ,
aanzienlijk verlaagd worden . De matiging van de huishou
delijke uitgaven en de beperking van de subsidies aan de
overheidsbedrijven zullen moeten worden gehandhaafd . Het
Nr . L 385 / 106 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
spreekt vanzelf dat de maatregelen tegen belastingontwijking
en fraude moeten worden voortgezet . Dit zou in staat moeten
stellen het netto-financieringstekort van de centrale overheid
tot beneden 8 a 8,5% van het BBP terug te brengen . Dit
beleid zou met name in staat stellen de noodzakelijke
vertraging van de binnenlandse kredietverlening te verzeke
ren en gunstig in te werken op de stabilisatietendensen van de
wisselkoers van de escudo . Deze voorwaarden zijn onont
beerlijk voor de verwezenlijking van een ambitieuze doelstel
ling op het gebied van de prijsstijging (minder dan 10 % ), een
daarmede in overeenstemming zijnde ontwikkeling van de
reële lonen , overeenkomstig de geest van het in juni gesloten
tripartite akkoord , met een verbetering van het concurren
tievermogen van de Portugese economie en daardoor
geschikt voor de inpassing , onder goede voorwaarden , in de
grote gemeenschappelijke markt .
TABEL 38
Portugal : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
(Jaarlijkse mutaties in % :
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 ('} 1987 ( i )
r nominaal
Bruto binnen- J reëej
lands produkt |
^ deflator
11,2
6,9
4,0
23,2
3,3
19,8
18,7
0,4
18,2
26,1
3,5
21,8
23,7
- 0,3
24,1
23,4
- 1 "
25,6
25,9
3,7
21,3
23,8
3,8
19,2
14.4
3,5
10.5
Particulier verbruik , deflator 3,4 21,4 20,0 22,5 25,5 29,3 19,3 11,8 9,0
r privé
Investeringen
in vaste activa , -
volume ^ totaal 8,0 5,4 4,6 2,9 - 7,5 - 18,0 - 1,8 7,8 8,5
waarvan : bouw 4,4 2,0 - 3,0 - 13,5 - 4,0 6,1 8,5
installaties 4,8 4,0 - 13 ,1 - 23,0 1,0 10,0 8,6
Binnenlandse vraag in constante prijzen 7,5 2,9 2,9 3,4 - 7,0 - 7,0 0,6 6,7 4,8
Verschil ten opzichte van de
partners van de Gemeenschap ( 3 )
r nominaal
Loonsom per J rege i A ( 4 )
werknemer |
l B («)
12,0
7,8
8,4
25,2
4,5
2,8
20,6
3,5
3,2
18,5
- 2,7
- 3,3
21,6
- 2,0
- 3,1
19,8
- 4,6
- 7,4
22,0
0,5
2,2
17,1
- 1,8
4,7
12,3
1,6
3,0
Produktiviteit ( s ) 7,4 3,4 - 0,2 4,0 1,4 - 0,4 4,2 3,5 3,2
Rëele loonkosten per eenheid produkt 0,4 1,1 3,7 6 ,4 - 3,4 - 4,2 - 3,6 - 5,1 - 1,6
Concurrentievermogen ( 6 ) - 5,7 - 8.4 - 1,5 0,4 - 1,1 - 2,9
Werkgelegenheid - 0,5 - 0,1 0,6 - 0,5 - 1,7 - 1,3 - 0,5 0,5 0,6
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 7 ) 7 .9 8,5 8,7 8,6 8,5
Saldo lopende rekening in % van het BBP 0,7 - 6,2 - 11,7 - 13,5 - 7,2 - 3,0 1,8 5,4 4,2
Rente kapitaalmarkt 6,5 16,4 22,6 25,2 30,3 32,5 25,4 19,5 16,5
Liquiditeitenmassa ( 8 ) 23,8 24,6 16,3 24,5 28,5 26,0 16,0
Financieringsbehoefte of -capaciteit
van de overheid in % van het BBP - 10,1 - 8,8 - 7,1 — 7,7 - 11,2 - 8,0 - 7,5
Overheidsschuld in % van het BBP 59,0 62,2 70,9 75,7 81,2 83,5 88,0
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP 5,4 5,5 6,4 7,1 7,7 9,7 9,3
('/ Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
( 3 ) Verschil in procentpunten .
( 4 ) A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 5 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( É } Reële effectieve wisselkoers ( ten opzichte van negentien andere industrielanden ), op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel . Positief
cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
( 7 ; Definitie Eurostat .
( 8 ) Jaarultimo .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr . L 385 / 107
VERENIGD KONINKRIJK
In het Verenigd Koninkrijk is de groei van de economische
bedrijvigheid na een vertraging aan het einde van 1985 en in
de eerste helft van 1986 opnieuw licht versneld . De stijging
van het BBP in volume zal in 1986 waarschijnlijk 2 V4 %
bedragen , terwijl voor 1987 een iets grotere toeneming wordt
verwacht (2 34% ). In deze twee jaren is de belangrijkste
bijdrage tot de groei afkomstig van het gezinsverbruik ,
waarvan de verhoging voortspruit uit de aanhoudende
stijging van de looninkomens gekoppeld aan een verdere
afzwakking van de inflatie in 1986 en aan nieuwe verlagingen
van de inkomstenbelasting . De overige componenten van de
vraag zijn weinig dynamisch ofschoon een lichte versnelling
van de groei van de uitvoer en de investeringen in 1987 wordt
verwacht .
De geraamde groei van het BBP is voldoende om een nieuwe
stijging van de werkgelegenheid toe te laten , maar aangezien
het slechts nieuwkomers betreft die als zelfstandigen begin
nen of een deeltijdbaan bezetten , is de groei nog niet sterk
genoeg om de werkloosheid te doen dalen . Tussen maart
1983 en maart 1986 is de totale werkgelegenheid met
ongeveer 1 miljoen eenheden gestegen terwijl het aantal
werklozen met meer dan 150 000 toenam . Het deelnemings
percentage vertoont zodoende een stijging van 3 procentpun
ten ; een dergelijke trend zal zich echter in de komende jaren
niet handhaven . De toeneming van de werkgelegenheid
bestond uit een half miljoen zelfstandigen en meer dan
550 000 vrouwen met deeltijdbanen . Het aantal voltijdwerk
nemers nam af .
De forse daling van de prijs van ruwe aardolie heeft in het
Verenigd Koninkrijk , dat een belangrijke producent van deze
grondstof is , andere uitwerkingen gehad dan in de meeste
Lid-Staten van de Gemeenschap . Hoewel evenals elders de
prijzen van energieprodukten voor industrieel" en gezinsver
bruik zijn gedaald , onderging de economie als geheel ongun
stige effecten van de verslechtering van haar ruilvoet waarbij
zich nog , in het begin van 1986 en opnieuw in de zomer
daarna , een neerwaartse ontwikkeling van de wisselkoers
van het pond sterling voegde , vooral ten opzichte van de
andere Europese munten . De financiële toestand van de
niet-aardolieondernemingen is aanmerkelijk verbeterd maar
globaal liepen de ondernemingswinsten terug onder invloed
van de winstverslechtering in de aardoliesector .
De daling van de uitvoerprijzen van aardolie heeft het
overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans
doen wegsmelten en voor 1987 wordt een tekort van 0,6
procentpunt van het BBP verwacht . De begrotingsontvang
sten afkomstig uit de aardolie zijn eveneens gedaald , name
lijk met ongeveer de helft tot 5 miljard pond sterling voor het
begrotingsjaar 1986 / 1987 , doch de ontwikkeling van de
overige belastingontvangsten , die gunstiger was dan ver
wacht , heeft de invloed van de daling van de aardoliebaten op
de totale ontvangsten beperkt . De stijgingspercentages van
de liquiditeitenmassa lopen sterk uiteen naar gelang van de
gebruikte definitie , waarbij de groei van de liquiditeitenmas
sa volgens de ruimste definitie het vastgestelde streefcijfer
ruimschoots overtrof. Hoewel de rentevoeten de internatio
nale dalingstendens hebben gevolgd , bleven zij reëel hoog,
ten dele wellicht wegens de risicopremie inherent aan de
onzekerheden in verband met de toekomstige ontwikkeling
van de inflatie en de wisselkoersen .
De matiging van de loonsverhogingen , zowel nominaal als
reëel , is een van de sleutels tot de verbetering van de
werkgelegenheidsvooruitzichten . Na in het begin van de
jaren tachtig een sterke vertraging te hebben ondergaan ,
bedraagt de stijging van de nominale lonen sinds het midden
van 1982 gemiddeld 7 '/2 % per jaar , terwijl de stijging van de
deflator van het gezinsverbuik ongeveer 5 % of zelfs lager
was . Wegens de daling van de prijs van energie en grond
stoffen is deze stijging in 1986 wat geringer , namelijk
ongeveer 4% (volgens de index van de detailhandelsprijzen
3 % ), zonder dat deze afzwakking tot dusver een noemens
waardige invloed heeft gehad op de arbeidsovereenkomsten .
Aangezien de andere industrielanden wat betreft de terug
dringing van de inflatie betere resultaten hebben bereikt , is de
concurrentiekracht van de Britse economie opnieuw ver
zwakt . Hoewel deze vermindering door de aanpassing van de
wisselkoers in 1986 meer dan gecompenseerd werd , is deze
aanhoudende zwakte een bedreiging voor de werkgelegen
heid .
Ondanks de voortdurende stijging van de reële lonen is de
rentabiliteit van de ondernemingen duidelijk verbeterd , dank
zij , in de eerste drie jaren van het herstel , een stijging van de
produktiviteit die de toeneming van de reële lonen overtreft ,
en vervolgens het teruglopen van de niet-loonkosten . Vol
gens een studie van de Bank van Engeland is de rentabiliteit
vóór belasting van de industriële en handelsondernemingen
opgelopen van 6% in 1981 tot 12V2 % in 1985 . In 1986 zal
deze waarschijnlijk afnemen door de daling van de winsten
van de aardoliemaatschappijen , maar over het geheel geno
men zullen de winsten van de ondernemingen van de andere
sectoren gestegen zijn . Na een dieptepunt van 3% in 1981
was de rentabiliteit in 1985 reeds weer tot 8% opgelo
pen .
Ondanks deze rentabiliteitsverbetering vertoonde de groei
van de bedrijfsinvesteringen in de laatste twee jaren een
vertraging, waarschijnlijk toe te schrijven aan hun betrekke
lijk sterke stijging in de jaren 1982 - 1984 en aan de recente
verhoging van de reële rentevoeten . De wijzigingen aange
bracht in de vennootschapsbelastingen , gericht op verminde
ring van de scheeftrekkingen tussen de diverse soorten
investeringen , tussen de financieringsbronnen , alsmede tus
sen het kapitaal in zijn geheel genomen en de arbeid , hebben
eveneens invloed gehad op de ontwikkeling van de investe
ringen . De belastingwijziging bestond in een verlaging van
het belastingtarief van 50% tot 35% in drie etappes ,
vergezeld van een geleidelijke afschaffing van de bestaande
mogelijkheden van versnelde afschrifjving . In de loop van de
laatste jaren ging het hoge peil van de investeringen in de
dienstensector hand in hand met een aanmerkelijke groei van
de werkgelegenheid , ook al bestaat een groot deel van de
nieuwe arbeidsplaatsen uit deeltijdbanen , terwijl in de
verwerkende industrie het meer bescheiden herstel van de
investeringen niet voldoende is geweest om een omslag van de
tendens tot vermindering van de tewerkstelling teweeg te
brengen .
Nr . L 385 / 108 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31 . 12 . 86
Op het gebied van de matiging van de loonstijging dient snel
vooruitgang te worden geboekt . Het afsluiten van arbeids
overeenkomsten die minder grote loonstijgingen inhouden
zou de inflatie terugdringen , de concurrentiekracht van de
bedrijven verbeteren , de rentabiliteit van de ondernemingen
verder verhogen en toelaten zowel de nominale als de reële
rentevoeten te verlagen . De uitbreidingsinvesteringen zouden
aantrekkelijker worden en de groei zou gepaard kunnen gaan
met meer werkgelegenheid . Nu is , ondanks het hoge peil van
de werkloosheid , de huidige functionering van de arbeids
markt zodanig dat er nauwelijks een vertraging van de
loonstijgingen wordt waargenomen . De regering heeft zich
ingespannen om de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en , in het
bijzonder , van het proces van loonbepaling te vergroten door
de mogelijkheid voor de paritaire comités minimumlonen
voor de jongeren vast te stellen te verkleinen en door
voorstellen te doen inzake een vorm van winstdeelneming die
daarin bestaat dat een deel van de brutoverdiensten wordt
gekoppeld aan de ondernemingswinst . Gelet op de door de
overheden verkondigde doelstelling om elk te kort schieten
van de vraag in de Britse economie te voorkomen , kunnen
contacten tussen de regering en de vertegenwoordigers van
werkgevers en werknemers bijdragen tot een sterker besef
onder de belanghebbende partijen van het belang van
loonmatiging voor de schepping van werkgelegenheid .
In de laatste jaren werd het accent van het begrotingsbeleid
gelegd op vermindering van het tekort in percent van het
BBP , op terugdringing van de groei van du uitgaven en op
verlaging van de tarieven en hervorming van de belastingen
met als doel de onternemingsgeest en de werkgelegenheid te
stimuleren . Vgkr het in maart 1986 eindigende begrotings
jaar is het netto-financieringstekort van de overheidssector
uitgekomen op 1,7% van het BBP , dit wil zeggen iets
beneden de raming , en bedroegen de overheidsuitgaven
44,5% van het BBP , dit wil zeggen twee procentpunten
onder het percentage van 1984 / 1985 . In hoofdlijnen is het
begrotingsbeleid voor het lopende jaar opgenomen in het in
maart 1986 neergelegde budget ongewijzigd gebleven , afge
zien van een lichte verhoging van het netto-financieringste
kort van de overheidssector tot 1 ,9 % van het BBP . Ondanks
de forse daling van de aardolieontvangsten heeft de regering
ook in deze begroting een nieuwe vermindering van de
inkomstenbelasting met een procentpunt van het basistarief
kunnen opnemen , hetgeen heeft bijgedragen tot een verklei
ning van de kloof tussen de loonkosten voor de werkgever en
het netto-inkomen ontvangen door de werknemer . Zoals
vroeger hebben sommige uitgaven in de loop van het jaar de
ramingen overschreden , maar de invloed ervan op het
netto-financieringstekort werd ruimschoots gecompenseerd
door de versnelling van het privatiseringsprogramma .
Voor de verklaring van afgelopen herfst deden de begrotings
vooruitzichten voor 1987 denken dat de regering in het kader
van haar financiële strategie op middellange termijn opnieuw
over een bepaalde manoeuvreerruimte zou beschikken om de
belastingdruk te verminderen of de uitgaven uit hoofde van
het begrotingsjaar 1987 / 1988 te verhogen . Deze situatie is
nu achterhaald door het feit dat de regering in haar verklaring
van afgelopen herfst een verhoging van de openbare uitgaven
van ongeveer 4,75 miljard pond in 1987 / 1988 heeft aange
kondigd . Dit betekent dat de openbare uitgaven in 1987 /
1988 in reële termen ongeveer 2% hoger zullen zijn dan het
geraamde resultaat van 1986 / 1987 . Als de produktie zou
groeien in een tempo dat lager is dan dat van de stijging van
de potentiële produktie (ongeveer 2V4 % ), zou het nuttig
kunnen blijken een zekere verhoging van het netto-financie
ringstekort van de overheidssector toe te laten tot boven de
7 miljard pond sterling ( 1,7% van het BBP) die zijn opge
nomen in de financiële strategie op middellange termijn , mits
de inflatie geen tendens tot wederopleving vertoont . Er mag
echter geen automatisch verband bestaan tussen het passende
peil van het netto-financieringstekort van de overheidssector
en de stand van de conjunctuur . Elke versoepeling ten
opzichte van de financiële strategie op middellange termijn
moet noodzakelijkerwijs gepaard gaan met een beperking
van de groei van de reële lonen en met het vervolgen van een
stringent monetair beleid , ten einde te vermijden dat de
vicieuze cirkel van loonsverhogingen en prijs- en kostenstij
gingen ernstiger wordt met het risico van een nieuwe
depreciatie van het pond sterling . Een dergelijke versoepeling
moet eveneens worden onderzocht in het kader van een op
communautair niveau overeengekomen actie .
De regering heeft zich verplicht de budgettaire armslag te
gebruiken , althans ten dele , in de vorm van een nieuwe
verlichting van de inkomensbelasting met het doel de onder
nemingsgeest te stimuleren en het beschikbare inkomen te
verhogen . Aangezien het reële gezinsinkomen in 1987 ver
moedelijk sterk zal blijven stijgen , zou een meer evenwichtige
groei kunnen worden bereikt wanneer gebruik wordt
gemaakt van een deel van de bovenvermelde marge om
andere vraagcomponenten dan het gezinsverbruik te onder
steunen . Onderzoek ware wenselijk naar de mogelijkheden
voor aanvullende overheidsinvesteringen op het gebied van
de infrastructuur , die een aanvaardbare rentabiliteit bieden
en die op korte termijn een grotere invloed zouden kunnen
uitoefenen op de werkgelegenheid dan die van belastingver
lagingen , terwijl zij terzelfder tijd ook zouden bijdragen tot
een verhoging van het produktiepotentieel .
De regering heeft haar programma van specifieke maatrege
len tot verbetering van het aanbod en tot stimulering van de
ondernemersgeest voortgezet . Het programma van privatise
ring van de overheidsondernemingen werd verder uitgevoerd
en diverse ontwikkelingen dragen bij tot het ontstaan van een
meer op concurrentie geschoeide markt van financiële dien
sten . In de loop van de zomer zijn nieuwe voorstellen gedaan
in het kader van de voortzetting van het programma van
„deregulering" ter verlichting van de op de ondernemingen
drukkende lasten . De voorstellen behelzen bepalingen tot het
vereenvoudigen van de fiscale en boekhoudkundige regels
voor de kleine ondernemingen en het vergemakkelijken van
het verkrijgen van de vergunningen vereist voor de wijziging
van de bestemming van gebouwen alsmede tot wijziging van
het arbeidsrecht in bepaalde omstandigheden . Het program
ma tot deregulering vult overigens andere maatregelen aan
die strekken tot oprichten en uitbreiding van bedrijven en
bevat bijzondere voordelen voor zelfstandigen en kleine
ondernemingen die een belangrijke rol spelen bij de schep
ping van werkgelegenheid .
31 . 12 . 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. L 385 / 109
TABEL 39
Verenigd Koninkrijk : Voornaamste economische grootheden , 1961—1987
[ Jaarlijkse mutaties in % '
1961 /
1973
1974 /
1980
1981 1982 1983 1984 1985 1986 (>) 1987 ( 2 )
r nominaal
Bruto binnen - J reëel
lands produkt ( 3 ) |
deflator
8,4
3,1
5,1
17,7
1,0
16,5
10,2
- 1,2
11,5
8,8
1,0
7,9
9,0
3.8
4.9
6,3
2,2
4,1
9,8
3.7
5.8
6,3
2,3
3,9
7,0
2,7
4,2
Particulier verbruik , deflator 4,8 15,7 11,4 8,7 5,0 4,8 5,3 4,0 3,9
r privé
Investeringen
in vaste activa ,
volume ^ totaal 4,6
1,6
- 10,6
- 0,6
- 7,0
- 26,2
- 9,5
5,6
- 6,6
4,3
2,4
36,6
5,7
8,7
11,8
9,1
2,5
- 2,8
1,8
0,8
10,2
1,9
4,1
- 0,8
3,5
waarvan : bouw - 2,0 - 8,4 6,4 6,7 8,3 - 3,1 2,8 3,0
installaties 1,6 - 10,7 1,8 4,5 10,1 7,8 0,9 4,0
Binnenlandse vraag in constante prijzen " 3,2 0,3 - 1,7 2,2 4,7 2,8 2,8 3,2 3,2
Verschil ten opzichte van de
partners van de Gemeenschap {*) 2,6 4,4 0,8 0,4 - 0,8 - 0,3
r nominaal
Loonsom per J reëel A s )
werknemer ]
L B 5 )
8,3
3,1
3,3
17,5
0,9
1,5
13,2
1,2
1,5
9,1
1,5
0,5
9,2
4,0
3,9
5,5
1,1
0,4
7,3
1,3
2,0
7,5
3,5
3,4
6,6
2,3
2,6
Produktiviteit ( 6 ) 3,3 4,7 0,2 2,4 1,4 1,9
Reëele loonkosten per eenheid produkt l - 1,7 - 0,6 1,0 - 1,1 2,1 0,4
Rentabiliteit ( 7 ) - 4,4 1,5 4,8 9,4 - 3,8 3,2 - 7,1 - 0,6
idem ( 1961 / 1973 = 100 ) 100 69,0 62,1 65,1 71,2 68,5 70,7 65,7 65,3
Concurrentievermogen ( 8 ) - 1,5 4,0 2,1 - 3,7 - 5,4 1,4 1,7 - 9,2 - 2,1
Werkgelegenheid 0,2 0,1 - 3,9 - 1,4 - 0,8 1,5 1,3 0,8 0,8
Aantal geregistreerde werklozen in %
van de burgerlijke beroepsbevolking ( 9 ) 2,1 4,5 9,2 10,6 11,6 11,8 12,0 12,0 12,0
Saldo lopende rekening in % van het BBP - 0,0 - 0,8 2,4 1,4 1,0 0,4 1,0 - 0,1 - 0,6
Rente kapitaalmarkt 7,6 13,7 14,8 12,7 10,8 10,7 10,6 9,5 9,5
Liquiditeitenmassa ( 10 ) 9,4 11,9 13,7 8,9 10,3 9,8 13,4 15,4 8,0
Financieringsbehoefte of -capaciteit
van de overheid in % van het BBP - 0,7 - 3,9 - 2,8 - 2,3 - 3,7 - 3,9 - 2,8 - 2,9 - 2,5
Overheidsschuld in % van het BBP ( n ) I 56,6 51,1 57,8 57,5 59,2 57,8 59,0 57,8
Rentelast overheidsschuld
in % van het BBP 4,4 5,0 5,1 4,7 4,9 5,0 4,8 4,6
(') Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 .
( 2 ) Ramingen van de diensten van de Commissie , oktober 1986 , op basis van het huidige beleid .
(') In marktprijzen .
( 4 ) Verschil in procentpunten .
( 5 ! A : deflator van het BBP ; B : deflator van het particulier verbruik .
( 6 ) Bruto toegevoegde waarde per werkzaam persoon in de economie als geheel .
( 7 ) Netto-exploitatieoverschot op de nettovoorraad kapitaalgoederen tegen vervangingswaarde .
( 8 ) Reële effectieve wisselkoers ( ten op/ ichte van negentien andere industrielanden ,, op basis van de loonkosten per eenheid produkt in de economie als geheel .
Positief cijfer = verlies aan concurrentievermogen .
(') Definitie Eurostat .
( 10 ) Sterling Ml ; jaarultimo .
' u ) Nominale bruto-overheidsschuld .
Full & Egal Universal Law Academy