Avis juridique important
87/13/EEG: Beschikking van de Commissie van 11 december 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/261-A Belgische Vereniging der Banken) (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
Publicatieblad Nr. L 007 van 09/01/1987 blz. 0027 - 0035
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 11 december 1986
inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/261-A Belgische Vereniging der Banken)
(Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
(87/13/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (1), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, en met name op de artikelen 6 en 8,
Gezien de aanmelding en het verzoek om een negatieve verklaring, ingediend op 31 oktober 1962 door de Belgische Vereniging der Banken inzake overeenkomsten, afspraken en aanbevelingen betreffende de activiteit van bijna alle in België gevestigde banken,
Gezien de bekendmaking van het essentiële gedeelte van de aanmelding, overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 17 (2),
Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities,
Overwegende hetgeen volgt:
I. DE FEITEN
(1) De Belgische Vereniging der Banken, hierna BVB te noemen, heeft op 31 oktober 1962, overeenkomstig artikel 5 van Verordening nr. 17 een reeks tussen haar leden in het kader van de Vereniging gesloten overeenkomsten bij de Commissie aangemeld, met het oog op de verkrijging van een negatieve verklaring ter zake van de toepassing van artikel 85, lid 1, dan wel een ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, van het verbod in lid 1 van dat artikel.
A. De Belgische Vereniging der Banken
(2) De BVB, met zetel te Brussel, is op 1 december 1936 opgericht. Volgens artikel 3 van haar statuten heeft zij ten doel het beroep te vertegenwoordigen en de bescherming van haar belangen te verzekeren, deze te bevorderen, sociale vraagstukken te behandelen en alle vraagstukken die van belang voor haar leden zijn te bestuderen. Ten einde dit doel te verwezenlijken tracht zij met name permanent contact te onderhouden tussen haar leden, het standpunt van het beroep op bankgebied te omschrijven en tot uitdrukking te brengen en onder andere in overeenkomsten neer te leggen normen te bevorderen die de organisatie en de uitoefening van hun beroep kunnen vergemakkelijken.
(3) Van de BVB kunnen lid zijn de in België gevestigde banken met inbegrip van de dochtermaatschappijen en bijkantoren van buitenlandse banken die zijn ingeschreven op de lijst welke is gepubliceerd door de Bankcommissie, een instelling die belast is met de controle op de banken in België. Over de toelating tot de BVB wordt beslist door het Directiecomité van de BVB. Op 1 juni 1986 waren van de 86 banken die op de lijst van de Bankcommissie staan er 84 lid van de BVB.
(4) De organen van de BVB zijn de Algemene Vergadering, het Directiecomité, de Voorzitter, het Bureau, de gespecialiseerde afdelingen, de regionale afdelingen en de Directeur-generaal. Het Directiecomité is samengesteld uit de leden van het Bureau (Voorzitter, Ondervoorzitters en Directeur-generaal), de Voorzitters van de Directiecomités van de Generale Bank, de Bank Brussel Lambert, de Kredietbank en de Paribas Bank België en de Voorzitters van de vier gespecialiseerde afdelingen (afdeling regionale banken, privébanken en gespecialiseerde banken, afdeling middelgrote banken, afdeling buitenlandse banken en afdeling Belgische banken met buitenlandse affiliaties); dit comité bepaalt het algemene beleid en het standpunt van de BVB tegenover derden, met name jegens de overheid en keurt eenstemmig de in overeenkomsten neergelegde normen goed.
B. De financiële sector in België
1. De positie van de banken in de financiële sector in termen van deposito's
(5) Het aandeel van de verschillende groepen financiële instellingen in het totaal van de deposito's van de cliënten bedroeg op 31 december 1984 (1):
- banken: 42,8 %,
- openbare kredietinstellingen: 40,6 %,
- particuliere spaarkassen: 16,1 %,
- kredietmaatschappijen: 0,5 %.
(6) Het aandeel van de banken in dit totaal neemt sinds 1975 langzaam maar regelmatig toe (het bedroeg toen 39,6 %). Deze toename is ten nadele gegaan van de openbare kredietinstellingen (wier aandeel in 1975 44,9 % bedroeg) en is te danken aan de toename van de internationale deposito's die sinds 1975 zijn verdubbeld: zij vertegenwoordigden in 1982 10,9 % op 42 % tegen 5,4 % op 39,6 % in 1975 (2).
2. De positie van de banken in de financiële sector in termen van balanstotalen
(7) Hetzelfde verschijnsel, maar meer geprononceerd, is terug te vinden in de ontwikkeling van de aandelen van de verschillende groepen financiële instellingen in het totaal van balanstotalen. Eind 1984 bedroegen deze aandelen (1):
- banken: 68,8 %,
- openbare kredietinstellingen: 22,4 %,
- particuliere spaarkassen: 8,3 %,
- kredietmaatschappijen: 0,5 %.
(8) Het aandeel van de banken bedroeg in 1975 slechts 56,1 %, terwijl dat van de openbare kredietinstellingen nog 32,5 % bedroeg. Het gedeelte van het internationale bedrijf in de balanstotalen was in 1982 twee derden (44,2 % van het totaal van balanstotalen van de financiële sector) van het aandeel der banken, terwijl het in 1975 slechts vier tienden hiervan bedroeg (26,1 % van het totaal) (3).
C. De aangemelde overeenkomsten
1. Aanmelding en bijwerking
(9) Op 31 oktober 1962 heeft de BVB een reeks van acht overeenkomsten en tien akkoorden, die tussen haar leden in het kader van de Vereniging waren gesloten en zes aanbevelingen van de Vereniging bij de Commissie aangemeld, en daarbij voor elke overeenkomst vermeld welke van de bij de BVB aangesloten banken daarbij partij waren en welke de overeenkomst aanmeldden, alsmede de datum van inwerkingtreding.
(10) In antwoord op het verzoek om inlichtingen dat de Commissie haar op 6 november 1975 op grond van artikel 11 van Verordening nr. 17 had toegezonden heeft de BVB haar op 23 januari 1976 met name de lijst van overeenkomsten, akkoorden en aanbevelingen medegedeeld die op dat tijdstip van kracht waren, de lijst van de banken die niet of ten dele aan de overeenkomsten deelnamen en de teksten van de gewijzigde of nieuwe overeenkomsten.
(11) Op 14 juli 1981 heeft het Hof van Justitie in zijn arrest Zuechner vs Bayerische Vereinsbank (4) uitspraak gedaan over bepaalde punten, die nog ter discussie konden lijken te staan aangaande de toepasselijkheid van de concurrentieregels van het Verdrag op overeenkomsten tussen banken. In vervolg op dit arrest en op het door de diensten van de Commissie in elk der Lid-Staten, toen tien in getal, verrichte onderzoek naar de nationale overeenkomsten tussen banken betreffende provisies ter beloning van de bankdiensten, werd de BVB op 3 mei 1983 een nieuw verzoek om inlichtingen toegezonden. In antwoord daarop deelde de BVB de Commissie op 13, 21 en 27 juni 1983 de wijzigingen mede die in de reeds aangemelde overeenkomsten waren aangebracht en zond zij haar de tekst van de sinds 1976 gesloten nieuwe overeenkomsten waarvan er enkele nog werden bewerkt. Op een nieuw verzoek van de Commissie op 26 juli 1984 om de verstrekte gegevens bij te werken antwoordde de BVB op 5 september 1984 onder opgave van de voornaamste wijzigingen sinds juni 1983.
2. Overeenkomsten die golden ten tijde van de mededeling van punten van bezwaar
(12) Uit deze laatste bijwerking bleek dat ten tijde van de mededeling van punten van bezwaar op 13 juni 1985, twaalf overeenkomsten, twee akkoorden en acht aanbevelingen van kracht waren (de uiteenlopende benaming van deze regelingen vloeit niet voort uit een vooraf bepaalde nauwkeurige systematiek; de gevolgen ervan waren identiek, behalve in zoverre dat de overeenkomsten in sancties voorzagen in geval van niet-nakoming van de bepalingen ervan).
(13) a) Overeenkomsten
1.2 // AC1: // Rekeningen en deposito's // AC2: // Incasso van cheques en wissels // AC2 bis: // Incasso van binnenlands handelspapier in Bfr. // AC3: // Bewaringsrechten voor effecten in open bewaring // AC4: // Betalingen van coupons, en terugbetalingen en uitkeringen op effecten // AC5: // Diverse verrichtingen op effecten // AC6: // Verhuur van safeloketten // AC7: // De uitvoering van overeenkomsten betreffende de uitoefening van het beroep gesloten of te sluiten tussen de banken die hun bedrijvigheid in België uitoefenen // AC8: // Inzake mededinging // AC9: // Internationaal betalingsverkeer en wisselverrichtingen // AC10: // Voorwaarden van toepassing op rechtstreeks of onrechtstreeks met het buitenland verband houdende incasso's van handelspapier en van cheques, op rechtstreeks of onrechtstreeks met het buitenland verband houdende verrichtingen op goederen en op documentaire kredieten // AC11: // Voorwaarden van toepassing op in het buitenland gevestigde banken en bankiers;
b) Akkoorden
1.2 // AA2: // Artikel 45 van de eenvormige wet op de wisselbrief en de orderbrief // AA4: // Vermindering van het aantal handelingen ter zake van de bij verrichtingen op effecten gedane controle op verzetaantekeningen;
c) Aanbevelingen
1.2 // AR1: // Opneming in de Belgische wetgeving van de zesde richtlijn van de EEG inzake de BTW // AR2: // Kosteloosheid van deviezenovermakingen tussen banken // AR7: // Bevordering van het gebruik van de cheque // AR8: // Uitvoering van resoluties van de Internationale Conferenties voor de Rationalisatie in de Interbancaire Betrekkingen // AR9: // Persoonlijke leningen // AR11: // Naleving van de overeenkomsten en akkoorden tussen banken // AR13: // Rationalisatie // AR15: // Bescherming tegen gewapende overvallen.
3. Toepassingsgebied van de punten van bezwaar
(14) De punten van bezwaar hadden alleen betrekking op de regelingen inzake de provisies ter beloning van bankdiensten. De overeenkomst AC1 inzake rekeningen en deposito's viel daar dus niet onder. De Commissie behoudt zich haar standpunt voor ter zake van deze overeenkomst waarvan de voornaamste bepalingen betrekking hebben op de creditrentetarieven.
(15) De Commissie heeft in haar mededeling van punten van bezwaar van 13 juni 1985 aangegeven dat zij akkoord AA4 en de aanbevelingen AR1, AR2, AR7, AR8, AR9, AR13 en AR15 als niet concurrentiebeperkend beschouwt.
(16) In dezelfde mededeling deelde de Commissie daarentegen haar voornemen mede om een verbodsbeschikking te nemen inzake de resterende regelingen, te weten de overeenkomsten AC2, AC2 bis, AC3, AC4, AC5, AC6, AC7, AC8, AC9, AC10 en AC11, akkoord AA2 en aanbeveling AR11.
4. Afzien door de BVB van een aantal van de aangemelde regelingen
(17) Na de verzending van de punten van bezwaar en na de bespreking die vervolgens tussen de BVB en het Directoraat-generaal van de Concurrentie van de Commissie plaatsvonden deelde de BVB bij brief van 8 april 1986 mede dat zij met ingang van 1 april 1986 van enkele van de regelingen in hun totaliteit en andere gedeeltelijk had afgezien.
(18) De regelingen die geheel zijn opgegeven zijn de overeenkomsten AC2, AC2 bis AC3, AC6, AC7, AC8 en AC11 en aanbeveling AR11. De andere regelingen, te weten de overeenkomsten AC4, AC5, AC9 en AC10, en akkoord AA2 zijn ten dele opgegeven; met name zijn daaruit alle bepalingen inzake tarifering in de relaties met de cliënten geschrapt.
D. Toepassingsgebied van deze beschikking
(19) Uit akkoord AA2 heeft de BVB alle tariferingsvoorschriften en iedere verwijzing naar provisies geschrapt, zodat deze afspraak voortaan niet meer concurrentiebeperkend is en kan worden gelijkgesteld met de akkoorden van dezelfde aard die zijn vermeld in punt 15. (20) Deze beschikking heeft dus alleen betrekking op de drie overeenkomsten inzake provisies die worden geïnd in de relaties tussen banken: één met betrekking tot diverse verrichtingen op effecten, die in de plaats komen van de vroegere overeenkomsten AC4 en AC5 en de twee andere met betrekking tot het monetaire en handelsverkeer met het buitenland, die in de plaats komen van de vroegere overeenkomsten AC9 en AC10.
(21) De definitieve tekst van deze drie overeenkomsten is op 30 mei 1986 door de BVB aan de Commissie toegezonden. De precieze benaming ervan is:
- overeenkomst tussen de banken betreffende de tussenkomst van verscheidene banken bij verrichtingen op effecten;
- overeenkomst tussen de banken betreffende de tussenkomst van verscheidene banken bij betalingen uit het buitenland;
- overeenkomst tussen de banken betreffende de tussenkomst van twee in België gevestigde banken bij incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland.
E. Essentiële inhoud van de overeenkomsten die onder deze beschikking vallen
1. Overeenkomst inzake verrichtingen op effecten
(22) In deze overeenkomst is het bedrag van de uitkeringen vastgelegd die de banken uit de provisies welke zij voor deze diensten ontvangen aan andere in België gevestigde banken verrichten als beloning voor de tussenkomst van deze voor betalingen van coupons en effecten enerzijds en bij diverse andere verrichtingen op effecten anderzijds. Het bedrag van deze uitkeringen is uitgedrukt in een percentage van de provisie die door de eerstgenoemde banken wordt geïnd; dit percentage wisselt naar gelang van de aard van de verrichting.
a) Betalingen van coupons en effecten
(23) Voor de effecten belichaamd door een CIK-certificaat (CIK: Interprofessionele Effectendeposito en Girokas) en hun coupons bedraagt de uitkering 50 %, met een maximum van 625 Bfr. per effect aan toonder en 200 Bfr. per coupon. Voor de effcten die niet door een CIK-certificaat zijn belichaamd en voor hun coupons bedraagt de uitkering 80 %, met een maximum voor effecten aan toonder van 625 Bfr. per effect en 200 Bfr. per coupon en voor certificaten op naam 1750 Bfr. per certificaat en 625 Bfr. per coupon.
(24) Voor supranationale en internationale leningen bedraagt de uitkering 40 %. Voor leningen van de steden Antwerpen, Brussel, Gent en Luik, bedraagt de uitkering twee derden.
(25) Voor coupons van buitenlandse effecten aan toonder bedraagt de uitkering 40 %, indien de effecten zijn belichaamd in een CIK-certificaat en 50 % in de andere gevallen.
b) Verschillende verrichtingen op effecten
(26) De uitkering van 50 % van de provisie die wordt geïnd bij verschillende verrichtingen op effecten: omwisseling, toewijzing, vernieuwen van het couponblad, afstempeling van effecten, kanttekening van certificaten op naam en deponering van effecten met het oog op een algemene vergadering.
(27) Wanneer de effecten zijn gedeponeerd bij de CIK, wordt de uitkering voor de eerste drie in het voorgaande punt genoemde verrichtingen berekend op basis van het preferentiële CIK-tarief, na aftrek van de van deze instelling geïnde provisie; er is geen uitkering voor de afstempeling, omdat de CIK de provisie voor deze verrichting int.
(28) Er is evenmin een uitkering uit de bijzondere provisies die worden geïnd door de bank die de dotatie van de nieuwe effecten bewaart, in geval van omwisseling van effecten waarvan de nummers overeenstemmen en door de bank die de dotatie van de nieuwe couponbladen bewaart, in geval van vernieuwing van het couponblad.
2. Overeenkomst inzake betalingen uit het buitenland
(29) In de overeenkomst is het maximumbedrag van de betalingsprovisie vastgelegd die tussen banken kan worden geïnd voor iedere uit het buitenland afkomstige betaling in deviezen die gaat via een in België gevestigde bank met bestemming van een andere in België gevestigde bank. Dit maximumbedrag is nihil voor betalingen waarvan het bedrag ligt beneden 1 000 Bfr.; het bedraagt 225 Bfr. voor verrichtingen waarvan het bedrag ligt tussen 1 001 en 100 000 Bfr., 250 Bfr. voor de tussen 100 001 Bfr. en 300 000 Bfr. en 600 Bfr. voor die waarvan het bedrag hoger is dan 300 000 Bfr. (30) In de overeenkomst is aangegeven dat van haar toepassingsgebied zijn uitgesloten:
- eurocheques die zijn uitgegeven tot het maximumverrekeningsbedrag (1);
- Europese reischeques;
- reischeques in deviezen uitgegeven op naam van de bank van bestemming;
- aankoop, verkoop en incasso van effecten of coupons;
- betalingen van buitenlandse pensioenen van sociale aard door rechtspersonen aan begunstigden die ingezetenen zijn (2) of daarmee zijn gelijkgesteld.
(31) De overeenkomst bepaalt ook dat de bemiddelende bank zich bij verrichtingen die onder de overeenkomst vallen moet onthouden van iedere daad van oneerlijke concurrentie die zou inhouden dat zij direct of indirect in relatie zou treden of zou trachten te treden met de cliënten van de bank van bestemming.
3. Overeenkomst inzake het incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland
(32) Deze overeenkomst houdt geen tarifering meer in. Zij bevat alleen het principe van de inning van provisies en geeft aan te wiens laste deze komt. Zij vermeldt dat de met het incasso belaste bank het recht heeft provisie en kosten ten laste van de opdrachtgever te berekenen. Voor het incasso van cheques komt de provisie steeds ten laste van de opdrachtgever.
Op het gebied van handelspapier houdt de overeenkomst, onder verwijzing naar artikel 22 van de uniforme regels ter zake uitgewerkt door de Internationale Kamer van Koophandel (3), de volgende bepalingen in: indien de incasso-opdracht voorschrijft dat de provisies en kosten worden gedragen door de betrokkene en deze weigert ze te betalen, kan de met het incasso belaste bank deze provisies en kosten ten laste van de opdrachtgever innen, behalve indien de incasso-opdracht uitdrukkelijk tegengestelde instructies bevat.
(33) Indien de aanbieding van de incasso-opdracht bij een tweede in België gevestigde bank plaatsvindt op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene, moet de eerste bank dit uitdrukkelijk in haar opdracht aangeven, bij gebreke waarvan de tweede bank haar provisies en kosten in rekening brengt alsof de aanbieding aan de tweede bank had plaatsgevonden op instructie van de buitenlandse opdrachtgever; de provisie welke de tweede bank mag innen kan niet ten laste van de eerste bank worden gebracht, maar wel van de betrokkene.
F. Opmerkingen van derden
(34) Naar aanleiding van de bekendmaking overeenkomstig artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 17 van de samenvatting van de drie overeenkomsten zijn geen opmerkingen van derden binnengekomen.
II. JURIDISCHE BEOORDELING
A. Artikel 85, lid 1
1. Ondernemingen en ondernemersverenigingen
(35) Als economische eenheden die activiteiten van economische aard uitoefenen zijn de banken die de aangemelde overeenkomsten toepassen ondernemingen in de zin van artikel 85. De BVB waarin dergelijke ondernemingen zijn georganiseerd vormt een ondernemersvereniging in de zin van datzelfde artikel.
2. Overeenkomsten tussen ondernemingen en besluiten van ondernemersverenigingen
(36) In dit verband dient een onderscheid gemaakt te worden tussen leden en niet-leden van de BVB. Voor wat betreft de leden van de BVB heeft er, in tegenstelling tot de in 1962 aangemelde overeenkomsten, hunnerzijds geen formele toetreding plaatsgevonden tot de drie overeenkomsten die voorwerp van deze beschikking zijn. De tekst ervan is hun door de BVB toegezonden met de mededeling dat zij in de plaats kwamen van de oude overeenkomsten die met ingang van 1 april 1986 zijn vervallen. De drie nieuwe overeenkomsten kunnen dus waar het gaat om de leden van de BVB gelijkgesteld worden met besluiten van een ondernemersvereniging. In elk geval kan men er, voor zover geen van de bij de BVB aangesloten banken deze na ontvangst van de nieuwe overeenkomsten heeft medegedeeld dat zij zich er niet aan zou houden, vanuitgaan dat er stilzwijgende toetreding heeft plaatsgevonden en dat het dus gaat om overeenkomsten tussen ondernemingen. In beide gevallen is artikel 85 van toepassing.
(37) De niet-leden van de BVB kunnen, evenals in het verleden, de overeenkomsten van de BVB geheel of gedeeltelijk toepassen. In dit opzicht moeten de overeenkomsten worden beschouwd als overeenkomsten tussen ondernemingen in de zin van artikel 85.
(1) PB nr. 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62.
(2) PB nr. C 199 van 8. 8. 1986, blz. 2.
(1) »De banken binnen de financiële sector in 1984", Aspecten en documenten nr. 42, blz. 30, BVB, oktober 1985.
(2) »De banken binnen de financiële sector sedert 1975, vol. I. Vergelijkende Analyse", Aspecten en documenten nr. 29, blz. 19, BVB, mei 1984.
(3) »De banken binnen de financiële sector sedert 1975, vol. I. Vergelijkende Analyse", Aspecten en documenten nr. 29, blz. 18, BVB, mei 1984.
(4) Zaak 172/80, Jur. 1981, blz. 2021.
(1) Momenteel komt dit maximumbedrag overeen met een tegenwaarde van ongeveer 600 Zwitserse frank.
(2) De ingezetene wordt omschreven als iedere natuurlijke persoon die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en iedere rechtspersoon met zetel in België.
(3) Brochure nr. 322 van de Internationale Kamer van Koophandel.
3. Beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten
(38) Het begrip handel in de zin van artikel 85 van het Verdrag heeft een wijde strekking (1). Het omvat het economisch verkeer in het algemeen, met name het monetaire verkeer en de bankdiensten.
(39) Nationale prijsovereenkomsten die zich uitstrekken over het gehele grondgebied van een Lid-Staat kunnen ten gevolge hebben dat een afscherming op nationaal vlak in stand wordt gehouden die de economische interpenetratie welke door het Verdrag wordt nagestreefd belemmert. De door de BVB aangemelde overeenkomsten sorteren effect op het gehele nationale grondgebied.
(40) Bovendien, zoals de BVB zelf heeft medegedeeld inzake de Belgische banken die in het buitenland zijn gevestigd (2), blijft het filiaal een integrerend deel van de structuur van de bank die het heeft opgericht en functioneert het rechtstreeks onder haar gezag. Ongeacht de overwegingen die kunnen gelden voor dochterondernemingen van buitenlandse banken die in België gevestigd zijn, hun filialen althans vormen rechtstreekse uitvloeisels van deze banken en nemen daarom deel aan het handelsverkeer tussen Lid-Staten.
(41) Op de 84 banken die eind 1985 in België gevestigd waren (3) zijn er 61 naar buitenlands recht (filialen, zonder eigen rechtspersoonlijkheid) of Belgisch recht, maar met een buitenlandse meerderheid (dochterondernemingen) waarvan 27 uit acht Lid-Staten (4). Op deze 61 banken zijn er 28 filialen, waarvan 14 uit zeven Lid-Staten (5). Van de tien belangrijkste banken (gemeten naar hun balanstotalen (5)) die eind 1984 in België waren gevestigd, waren er zeven naar buitenlands recht of met een buitenlandse meerderheid (zes filialen en één dochteronderneming). Indien men de banken niet naar hun balans maar naar de bij hen verrichte deposito's beoordeelt, waren er vier banken naar buitenlands recht of met een buitenlandse meerderheid (twee filialen en twee dochterondernemingen) van de belangrijkste tien banken die eind 1984 in België waren gevestigd (6). De betekenis van banken uit het buitenland (filialen en dochterondernemingen met buitenlandse meerderheid) in de Belgische banksector is de afgelopen vijftien jaar gestegen: van 1970 tot 1985 is hun aandeel in het totaal van balanstotalen gestegen van 22,5 % tot 51,0 %, in de deposito's van de cliënten van 10,8 % tot 19,9 %, in de kredieten aan cliënten van 21,9 % tot 40,9 % en in de transacties tussen de banken van 35,7 % tot 67,5 % (7).
(42) Uit de mate van internationalisatie van de bankactiviteiten blijkt ook de invloed van de overeenkomsten tussen banken op de handel tussen Lid-Staten. Ingevolge het toenemend aantal vestigingen van buitenlandse banken in België vertegenwoordigen de internationale verrichtingen door in België gevestigde banken een steeds groter gedeelte van het totaal van hun werkzaamheden. In 1985 bedroeg dit aandeel 69,6 % van het totaal van hun balanstotalen (tegen 41 % in 1970), 27,5 % van het totaal van de cliëntendeposito's (12,5 % in 1970), 55,2 % van het totaal van de kredieten aan cliënten (23 % in 1970) en 95,7 % van de verrichtingen tussen banken (95 % in 1970) (8).
(43) Bovendien kunnen de drie overeenkomsten, voor zover zij indirect betrekking hebben op diensten die zonder onderscheid aan nationale en buitenlandse cliënten worden verleend, het handelsverkeer binnen de Gemeenschap beïnvloeden. Twee overeenkomsten beïnvloeden rechtstreeks de handel tussen Lid-Staten, omdat zij rechtstreeks betrekking hebben op transacties in deviezen of vanuit het buitenland. De derde overeenkomst, die inzake de verrichtingen op effecten, betreft eveneens de handel tussen Lid-Staten daar enerzijds betrokken zijn de buitenlandse emittenten, die Belgische banken belasten met de financiële dienstverlening ter zake van hun effecten in België, en anderzijds de buitenlandse houders van Belgische effecten.
4. Beperkingen van de mededinging
(44) Twee van de drie overeenkomsten, die inzake verrichtingen op effecten en die betreffende betalingen uit het buitenland beperken, elimineren zelfs de vrijheid van de banken die ze toepassen om bilateraal de beloning van de diensten welke zij elkaar onderling aanbieden vast te stellen. Door de overeenkomst inzake de verrichtingen op effecten na te leven beroven de banken zich van de mogelijkheid onderling, individueel, te onderhandelen over gunstiger condities dan die welke in de overeenkomst zijn vastgelegd. De concurrentiebeperkingen in de overeenkomst inzake de betalingen uit het buitenland zijn nog meer geprononceerd, omdat de overeenkomst een uniforme tarifering bevat die in absolute bedragen is uitgedrukt: het bedrag van de provisie wordt aldus van tevoren vastgelegd, hetgeen niet het geval is in de overeenkomst inzake verrichtingen op effecten, waar alleen
de percentages van de uitkering zijn vastgelegd maar niet het precieze bedrag ervan dat afhankelijk is van het bedrag van de provisie die door de bank die de uitkering verricht is geïnd (een provisie die zelf niet meer onder een overeenkomst tussen banken valt).
(45) De derde overeenkomst, die inzake het incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland, bevat geen tarifering meer. Niettemin heeft deze overeenkomst, doordat zij het beginsel en de wijzen van inning van een provisie bij verrichtingen die onder haar toepassingsgebied vallen vastlegt, tot gevolg dat de handelingsvrijheid van de banken die haar toepassen merkbaar wordt beperkt. De banken komen immers overeen enerzijds deze dienstverlening niet gratis te verrichten en anderzijds aan wie de provisie in rekening moet worden gebracht. De mogelijkheid dat de banken afzien van een provisie is geenszins theoretisch daar deze provisie niet de enige inkomstenbron vormt voor de banken, die ervan af zouden kunnen zien ten einde cliënten te werven.
B. Artikel 85, lid 3
(46) Aan de vier voorwaarden voor een ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, is in het onderhavige geval voldaan en wel om de volgende redenen:
1. Verbetering van het aanbod van bankdiensten en het systeem van betalingen
(47) De overeenkomst inzake de verrichtingen op effecten vormt een uitbreiding van het aanbod van bankdiensten. Zij geeft alle banken de gelegenheid hun cliënten de financiële dienstverlening met betrekking tot alle effecten te verzekeren en niet slechts die van de effecten, waarmee zij als domiciliebanken door de emittenten rechtstreeks belast waren.
(48) De overeenkomst inzake betalingen uit het buitenland verbetert de werking van het betalingssysteem want zij geeft de bemiddelende bankier de gelegenheid, zij het slechts gedeeltelijk, de provisie die hem eventueel door zijn buitenlandse correspondent wordt berekend, door te berekenen. Indien er geen maximumbedrag voor de provisie ten gunste van de bemiddelende bankier was vastgelegd, zou over iedere transactie een onderhandeling tussen de bankier van bestemming en de bemiddelende bankier moeten plaatsvinden. Zulk een toestand zou het verloop van de verrichtingen vertragen en de kosten ervan ten detrimente van de eindgebruiker verhogen voor zover deze kosten hem worden doorberekend.
De technische vooruitgang die met het gebruik van de informatica voor de uitvoering van dergelijke verrichtingen gepaard gaat en de noodzaak de geïntegreerde betalingssystemen te verbeteren en de werking ervan de versnellen rechtvaardigen een toepassing van uniforme maximumprovisies tussen alle financiële tussenpersonen die in het kader van een geïntegreerd betalingssysteem werkzaam zijn.
(49) Ook de overeenkomst inzake het incasso van cheques en handelspapier verbetert het betalingssysteem door vooraf de toerekening van de kosten vast te stellen, hetgeen latere geschillen vermijdt die een gevaar zouden kunnen opleveren voor de goede werking van de verrichtingen die onder het toepassingsgebied van die overeenkomst vallen.
2. Aandeel van de gebruikers
(50) Houders van effecten komt een billijk aandeel in de voordelen van de overeenkomst inzake verrichtingen op effecten ten goede, omdat deze aan hen de gelegenheid geeft zich te wenden tot de bank waarvan zij cliënt zijn voor verrichtingen op effecten waarvoor hun bank niet met de financiële dienstverlening belast is. Dank zij deze mogelijkheid behoeven houders van effecten zich dus niet te wenden tot de verschillende banken die met de dienstverlening inzake die effecten belast zijn en kunnen al hun verrichtingen op effecten bij één enkele bank worden gecentraliseerd, nl. die waar zij een rekening aanhouden. Bovendien is voor deze dienstverlening noch door de houders van effecten noch door de emittenten van effecten een extra provisie verschuldigd omdat de bemiddelende bank wordt beloond door de bank die door de emittent met de dienstverlening is belast, die haar een deel uitkeert van de provisie die zij ontvangt van de emittent voor de financiële dienstverlening.
(51) De overeenkomst inzake betalingen uit het buitenland verschaft eveneens een billijk aandeel in de ontstane voordelen aan de eindgebruikers, omdat zij de begunstigden van betalingen uit het buitenland de noodzaak bespaart zich te wenden tot een andere bank dan die waarvan zij cliënt zijn, in al die gevallen waarin hun bank niet de correspondent van de in het buitenland gevestigde bank is waar de opdracht vandaan komt. Bovendien is bij deze verrichting het innen van een provisie niet verplicht; de overeenkomst verplicht de tussenkomende bank niet provisie te berekenen, maar houdt slechts de mogelijkheid daartoe in. Daarenboven is het bedrag van de provisie een maximumbedrag; besluit de bemiddelende bank een provisie te berekenen, dan kan zij het bedrag ervan beneden het maximum vaststellen. Dit maximum, dat voor de belangrijkste transacties 600 Bfr. bedraagt, is trouwens in alle gevallen lager dan de kosten voor de bemiddelende bank, die gemiddeld 750 Bfr. bedragen. Zo betaalt de eindgebruiker in geen geval de werkelijke kosten van de verrichte dienst, ook al kan de provisie voor transacties van een gering bedrag hoog lijken. De gebruikers, financiële tussenpersonen die de rol van bank van bestemming spelen en vooral de cliënten, de eindgebruikers, ontvangen het belangrijke gedeelte van het voordeel: de betalingen vinden sneller plaats ondanks het nog steeds toenemend aantal verrichtingen en stuiten niet op willekeurig a posteriori berekende onvoorziene kosten. De overeenkomst heeft juist tot doel deze kosten te beperken tot redelijke bedragen die van tevoren bekend zijn en waarover door alle deelnemers aan het clearingsysteem vrijelijk vooraf is onderhandeld, zodat geen van hen zich onbillijke condities ziet opgelegd of zich een nadeel bij de mededinging ziet berokkend.
(52) De overeenkomst inzake het incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland doet eveneens een aanzienlijk aandeel in het ontstane voordeel aan de gebruikers ten goede komen, met name omdat zij het de Belgische betrokkene mogelijk maakt zich slechts tot zijn eigen bank te wenden en niet tot een andere in België gevestigde bank die correspondent is van de in het buitenland gevestigde bank waarvandaan de opdracht afkomstig is. Bovendien laat de overeenkomst, doordat zij het bedrag van de provisie niet voorschrijft, de mogelijkheid open dat eventueel over de provisie onderhandeld wordt, hetgeen van voordeel kan zijn voor degene die uiteindelijk de provisie dient te betalen.
3. Onmisbaarheid van de beperkingen
(53) De concurrentiebeperkingen die door de overeenkomst inzake verrichtingen op effecten worden opgelegd zijn onmisbaar voor de goede werking van de algemene financiële dienstverlening ter zake van effecten. Door de financiële dienstverlening ter zake van effecten, waarmee zij niet zelf rechtstreeks door de emittenten belast zijn, verlenen de bemiddelende banken een dienst zowel aan hun cliënten die effecten bezitten, als aan de wel rechtstreeks met die dienstverlening belaste banken welker taak zij ten dele overnemen en aan de emittenten, voor wie zij de noodzaak wegnemen om een groot aantal banken met de dienstverlening ter zake van effecten te belasten. Indien zulk een dienstverlening collectief door het geheel van de banken uit één bepaald land aan de gehele cliëntèle in dit land wordt verleend, is het onontbeerlijk dat de modaliteiten van dienstverlening in gemeenschappelijk overleg worden bepaald. Uitkeringen die van de ene bank tot de andere verschillen zouden voor ieder effect tot bilaterale onderhandelingen verplichten tussen de 84 banken die partij bij de overeenkomst zijn.
(54) Dezelfde overwegingen gelden met betrekking tot de overeenkomst inzake betalingen uit het buitenland; het gaat hier om een dienst die collectief door het geheel van de banken aan de gehele cliëntèle wordt verleend. Door de opdracht over te brengen aan de bank van bestemming verleent de bemiddelende bank een dienst aan de begunstigde, die niet zijn cliënt is. De beperking die de banken is opgelegd, om het in de overeenkomst vastgestelde maximum niet te overschrijden, is onmisbaar om te verhinderen dat de kleinste banken die over weinig correspondenten beschikken en daardoor meer de rol van bank van bestemming dan die van bemiddelende bank spelen, onbillijke condities worden opgelegd en daardoor aan hen in de concurrentie nadeel berokkend wordt.
(55) De beperkingen in de overeenkomst inzake het incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland zijn nodig om de regels die ter zake worden gevolgd te harmoniseren en aldus ieder geschil over de toerekening van provisies en kosten te vermijden. Indien zulke geschillen zouden voorkomen, zou het gevaar bestaan dat sommige banken weigeren deze dienst die in het voordeel van de cliënt is, te blijven verlenen.
4. Mogelijkheden van mededinging
(56) De overeenkomst inzake de verrichtingen op effecten regelt niet de relaties tussen banken en hun cliënten, of dit nu de emittenten of de houders van effecten zijn. De banken zijn vrij het bedrag te bepalen van de provisie die zij de emittenten van effecten berekenen die hen hebben belast met de financiële dienstverlening ter zake. Het bedrag van de uitkering, die in de praktijk aan de bemiddelende banken wordt gedaan, wisselt dus in functie van de door de met financiële dienstverlening belaste bank(en) aan de emittent berekende provisie; alleen het aandeel van de uitkering in deze provisie is vastgesteld. De emittenten van effecten hebben dus de mogelijkheid de concurrentie tussen de verschillende banken tot haar recht te laten komen ten einde de best mogelijke condities te verkrijgen, door die bank(en) die de laagste provisie verlangt (verlangen) met de financiële dienstverlening te belasten.
(57) De overeenkomst inzake betalingen uit het buitenland regelt evenmin de relaties tussen banken en hun cliënten. Er blijven op twee niveau's mogelijkheden van concurrentie over. Enerzijds kan de bemiddelende bank afzien van een provisie en, indien hij besluit er een te verlangen, deze vaststellen op een lager bedrag dan het in de overeenkomst bedoelde maximumbedrag. Anderzijds kan de bank van bestemming, indien door de bemiddelende bank een provisie wordt geïnd, deze provisie niet of slechts ten dele doorberekenen aan de cliënt die de betaling ontvangt; de mate waarin de betalingsprovisie wordt doorberekend aan de cliënten wordt aan het vrije oordeel van de bank van bestemming overgelaten. (58) De overeenkomst inzake het incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland bevat geen bepalingen inzake het bedrag van de provisies; alleen de inning van een provisie is voorgeschreven. Er blijven dus tussen de banken ter zake mogelijkheden van concurrentie bestaan daar zij voor dezelfde dienstverlening verschillende tarieven kunnen vragen, waarbij zij eerst achteraf kennis krijgen van het bedrag van de provisie.
C. Artikelen 6 en 8 van Verordening nr. 17
(59) In toepassing van artikel 6, lid 1, van Verordening nr. 17 treedt deze beschikking in werking op 30 mei 1986, het tijdstip waarop de BVB de Commissie de definitieve versie van de drie overeenkomsten, waarop deze beschikking betrekking heeft, heeft toegezonden.
(60) In toepassing van artikel 8, lid 1, van Verordening nr. 17 wordt de ontheffing uit hoofde van deze beschikking verleend voor een voorlopige duur van tien jaar, omdat de in de overeenkomsten aanwezige concurrentiebeperkingen niet van grote omvang zijn.
(61) Ten einde de Commissie in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden die de verlening van de ontheffing hebben gerechtvaardigd vervuld blijven gedurende de gehele duur van de ontheffingsperiode, moet de BVB verplicht worden de Commissie onmiddellijk in kennis te stellen van iedere aanvulling of wijziging in de drie betrokken overeenkomsten en van iedere nieuwe overeenkomst welke tussen haar leden in het kader van de BVB wordt gesloten,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Artikel 85, lid 1, wordt overeenkomstig artikel 85, lid 3, van 30 mei 1986 tot en met 29 mei 1996 buiten toepassing verklaard voor de volgende drie overeenkomsten tussen de leden van de Belgische Vereniging der Banken:
- overeenkomst tussen de banken inzake de tussenkomst van verscheidene banken bij verrichtingen op effecten;
- overeenkomst tussen de banken inzake de tussenkomst van verscheidene banken bij betalingen uit het buitenland;
- overeenkomst tussen de banken inzake de tussenkomst van twee in België gevestigde banken bij het incasso van cheques en handelspapier uit het buitenland.
Artikel 2
Deze beschikking houdt de volgende verplichting in: de Belgische Vereniging der Banken moet de Commissie onverwijld in kennis stellen van iedere aanvulling of wijziging in de drie in artikel 1 genoemde overeenkomsten en van iedere nieuwe overeenkomst welke tussen haar leden in het kader van de Vereniging wordt gesloten.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de Belgische Vereniging der Banken, Ravensteinstraat 36 (bus 5), B-1000 Brussel.
Gedaan te Brussel, 11 december 1986.
Voor de Commissie
Peter SUTHERLAND
Lid van de Commissie
(1) Bovengenoemd arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 1981 in Zaak 172/80: Zuechner vs Bayerische Vereinsbank (Jur. 1981, blz. 2021).
(2) »Het net van de Belgische banken in het buitenland", Aspecten en Documenten nr. 17, BVB, april 1983, blz. 6.
(3) »Statistisch Vademecum van de Banksector 1985", Aspecten en Documenten nr. 49, BVB, mei 1986, blz. 88.
(4) Met inbegrip van Spanje en Portugal.
(5) »Statistisch Vademecum van de Banksector 1985", Aspecten en Documenten nr. 49, BVB, mei 1986, blz. 34.
(6) »Statistisch Vademecum van de Banksector 1985", Aspecten en Documenten nr. 49, BVB, mei 1986, blz. 37.
(7) »Statistisch Vademecum van de Banksector 1985", Aspecten en Documenten nr. 49, BVB, mei 1986, blz. 89.
(8) »Statistisch Vademecum van de Banksector 1985", Aspecten en Documenten nr. 49, BVB, mei 1986, blz. 83.
Top