Avis juridique important
87/15/EEG: Beschikking van de Commissie van 19 februari 1986 inzake verenigbaarheid van de toekenning van regionale steun met de gemeenschappelijke markt in zes arbeidsregionen die op grond van de "Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" bijstand ontvangen (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 012 van 14/01/1987 blz. 0017 - 0026
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 1986
inzake verenigbaarheid van de toekenning van regionale steun met de gemeenschappelijke markt in zes arbeidsregionen die op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" bijstand ontvangen
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(87/15/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Na overeenkomstig bovengenoemd artikel het standpunt van de belanghebbenden te hebben ingewonnen en gezien deze standpunten,
Overwegende hetgeen volgt:
I
(1) De Wet inzake de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" (Gemeenschapstaak - verbetering van de regionale economische structuur) van 6 oktober 1969 (1) (GAG), houdt stimuleringsmaatregelen in die door de Bond en door de Laender op 50-50 grondslag worden bekostigd. Volgens artikel 1, lid 2, van de Wet worden deze stimuleringsmaatregelen toegepast in het »Zonenrandgebiet" en in gebieden,
- waarvan het economisch potentieel aanzienlijk onder het Bondsgemiddelde ligt dan wel aanzienlijk daaronder dreigt te komen liggen of
- waar bedrijfstakken domineren die op een zodanige wijze door structuurveranderingen worden getroffen of bedreigd dat zulks in het bewuste gebied in ernstige mate een ongunstige weerslag heeft gehad of waarvan te voorzien is dat deze daar een dergelijke ongunstige weerslag zullen hebben.
Volgens artikel 4, GAG, wordt voor de vervulling van de »Gemeinschaftsaufgabe" een gemeenschappelijk kaderplan opgesteld. Dit kaderplan moet elk jaar objectief worden onderzocht, aan de ontwikkeling aangepast en vervolgens dienovereenkomstig verder worden uitgevoerd. Bijgevolg wordt ieder jaar een nieuw kaderplan opgesteld.
Volgens deel II, nr. 1.2 van het Dertiende en het thans door de Commissie onderzochte Veertiende kaderplan (2) kan uit de middelen van de »Gemeinschaftsaufgabe" steun worden verleend voor »investeringen van het bedrijfsleven die in economisch opzicht in het bijzonder daarvoor in aanmerking komen".
Het criterium voor die steun is als volgt in nr. 1.2.1 van het kaderplan omschreven:
»Bedrijfsinvesteringen komen in economisch opzicht in het bijzonder voor steun in aanmerking, wanneer zij door schepping van extra inkomensbronnen het totale inkomen in de betrokken economische regio rechtstreeks en op den duur in niet onaanzienlijke mate kunnen verhogen (primair effect). Men mag ervan uitgaan dat dit het geval is wanneer in de te stimuleren bedrijven voornamelijk goederen worden gefabriceerd of diensten worden verleend, die wegens de aard ervan geregeld over de regionale grenzen heengaan.".
Volgens nr. 2.3.2 van de kaderplannen bestaat de overheidsstimulering uit de investeringstoelage op grond van artikel 1, »Investitionszulagengesetz" (1), en uit een investeringssubsidie. Daarbij kan de ruimte tussen de investeringstoelage en het respectieve steunmaximum met de investeringssubsidie worden ingevuld.
Stimulering geschiedt in de eerste plaats in de groeikernen van de betrokken stimuleringsgebieden. Buiten het »Zonenrandgebiet" kunnen investeringen voor de oprichting of uitbreiding van een bedrijf in groeikernen van hogere rang (B-groeikernen) tot een steunmaximum van 20 % (16,7 % netto-subsidie-equivalent) en in C-kernen tot een steunmaximum van 15 % (13 % netto-subsidie-equivalent) worden gesteund.
Buiten groeikernen kan de stimulering van deze investeringen slechts geschieden wanneer er zich bepaalde uitzonderlijke toestanden voordoen; het steunmaximum is in de regel 10 % (9,3 % netto-subsidie-equivalent). Bij investeringen met een hoog structuureffect kan het bij uitzondering tot 15 % worden verhoogd. Omschakeling of grondige rationalisatie van een bedrijf kan tot een steunmaximum van 10 % worden gestimuleerd.
In de in het kaderplan opgenomen vreemdelingenverkeersgebieden kunnen projecten voor de oprichting, uitbreiding, omschakeling of grondige rationalisatie van vreemdelingenverkeersbedrijven buiten het »Zonenrandgebiet" tot een steunmaximum van 15 % worden gestimuleerd.
(2) Deze beschikking heeft betrekking op de stimulering in zes arbeidsmarktregio's van de »Gemeinschaftsaufgabe": Alfeld, HolzmindenHoexter, Kleve-Emmerich, Landsberg, Miesbach en Itzehoe. In deze arbeidsmarktregio's bedraagt het steunmaximum, behalve in Kleve-Emmerich en in Miesbach, 15 %. In Kleve-Emmerich bedraagt het 20 %. Miesbach heeft geen groeikern (steunmaximum gewoonlijk 10 %). De beschikking heeft de volgende voorgeschiedenis:
Met het Tiende kaderplan van 1981 werden de stimuleringsgebieden van de »Gemeinschaftsaufgabe" opnieuw ingedeeld. Daarbij werd uitgegaan van een verdeling van het Bondsgebied in 179 arbeidsmarktregio's, die in 1979 op basis van het forensenpatroon tot op de gemeentegrenzen nauwkeurig opnieuw waren vastgelegd. Voor iedere arbeidsmarktregio werden vervolgens vijf criteria, een indicator voor de beschrijving van de te verwachten ontwikkeling van vraag en aanbod van arbeidsplaatsen in de arbeidsmarktregio (arbeidsreservecoëfficiënt), het gemiddelde werklozencijfer in de jaren 1976-1980, de loonsom per werknemer in 1978, het bruto binnenlands produkt in 1978 en een indicator voor de infrastructuur gekozen. De waarden van deze indicatoren werden tot een arbeidsmarktindicator, een inkomensindicator en een infrastructuurindicator herleid. Daaruit werd een indexcijfer samengesteld waarin de arbeidsmarkt- en de inkomensindicator elk met 40 % zijn vertegenwoordigd en de infrastructuurindicator een gewicht van 20 % heeft.
Uitgaande van dit indexcijfer werd een ranglijst van alle arbeidsmarktregio's opgesteld. Voor de opneming van een arbeidsmarktregio in het stimuleringsgebied werd een drempelwaarde vastgesteld, op zulk een wijze dat het stimuleringsgebied met inbegrip van het »Zonenrandgebiet" 29,77 % van de totale bevolking van het Bondsgebied omvatte. 73 arbeidsmarktregio's werden gestimuleerd omdat zij beneden de drempelwaarde lagen.
Bij brief van 6 november 1981 leidde de Commissie ten aanzien van het verstrekken van regionale steun in 15 arbeidsmarktregio's, waaronder de arbeidsmarktregio's Itzehoe, Alfeld, Kleve-Emmerich, Holzminden-Hoexter, Landsberg am Lech en Miesbach, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in. De bezwaren van de Commissie tegen de stimuleringsmaatregelen waren gegrond op de in nationaal en communautair kader gunstige sociaal-economische situatie van deze gebieden.
In 1983 verklaarde de Bondsregering zich bereid om zeven arbeidsmarktregio's (2) na een tot en met 31 december 1984 lopende overgangstermijn niet meer voor stimulering in aanmerking te nemen. Ten aanzien van vier van de onder de procedure vallende regio's ging de Commissie akkoord met stimulering.
De Commissie verklaarde zich bij brief van 20 juni 1983 bereid voorlopig met de stimulering in de hierboven met name genoemde zes arbeidsmarktregio's akkoord te gaan en kondigde aan over de verenigbaarheid van de stimulering in deze gebieden met de gemeenschappelijke markt vóór einde 1984 definitief te zullen beslissen.
Na de brief van 20 juni 1983 heeft de Bondsregering haar standpunt inzake de voorgenomen beschikking bij brief van de Bondsminister van Economische Zaken aan het bevoegde lid van de Commissie van 29 juli 1983 (3) nogmaals principieel uiteengezet. Zij heeft onder andere het volgende betoogd:
»Het Planningcomité heeft thans het Twaalfde kaderplan in overeenstemming met zijn besluit van 16 maart 1983 gewijzigd. Het moet echter vaststellen dat de Commissie haar toestemming heeft verleend met het voorbehoud dat de handhaving van de zes andere regio's als voorlopig moest worden beschouwd.".
Nadat de Bondsregering de overeengekomen wijzigingen in het Twaalfde kaderplan van de »Gemeinschaftsaufgabe" had opgenomen, sloot de Commissie de ten aanzien van het Tiende en Elfde kaderplan ingeleide procedure af en stemde in met de inwerkingstelling van het Twaalfde kaderplan. Dit deelde zij de Bondsregering bij brief van 18 november 1983 mede.
(3) Ter voorbereiding van de eindbeslissing over de verenigbaarheid van de stimulering in de zes arbeidsmarktregio's met de gemeenschappelijke markt, richtte de Commissie op 1 augustus 1984 een verzoek tot de Bondsregering om inlichtingen inzake de sociaal-economische situatie van deze gebieden. Bij brief van 14 november 1984 kondigde de Bondsminister voor Economische Zaken een nieuwe afbakening van de stimuleringsgebieden van de »Gemeinschaftsaufgabe" aan met ingang van 1 januari 1986. Onder referte naar deze nieuwe afbakening en het toenmalige ontbreken van betrouwbare en actuele gegevens verzocht hij de Commissie haar voorgenomen eindbeslissing tot 1 januari 1986 uit te stellen. De door de Commissie in augustus gevraagde inlichtingen werden niet verstrekt.
De Commissie ging de zes arbeidsmarktregio's na aan de hand van de cijfers waarover zij beschikte, door eerst het bruto binnenlands produkt per inwoner in 1978 en het regionale werklozenpercentage voor 1979-1983 met de gemiddelde waarden van de Gemeenschap te vergelijken. Bovendien heeft de Commissie het bruto binnenlands produkt met dat van 1978 van de zes meest ontwikkelde Lid-Staten vergeleken. Na deze vergelijking van de regionen in communautair verband heeft de Commissie onderzocht of er in nationaal verband ernstige regionale problemen zijn die een rechtvaardiging zouden kunnen vormen om het verlenen van steun in de zes arbeidsmarktregio's als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen. Daartoe heeft de Commissie dan nog gebruik gemaakt van het verloop van het bruto binnenlands produkt van 1978 tot 1980, de regionale loonsom per werknemer voor 1978, het verloop van de werkloosheid, gemeten aan de afzonderlijke jaargemiddelden van 1979-1983 en aan het september-gemiddelde van 1984, de raming van de in de arbeidsmarktregio's in 1985 aanwezige arbeidsreserve, de beschikbare migratiebalansen van de betrokken »Landkreise" en verdere gegevens over het bestaan van regionale problemen in een arbeidsmarktregio.
Na voltooiing van haar onderzoek kwam de Commissie tot de bevinding dat tegen de verstrekking van regionale steun in de arbeidsmarktregio's Kleve-Emmerich, Landsberg en Miesbach bezwaar moest worden gemaakt. Tegen de stimulering van de arbeidsmarktregio's Alfeld, Holzminden-Hoexter en Itzehoe maakte de Commissie geen bezwaar.
Gezien haar bezwaren leidde de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in, gaf daarvan de Bondsregering kennis bij brief van 7 februari 1985 en de regeringen van de andere Lid-Staten bij brieven van 7 juni 1985 en verzocht hen hun standpunt kenbaar te maken. Het inleiden van de procedure werd overeenkomstig artikel 93, lid 2, in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt (1).
II
De Bondsregering heeft de Commissie haar opmerkingen op 15 mei 1985 kenbaar gemaakt.
Zij wijst erop dat haar instemming met het in 1983 tot stand gekomen compromis geen erkenning inhoudt van de door de Commissie toegepaste onderzoeksmethode en -criteria. Zij verwijst in dit verband naar het besluit van het Planningscomité voor regionale economische structuur van 16 maart 1983 en het antwoord van de Bondsminister voor Economische Zaken van 29 juli 1983 op de brief van de Commissie van 20 juni 1983 waarin de door de Commissie gevolgde gang van zaken werd afgewezen. Bovendien was aan de onttrekking van zeven arbeidsmarktregio's aan stimulering op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe" het uitdrukkelijke voorbehoud verbonden dat deze onttrekking »volgens de bij overgrote meerderheid van het Planningscomité 1981 vastgestelde uniforme federale afbakeningscriteria van de »Gemeinschaftsaufgabe - stimuleringsgebieden" moest plaatsvinden.
Volgens deze brief was de Commissie daarmee door de goedkeuring van het Twaalfde kaderplan en het gelijktijdig stopzetten van de ingeleide procedure uiteindelijk akkoord gegaan.
Luidens de brief zou de door de Commissie ingeleide onderzoekprocedure daarmee in strijd zijn. De inleiding van de procedure achtte de Bondsregering des te onbegrijpelijker omdat zij de Commissie bij brief van de Bondsminister van Economische Zaken van 14 november 1984 de nieuwe afbakening van de stimuleringsgebieden van de »Gemeinschaftsaufgabe" met ingang van 1 januari 1986 had aangekondigd. Een verificatie van de legitimatie van individuele arbeidsmarktregio's als stimuleringsgebied zou objectief alleen op basis van geactualiseerde gegevens en alleen in samenhang met de relatieve situatie van alle 179 arbeidsmarktregio's in de Bondsrepubliek kunnen worden verricht. Voor de geïsoleerde verificatie inzake enkele regio's buiten dit verband ontbreekt volgens de Bondsminister de concurrentiepolitieke basis die voor de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag beslissend is. Bovendien zouden de volgens artikel 104 van het Verdrag bij de individuele Lid-Staten aanwezige regionaal-politieke taken en competenties zijn genegeerd. De Bondsregering ziet in de voorschriften van artikel 92 e.v. van het Verdrag, geen rechtsgronden waarop de
Commissie bevoegd zou kunnen zijn om in het kader van de steuncontrole het door de bevoegde nationale organen vastgestelde afbakeningssysteem door een ander te vervangen. Overigens zou niet duidelijk zijn waarop de Commissie de door haar vastgestelde drempelwaarde in de 58ste rang in model A van 1981 baseert.
Voorts betoogde de Bondsregering dat met de inleiding van de procedure niet voldoende rekening werd gehouden met de noodzaak om nationaal bestaande regionale dispariteiten te doen verdwijnen, te minder omdat de voorschriften in het Verdrag de Lid-Staten een aanzienlijke speelruimte laten bij de afbakening van gebieden die stimulering van node hebben. Volgens het Verdrag zou de Bondsregering het recht hebben de in het kaderplan genoemde stimuleringsgebieden op basis van een gezamenlijke indicator en op de grondslag van de vastgestelde drempelwaarde af te bakenen.
In strijd met het Duitse systeem waarin vijf gelijkwaardige afbakeningscriteria in één indexcijfer worden samengevoegd, zou de Commissie een systeem gebruiken dat in wezen van twee indicatoren en van de daarvoor opgestelde communautaire indicatoren uitgaat.
Dit procédé stuit op ernstige bezwaren omdat:
- de vergelijkbaarheid van de in de afzonderlijke Lid-Staten verkregen statistische waarden uiterst twijfelachtig is;
- daarentegen aan de gedifferentieerde Duitse afbakeningsmethode slechts twee relatief grove beoordelingsmaatstaven ten grondslag liggen;
- communautaire gemiddelden als maatstaf voor de nationale regionale politiek en dus voor de verkleining van regionale ontwikkelingsachterstanden niet geschikt zijn, en
- een aanzienlijke beperking van de regionale steun in de Bondsrepubliek bij een gelijktijdig voortbestaan van handelsvervalsende subsidieverleningen in de andere Lid-Staten op den duur niet dienstig kan zijn voor de door de Commissie nagestreefde cooerdinatie op het gebied van het regionale beleid.
Aangaande de individuele arbeidsmarktregio's heeft de Bondsregering het volgende betoogd:
Het economisch potentieel van de arbeidsmarktregio Kleve-Emmerich, is, gemeten aan de bruto toegevoegde waarde per inwoner, van 1978 tot 1982 met 2 % verminderd. Ook de regionale loonsom is in de periode 1978 tot 1984 in dezelfde mate teruggelopen. De werkloosheid is sinds 1984 in vergelijking met het Bondsgemiddelde gestegen en lag in februari 1985 28 % daarboven. In de Kreis Kleve gaan in de komende tijd 500 arbeidsplaatsen verloren. Nog eens 850 lopen ernstig gevaar. Het aantal werknemers in de industrie per 1 000 inwoners bedraagt slechts 58 % van het landsgemiddelde voor Nordrhein-Westfalen. Terwijl met het verlies van nog meer arbeidsplaatsen rekening moet worden gehouden, nam de druk op de arbeidsmarkt aan de vraagzijde demografisch duidelijk toe. De migratiebalansoverschotten zijn afgenomen; 1982 vertoonde zelfs een migratiedeficit.
In de arbeidsmarktregio Landsberg treden de arbeidsmarktproblemen vooral aan de dag in een geringe bedrijfsdeelneming, een hoog percentage aan uitreizende forenzen en seizoengebonden stijgende werkloosheidscijfers. De bruto-waardeschepping per inwoner lag in 1982 nog 13 % onder het Bondsgemiddelde en de tewerkstellingsdichtheid in het mijnwezen en de verwerkende bedrijven in 1983 op 68,6 % van het Beierse Landsgemiddelde. De achterstand van de regio ten opzichte van het »Land" kon weliswaar worden verkleind, maar is niet ingelopen; er moet rekening worden gehouden met het vrijkomen van arbeidskrachten uit enkele sectoren van de economie. Het industrievestigingsbeleid dat in Landsberg tot dusver succes opleverde, zou moeten worden voortgezet om in de regio een zich op eigen kracht onderhoudende, duurzame ontwikkeling te kunnen waarborgen. Zonder stimulering zouden investeerders het concentratiegebied Muenchen prefereren. Met steun kan de groeikern Landsberg zijn rol vervullen om de regio Muenchen te ontlasten.
In de arbeidsmarktregio Miesbach ligt de bruto-waardeschepping tegen marktprijzen voor 1982 op 82 % van het Bondsgemiddelde. Sinds de jaren zestig is aldaar door bedrijfssluitingen een groot aantal arbeidsplaatsen verloren gegaan; deze verliezen zijn ondanks economische stimuleringsmaatregelen ook thans nog niet volledig goedgemaakt. De tewerkstellingsdichtheid in de mijnbouw en de verwerkende bedrijven is van 1977 tot 1983 tot beneden de helft van het Beierse Landsgemiddelde gedaald. In Penzberg moeten dan ook thans nog 1 300 burgers forenzen. Daar zijn onlangs door sluiting van een fabriek 200 personen werkloos geworden. De meesten hebben nog geen nieuwe arbeidsplaats gevonden. De aangekondigde sluiting van een bedrijf in Bad Toelz zal nog eens 120 arbeidsplaatsen verloren doen gaan. Met name in Penzberg zijn verdere financiële overheidssteunmaatregelen voor het verbreden van de economische infrastructuur wegens de geringe belastinginkomsten van de gemeente dringend noodzakelijk.
De Bondsregering heeft tenslotte gewezen op de speciale betekenis van de bevordering van het toerisme voor de arbeidsmarktregio, omdat het een gebied is dat, gezien zijn natuurlijke eigenschappen, bijzonder geschikt is voor toerisme. De verbetering van de economische structuur van de toeristische gebieden moet, zoals in bijzonderheden is uiteengezet, vooral langs de weg van stimulering van de middenstand, met name van familiebedrijven, geschieden.
III
De regeringen van twee Lid-Staten hebben over de inleiding van de procedure opmerkingen gemaakt, waarmee zij hun instemming betuigen. Een van de beide regeringen verdedigt de opvatting dat de handhaving van de status van steungebied moet worden aangetoond met het bestaan van regionale dispariteiten van een zekere omvang. IV
(1) De steun voor de stimulering van bedrijfsinvesteringen op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" levert het rechtsfeit van artikel 92, lid 1, op.
De steun wordt toegekend voor de daarvoor in aanmerking komende investeringen van ondernemingen in stimuleringsgebieden. Deze ondernemingen worden door het goedkoper worden van hun investeringen begunstigd.
Deze vaststelling wordt niet weersproken met het argument dat regionale steun alleen de plaatselijke nadelen van het betrokken stimuleringsgebied zou goedmaken. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat principieel ook een compensatie van plaatselijke nadelen begunstiging van de ondernemingen oplevert, aangezien door de steun hun kosten ter plaatse lager uitvallen. Voorts moet voor de meeste gevallen worden betwijfeld dat plaatselijke nadelen met een dusdanige nauwkeurigheid zouden kunnen worden becijferd dat het mogelijk zou worden de omvang van de steun zó te bepalen dat de nadelen worden gecompenseerd. Vooral echter wordt regionale steun door de Lid-Staten gewoonlijk zó hoog vastgesteld dat daarmee de ondernemingen een financiële stimulans wordt geboden om zich in bepaalde gebieden te vestigen en daar te investeren. Overigens volgt de begunstiging van bepaalde ondernemingen door het verlenen van steun reeds uit de bewoordingen van artikel 92 zelf. In artikel 92, lid 3, is ten aanzien van steun ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde gebieden bepaald dat deze onder bepaalde omstandigheden verenigbaar kan worden geacht met de gemeenschappelijke markt. Daaruit volgt dat deze steun onder artikel 92, lid 1, valt en dat het derhalve niet opgaat onder verwijzing naar de compenserende werking van de steun voor plaatselijke nadelen te doen alsof er geen begunstiging van bepaalde ondernemingen plaatsvindt.
De in het onderhavige geval behandelde steun vervalst de mededinging omdat de financiële hulp aan de begunstigde onderneming een berekenbare verbetering van haar bedrijfsresultaten ten gevolge heeft en derhalve haar handelingsspeelruimte vergroot ten opzichte van concurrenten die niet dergelijke subsidies ontvangen. Deze concurrentievervalsingen zijn waarneembaar. De steunmaxima liggen met hun netto-subsidie-equivalent bij 9,3 %, 13,0 % en 16,7 %.
Door de verlaging van de investeringskosten in deze omvang verkrijgt de begunstigde onderneming een aanzienlijk voordeel ten opzichte van haar niet-gesteunde concurrenten.
Voor zover de steun ondernemingen ertoe brengt een andere plaats van vestiging te kiezen, kan men overigens ook daarin een vervalsing van concurrentie in de zin van artikel 92, lid 1, zien. De invoering van een regeling waarmee de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt tegen vervalsingen wordt beschermd (artikel 3, onder f, van het Verdrag) houdt namelijk ook in dat ondernemingen op grond van autonome beslissingen hun plaats van vestiging kiezen, en dus niet daarbij door steunmaatregelen worden beïnvloed of georiënteerd.
De hier behandelde steunmaatregelen beïnvloeden ook de handel tussen Lid-Staten ongunstig. Men kan weliswaar bij de beoordeling van de steungebieden niet nauwkeurig uitspraak doen over de afzetgebieden van de begunstigde ondernemingen, omdat niet een concreet steungeval maar een algemene steunregeling wordt getoetst en derhalve de begunstigden vooraf niet bekend zijn, maar naar de ervaring leert, moet echter ervan worden uitgegaan dat daarbij ondernemingen zullen zijn die aan de handel binnen de Gemeenschap deelnemen. Bij de »Gemeinschaftsaufgabe" ligt deze veronderstelling te meer voor de hand omdat de steun uit hoofde van deel II, nr. 1.2.1 van het Dertiende kaderplan en artikel 2, lid 3, van het »Investitionszulagengesetz" gericht is op ondernemingen met een hoofdzakelijk supra-regionale afzet van hun produkten of diensten. Ook steungevallen in het raam van de toepassing van de »Gemeinschaftsaufgabe" in de betrokken regio's, die de Commissie in het verleden ter kennis zijn gekomen, geven grond aan deze veronderstelling.
Zoals hierboven is uiteengezet, versterkt de financiële hulp die de begunstigde ondernemingen wordt verleend hun positie ten opzichte van hun concurrenten. Voor zover dit in de intracommunautaire handel geschiedt, moet worden geacht dat deze door de steunmaatregel wordt beïnvloed.
De handel wordt overigens ook ongunstig beïnvloed omdat de vestigingsbeslissingen van begunstigde ondernemingen door de steun worden beïnvloed. Wanneer een onderneming namelijk haar plaats van vestiging bij voorbeeld van de ene Lid-Staat naar een andere verplaatst, dan leiden zowel de verplaatsing zelf als de produktie en het aanbod vanuit de nieuwe vestiging tot een verandering van de handelsstromen tussen Lid-Staten.
De hier behandelde steunmaatregelen uit hoofde van de »Gemeinschaftsaufgabe" leveren derhalve het rechtsfeit van artikel 92, lid 1, op.
(2) Aangezien het in het onderhavige geval gaat om regionale steunmaatregelen, zijn de enige, voor toepassing in aanmerking komende uitzonderingen op het verbod van steunmaatregelen die in artikel 92, lid 3, onder a) en c). Daarin zijn de doelstellingen vastgelegd die in het belang van de Gemeenschap en niet slechts in het belang van de Lid-Staten en de ontvangers van de steun worden nagestreefd. Deze uitzonderingen moeten bij het onderzoek naar steunprogramma's en individuele gevallen strikt worden geïnterpreteerd.
(1) BGBl. I, blz. 1861, laatstelijk gewijzigd bij het »Gesetz zur AEnderung der Gesetze ueber die Gemeinschaftsaufgaben" van 23 december 1971 (BGBl. I, blz. 2140).
(2) »Bundestagsdrucksachen" 10/1279 van 11 april 1984 en 10/3562 van 25 juni 1985.
(1) »Investitionszulagengesetz", in de versie van de bekendmaking van 4 juni 1982, BGBl. I, blz. 648.
(2) Waaronder twee, Wasserburg en Dueren, waartegen de procedure niet was ingeleid.
(3) Afgedrukt in het Twaalfde kaderplan van de »Gemeinschaftsaufgabe", blz. 152.
(1) PB nr. C 166 van 5. 7. 1985, blz. 6.
Uitzonderingen mogen met name alleen worden toegepast wanneer de Commissie kan vaststellen dat het spel van vraag en aanbod alléén de begunstigden niet tot een gedrag zou brengen dat ertoe bijdraagt een der in de uitzonderingsbepalingen genoemde doelstellingen te verwezenlijken.
Zouden de genoemde uitzonderingen zonder zulk een causaal verband worden toegepast, dan zou ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten en concurrentiebeperkingen op de koop toe worden genomen, zonder dat daartegenover bevordering van het communautair belang staat.
Past de Commissie de bovengenoemde beginselen bij de toetsing van regionale steunregelingen toe, dan moet zij zich ervan hebben vergewist dat er in de betrokken gebieden in vergelijking tot de Gemeenschap in haar geheel voldoende ernstige moeilijkheden bestaan om de toekenning van de steun en de intensiteit ervan te rechtvaardigen. Uit de toetsing moet blijken dat de steun noodzakelijk is om de in artikel 92, lid 3, onder a) en c), genoemde doelstellingen te verwezenlijken. Kan dit niet worden aangetoond, dan moet ervan worden uitgegaan dat de steun klaarblijkelijk niet tot de verwezenlijking van de in de uitzonderingsbepalingen vastgelegde doelstellingen bijdraagt, maar in wezen ten doel heeft de betrokken ondernemingen te begunstigen.
(3) Volgens artikel 92, lid 3, onder a), van het Verdrag kunnen steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst, verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt.
Bij de inleiding van de procedure inzake de steun uit hoofde van het Tiende kaderplan heeft de Commissie de opvatting verdedigd dat de economische en sociale situatie van de Bondsrepubliek noch in haar geheel, noch in bepaalde gebieden toepassing van lid 3, onder a), rechtvaardigt. Dit werd de Bondsregering in de bijlage bij de brief van 6 november 1981 medegedeeld. Deze bevinding werd door een nieuwe verificatie naar aanleiding van de inleiding van de procedure tegen de regionale steun in de deelstaten Baden-Wuerttemberg, Beieren, Hessen, Niedersachsen, Rheinland-Pfalz en Sleeswijk-Holstein bevestigd en de Bondsregering in de bijlage bij de brief van 10 augustus 1984 medegedeeld. Naar deze beide mededelingen zij hier uitdrukkelijk verwezen.
Ook na een herhaald onderzoek is de Commissie van mening dat noch in de Bondsrepubliek in haar geheel, noch in de onder deze beschikking vallende gebieden een abnormaal lage levensstandaard of een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. De drie gebieden ten aanzien waarvan de stimulering een reden was om de procedure in te leiden, liggen in de deelstaten Nordrhein-Westfalen en Beieren. De waarden van het bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking lagen in 1981 en 1983 duidelijk boven het communautaire peil (Nordrhein-Westfalen met de waarden 120, onderscheidenlijk 124, Beieren met de waarden 116, onderscheidenlijk 120) en de relatieve situatie heeft zich in vergelijking met de Gemeenschap voor de beide deelstaten tussen 1981 en 1984 nog verbeterd. De werkloosheid lag in september 1985 met de waarden 96 in Nordrhein-Westfalen onder, en met 58 in Beieren zelfs aanzienlijk onder het Gemeenschapsgemiddelde.
(4) Volgens artikel 92, lid 3, onder c), kunnen steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, worden goedgekeurd, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
De verandering van de handelsomstandigheden als gevolg van een regionale steunmaatregel kan alleen worden geacht het gemeenschappelijk belang niet te schaden, wanneer kan worden vastgesteld dat de betrokken regio's in communautair kader onder aanzienlijke moeilijkheden te lijden hebben, dat het spel van vraag en aanbod zonder steun deze moeilijkheden niet zou kunnen verhelpen, dat de omvang van de steun aan deze moeilijkheden is aangepast en dat de steunverlening de mededinging in bepaalde bedrijfstakken niet bovenmatig vervalst.
Daarom moet de Commissie bij haar onderzoek naar de verenigbaarheid van de regionale steun met artikel 92, lid 3, onder c), zowel rekening houden met belangrijke verschillen tussen de gebieden van een deelstaat als met de sociaal-economische situatie van de betrokken gebieden in communautair verband.
De Commissie heeft zich ook bij de nieuwe toetsing gehouden aan de bovenstaande beginselen, die reeds bij het eerste onderzoek naar de zes arbeidsmarktregio's in het kader van het standpunt van de Commissie over het Tiende kaderplan bepalend waren.
(5) Deze toetsing kon aan de hand van de beschikbare individuele indicatoren objectief plaatsvinden zonder een nieuwe ranglijst van de 179 arbeidsmarktregio's in de Bondsrepubliek op basis van bijgewerkte gegevens van de Bondsregering af te wachten. Deze ranglijst weerspiegelt de relatieve situatie van de afzonderlijke arbeidsmarktregio's onderling, die naar gelang van de weging welke men bij de individuele indicatoren toepast, verschillend kan uitvallen. Enerzijds dient deze toetsing als een controle op de uitkomsten in 1983. Zij werd de Bondsregering, zoals in de samenvatting der feiten is uiteengezet, reeds bij brief van 20 juni 1983 aangekondigd. De Bondsregering heeft in haar brief van 29 juli 1983 tegen deze toetsing geen bezwaar gemaakt. Bovendien wijzigt de uitslag van de toetsing de destijds vastgestelde ranglijst slechts op niet-essentiële punten. De drie arbeidsmarktregio's waarop de procedure betrekking heeft, nemen in opklimmende orde de rangen 59 tot en met 61 in. Overigens blijkt reeds uit de verwijzing van de Bondsregering naar de komende nieuwe indeling van het steungebied aan de hand van bijgewerkte gegevens, dat zij de ranglijst uit 1981 verouderd acht. Daarom kan in het kader van deze beschikking worden daargelaten of de Commissie met een volgens zuiver nationale criteria opgestelde ranglijst wel rekening moet houden of deze door de toetsing van de subsidiabiliteit van de afzonderlijke arbeidsmarktregio's aan de hand van communautaire criteria mag wijzigen.
Tenslotte dient erop te worden gewezen dat aan de onderhavige beschikking voor de werkloosheid en de bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten per inwoner de jongste beschikbare cijfers voor alle Duitse arbeidsmarktregio's ten grondslag liggen. De vergelijking van deze cijfers met het Bondsgemiddelde maakt het mogelijk de situatie van elke arbeidsmarktregio ten opzichte van het gemiddelde van alle regio's vast te stellen.
(6) Na het bovenstaande kan voorts niet worden beweerd dat met de door de Commissie gevolgde handelwijze niet voldoende rekening wordt gehouden met de noodzaak om binnen de landsgrenzen bestaande regionale verschillen weg te nemen, dat de beleidsruimte van de Bondsrepubliek daarbij in strijd met het Verdrag zou worden beperkt en zo de uit hoofde van artikel 104 van het Verdrag op de individuele Lid-Staten rustende taken en bevoegdheden op het gebied van het regionale beleid zouden worden genegeerd.
Enerzijds heeft de Commissie bij haar toetsing van de steungebieden ten volle rekening gehouden met het nationale ontwikkelingsverloop. Zoals onder paragraaf 7 nog wordt uiteengezet, laat de Commissie de Bondsregering bij het afbreken van de Duitse regionale dispariteiten een aanzienlijke speelruimte. Anderzijds is de omvang van de in deze beschikking gewraakte steungebieden niet van dien aard dat de daarmee door de Bondsregering gevreesde beperking reeds teweeg wordt gebracht.
Tenslotte maakt de handelwijze van de Commissie geen inbreuk op artikel 104 van het Verdrag. Al zijn de Lid-Staten volgens dit artikel verantwoordelijk voor het voeren van een economisch beleid in de zin van dit artikel, dit kan niet los van het communautair belang geschieden. Dit blijkt ook uit de artikelen 105 tot en met 109.
Op het gebied van de regionale steun verlenen de artikelen 92 en 93 de Commissie bevoegdheden die geen zin zouden hebben wanneer een Lid-Staat met het argument dat zijn optreden deel uitmaakt van haar nationale economische beleid, zou kunnen afwijken van de verplichtingen die op grond van de Verdragsbepalingen op hem rusten.
De bepalingen in het Verdrag over steunmaatregelen van de Lid-Staten moeten derhalve ook in het kader van artikel 104 worden nageleefd. De artikelen 92 en 93 gaan aan artikel 104 vooraf.
(7) De Commissie is de sociaal-economische situatie van de zes arbeidsmarktregio's zowel in nationaal als in communautair verband nagegaan. Ten einde ervoor te zorgen dat haar uitgangspunt bij de communautaire vergelijking systematisch en objectief is, heeft de Commissie een methode ontwikkeld met behulp waarvan voor de gebieden van elke Lid-Staat algemene drempels voor de toelaatbaarheid van steunmaatregelen, uitgedrukt in de structurele werkloosheid en het bruto binnenlands produkt per inwoner, kunnen worden vastgesteld.
Deze drempelwaarden worden aan de hand van de bijgewerkte gegevens geregeld gecontroleerd. Volgens de thans geldende waarden kan in beginsel van de subsidiabiliteit van gebieden in de Bondsrepubliek worden uitgegaan, wanneer het bruto binnenlands produkt, onderscheidenlijk de bruto toegevoegde waarde ervan per inwoner, beneden 76 % van het Bondsgemiddelde blijft of het werkloosheidspercentage ervan in het vijfjaarsgemiddelde meer dan 145 % van het Bondsgemiddelde bedraagt. Deze drempelwaarden zijn de Bondsregering bij een aan de Bondsminister van Economische Zaken gerichte brief van 31 juli 1985 medegedeeld. Via een mededeling van 22 januari 1986 heeft de Bondsregering van deze drempelwaarden kennis genomen. Overigens dient vastgesteld dat bij toepassing van de drempelwaarden die ten grondslag lagen aan de procedure tegen het Tiende kaderplan van de »Gemeinschaftsaufgabe" op 6 november 1981 (bruto binnenlands produkt 73, werkloosheid 130), de uitkomsten van het sociaal-economisch onderzoek niet zouden worden gewijzigd, zoals uit de volgende tabel blijkt.
Voor deze beschikking moesten de thans geldende, op grond van de jaren 1979, 1981 en 1983 berekende drempelwaarden tegenover de regionale waarden voor de bruto toegevoegde waarde voor 1980 en 1982 worden gesteld, omdat de Commissie wegens de omschakeling van de economische totaalrekening in de Bondsrepubliek slechts deze beide jaarcijfers zijn voorgelegd. Voor de werkloosheid werden de regionale cijfers uit de jaren 1980-1984 met de op grond van de jaren 1979, 1981 en 1983 berekende drempelwaarden vergeleken, omdat een geharmoniseerde berekening van de werkloosheid op jaarbasis in de Gemeenschap slechts eenmaal in de twee jaar plaatsvindt. De afwijking in de vergelijkingsjaren brengt geen verandering in de beoordeling die ten nadele van de Bondsrepubliek zou uitwerken.
De beoordeling aan de hand van drempelwaarden moet echter als een aanvangsbeoordeling worden beschouwd die in het tweede beoordelingsstadium kan worden gecorrigeerd, wanneer zich op grond van nieuwe indicatoren voor de huidige situatie of de toekomstige ontwikkeling van het beoordeelde gebied een andere evaluatie opdringt.
Een eerste onderzoek volgens deze methode geeft voor de zes arbeidsmarktregio's de volgende waarden te zien:
1.2.3 // // // // // Bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten per inwoner 1980/1982 // Gemiddeld werkloosheids- percentage in de jaren 1980-1984 // // // // Itzehoe // 89,3 // 148,9 // Alfeld // 71,4 // 120,9 // Kleve-Emmerich // 80,0 // 120,9 // Holzminden-Hoexter // 75,9 // 147,4 // Landsberg // 87,9 // 70,3 // Miesbach // 83,5 // 75,9 // // //
Hieruit volgt dat verlening van de steun in de arbeidsmarktregio's Itzehoe wegens de structurele werkloosheid, Alfeld wegens het geringe economische potentieel, en Holzminden-Hoexter wegens de structurele werkloosheid met de gemeenschappelijke markt verenigbaar kan worden geacht. Aangezien de Commissie voor deze gebieden niet over gegevens beschikt op grond waarvan op de aanvankelijke gunstige beoordeling zal moeten worden teruggekomen, maakt zij tegen de steun geen bezwaar.
(8) Daarentegen kon reeds bij de eerste beoordeling de stimulering van de arbeidsmarktregio's Kleve-Emmerich, Landsberg en Miesbach niet verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt.
In het tweede beoordelingsstadium heeft de Commissie haar sociaal-economische analyse met het oog op de inleiding van de procedure, waarnaar hier uitdrukkelijk wordt verwezen, aan de hand van de jongste ontwikkeling van de werkloosheid en de nieuwste cijfers voor de bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten (stand van de berekening herfst 1984) en de in het standpunt van de Bondsregering naar voren gebrachte argumenten geverifieerd. Dit geeft voor de drie arbeidsmarktregio's het volgende beeld:
Kleve-Emmerich
De bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten per inwoner haalde in 1980 een indexwaarde van 80,7 en in 1982 van 79,3 ten opzichte van het Bondsgemiddelde. De daaruit blijkende lichte teruggang van het economisch potentieel (met 1,4 punt) duidt nog niet op een verslechtering van de economische structuur. De betrokken indexwaarde ligt in 1978 op 80,4.
De omstandigheid dat de loonsom per werknemer, naar de Bondsregering mededeelt, op nationaal niveau van 93 in 1978 tot 91 in 1984 gedaald is, verandert aan de betrekkelijk gunstige beoordeling van het economisch potentieel niets. Ook deze verandering is onbeduidend. De waarde blijft dicht bij het Bondsgemiddelde.
De Bondsregering heeft weliswaar in mei 1985 betoogd dat er in de Kreis Kleve weldra 500 arbeidsplaatsen verloren zouden gaan en nog eens 850 in acuut gevaar zouden komen.
Terwijl het septembercijfer voor het werkloosheidspercentage voor 1984 (met 11,12 % = 129 % van het Bondsgemiddelde) en het jaarcijfer (met 11,15 % = 123 % van het Bondsgemiddelde) ten opzichte van het voorafgaande jaar (10,76 = 125 % voor september 1983 en 10,78 = 119 % voor het jaargemiddelde 1983) geen belangrijke stijging vertoonde, bereikte het septembercijfer voor 1985 een absolute waarde van 12,83 %, met andere woorden 148 % van het Bondsgemiddelde. Dit cijfer komt rekenkundig overeen met het verlies van 872 arbeidsplaatsen tussen september 1984 en september 1985. Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt, is deze sterke stijging van de werkloosheid ten opzichte van het Bondsgemiddelde ten dele het gevolg van een toeneming van de werkwilligen die aan een demografische ontwikkeling is toe te schrijven en ten dele het gevolg van het feit dat in deze periode arbeidsplaatsen verloren zijn gegaan.
Volgens dezelfde gegevens moet rekening worden gehouden met het verlies van nog meer arbeidsplaatsen. Vervanging van deze verloren gegane arbeidsplaatsen mag niet worden verwacht.
Deze negatieve ontwikkeling van de arbeidsmarktsituatie rechtvaardigt dat de steun in de arbeidsmarktregio's wordt goedgekeurd tot en met 31 december 1986. De Commissie zal de sociaal-economische situatie van het gebied vóór dit tijdstip opnieuw nagaan.
Landsberg
De bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten per inwoner haalde in 1980 een indexwaarde van 86,8 en in 1982 een indexwaarde van 89 ten opzichte van het Bondsgemiddelde. Het bruto binnenlands produkt per inwoner haalde in 1978 een indexwaarde van 81. Dit duidt op een constante toeneming van het economisch potentieel van deze arbeidsmarktregio. De Bondsregering heeft betoogd dat de werkgelegenheid gering en het forenzenpercentage hoog was, maar toonde dit niet met cijfers aan. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat dit tot een relatief laag cijfer voor de bruto toegevoegde waarde per inwoner moet leiden. Zoals uit de bovenstaande cijfers blijkt, levert dit cijfer in Landsberg echter geen regionaal probleem op. Bovendien is het dubieus of de werkgelegenheid in Landsberg inderdaad gering is. De Commissie heeft namelijk vastgesteld dat de tewerkstellingsdichtheid in het mijnwezen en de verwerkende bedrijven daar 94 % van het Bondsgemiddelde bedraagt. De verder door de Bondsregering opgegeven tewerkstellingsdichtheid van 68,6 % van het Beierse gemiddelde heeft slechts betrekking op bedrijven met meer dan 20 werknemers, en omvat derhalve niet het in de plattelandsregio's relatief hoge aantal werknemers in kleine bedrijven. Overigens vertoonde de Kreis Landsberg tussen 1980 en 1983 met 8,9 % het op één na hoogste groeipercentage bij verplicht sociaal verzekerde werknemers van alle »Kreise" in het Bondsgebied.
Zoals reeds is uiteengezet, heeft een hoog forenzenpercentage tot gevolg dat het cijfer voor de bruto toegevoegde waarde per inwoner daalt. Uit deze situatie kan de conclusie worden getrokken dat de toegevoegde waarde per werknemer - en daarmee de produktiviteit van de regionale economie - in Landsberg nog hoger ligt dan het indexcijfer 89 aangeeft.
De Bondsrepubliek heeft verder opgemerkt dat in enkele bedrijfstakken het vrijkomen van arbeidskrachten te verwachten is; zij heeft dit echter niet nader toegelicht. Bij de gunstige arbeidsmarktsituatie in de regio - het werklozenpercentage voor 1984 bedraagt slechts 70 %, het septembercijfer voor 1985 voor de werkloosheid slechts 60 % van het Bondsgemiddelde - zouden er overigens ook bij eventuele afvloeiingen nauwelijks ernstige regionale problemen te verwachten zijn.
Tenslotte kan ook het argument dat Landsberg wegens de nabijheid van Muenchen zou moeten worden gesteund, niet doorslaggevend zijn. Gezien de beschreven sociaal-economische situatie in Landsberg moet er namelijk geen rekening mee worden gehouden dat bij het wegvallen van de steun aanzienlijk meer ondernemingen dan tot dusver zich in het naburige Muenchen zouden willen vestigen.
Na het bovenstaande moet worden vastgesteld dat de steun aan investeringen in het bedrijfsleven, met uitzondering van het toerisme, op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe" in de arbeidsmarktregio Landsberg onverenigbaar is met de gemeeenschappelijke markt.
Miesbach
In de arbeidsmarktregio Miesbach haalde de bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten per inwoner in 1980 een indexcijfer van 83,5 en in 1982 een indexcijfer van 83,4. De cijfers zijn derhalve bijna gelijk gebleven. Ten opzichte van het bruto binnenlands produkt per inwoner voor het jaar 1978 (79 ten opzichte van het Bondsgemiddelde) is er zelfs een verbetering in opgetreden.
Evenals bij Landsberg heeft de Bondsregering ook bij Miesbach gewezen op de geringe tewerkstellingsdichtheid in het mijnwezen en de verwerkende bedrijven, die op 56,8 % van het Beierse landsgemiddelde ligt. Met inbegrip van de werknemers in kleine bedrijven bedraagt deze werkgelegenheid 66,7 % van het landsgemiddelde en 72 % van het Bondsgemiddelde. Dit kan in een arbeidsmarktregio die grotendeels van het vreemdelingenverkeer leeft niet als een regionaal probleem worden aangemerkt.
De arbeidsmarktsituatie in de regio is gunstig. Zo is het jaarcijfer voor het werklozenpercentage ten opzichte van het Bondsgemiddelde in 1984 met 71 % ten opzichte van die van het voorafgaande jaar (75 %) nog beter geworden. Het septembercijfer voor 1985 ligt bij slechts 63 % van het Bondsgemiddelde. Het door de Bondsregering genoemde verlies aan arbeidsplaatsen in Penzberg heeft dan ook de ononderbroken relatieve daling van de werkloosheid niet afgebroken. Dit valt evenmin van de bedrijfssluiting in Bad Toelz te verwachten.
Het aantal forenzen uit de arbeidsmarktregio doet zich economisch reeds voelen in het cijfer voor de bruto toegevoegde waarde per inwoner, maar levert - zoals uit de bovenstaande cijfers blijkt - geen regionaal probleem op. Het wettigt de bevinding dat in Miesbach de toegevoegde waarde per werknemer, die als maatstaf voor de produktiviteit van de regionale economie geldt, hoger ligt dan die per inwoner.
Na het bovenstaande luidt de gevolgtrekking dat de steun aan investeringen in industrie en handel met uitzondering van het vreemdelingenverkeer op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe" in de arbeidsmarktregio Miesbach onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
(9) Aangaande de steun aan het vreemdelingenverkeer moet het volgende worden opgemerkt:
Volgens de uiteenzettingen van de Bondsregering gaat het in de arbeidsmarktregio Miesbach om de steun aan middenstands-, met name familiebedrijven. Volgens de bevindingen van de Commissie geldt dit ook voor de steun in de toeristische gebieden in de arbeidsmarktregio Landsberg. Onder die omstandigheden luidt de gevolgtrekking dat de steun aan het vreemdelingenverkeer in de beide arbeidsmarktregio's de toeristenstromen slechts op een dusdanige wijze verandert, zo er al van verandering sprake is, dat deze niet met het gemeenschappelijk belang in strijd is. Daarbij hield de Commissie er rekening mee dat de beide arbeidsmarktregio's in de door de Bondsregering als toeristische gebieden aangeduide delen, gezien het landschapsschoon, aan de voorwaarden voor het toerisme voldoen, maar dat de daarvoor noodzakelijke uitrusting er niet in voldoende mate voorhanden is.
Verbetering van de structuur voor het vreemdelingenverkeer en daarmee een exploitatie van de natuurlijke voordelen van deze gebieden zou door de verlening van steun kunnen worden bevorderd. Onder die omstandigheden kan de steun ter bevordering van het vreemdelingenverkeer op grond van artikel 92, lid 3, onder c), verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt.
Om te kunnen nagaan of de steun aan het vreemdelingenverkeer ook in de toekomst binnen het hier aangegeven kader blijft, heeft de Commissie een jaarlijks verslag nodig, waaruit met name het totale bedrag van de toegekende steun, de omvang van de gesteunde investeringen en het aantal steungevallen blijken. Bij investeringen van toeristische bedrijven met meer dan vijftig werknemers moet de verleende steun en de omvang van de gesteunde investering voor elk geval afzonderlijk worden vermeld.
(10) Voor de afschaffing van steunmaatregelen die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar zijn, moet een termijn worden gesteld; de Commissie stelt deze termijn op 30 juni 1986. Tot dit tijdstip mogen steunaanvragen voor bedrijfsinvesteringen in de arbeidsmarktregio's Landsberg en Miesbach nog worden ingediend volgens de regels van het Dertiende kaderplan van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" waarin de door de Commissie goedgekeurde omvang van de steun is vastgelegd,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De toekenning van steun aan investeringen van het bedrijfsleven, met uitzondering van de sector vreemdelingenverkeer, op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" in de arbeidsmarktregio's Landsberg en Miesbach is op grond van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De Bondsrepubliek dient deze steun met ingang van 1 juli 1986 in te trekken. Tot en met 30 juni 1986 ingediende aanvragen om steun kunnen na dit tijdstip nog overeenkomstig het bepaalde in het Dertiende kaderplan van de »Gemeinschaftsaufgabe" worden afgehandeld.
Artikel 2
De toekenning van steun voor investeringen van bedrijven in het vreemdelingenverkeer in de toeristische gebieden van de arbeidsmarktregio's Landsberg en Miesbach op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" wordt in de zin van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag verenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt. De Bondsrepubliek legt de Commissie eenmaal per jaar vóór het einde van het eerste halfjaar een verslag over waaruit het totale bedrag van de toegekende steun, de omvang van de gesteunde investeringen en het aantal steungevallen in het voorafgaande jaar blijken. Bij investeringen door toeristische bedrijven met meer dan vijftig werknemers moet de toegekende steun en de omvang van de gesteunde investeringen voor ieder individueel geval afzonderlijk worden vermeld.
Artikel 3
De toekenning van steun op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" in de arbeidsmarktregio Kleve-Emmerich wordt tot en met 31 december 1986 in de zin van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag verenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt. Vóór het aflopen van deze termijn zal de Commissie de sociaal-economische situatie in deze arbeidsmarktregio opnieuw onderzoeken.
Artikel 4
De toekenning van steun op grond van de »Gemeinschaftsaufgabe - Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" in de arbeidsmarktregio's Itzehoe, Alfeld en Holzminden-Hoexter wordt in de zin van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag verenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 5
Deze beschikking laat de toepassing van de in bepaalde sectoren van industrie en landbouw en de voor industrieel georganiseerde landbouwondernemingen geldende Gemeenschapsrechtelijke voorschriften en raamvoorwaarden onverlet.
Artikel 6
De Bondsrepubliek stelt de Commissie binnen twee maanden na kennisgeving van deze beschikking in kennis van de maatregelen welke zij genomen heeft om aan de beschikking te voldoen.
Artikel 7
Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel, 19 februari 1986.
Voor de Commissie
Peter SUTHERLAND
Lid van de Commissie
Top