Avis juridique important
87/417/EEG: Beschikking van de Commissie van 17 december 1986 waarbij het gewest Abruzzen wordt verboden steun te verlenen in de vorm van een subsidie voor de verkoop van veevoeder (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 227 van 14/08/1987 blz. 0041 - 0044
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 17 december 1986
waarbij het gewest Abruzzen wordt verboden steun te verlenen in de vorm van een subsidie voor de verkoop van veevoeder
(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
(87/417/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en met name op artikel 93, lid 2,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 1117/78 van de Raad van 22 mei 1978 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1985/86 (2), en met name op artikel 9, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de andere verordeningen tot vaststelling van gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwprodukten,
Na alle belanghebbenden overeenkomstig het bepaalde bij artikel 93 van het Verdrag te hebben aangemaand hun opmerkingen mede te delen (3) en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I
Bij schrijven van 17 juni 1985 heeft de Italiaanse Regering overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag kennis gegeven van Wet nr. 25 van het gewest Abruzzen van 11 april 1985 houdende verdere wijzigingen in Gewestelijke Wet nr. 31 van 3 juni 1982. Bij deze wet worden met name wijzigingen aangebracht in artikel 66 van Gewestelijke Wet nr. 31/82 van 3 juni 1982, gewijzigd en aangevuld bij Gewestelijke Wet nr. 7/83 van 25 januari 1983 en bij Gewestelijke Wet nr. 66/83 van 15 september 1983.
In dit artikel was bepaald dat met het oog op de uitvoering van een proefproject om de landbouwers in het gewest ertoe aan te zetten hun voederareaal op duurzame wijze te rentabiliseren, voor een bepaalde periode degressieve steun kon worden verleend voor de verkoop, aan de veehouders in het gewest, van veevoeder dat is vervaardigd van in het gewest zelf geproduceerd groenvoeder. De steun van het gewest bestond in:
- subsidies tot 10 % van de marktwaarde van de geproduceerde voedereenheid en
- subsidies tot 20 % van diezelfde waarde voor landbouwers in berg- of probleemgebieden.
Bovendien moesten de landbouwers van het gewest voor ten minste 80 % deelnemen in het bedrijfsvermogen en in het beheer van de installaties voor de produktie van veevoeder in het gewest. In deze installaties moesten uitsluitend en, in bepaalde gevallen, bij voorrang groenvoedergewassen uit het gewest zelf worden verwerkt.
Aangezien deze steunmaatregel betrekking had op voorlichtingsactiviteiten werd deze op grond van artikel 92, lid 3, onder c), van het Verdrag voor de periode 1982-1985 verenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt. De Commissie heeft de Italiaanse Regering bij schrijven van 4 november 1982 van dit standpunt in kennis gesteld.
Bij artikel 1 van Wet nr. 25/85 is het gewijzigde en aangevulde artikel 66 van Wet nr. 31/82 opnieuw gewijzigd in die zin dat de cooeperatieve installaties voortaan voedergewassen kunnen gebruiken die in het gewest beschikbaar waren zonder dat zij verplicht zijn uitsluitend of bij voorrang voedergewassen van het gewest zelf aan te kopen. Bovendien is bij artikel 3 van voornoemde Wet de geldigheidsduur van de steunregeling verlengd voor 1986 en 1987.
II
Na onderzoek van Wet nr. 25/85 heeft de Commissie de Italiaanse Regering bij schrijven van 19 februari 1986 onder meer medegedeeld dat zij ten aanzien van de betrokken maatregel de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag zou inleiden.
De Commissie heeft de Italiaanse Regering medegedeeld dat de periode die in 1982 was vastgesteld om de voorlichtingsactie te voeren, was afgelopen en dat kon worden geconstateerd dat in de periode 1982-1985 de produktie van zowel voedergewassen als veevoerders in het gewest was toegenomen; het leek er dus op dat de voorlichtingsactiviteiten hun doel hadden bereikt. Voorts was de Commissie van oordeel dat een verlenging van deze periode met twee jaar niet verantwoord was, aangezien de veevoederbehoeften in het gewest alleen al volstonden om de produktie van groenvoedergewassen te stimuleren. Bovendien wees de Commissie erop dat deze situatie de gewestelijke overheid zelfs ertoe had gebracht de bij artikel 66 van Wet nr. 31/82 vastgestelde criteria te wijzigen in die zin dat de cooeperatie die voor steun in aanmerking kwam, niet meer werd verplicht uitsluitend of bij voorrang haar grondstoffen in het gewest aan te kopen om daar de produktie van groenvoedergewassen te stimuleren.
Op grond daarvan was de Commissie van oordeel dat een verdere toekenning van steun bij de aankoop van veevoeders niet meer voor de in artikel 92, lid 3, onder c) van het Verdrag vervatte afwijking in aamerking komt, aangezien de steun nu de kenmerken vertoonde van een steun voor de bedrijfsvoering zonder dat deze voor de ontwikkeling van de betrokken sector een duurzame verbetering tot gevolg had.
De Commissie heeft derhalve de Italiaanse Regering, de overige Lid-Staten en ook de andere belanghebbenden dan de Lid-Staten aangemaand hun opmerkingen mede te delen en heeft van hen opmerkingen ontvangen.
III
Bij schrijven van 13 mei 1986 heeft de Italiaanse Regering op dat van de Commissie van 19 februari 1986 geantwoord; daarin wees de Italiaanse Regering op de volgende punten:
- de betrokken steun is gedurende drie jaar en op degressieve wijze verleend;
- het gewest Abruzzen heeft erop toegezien dat de maatregel het karakter van een proefproject bleef behouden;
- de maatregel kwam zeer traag op gang en begon daarom slechts tegen het einde van 1985 vruchten af te werpen en
- het was bijgevolg nodig de betrokken maatregel voor 1986 en 1987 te handhaven.
IV
1. De Italiaanse Regering is de haar krachtens artikel 93, lid 3, van het Verdrag opgelegde verplichting niet nagekomen door, in de eerste plaats, geen kennis te geven van Wet nr. 25/85 in het stadium van wetsontwerp en vervolgens de wet ten uitvoer te leggen nog vóór de Commissie zich daarover kon uitspreken.
2. Artikel 66 van de gewijzigde en aangevulde Wet nr. 31/82 voorzag in het verlenen van steun door het gewest gedurende de periode 1982-1985 voor de tenuitvoerlegging van een proefproject om de landbouwers ertoe aan te zetten het voederareaal dat zij in de Abruzzen bezitten, op duurzame wijze te rentabiliseren. Daartoe heeft het gewest voor een bepaalde periode een degressieve steun ingevoerd voor de verkoop van in het gewest zelf geproduceerd groenvoeder aan de veehouders aldaar die voor de produktie van veevoeder cooeperaties hebben gevormd.
Op 4 november 1982 heeft de Commissie ten aanzien van deze steunmaatregel gunstig advies uitgebracht, rekening houdende met het feit dat het een »proefproject" betrof met een beperkte looptijd en een degressief steunbedrag.
De wijzigingen bij Wet nr. 25/85 van 11 april 1985 hadden het volgende ten doel: het laten vervallen, in artikel 66, van de verplichting voor de cooeperaties die veevoeders produceren, om uitsluitend en in bepaalde gevallen bij voorrang groenvoedergewassen uit het gewest aan te kopen en het verlengen van de geldigheidsduur van deze regeling voor 1986 en 1987; deze wijzigingen zijn van dien aard dat de maatregel niet langer als een proefproject kan worden beschouwd. Bovendien gold deze steunmaatregel reeds gedurende vier jaar (van 1982 tot 1985) en had de maatregel in die periode tot een verhoging van de produktie van zowel groenvoedergewassen als veevoeders geleid. Volgens de gegevens die door de Italiaanse Regering zijn verstrekt, werd door de bij de cooeperaties aangesloten producenten in 1983 ongeveer 119 000 kwintaal groenvoedergewassen voor verdere verwerking geleverd tegenover ongeveer 245 000 kwintaal in 1986, terwijl in 1983 ongeveer 521 000 kwintaal veevoeder werd geproduceerd tegenover ongeveer 1 miljoen kwintaal in 1986.
Aangezien de wijziging in artikel 66 bovendien bestond in het laten vervallen van het beding dat uitsluitend in het gewest geproduceerde voedergewassen dienden te worden aangekocht, leidt dit eveneens tot de vaststelling dat met de steunmaatregel thans niet meer dezelfde doeleinden worden nagestreefd als voorheen.
3. Deze maatregel dient zich dan ook aan als een steun voor de bedrijfsvoering ten behoeve van de veehouders van het gewest die dank zij deze subsidie de veevoeders goedkoper kunnen aankopen dan wanneer geen steun zou worden verleend. Deze steun vervalst dus de concurrentievoorwaarden tussen de veehouders van de Abruzzen en de overige veehouders in de Gemeenschap.
De door deze steunmaatregel mogelijk geworden daling van de produktiekosten en bijgevolg ook van de verkoopprijs opent nieuwe afzetmogelijkheden of houdt althans die van voorheen in stand, hetgeen de veehouders in de Abruzzen ertoe zal aanzetten de produktie op te drijven; daardoor kunnen zij, enerzijds, dank zij onder meer de besparingen ten gevolge van de grootschaligheid hun kostprijs drukken en, anderzijds, hun concurrentievermogen op de Italiaanse markten en op de markten in de overige Lid-Staten opvoeren. Door het verlenen van deze steun, waarvan de omvang rechtstreeks verband houdt met de geproduceerde en de aan de veehouders verkochte hoeveelheden, wordt de concurrentiepositie van de in deze sector actieve economische subjecten van de Abruzzen op de Italiaanse en de communautaire markten verstevigd. Indien de veehouders hun produktie niet volledig op de nationale markten kunnen afzetten, zullen zij afzetmogelijkheden zoeken op de markten van de overige Lid-Staten waar zij dan hun produkten kunnen aanbieden tegen prijzen die lager zijn dan wanneer zij de steun niet zouden ontvangen. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat een verlaging van de veevoederprijzen, die 20 % kan bedragen, op het niveau van de dierlijke produkten, bij voorbeeld in de pluimveesector, een verlaging betekent van de produktiekosten met ongeveer 10 tot 15 %. De voederkosten komen in de pluimveesector overeen met ongeveer 80 % van de produktiekosten op het bedrijf. Een steunmaatregel die deze kosten drukt, betekent een aanzienlijk economisch voordeel op een overschottenmarkt zoals die voor dierlijke produkten.
Deze steunmaatregel is daarom geëigend om het handelsverkeer tussen de Lid-Staten nadelig te beïnvloeden, omdat de veehouders door de verlaging van hun produktiekosten ertoe worden aangezet hun produktie op te drijven.
4. In het geval dat deze steunmaatregel niet volledig op het niveau van de veehouders doorwerkt, vormt de betrokken subsidie ook een steun voor de bedrijfsvoering voor de bedrijven die veevoeders produceren. Doordat deze bedrijven een steunbedrag ontvangen dat op basis van de geproduceerde en verkochte voedereenheden wordt berekend, zullen deze hun produktie optrekken ten einde de voordelen te verkrijgen die uit besparingen ten gevolge van een schaalvergroting voortvloeien. Deze toeneming van de hoeveelheden veevoeder die in de Abruzzen worden geproduceerd, doet de invoer van deze produkten uit de overige Lid-Staten evenredig afnemen. In 1985 werd ongeveer 320 000 ton ingevoerd, hetgeen op ongeveer 3,2 % van de totale veevoederproduktie in Italië neerkomt. Zelfs in dit geval vervalst deze maatregel daardoor de mededingingsvoorwaarden tussen de veevoederproducenten van de Abruzzen en die van de overige Lid-Staten, en verstoort de maatregel het intracommunautaire handelsverkeer.
5. De betrokken maatregelen beantwoorden derhalve aan de criteria van artikel 92, lid 1, van het Verdrag. Daarin wordt bepaald dat de steunmaatregelen die aan de daarin vervatte criteria beantwoorden, principieel onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.
6. De in artikel 92, lid 2, vastgestelde afwijkingen op deze onverenigbaarheid zijn op de betrokken steunmaatregelen duidelijk niet van toepassing. De afwijkingen die in lid 3 van voornoemd artikel worden bedoeld, geven de doelstellingen aan die in het belang van de Gemeenschap worden nagestreefd en niet alleen in het belang van bepaalde sectoren van de nationale economie. Deze afwijkingen moeten bij het onderzoek van elk steunprogramma dat gericht is op een bepaald gebied of een bepaalde bedrijfssector, strikt worden geïnterpreteerd.
Deze afwijkingen kunnen met name slechts worden toegestaan indien de Commissie kan vaststellen dat de steun noodzakelijk is om een van de in deze bepalingen vastgestelde doelstellingen te bereiken. Het voordeel van voornoemde afwijkingen toekennen aan steunmaatregelen die niet een dergelijke tegenprestatie inhouden, zou betekenen dat belemmeringen van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, uit communautair oogpunt niet te verantwoorden concurrentiedistorsies en bijgevolg ook ongewettigde voordelen voor bepaalde Lid-Staten zouden worden toegestaan.
In dit bijzondere geval kan op grond van een onderzoek van de betrokken steunmaatregel niet worden geconstateerd dat er een dergelijke tegenprestatie bestaat. De Italiaanse Regering heeft geen enkel bewijs kunnen aanvoeren om aan te tonen dat de betrokken steunmaatregelen aan de voorwaarden voldoen om voor een van de in artikel 92, lid 3, van het Verdrag bedoelde afwijkingen in aanmerking te komen en de Commissie heeft ook geen wettiging voor deze maatregelen kunnen vinden.
Het betreft geen maatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen als bedoeld in artikel 92, lid 3, onder b), aangezien de uitwerking die zij kunnen hebben op het handelsverkeer tegen het gemeenschappelijk belang ingaat.
De maatregel is reeds gedurende vier jaar, namelijk van 1982 tot en met 1985, toegepast en zij heeft haar doel inzake voorlichting, dat door de Commissie in 1982 in aanmerking was genomen, bereikt aangezien de maatregel tot een verhoging van de groenvoeder- en van de veevoederproduktie heeft geleid.
Daarom lijkt een verlenging van de geldigheidsduur van deze maatregel tot eind 1987 niet verantwoord, aangezien de maatregel, doordat het geen steun voor voorlichtingsactiviteiten meer betreft, voortaan een gewone steun voor de bedrijfsvoering vormt, zonder enige duurzame uitwerking voor de situatie van de begunstigde bedrijven.
Bijgevolg komt de steun, die moet worden beschouwd als een steun voor de bedrijfsvoering voor de betrokken bedrijven, overeen met een type steunmaatregelen waar de Commissie principieel zich steeds tegen heeft gekant doordat de toekenning van de steun niet afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden op grond waarvan zij voor een van de in lid 3, onder a) en c), van artikel 92 vastgestelde afwijkingen in aanmerking kan komen.
De betrokken steun voldoet derhalve niet aan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een van de afwijkingen van artikel 92 van het Verdrag in aanmerking te komen en moet als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd. De Italiaanse autoriteiten moeten de nodige maatregelen treffen om te voorkomen dat deze steun wordt toegekend en om ervoor te zorgen dat het bepaalde in de artikelen 1 en 3 van Gewestelijke Wet nr. 25 van 11 april 1985 betreffende de gewraakte steun uiterlijk op 31 maart 1987, een termijn die de Italiaanse autoriteiten de gelegenheid moet bieden om deze maatregelen te nemen, wordt ingetrokken. Met deze beschikking wordt niet vooruitgelopen op de consequenties die de Commissie in voorkomend geval zal trekken ten aanzien van de invordering van bovengenoemde steun bij de begunstigden, noch op het standpunt dat, wat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw betreft, de Commissie zal innemen indien blijkt dat de steun vóór de afsluiting van de onderzoekprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag is toegekend,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
1. De steun in de vorm van een subsidie van 10 % en 20 % van de waarde van de voedereenheid die voor 1986 en 1987 is vastgesteld bij artikel 66 van Wet nr. 31 van het gewest Abruzzen van 3 juni 1982, de kaderwet voor de ontwikkeling van de lanbouw in de Abruzzen voor de periode 1982-1985, gewijzigd en aangevuld bij Gewestelijke Wet nr. 7/83 van 25 januari 1983 en bij Gewestelijke Wet nr. 66/83 van 15 september 1983, zoals die steun bij artikel 1 en bij artikel 3 van Gewestelijke Wet nr. 25 van 11 april 1985 is gewijzigd, is onverenigbaar met de bepalingen van artikel 92 van het Verdrag.
2. Deze steun mag niet worden toegekend en de daarop betrekking hebbende bepalingen van de artikelen 1 en 3 van Wet nr. 25 van 11 april 1985 moeten uiterlijk op 31 maart 1987 worden ingetrokken.
3. De Italiaanse Regering deelt de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking de maatregelen mede die zij heeft genomen om aan deze beschikking te voldoen.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 17 december 1986.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Vice-Voorzitter
(1) PB nr. L 142 van 30. 5. 1978, blz. 1.
(2) PB nr. L 171 van 28. 6. 1986, blz. 4.
(3) PB nr. C 84 van 12. 4. 1986, blz. 4.
Top