Avis juridique important
87/48/EEG: Beschikking van de Commissie van 22 oktober 1986 inzake steunmaatregelen in België ten gunste van de brouwerijmaterieelindustrie (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
Publicatieblad Nr. L 020 van 22/01/1987 blz. 0030 - 0033
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 22 oktober 1986
inzake steunmaatregelen in België ten gunste van de brouwerijmaterieelindustrie
(Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
(87/48/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Na overeenkomstig het bovengenoemde artikel de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I
In 1984 besloot de Belgische Regering tot de oprichting van de financieringsmaatschappij Technibra SA via de openbare onderneming »Société Régionale d'Investissement de Wallonie" (SRIW).
Technibra heeft volgens de bijlage van het Belgisch Staatsblad van 10 november 1984 ten doel de ketel- en apparatenbouw en meer in het bijzonder de brouwerijmaterieelindustrie te bevorderen, door deelnemingen in ondernemingen in deze sector en door aan deze financiële middelen of bijstand op technisch, commercieel en beheersgebied te verlenen.
Het kapitaal van Technibra werd vastgesteld op 125 miljoen Bfr., waarvan de helft werd gestort door de Waalse gewestelijke autoriteiten, die vooralsnog de enige aandeelhouders blijven.
Technibra heeft eenmaal in 1984 bijstand verleend in de vorm van een kapitaalinjectie van 50 miljoen Bfr. ten behoeve van een producent van brouwerijmaterieel te Doornik. Dit feit is terug te vinden in de boekhouding van de fabrikant over dat jaar.
Noch de oprichting van Technibra SA noch haar interventie ten gunste van de onderneming te Doornik is overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag bij de Commissie aangemeld.
Na van de oprichting van Technibra te hebben vernomen en van mening zijnde dat deze gelijk stond met de invoering van een sectoriële steunregeling, verzocht de Commissie de Belgische Regering bij telexbericht van 30 september 1985 om gedetailleerde gegevens.
De Belgische Regering antwoordde bij telexbericht van 21 november 1985 waarin zij de oprichting van Technibra SA door de Belgische gewestelijke autoriteiten en de kapitaalinjectie van Technibra voor 50 miljoen Bfr. bij de onderneming in Doornik bevestigde en verklaarde dat er voorshands geen andere interventies door Technibra hadden plaatsgehad.
De Commissie besloot op 29 januari 1986 met betrekking tot de oprichting van Technibra SA en haar interventie ten gunste van de onderneming te Doornik, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden.
De Commissie achtte de oprichting van Technibra vergelijkbaar met de invoering van een sectoriële steunregeling en de verschaffing van kapitaal aan de onderneming te Doornik een steunmaatregel die onder artikel 92, lid 1, van het Verdrag viel.
De steunregeling noch de eerste toepassing daarvan leek te voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van een van de uitzonderingen van artikel 92, leden 2 en 3.
Bij brief van 7 februari 1986 maande de Commissie de Belgische Regering aan haar opmerkingen kenbaar te maken. II
In haar antwoord bij brief van 30 mei 1986 betoogde de Belgische Regering dat Technibra SA had gepoogd particuliere investeerders te vinden die de onderneming in Doornik geheel of gedeeltelijk konden overnemen. Technibra had ook de mogelijkheid onderzocht om, samen met nieuwe industriële partners, in de betrokken onderneming complementaire activiteiten op te zetten.
De Belgische Regering meende dat de activiteiten van Technibra niet konden worden beschouwd als een steunmaatregel die met het bepaalde in artikel 92 van het Verdrag onverenigbaar zou zijn.
De Belgische Regering legde ook de nadruk erop dat de onderneming in Doornik op 6 januari 1986 failliet was verklaard en door een particuliere koper zou worden overgenomen. Deze ontwikkeling zou leiden tot de liquidatie van Technibra SA of tot het gebruik van de rechtsstructuur ervan voor andere doeleinden. Dezelfde redenering werd gevolgd door de SRIW in haar commentaar in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, waarbij deze van de mogelijkheid gewaagde dat Technibra zou worden verkocht.
In het kader van de raadpleging van andere belanghebbenden maakten de regeringen van drie andere Lid-Staten en een nationale industriefederatie opmerkingen.
III
De oprichting van een financieringsmaatschappij met overheidsmiddelen, met het doel een bedrijfstak en daarmee de produktie van bepaalde goederen te financieren, kan met de invoering van een sectoriële steunregeling worden vergeleken.
Het is derhalve aannemelijk dat de interventies van Technibra SA, gezien haar doelstellingen en middelen als beschreven in de bijlage van het Belgisch Staatsblad van 10 november 1984, steunmaatregelen vormen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.
Ten aanzien van de interventies in de vorm van kapitaalinjecties zij eraan herinnerd dat de bepalingen van het Verdrag op dit terrein volgens artikel 92, lid 1, op steunmaatregelen door de Staten of via staatsmiddelen in welke vorm ook zijn gericht.
Daaruit volgt, zoals gesteld door het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 november 1984 (1), dat er in beginsel geen onderscheid kan worden gemaakt aan de hand van de vraag of steun in de vorm van leningen dan wel als kapitaalinjectie wordt toegekend. In beide vormen valt de steun onder het verbod van artikel 92, zodra aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.
Ten einde na te gaan of een kapitaalinjectie in de vorm van een deelneming een steunmaatregel oplevert in gevallen waarin de onderneming eigendom van de overheid is, zou, met voorbijgaan van eventuele sociale factoren of regionale of sectoriële politiek moeten worden nagegaan of een particuliere aandeelhouder onder gelijke omstandigheden met het oog op verwachte rentabiliteit tot zulk een kapitaalinjectie zou overgaan.
Ten aanzien van de enige interventie waartoe Technibra in 1984 was overgegaan en die in de vorm van een deelneming van 50 miljoen Bfr. in een Doornikse onderneming van voornamelijk brouwerijmaterieel was geschied, zij onderstreept dat deze fabrikant werd belemmerd door zijn reeds een aantal jaren durende slechte financiële positie en door de huidige overcapaciteit in de brouwerijmaterieelindustrie, die het onwaarschijnlijk maakten dat hij op de particuliere kapitaalmarkt de geldmiddelen zou kunnen verkrijgen die noodzakelijk waren voor haar overleving.
De betrokken onderneming leed een aantal jaren aanzienlijke verliezen. Deze beliepen in 1979 85,502 miljoen Bfr.; in 1980 20,390 miljoen Bfr.; in 1981 33,341 miljoen Bfr.; in 1982 91,242 miljoen Bfr.; in 1983 43,852 miljoen Bfr. en in 1984 85,144 miljoen Bfr., hetgeen respectievelijk 20 %, 4 %, 6 %, 30 %, 12 % en nog eens 20 % van de totale omzet van de vennootschap tussen 1979 en 1984 vertegenwoordigde.
Kapitaalinjecties ten bedrage van 40 miljoen Bfr. in 1979, 150 miljoen Bfr. in 1980, 125 miljoen Bfr. in 1983 en 20 miljoen Bfr. in 1984 werden door de Belgische overheid via de gewestelijke Waalse autoriteiten verstrekt, klaarblijkelijk met de bedoeling verliezen te compenseren.
Sinds 1980 was het Waalse gewest de enige aandeelhouder van de vennootschap.
Op 17 april 1984 trof de Commissie een negatieve beschikking inzake de twee laatstgenoemde deelnemingen ten bedrage van, in totaal, 145 miljoen Bfr. waartoe de Belgische gewestelijke autoriteiten ten gunste van de onderneming in Doornik in 1983 hadden besloten, oordelend dat deze steunmaatregelen opleverden die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar waren en vroeg zij de opheffing daarvan. In plaats van aan deze beschikking gevolg te geven, vocht de Belgische Regering deze bij het Hof van Justitie aan (zaak 234/84). Het Hof verwierp dit beroep bij arrest van 10 juli 1986.
Indien intrekking van de in 1983 en 1984 toegekende 145 miljoen Bfr. had plaatsgevonden, zoals de Commissie in haar beschikking van 17 april 1984 had gelast, zou de financiële positie van de onderneming tegen het einde van 1984 nog slechter zijn geweest.
Onder deze omstandigheden zou het voor de onderneming te Doornik vrijwel niet mogelijk zijn geweest zich op de particuliere kapitaalmarkten nog de nodige middelen voor haar overleving te verwerven en dus vormde de betrokken deelneming een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.
In 1984 waren er rond 25 fabrikanten van brouwerijmaterieel in de Gemeenschap. De helft daarvan was gevestigd in Duitsland en drie in België, waaronder de onderneming te Doornik. Omdat het aantal brouwerijen in de Gemeenschap is teruggelopen en de nieuwe gistings- en opslagtanks van roestvrij staal veel langer meegaan, moesten de communautaire fabrikanten van brouwerijmaterieel zich aan een dalende vraag binnen de Gemeenschap aanpassen en heerst er in de Gemeenschap tussen hen een sterke concurrentie.
Deze situatie heeft een aantal ondernemingen gedwongen de fabricage van gistings- en opslagtanks geheel of gedeeltelijk af te stoten en hun export naar derde landen te verplaatsen. Dit komt duidelijk tot uiting in de produktiecijfers van de bedrijfstak in Duitsland: deze zijn van 126,327 miljoen DM in 1980 gedaald tot 75,205 miljoen DM in 1985.
Ook de SRIW bevestigde in haar jaarverslag over 1982 dat de onderneming te Doornik gedwongen was haar structuur aan te passen aan de marktomstandigheden die door sterke concurrentie worden beheerst als gevolg van overcapaciteit bij de produktie.
De Commissie kan niet nauwkeurig het marktaandeel van de Belgische fabrikanten van brouwerijmaterieel, met inbegrip van de onderneming te Doornik, opgeven. Naar schatting van de Belgische Regering kan dat aandeel op de Belgische markt van 5 tot 10 % belopen.
Ook de NIMEXE-handelsstatistieken bieden niet veel relevante informatie, omdat brouwerijmaterieel slechts één post vormt (84.30-50) die machines en toestellen voor het bewerken van vis, van groenten of van fruit en voor brouwerijen omvat.
De verkopen van de onderneming te Doornik bedroegen in 1979 418,516 miljoen Bfr.; in 1980 562,167 miljoen Bfr.; in 1981 525,495 miljoen Bfr.; in 1982 305,645 miljoen Bfr.; in 1983 374,126 miljoen Bfr.; in 1984 434,088 miljoen Bfr. en in 1985 609,961 miljoen Bfr., waarvan respectievelijk 78,83 %; 80,78 %; 82,66 %; 69,38 %, 76,71 %; 76,44 % en 80,75 % werd geëxporteerd. Tussen 17 en 30 % van haar produktie ging naar de Belgische markt. De export van haar produktie naar derde landen bereikte in 1979 23,90 %; in 1980 35,19 %; in 1981 40,49 %; in 1982 21,49 %; in 1983 27,45 %; in 1984 41,09 % en in 1985 72,59 %.
Volgens de jaarrekening van de Doornikse fabrikant in 1984 vertegenwoordigde brouwerijmaterieel nog steeds 71 % van de totale industriële werkzaamheid van de betrokken onderneming, de fabricage van thermische materialen 24 % en diverse activiteiten de overblijvende 5 %.
Gezien het bovenstaande beïnvloeden de steunmaatregelen via Technibra, waarvan de eerste de betrokken onderneming te Doornik zonder twijfel begunstigde, de handel tussen Lid-Staten ongunstig en vervalsen zij de mededinging op de gemeenschappelijke markt of dreigen zij deze te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.
Artikel 92, lid 1, houdt in dat steun die voldoet aan de criteria in dat artikel in beginsel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. De uitzonderingen in artikel 92, lid 2, zijn in de onderhavige zaak niet van toepassing gezien de aard van de bijstand die niet op de daarin genoemde doelstellingen is gericht.
Artikel 92, lid 3, geeft een opsomming van de steunmaatregelen die verenigbaar kunnen zijn met de gemeenschappelijke markt. De verenigbaarheid met het Verdrag moet worden gemeten naar de schaal van de Gemeenschap in haar geheel en niet naar die van een enkele Lid-Staat. Wil de gemeenschappelijke markt behoorlijk functioneren dan moeten de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, gezien het beginsel dat is neergelegd in artikel 3, onder f), van het Verdrag bij beoordeling van een steunregeling of een individuele steunmaatregel uit hoofde van een algemene regeling restrictief worden geïnterpreteerd.
Met name mogen die uitzonderingen alleen worden ingeroepen, wanneer de Commissie zich ervan kan vergewissen dat de krachten van vraag en aanbod op de markt alleen, zonder de steunmaatregel, niet zouden volstaan om de ontvangers tot gedragingen te bewegen die een van de doelstellingen van deze uitzonderingen zouden dienen.
Zou men de uitzonderingen toepassen zonder dat er zulk een compenserende factor aanwezig is of zonder dat de steun noodzakelijk zou zijn voor het bereiken van een van deze doelstellingen, dan zou men aan de industrieën van bepaalde Lid-Staten oneerlijk voordeel verschaffen door hun financiële positie te verbeteren en toestaan dat de omstandigheden waaronder het handelsverkeer tussen Lid-Staten plaatsvindt, ongunstig werden beïnvloed en de mededinging vervalst zonder rechtvaardiging uit hoofde van het communautair belang in de zin van artikel 92, lid 3.
De Belgische Regering heeft geen rechtvaardiging kunnen aanvoeren voor de conclusie dat de betrokken steun onder een van de categorieën uitzonderingen in artikel 92, lid 3, valt, noch heeft de Commissie zulk een rechtvaardiging kunnen ontwaren.
Aangaande de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, onder a) en c), ten behoeve van steun om de ontwikkeling van bepaalde streken te bevorderen, moet worden opgemerkt dat de steunregeling niet in aanmerking komt voor de uitzondering in artikel 92, lid 3, onder a), omdat de levensstandaard in België niet abnormaal laag is en er geen ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. België behoort tot de centrale gebieden van de Gemeenschap waar zich naar communautaire normen niet de ernstigste economische en sociale problemen voordoen en waar meer dan elders het gevaar bestaat van een onderling opbieden van steunmaatregelen en van een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten door steunverlening. Ook behelzen de statuten van de financieringsmaatschappij Technibra geen enkele beperking die zou kunnen waarborgen dat haar interventies de vereiste kenmerken in de zin van artikel 92, lid 3, onder c), ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën vertonen in zoverre daaraan niet de voorwaarde van een initiële investering of de schepping van arbeidsplaatsen is verbonden, welke in de bekendmaking van de Commissie uit 1979 inzake de cooerdinatiebeginselen voor regionale steunregelingen worden genoemd.
Ook vertoont de steunmaatregel niet de kenmerken van een »project van gemeenschappelijk Europees belang" of van een project »om een ernstige verstoring in de economie van België op te heffen", die haar in aanmerking zou doen komen voor toepassing van de uitzondering in artikel 92, lid 3, onder b).
Ten aanzien van de uitzondering in artikel 92, lid 3, onder c), ten behoeve van »steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken" moet worden opgemerkt dat de statuten van Technibra geen bepalingen bevatten op grond waarvan de Commissie zou kunnen concluderen dat haar financiële interventies ten gunste van de brouwerijmaterieelindustrie in België geen nadelige invloed op het handelsverkeer zouden hebben in een mate die in strijd zou zijn met het gemeenschappelijk belang, omdat alle ondernemingen in deze sector in de omstandigheid verkeren dat zij hun produktie en afzet aan de veranderende markt moeten aanpassen.
Bovendien doet de situatie in de ketel- en brouwerijmaterieelindustrie, en met name de overcapaciteit die in de Gemeenschap in die industrietak heerst, vermoeden dat een kunstmatig behoud van capaciteit via steunverlening strijdig is met het gemeenschappelijk belang. Dit is het geval met de deelneming van 50 miljoen Bfr. door de Waalse gewestelijke autoriteiten via de financieringsmaatschappij Technibra SA aan de onderneming te Doornik, omdat die deze onderneming op kunstmatige wijze in leven hield tot zij in januari 1986 failliet ging en die daarmee een reddingssteunmaatregel wordt.
Gezien het bovenstaande, voldoet de steunregeling ten gunste van de brouwerijmaterieelsector door de Belgische Regering via de oprichting van Technibra SA niet aan de voorwaarden voor toepassing van een van de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, van het Verdrag. Hoewel de onderneming te Doornik op 6 januari 1986 failliet werd verklaard, meent de Commissie dat inzake de betrokken steunmaatregelen een negatieve eindbeslissing dient te worden genomen. Deze beslissing voldoet met name aan het vereiste dat de steunregeling moet worden ingetrokken en dat de onrechtmatig verstrekte 50 miljoen Bfr. steun moet worden gerecupereerd en dat de rechten van concurrerende ondernemingen in zoverre zij als gevolg van de inbreuk op de bepalingen inzake staatssteun in het Verdrag verlies of nadeel hebben geleden, moeten worden beschermd,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De sectoriële steunregeling die is ingevoerd met behulp van de oprichting van de financieringsmaatschappij Technibra SA, wordt onverenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag en moet derhalve worden ingetrokken.
Artikel 2
De Belgische Regering moet de in 1984 onrechtmatig aan de onderneming te Doornik uitgekeerde 50 miljoen Bfr. terugvorderen overeenkomstig de mogelijkheden die haar in de staat van faillissement van de betrokken onderneming worden geboden.
Artikel 3
De Belgische Regering dient de Commissie binnen twee maanden na kennisgeving van deze beschikking in kennis te stellen van de maatregelen welke zij heeft genomen om aan de beschikking te voldoen.
Artikel 4
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België.
Gedaan te Brussel, 22 oktober 1986.
Voor de Commissie
Peter SUTHERLAND
Lid van de Commissie
(1) Intermills tegen Commissie, zaak 323/82, Jurispr. 1984, blz. 3809.
Top