Avis juridique important
87/62/EEG: Aanbeveling van de Commissie van 22 december 1986 betreffende het toezicht en de controle op grote risico's van kredietinstellingen
Publicatieblad Nr. L 033 van 04/02/1987 blz. 0010 - 0015
*****
AANBEVELING VAN DE COMMISSIE
van 22 december 1986
betreffende het toezicht en de controle op grote risico's van kredietinstellingen
(87/62/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 155,
Overwegende dat de goedkeuring van deze aanbeveling in overeenstemming is met de doelstellingen die uiteengezet zijn in het Witboek van de Commissie »Voltooiing van de interne markt" (1);
Overwegende dat het Raadgevend Comité, opgericht overeenkomstig artikel 11 van de Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (2), de Commissie heeft geholpen bij de voorbereiding van deze aanbeveling betreffende de harmonisatie van bepalingen voor grote risico's;
Overwegende dat het toezicht en de controle op de risico's van een kredietinstelling een integrerend deel van het bedrijfseconomisch toezicht vormt; dat een overmatige concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan leiden tot een onaanvaardbare mate van risicoconcentratie; dat een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit va*TTn*kredietinstelling;
Overwegende dat kredietinstellingen in een gemeenschappelijke markt voor het bankwezen direct met elkander concurreren, dat de voorschriften voor het bedrijfseconomische toezicht er overal in de Gemeenschap op gericht dienen te zijn het publiek meer vertrouwen te geven, het bankwezen te versterken en te beschermen en concurrentieverstoringen tegen te gaan door de door de Lid-Staten vastgestelde en toegepaste meldingsdrempels en risicogrenzen geleidelijk nader tot elkander te brengen;
Overwegende dat het stelsel voor toezicht en controle op grote risico's enerzijds de bevoegde autoriteiten de gegevens dient te bezorgen die nodig zijn om de risico's te beoordelen en diversifiëring te bevorderen, en anderzijds dient te voorzien in samenwerking bij de toepassing van het stelsel tussen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten alsook tussen deze autoriteiten en die van derde landen;
Overwegende dat gemeenschappelijke normen voor het toezicht en de controle op risico's van kredietinstellingen in eerste instantie zullen worden ingevoerd door middel van een aanbeveling; dat dit instrument is gekozen omdat het de mogelijkheid biedt bestaande stelsels geleidelijk aan te passen en nieuwe stelsels in te voeren zonder het bankwezen in de Gemeenschap te ontregelen; dat de omzetting van de bepaling van deze aanbeveling het aannemen, in de nabije toekomst, van een richtlijn betreffende toezicht en de controle op grote risico's zal vergemakkelijken en bespoedigen;
Overwegende dat de in deze aanbeveling vervatte normen van toepassing zouden zijn op alle erkende kredietinstellingen in de Gemeenschap; dat er in sommige Lid-Staten een specifieke wetgeving of specifieke administratieve voorschriften voor de bijzondere behoeften van gespecialiseerde kredietinstellingen bestaan; dat, indien voor dergelijke instellingen gelijkaardige of meer beperkende bepalingen gelden, de toepassing van bovengenoemde gemeenschappelijke normen kan worden uitgesteld totdat die gespecialiseerde instellingen binnen de werkingssfeer van deze aanbeveling zijn gebracht, op voorwaarde dat dit uitstel de instelling geen concurrentievoordeel oplevert;
Overwegende dat, in afwachting van de omzetting van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (1) en in afwachting van de harmonisatie van de bedrijfseconomische verslaggeving, de boekhoudingstechniek voor de berekening van een risico aan het oordeel van de Lid-Staat wordt overgelaten;
Overwegende dat een indicatieve lijst van de elementen waaruit een risico gevormd is, wordt gegeven in een appendix bij de tekst van de aanbeveling; dat in afwachting van verdere cooerdinatie de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid hebben bij de bepalingen van de absolute waarde van een element; dat van de Lid-Staten verwacht wordt dat zij alle nieuwe elementen opnemen die grosso modo van dezelfde aard zijn;
Overwegende dat de groep van verbonden cliënten gedefinieerd is, enerzijds volgens de voorschriften van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad (2), die nu van toepassing is voor banken en andere financiële instellingen overeenkomstig bovengenoemde Richtlijn 86/635/EEG van de Raad en anderzijds in termen van financiële of economische interdependentie;
Overwegende dat, aangezien de in deze aanbeveling voorgeschreven drempels en risicogrenzen en de voorgestelde weging een eerste fase in het harmonisatieproces vormen, de Lid-Staten strengere voorschriften mogen toepassen;
Overwegende dat de verslagleggingsperiode in de aanbeveling zodanig is vastgesteld dat een kredietinstelling ten minste eenmaal per jaar gegevens betreffende de risico's verstrekt, dat voorgesteld wordt dat de bevoegde autoriteiten een hogere verslaggevingsfrequentie nastreven overeenkomstig de normale voorzichtigheidsbeginselen,
DOET DE VOLGENDE AANBEVELING:
1. toezicht en controle uit te oefenen op de grote risico's van de kredietinstellingen, in overeenstemming met de bepalingen die in de bijlage zijn vervat;
2. binnen een termijn van 24 maanden, te rekenen vanaf de dag van notificering van deze aanbeveling, aan de Commissie de tekst mee te delen van de voornaamste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij vaststellen in toepassing van onderhavige aanbeveling en de Commissie in kennis te stellen van alle eventuele verdere wijzigingen op dit gebied.
Deze aanbeveling is gericht tot de Lid-Staten.
Gedaan te Brussel, 22 december 1986.
Voor de Commissie
COCKFIELD
Vice-Voorzitter
(1) Document COM(85) 310.
(2) PB nr. L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30.
(1) PB nr. L 372 van 31. 12. 1986, blz. 1.
(2) PB nr. L 193 van 18. 7. 1983, blz. 1.
BIJLAGE
TOEZICHT EN CONTROLE OP GROTE RISICO'S VAN KREDIETINSTELLINGEN
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze aanbeveling wordt:
- »kredietinstelling" gedefinieerd zoals in artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG van de Raad;
- »bevoegde autoriteiten" gedefinieerd zoals in artikel 1, vijfde streepje, van Richtlijn 83/350/EEG van de Raad (1);
- »overheden" gedefinieerd zoals in artikel 2, eerste streepje, van Richtlijn 80/723/EEG van de Commissie (2);
- »risico" gedefinieerd als alle al dan niet opgenomen kredietfaciliteiten die door een kredietinstelling, binnen of buiten de balanstelling, aan een cliënt of aan een groep verbonden cliënten zijn verleend, met inbegrip van alle verbintenissen en latente verplichtingen die door de respectieve bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van de identificeerbare risico's van de instelling relevant worden geacht; een indicatieve lijst van risico's is opgenomen in het appendix bij deze aanbeveling;
- »eigen vermogen" gedefinieerd overeenkomstig Doc. COM(86) 169 def. (3);
- »groep van verbonden cliënten" (4), gedefinieerd als twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die gezamenlijk risico's van dezelfde kredietinstelling en dochterondernemingen daarvan vertegenwoordigen, doch die onderling verbonden zijn omdat:
i) een van hen direct of indirect beschikt over feitelijke zeggenschap over de andere, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Richtlijn 83/349/EEG, of
ii) hun gecumuleerde risico's voor de kredietinstelling één enkel risico vormen doordat zij zozeer onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen heeft, de andere of allen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden zullen komen. Als voorbeeld van dergelijke onderlinge connecties dient de kredietinstelling het volgende in aanmerking te nemen:
- gemeenschappelijke eigendom;
- gemeenschappelijke directeuren;
- kruiselingse garanties;
- directe onderlinge afhankelijkheid op commercieel gebied, waarbij op korte termijn geen vervanging mogelijk is.
Indien dergelijke onderlinge connecties worden waargenomen, zou het een gezonde aanpak zijn dergelijke verplichtingen als één risico te beoordelen.
Artikel 2
Toepassingsgebied
1. Behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3 is deze aanbeveling van toepassing op kredietinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 1.
2. De Lid-Staten moeten onderhavige aanbevelingen niet toepassen op:
a) kredietinstellingen opgenomen in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 77/780/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 86/524/EEG (5),
b) instellingen van dezelfde Lid-Staat die, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 4, onder a), van Richtlijn 77/780/EEG, ondergeschikt zijn aan een centraal orgaan in die Lid-Staat. In dat geval, zonder vooruit te lopen op de toepassing van onderhavige aanbeveling op het centraal orgaan, moet het geheel - waarvan zowel het centraal orgaan als de ondergeschikte instellingen deel uitmaken - het voorwerp uitmaken van toezicht op geconsolideerde basis voor wat betreft grote risico's,
3. In afwachting van verdere cooerdinatie kunnen de Lid-Staten de gespecialiseerde kredietinstellingen welker bijzondere operaties vallen onder specifieke nationale wettelijke regels of bestuursrechtelijke bepalingen betreffende onder andere het toezicht en de controle op grote risico's, van de toepassing van deze aanbeveling vrijstellen. Deze kredietinstellingen zullen binnen zes maanden na kennisgeving van deze aanbeveling worden gemeld aan de Commissie.
Artikel 3
Verslaggeving over grote risico's
1. Elke kredietinstelling brengt ten minste eenmaal per jaar aan de bevoegde autoriteiten verslag uit over alle grote risico's, zoals bedoeld in lid 2, en andere risico's zoals voorzien in lid 3, indien deze van toepassing zijn.
2. Een risico van een kredietinstelling jegens een cliënt of jegens een groep verbonden cliënten wordt als groot beschouwd wanneer de waarde ervan de drempel van 15 % van het eigen vermogen heeft bereikt of overschreden.
3. Voor die Lid-Staten die niet over een risicocentrale beschikken en voor die Lid-Staten die daarover wel beschikken doch welker centrale niet voldoet aan de vereisten van lid 4, zulks ongeacht het al of niet bestaan van grote risico's in een kredietinstelling, eisen de bevoegde autoriteiten dat ten minste de tien risico's met de hoogste procentuele waarde in het in lid 1 bedoelde verslag worden opgenomen.
4. Verslagen die door een kredietinstelling worden ingediend bij een risicocentrale van een Lid-Staat, mogen worden geacht te voldoen aan de in dit artikel gestelde eisen, op voorwaarde dat:
i) de risicocentrale wordt beheerd of gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten of door een ander overheidslichaam dat verslag uitbrengt aan de bevoegde autoriteiten;
ii) de risico's worden geconsolideerd door de kredietinstelling, de risicocentrale of de bevoegde autoriteiten;
iii) de bij de risicocentrale ingediende gegevens grosso modo zullen overeenkomen met de in artikel 1, vierde streepje, opgenomen definitie van het begrip risico.
Artikel 4
Aan grote risico's gestelde beperkingen
1. Het door een kredietinstelling jegens een cliënt of jegens een groep verbonden cliënten aangegane risico mag niet meer dan 40 % van het eigen vermogen bedragen.
2. Een kredietinstelling mag geen grote risico's aangaan waarvan de totale waarde meer dan 800 % van het eigen vermogen bedraagt.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde grenzen mogen alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden overschreden en in dergelijke gevallen eisen de bevoegde autoriteiten dat de kredietinstelling of wel het eigen vermogen verhoogt, of wel andere de situatie herstellende maatregelen neemt.
4. De volgende cliënten of groepen verbonden cliënten kunnen door de bevoegde autoriteiten geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing van de leden 1 en 2:
i) de »overheden":
a) elk van Lid-Staten,
b) de landen die voorkomen op de door het IMF voor statistische doeleinden opgestelde lijst van industrielanden;
ii) de instellingen van de Europese Gemeenschappen en internationale publiekrechtelijke lichamen waarvan de Lid-Staat in kwestie lid is.
5. De bevoegde autoriteiten kunnen voor de hiernagenoemde risico's volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de toepassing van de leden 1 en 2 verlenen:
a) risico's gedekt door een uitdrukkelijke onherroepelijke garantie of toezegging van de in lid 4 genoemde organisaties;
b) risico's gedekt door kasdeposito's of genoteerde effecten, mits de waarde van laatstbedoelde effecten op voorzichtige wijze wordt berekend.
6. De bevoegde autoriteiten kunnen vrijstelling van de toepassing van deze aanbeveling verlenen voor risico's tussen banken met een looptijd van zes maanden of minder. Ondanks de begrenzingen die voorzien zijn in de leden 1 en 2, kunnen de bevoegde autoriteiten overwegen hogere grenzen voor te schrijven, of een alternatieve weging voor de overige risico's tussen banken alsmede voor risico's gedekt door een garantie van een kredietinstelling.
Artikel 5
Derde landen
1. De autoriteiten die bevoegd zijn ten opzichte van een bijkantoor of dochteronderneming met hoofdkantoor of moederonderneming in een derde land, kunnen voorschrijven dat van de risico's van het bijkantoor of de dochteronderneming verslag wordt uitgebracht met het oog op toezicht en controle ter zake. De toepassing van dit lid kan worden geregeld door bilaterale overeenkomsten tussen de betrokken bevoegde autoriteiten met het oog op de bevordering van het principe van »thuislandcontrole".
2. De Lid-Staten passen op een bijkantoor of dochteronderneming met hoofdkantoor of moederonderneming in een derde land geen voorschriften toe die dit bijkantoor of deze dochteronderneming in een positie zouden brengen die gunstiger is dan die van bijkantoor of dochteronderneming van een kredietinstelling met hoofdkantoor of moederonderneming binnen de Gemeenschap.
3. De toepassing van deze aanbeveling op kredietinstellingen waarvan de moederinstelling is gevestigd in een derde land alsmede op in een derde land gelegen kredietinstellingen waarvan de moederinstelling in de Gemeenschap is gevestigd, kan op grondslag van wederkerigheid worden geregeld door bilaterale overeenkomsten tussen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten en het betrokken derde land. Dergelijke overeenkomsten hebben ten doel te waarborgen dat enerzijds de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten de inlichtingen kunnen verkrijgen die nodig zijn om het toezicht op een binnen de Gemeenschap gevestigde kredietinstelling met deelnemingen in een kredietinstelling of een financiële instelling buiten de Gemeenschap op geconsolideerde basis uit te oefenen en dat anderzijds de bevoegde autoriteiten van een derde land de inlichtingen kunnen verkrijgen die zij nodig hebben om het toezicht uit te oefenen op moederinstellingen die in hun land zijn gevestigd en die deelnemingen bezitten in kredietinstellingen gelegen in een of meer Lid-Staten. 4. Alvorens besprekingen aan te vangen betreffende overeenkomsten met derde landen, moeten de Lid-Staten de Commissie verwittigen en het Raadgevend Comité dat opgericht werd bij artikel 11 van Richtlijn 77/780/EEG. De Commissie zal de algemene beleidsobjectieven cooerdineren die in dergelijke onderhandelingen nagestreefd worden, in welk geval zij het Raadgevend Comité kan bijeenroepen.
Artikel 6
Consolidatie
1. Het toezicht op en de controle van de risico's van een kredietinstelling die een deelneming, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 83/350/EEG, in een andere kredietinstelling of financiële instelling heeft, geschiedt op geconsolideerde basis in de mate en op de wijze zoals door de Lid-Staat is voorgeschreven bij de toepassing van Richtlijn 83/350/EEG.
2. Naast het bepaalde in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat ook op een gedeeltelijk geconsolideerde of niet-geconsolideerde basis toezicht en controle uitoefenen op de risico's van afzonderlijke kredietinstellingen.
Artikel 7
Maatregelen om de toepassing van geconsolideerd toezicht mogelijk te maken
1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat er geen wettelijke belemmeringen bestaan die een kredietinstelling of financiële instelling beletten om een kredietinstelling die in haar een deelneming bezit, de inlichtingen te verstrekken die voor het uitoefenen van toezicht en controle op grote risico's in overeenstemming met deze aanbeveling nodig zijn.
2. De Lid-Staten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de inlichtingen uitwisselen die nodig zijn om het toezicht en de controle op grote risico's in overeenstemming met deze aanbeveling uit te voeren, met dien verstande dat voor zover het financiële instellingen betreft, het verzamelen of bezitten van inlichtingen geenszins een toezichthoudende functie van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van dergelijke financiële instellingen inhoudt.
3. Op alle in deze aanbeveling voorziene uitwisselingen van inlichtingen tussen de bevoegde autoriteiten zijn de in artikel 12 van Richtlijn 77/780/EEG bedoelde verplichtingen van het beroepsgeheim van toepassing; dergelijke inlichtingen worden uitsluitend gebruikt ten behoeve van het toezicht en de controle op de solvabiliteit van de betrokken kredietinstelling.
4. Indien de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de toepassing van deze aanbeveling op een kredietinstelling in bepaalde gevallen inlichtingen betreffende een in een andere Lid-Staat gelegen kredietinstelling of financiële instelling wensen te verifiëren, moeten zij de bevoegde autoriteiten van die andere Lid-Staten verzoeken om toepassing van deze verificatie. De autoriteiten die het verzoek hebben ontvangen, moeten hieraan binnen het kader van hun bevoegdheden gevolg geven, hetzij door de verificatie zelf te verrichten, hetzij door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, hetzij door toe te staan dat de verificatie wordt verricht door een registeraccountant of deskundige.
Artikel 8
Overgangsmaatregelen voor kredieten die de maximumgrens overschrijden
1. Wanneer een kredietinstelling op het tijdstip van inwerkingtreding van de ter uitvoering van deze aanbeveling genomen maatregelen reeds een risico of risico's heeft aangegaan die hetzij de grens voor afzonderlijke grote risico's, hetzij de grens voor het totale grote risico, zoals vastgesteld in artikel 4, overschrijden, nemen de bevoegde autoriteiten stappen om het risico of de risico's van de kredietinstellingen in kwestie aan te passen overeenkomstig de bepalingen van deze aanbeveling.
2. Het schema van aanpassing van het risico of de risico's dient te worden opgesteld, goedgekeurd, uitgevoerd en voltooid binnen een termijn die door de bevoegde autoriteiten bedrijfseconomisch aanvaardbaar en uit mededingingsoogpunt redelijk wordt geacht. Het tijdschema voor het goedgekeurde algemene uitvoeringsproces wordt de Commissie door de bevoegde autoriteiten medegedeeld.
(1) PB nr. L 193 van 18. 7. 1983, blz. 18.
(2) PB nr. L 195 van 29. 7. 1980, blz. 35.
(3) PB nr. C 243 van 27. 9. 1986, blz. 4.
(4) Hoewel het in het kader van de risico-evaluatie bijzonder moeilijk is een ondubbelzinnige, beknopte en juridisch waterdichte definitie te geven van wat een groep van verbonden cliënten is, is het, voor het beheer van een kredietinstelling niettemin absoluut noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van financiële, juridische of economische onderlinge afhankelijkheid tussen een aantal van haar cliënten.
(5) PB nr. L 309 van 4. 11. 1986, blz. 15.
Appendix
OMSCHRIJVING VAN DE TERM »RISICO"
Bijkomende informatie
De hieronder genoemde posten vormen een indicatieve lijst van de bestanddelen die door een Lid-Staat eventueel in de term »risico" mogen worden begrepen. In afwachting van verdere cooerdinatie, hebben de Lid-Staten de directionaire bevoegdheid de bestanddelen van onderhavige lijst te voorzien van een wegingscoëfficiënt; de Commissie raadt echter aan de elementen van de secties A en B i) van een coëfficiënt van 100 % te voorzien. Aangezien het om een indicatieve lijst gaat, die bijgevolg niet als exhaustief mag worden beschouwd, verwacht de Commissie van de Lid-Staten dat zij onder de term »risico" ieder element verstaan dat grosso modo een gelijkaardig karakter heeft.
A. Posten binnen de balanstelling:
- leningen en voorschotten, met inbegrip van overdisposities,
- wissels en promessen,
- huren en pachten,
- aandelen en andere effecten,
- obligatieleningen,
- CD's;
B. Posten buiten de balanstelling:
i) Garanties en soortgelijke latente passiva:
- accepten,
- endossementen van wissels niet op naam van andere kredietinstellingen,
- garanties in de vorm van kredietvervangingen,
- versnelde en bevestigde documentaire kredieten,
- transacties met beroep,
- garanties en schadeloosstellingen, met inbegrip van »tender" (bod) en »performance" (prestatie) obligaties alsmede douane- en belastingobligaties,
- niet-herroepbare »stand by" kredietbrieven;
ii) Verplichtingen:
- overeenkomsten betreffende aankoop en terugverkoop van activa,
- activa aangekocht onder rechtstreekse voorwaarden van koopovereenkomsten op termijn,
- onbetaald deel van niet-volgestorte aandelen en effecten,
- »stand by" faciliteiten zoals niet-herroepbare roulerende kredieten,
- verzekeringen inclusief faciliteiten voor uitgiften van »notes" en roulerende verzekeringsfaciliteiten,
- niet-herroepbare niet-opgenomen faciliteiten inzake overdisposities, verplichtingen tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten of het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten.
Top