3112.80 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 358/31
II
(Voorbereidende besluiten)
REKENKAMER
ADVIES
van de Rekenkamer der Europese Gemeenschappen over het voorstel voor een verordening
van de Raad tot instelling van een heffing op door schepen van de Gemeenschap in de
Oostzee gevangen zalm
DE REKENKAMER VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, inzonderheid op arti-
kel 209,
Gelet op het besluit van de Raad van 27 oktober
1980 om de Rekenkamer der Europese Gemeen-
schappen te raadplegen over het voorstel voor een
verordening van de Raad tot instelling van een hef-
fing op door schepen van de Gemeenschap in de
Oostzee gevangen zalm,
Overwegende dat het bij het opleggen van een hef-
fing noodzakelijk is een juridisch instrument in het
leven te roepen waarin de aard van de heffing, het
feit waarvoor zij geldt, het mechanisme voor de in-
ning ervan en de verplichtingen welke rusten op de-
gene aan wie de heffing wordt opgelegd, op ondub-
belzinnige wijze worden beschreven; dat het
derhalve gewenst is te zorgen voor grotere nauwkeu-
righeid in het voorstel voor een verordening, ten
einde juridische geschillen te vermijden en gelijke
behandeling van degenen aan wie de heffing wordt
opgelegd, te verzekeren;
Overwegende dat overeenkomstig artikel 3, lid 1,
van het Financieel Reglement van 21 december
1977 (*) de gezamenlijke ontvangsten dienen ter
dekking van de gezamenlijke uitgaven; dat derhalve
toewijzing van ontvangsten voor bepaalde doelein-
den niet mogelijk is;
Overwegende dat ontvangsten die de Gemeenschap
toekomen, onverwijld moeten worden geïnd en aan
de Commissie moeten worden overgemaakt;
Overwegende dat het artikel in de begroting, waarop
de ontvangsten moeten worden gecrediteerd, zoda-
nig behoort te zijn ingericht dat de opbrengst van de
belasting duidelijk kan worden onderscheiden van
andere ontvangsten van de Gemeenschap,
HEEFT HET VOLGENDE ADVIES AANGENOMEN:
De Rekenkamer
Betreffende het mechanisme van de heffing
— stelt voor om in artikel 1, lid 1, van bovenbe-
doeld voorstel voor een verordening het begrip
„schepen uit de Gemeenschap" nader te om-
schrijven, zoals dit wordt gedaan in artikel 1 van
Verordening (EEG) nr. 753/80 van 26 maart
1980, waarin nauwkeurige voorschriften zijn ver-
vat voor het registreren en melden van gegevens
betreffende vangsten door vissersvaartuigen van
deLid-Staten(2);
— is van mening dat de verordening een duidelijke
verplichting tot betaling van de heffing moet op-
leggen en dat te dien einde artikel 1, lid 2, van
het verordeningsvoorstel dient te worden aange-
vuld met een definitie van degenen voor wie de
heffing geldt; stelt tevens voor dat, om de nako-
ming van deze verplichting te verzekeren, de ver-
ordening de Lid-Staten voorschrijft dat zij ge-
paste maatregelen nemen om te voorzien in ge-
vallen van niet-betaling van de heffing;
— wijst erop dat het tijdstip van de aangifte be-
doeld in artikel 1, lid 3, van het verordenings-
voorstel niet nauwkeurig is gedefinieerd in Veror-
dening (EEG) nr. 753/80 en dat de toepassing
van artikel 4 van bedoelde verordening zou kun-
nen leiden tot verwarring in die gevallen waarin
de aangifte geschiedt door een schip dat zich nog
op zee bevindt; stelt derhalve voor dat nauwkeu-
(») PB nr. L 356 van 31. 12. 1977. (2) PB nr. L 84 van 28. 3. 1980.
Nr. C 358/32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 31. 12.80
riger voorschriften worden geformuleerd, die een
scherpere definitie in die gevallen mogelijk ma-
ken;
— is van oordeel dat in artikel 1, lid 4, van het ver-
ordeningsvoorstel de aard van de heffing (uitge-
drukt in Ecu per kg) nader behoort te worden
omschreven en regels moeten worden gegeven
voor de omrekening van het in Ecu uitgedrukte
bedrag in nationale valuta's;
— stelt voor dat bijzondere voorschriften worden
opgenomen ter vaststelling van het heffingsper-
centage voor 1981, aangezien de tijdslimiet van
1 november 1980 nu niet meer haalbaar is;
Boeking van ontvangsten
— is van mening dat de opbrengst van de voorge-
stelde heffing voor het volle bedrag in de alge-
mene begroting van de Gemeenschap moet wor-
den opgenomen en dat de term „compensatie" in
de laatste zin van de considerans niet duidelijk is
en kan worden verstaan als het reserveren van
ontvangsten voor een bepaald doel, hetgeen in
strijd is met artikel 3, lid 1, van het Financieel
Reglement van 21 december 1977; stelt voor dit
bezwaar te ondervangen door het laatste deel van
de desbetreffende zin vanaf „strekkende . . . " tot
het einde te schrappen;
— vreest dat het gebruik van het woord „constitu-
tes" in de Engelse versie van artikel 1, lid 5, van
het verordeningsvoorstel het reserveren van ont-
vangsten impliceert, en stelt voor in plaats daar-
van de woorden „is equal to" te gebruiken;
Overmaking van de ontvangsten aan de Commissie
— is van mening dat er geen reden is waarom de
Lid-Staten zouden beschikken over de opbrengst
van de heffing gedurende de in lid 6 genoemde
periode; stelt derhalve voor „60 dagen" in arti-
kel 1, lid 6, te vervangen door de kortst mogelijke
periode die verenigbaar is met de in de Lid-Sta-
ten geldende voorschriften inzake de financiële
administratie;
Opneming in de begroting
— is van oordeel dat artikel 999 van de begroting
niet geschikt is voor het boeken van de opbrengst
van deze heffing, daar onder dit artikel diverse
ontvangsten uit anderen hoofde zijn opgenomen,
en stelt voor om onder titel 9 speciaal voor deze
heffing een nieuw begrotingsonderdeel te
creëren.
Dit advies is door de Rekenkamer aangenomen tij-
dens haar zitting van 18 december 1980.
Gedaan te Luxemburg, 22 december 1980.
Voor de Rekenkamer
De President
Michael N. MURPHY
Full & Egal Universal Law Academy