16. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 68/5
Advies inzake het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het verlenen van
financiële bijstand aan vervoersinfrastructuurprojecten (x)
(87/C 68/05)
De Raad heeft tijdens zijn zitting d.d. 10 en 11 november 1986 akte genomen van het voornemen van
de Commissie om een voorstel voor een verordening van de Raad in te dienen, ten einde vóór eind
1986 een bestemming te geven aan de nog op de begroting voor 1985 (hoofdstuk 58 — artikel 581)
resterende kredieten. Bij die gelegenheid heeft de Raad besloten, het Economisch en Sociaal Comité te
raadplegen over bovengenoemde voorstel.
Bij de raadpleging van het Comité, die plaatsvond middels een van 18 november 1986 daterend
schrijven, waren versies in drie talen (Duits, Engels en Frans) van het voorstel in kwestie gevoegd.
Aangezien de Raad tijdens zijn eerstvolgende zitting „Vervoersvraagstukken" op 15 en 16 december
a.s. over dit voorstel een besluit dient te nemen, wordt in de adviesaanvrage gezegd dat de Raad het
met het oog hierop op prijs zou stellen als het Economisch en Sociaal Comité zijn advies tijdens zijn
november-zitting zou uitbrengen.
De door de voorzitter van het Comité op 19 november 1986 met de voorbereiding van de
werkzaamheden dienaangaande belaste Afdeling voor vervoer en communicatie (artikelen 22, 46 en
47 van het Reglement van Orde) heeft tijdens haar vergadering van 19 november 1986 een uit de heer
Rouzier, rapporteur, en de heren Haas en Masprone, co-rapporteurs, bestaande redactiegroep
ingesteld.
Het voorstel van de Commissie is gebaseerd op de artikelen 75 en 84 van het Verdrag tot oprichting
van de Europese Economische Gemeenschap; krachtens artikel 75 van dit Verdrag is de raadpleging
van het Comité verplicht.
De Afdeling voor vervoer en communicatie heeft haar advies tijdens haar 174e vergadering d.d.
10 december 1986 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Rouzier.
Het Comité heeft tijdens zijn 242e zitting (vergadering van 16 december 1986) het volgende advies
uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd:
0. Opmerkingen vooraf
0.1. Om te beginnen beaamt het Comité dat de Raad hem
een termijn kan stellen voor het uitbrengen van een advies;
krachtens de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag mag
deze termijn niet minder dan 10 dagen zijn. Aangezien de
voorzitter van het Comité de adviesaanvrage op 19 november
1986 heeft ontvangen, kon dit advies bijgevolg niet tijdens de
zitting van 26 en 27 november 1986 worden uitgebracht.
0.2. Voorts zij opgemerkt dat de vereiste documenten
niet tijdig en niet in alle talen ter beschikking van het Comité
zijn gesteld. Het Comité protesteerd hiertegen bij de Raad, te
meer daar dit niet de eerste keer is.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Uit het perscommuniqué van de op 10 en 11
november 1986 gehouden zitting van de Raad blijkt dat de
Raad het „Voorstel voor een verordening van de Raad
betreffende de toekenning van financiële bijstand in het kader
van een vervoersinfrastructuurprogramma op middellange
termijn" van 27 juni 1986 heeft behandeld. Aan het slot van
het debat heeft de Raad het Comité van Permanente
Vertegenwoordigers opdracht gegeven om aan de hand van
het advies van het Europees Parlement en dat van het
Economisch en Sociaal Comité voort te gaan met de
behandeling van dit voorstel voor een verordening, met name
van de methode voor communautaire steun van projecten die
aan bepaalde criteria voldoen.
1.2. Het Comité heeft in zijn van 18 september 1986 (2)
daterend advies inzake deze materie, evenals in verscheidene
voorgaande adviezen, „gepleit voor een samenhangend
EG-beleid op basis van duidelijk vastgelegde doelstellingen
en criteria". In zijn advies van 25 september 1985 (3) heeft het
Comité benadrukt dat met de uitbreiding en /of verbetering
van de verkeersinfrastructuur in de Europese Gemeenschap
de verwezenlijking van drie doelstellingen wordt beoogd,
nl.:
— „vermindering van de kosten van het vervoer voor
economie, samenleving en milieu en daardoor ook
verbetering van de produktiviteit van de vervoeronderne-
mingen;
— behoud en verbetering van het concurrentievermogen van
de bedrijven uit de Lid-Staten op de wereldmarkt d.m.v.
een internationaal hoge-snelheids- en communicatie-
net;
(») PB nr. C 323 van 16. 12. 1986, blz. 4.
(2) Doe. CES 767/86, blz. 2, par. 1.5.
(3) PB nr. C 303 van 25. 11. 1985.
Nr. C 68/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 16. 3. 87
— verbetering van de levensomstandigheden in de minder-
ontwikkelde regio's van de Gemeenschap tot het niveau
van de verontwikkelde regio's" (*).
1.3. Het Comité heeft in bovengenoemd advies van
18 september 1986 echter ook betreurd dat er bij de Raad
onvoldoende politieke wil aanwezig is om een samenhangend
EG-beleid op langere termijn vast te leggen, waarbij het niet
langer nodig is om voor ieder project afzonderlijk en ieder
jaar opnieuw te onderhandelen en waarbij de gelden niet over
een te groot aantal projecten worden versnipperd.
1.4. Helaas moet het Comité constateren dat zijn vrees in
tweeërlei opzicht gegrond was: de Raad heeft namelijk geen
overeenstemming kunnen bereiken over het van juni 1986
daterende voorstel van de Commissie betreffende een ver-
voersinfrastructuurbeleid op middellange termijn; de Com-
missie stelt thans voor, de op de begroting voor 1985
beschikbare 90 miljoen Ecu te verdelen over een 15-tal
projecten die met uitzondering van Luxemburg alle Lid-
Staten betreffen.
1.5. Het Comité herinnert er in dit verband aan dat sedert
1982 onder post 581 van de Gemeenschapsbegroting in
totaal een bedrag van 260 miljoen Ecu beschikbaar is gesteld,
nl. 10 miljoen Ecu in 1982, 15 miljoen Ecu in 1983, 80
miljoen Ecu in 1984, 90 miljoen Ecu in 1985 en
65 miljoen Ecu in 1986.
1.6. De voor de jaren 1982 t /m 1984 beschikbare
begrotingsmiddelen — in totaal 105 miljoen Ecu — zijn
uitgegeven. De op de begroting voor 1985 opgenomen 90
miljoen Ecu betekenen een stijging van de uitgaven met
85,7 %. Weliswaar kan het Economisch en Sociaal Comité
er niets aan doen dat de beschikbare kredieten in het
algemeen ontoereikend zijn en worden de zaken van meet af
aan hierdoor bemoeilijkt, doch het beklemtoont eens te meer
dat de op de begroting vermelde kredieten voor hun oor-
spronkelijke bestemming dienen te worden gebruikt.
1.7. Daarom stemt het Comité in met het voorstel van de
Commissie, dat een absoluut noodzakelijk rechtsinstrument
(!) PB nr. C 303 van 25. 11. 1985, blz. 9.
Gedaan te Brussel, 16 december 1986.
is om de op de begroting beschikbare middelen voor die
doeleinden te kunnen gebruiken.
1.8. Het Comité dringt er bij de Raad met klem op aan,
ervoor te zorgen dat de Lid-Staten, wanneer uit EG-middelen
financiële bijstand wordt verleend, niet de middelen die zij
oorspronkelijk zelf hadden uitgetrokken, verlagen.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Zonder te willen treden in de details van de door de
Commissie met behulp van het Comité voor infrastructuur
geselecteerde projecten, constateert het Comité tot zijn
voldoening dat de Commissie gepoogd heeft, de kredieten
gelijkelijk over de sectoren „weg" {55 %) en „rail" (45 %) te
verdelen.
2.2. Tevens constateert het Comité dat de Commissie de
kredieten op bevredigende wijze over 4 categorieën projecten
heeft verdeeld, nl.:
2.2.1. Werken gericht op een betere integratie van regio's
die geografisch aan de periferie van de Gemeenschap liggen:
4 0 % .
2.2.2. Tansitowegen: 34 %.
2.2.3. Werken aan noodzakelijke verbindingsroutes:
2 4 % .
2.2.4. Andere projecten: 2 %.
2.3. Volgens het Comité is deze verdeling over het geheel
genomen een compromis, dat de Raad zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval vóór eind 1986 dient goed te keuren; voorts
dringt het Comité er bij de Raad met klem op aan dat deze
overeenkomstig zijn op 10/11 november 1986 genomen
besluit begin 1987 overgaat tot goedkeuring van de veror-
dening betreffende een vervoersinfrastructuurprogramma op
middellange termijn, ten einde op het gebied van de ver-
voersinfrastructuur een concept te kunnen verwezenlijken
dat verder reikt dan één begrotingsjaar.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
A. MARGOT
Full & Egal Universal Law Academy