29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/7
Het mededingingsbeleid van de Gemeenschap zal het uitdaging van onze tijd betekenen, hierin worden verdis-
pleit winnen voor zover deze beide factoren, die „de" conteerd.
Gedaan te Brussel, 23 oktober 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/143/
EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de
technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (*)
(86/C 333/02)
De Raad heeft op 20 mei 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 75 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor vervoer- en communicatiewezen, die met de voorbereiding van de desbetref-
fende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 september 1986 goedgekeurd.
Rapporteur was de heer Corell Ayora, die mondeling verslag heeft uitgebracht.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 240e zitting (vergadering van 23 oktober
1986) (algemeen rapporteur: de heer Corell Ayora — artikel 18 van het Reglement van Orde)
het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Het Comité gaat akkoord met de doelstellingen
van het richtlijnvoorstel, dat in de eerste plaats tot doel
heeft de veiligheid in het wegverkeer te vergroten, maar
ook zou kunnen bijdragen tot
— bescherming van het milieu door middel van een
beperking van het lawaai en vermindering van uit-
laatgassen (vermindering van de emissies van kool-
monoxiden, koolwaterstoffen en stikstofoxiden);
— brandstofbesparing, creëren van nieuwe arbeids-
plaatsen, grotere beschikbaarheid van de voertuigen
alsmede betere voorlichting van de eigenaars en
fabrikanten van voertuigen.
1.2. Aangezien onderhavig voorstel een op onderlin-
ge aanpassing van de wettelijke voorschriften gerichte
maatregel is, zal voorts hiermee worden bijgedragen tot
opheffing van de onderlinge verschillen tussen de Lid-
Staten en nadien tot uniformering van de in de Gemeen-
schap geldende regels in een zo cruciale sector als de
verkeersveiligheid.
1.3. In dit verband zij erop gewezen dat de achter-
stand en lacunes op het gebied van de technische keuring
van voertuigen in een aantal Lid-Staten aanzienlijk zijn,
hetgeen buitengewoon ernstige consequenties voor de
verkeersveiligheid met zich brengt. Deze situatie is nog
verslechterd door de zeer aanzienlijke toeneming van
het aantal wegvoertuigen tijdens de jongste jaren. Het
Comité betreurt in dit verband dat de Instellingen van
de Gemeenschap, en in de eerste plaats de Raad, waar
het de invoering van communautaire wettelijke voor-
schriften met betrekking tot de technische keuring van
voertuigen beneden 3,5 ton betreft, zo lang niets hebben
ondernomen.
1.4. Men dient echter wel te beseffen dat uitbreiding
van de technische keuring tot personenauto's en be-
drijfsvoertuigen beneden 3,5 ton slechts één van de
aspecten van de verkeersveiligheid is. Pas als ook op zo
kort mogelijke termijn maatregelen op andere gebieden
zijn genomen — zoals het Comité reeds in zijn advies
over het Europees Jaar voor de Verkeersveiligheid
(1986) (2) heeft bepleit — zal de verkeersveiligheid aan-
merkelijk kunnen worden verbeterd. Er wordt dan ook
met smart naar de voorstellen van de Commissie uitge-
zien.
(!) PB nr. C 133 van 31. 5. 1986, blz. 3. (2) PB nr. C 101 van 28. 4. 1986, blz. 8.
Nr. C 333/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
1.5. Het Comité herinnert er tevens aan dat het zich
in het verleden meermaals op het standpunt heeft ge-
steld dat er een verplichte autokeuring moet komen
voor voertuigen die deelnemen aan het verkeer in de
Lid-Staten; dit is met name het geval geweest in zijn
adviezen betreffende: invoering van een technische con-
trole op vrachtwagens en een aantal andere categorieën
wegvoertuigen; de richtlijnen betreffende het loodgehal-
te in benzine en de uitworp van motorvoertuigen alsme-
de in het advies over het Europees Jaar voor de Ver-
keersveiligheid (1).
1.6. Hoewel het Comité in beginsel met dit voorstel
van de Commissie instemt, is het van oordeel dat de
tenuitvoerlegging van dit voorstel een aantal problemen
met zich brengt en het voorstel zelf op een aantal punten
dient te worden verbeterd. Het Comité merkt in dit
verband het volgende op.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Het Comité leidt uit de toelichting op het Com-
missievoorstel af dat de Commissie over voldoende
gegevens beschikte om een uitbreiding van het toe-
passingsgebied van Richtlijn 77/143/EEG tot de be-
trokken categorieën voertuigen (zie paragraaf 1.4) te
rechtvaardigen. Om de strekking van alle aspecten van
het voorstel beter te kunnen beoordelen, had het Comité
echter gaarne over uitvoerige gegevens op de volgende
gebieden beschikt:
— de thans in de Lid-Staten van kracht zijnde techni-
sche keuring van personenauto's en bedrijfsvoertui-
gen beneden 3,5 ton (b.v. wijze en omvang van de
keuring; voor- en nadelen);
— de specifieke situatie in elke Lid-Staat, b.v. aantal
toegelaten voertuigen, opbouw van het voer-
tuigenpark naar categorie en leeftijdsklasse; aantal
keuringscentra en verkrijgbaarheid van onderdelen;
— de wijze waarop Richtlijn 77/143/EEG tot dusver
in de Lid-Staten ten uitvoer is gelegd, d.w.z. of
en in hoeverre deze richtlijn is toegepast en welke
resultaten dit heeft opgeleverd.
In dit verband zou het Comité graag zien dat de Com-
missie met deze aspecten rekening houdt bij de studies
en onderzoekwerkzaamheden die zij voornemens is te
stimuleren op het gebied van de verkeersveiligheid, o.m.
het creëren van een EG-databank voor de verkeers-
veiligheid, waarvan alle Lid-Staten gebruik zouden kun-
nen maken. Overigens meent het Comité dat het nuttig
zou zijn, te kunnen beschikken over betrouwbare en
gestaafde gegevens over kosten en voordelen die aan
de tenuitvoerlegging van de voorgestelde maatregelen
verbonden zijn. (De na invoering van de keuring van
personenauto's in bepaalde landen opgedane ervaring
blijkt in dit verband van zeer groot nut te zijn.) Aan de
(') PB nr. C 60 van 26. 7. 1973, blz. 1, PB nr. C 25 van 28. 1.
1985, blz. 46 en PB nr. C 101 van 28. 4. 1986, blz. 8.
hand van een vergelijking van de uit de toepassing van
deze maatregelen voortvloeiende kosten en voordelen
valt te bepalen of deze maatregelen adequaat zijn ge-
weest. Op het vlak van de kosten moet onderscheid
worden gemaakt tussen, enerzijds, de directe kosten die
gemoeid zijn met aanleg en instandhouding van de
keuringscentra en de kosten die verband houden met
het toezicht op de tenuitvoerlegging van de maatregelen
en, anderzijds, de indirecte kosten die de keuring voor
de eigenaar van het voertuig met zich brengt.
2.2. Uit het voorgaande mag echter niet worden afge-
leid dat vermindering van het aantal doden en gewon-
den in het wegverkeer een „bespreekbare" maat-
schappelijke doelstelling zou zijn.
2.3. Het Comité betreurt dat motorrijwielen niet
onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en
dat hierin geen bijzondere voorschriften voor andere
categorieën voertuigen zijn opgenomen (zie tevens para-
graaf 2.7). Voorts vraagt het zich af hoe ervoor gezorgd
kan worden dat landbouwwerktuigen en -trekkers geen
gevaar voor de verkeersveiligheid opleveren. Dit mag
volgens het Comité een snelle vaststelling van deze
richtlijn door de Raad echter niet in de weg staan.
2.4. Grosso modo is de lijst van bij de autokeuring
te controleren punten (bijlage III) toereikend en billijk.
Dit sluit vanzelfsprekend niet uit dat een herkeuring
moet plaatsvinden en dat een aantal punten (b.v. slijtage
bij oude voertuigen, stuurinrichting van het voertuig)
moet worden gepreciseerd. Tevens wijst het Comité
erop dat deze lijst van te keuren punten op gezette tijden
dient te worden herzien in verband met wijzigingen die
worden aangebracht in de constructie en uitrusting van
voertuigen (b.v. toepassing van de micro-elektronika
tijdens de jongste jaren).
2.5. Voorts is het van wezenlijk belang dat het me-
rendeel van de keuringen volgens objectieve criteria
plaatsvindt. Subjectieve keuringen (b.v. beoordeling van
de slijtage aan ophanging/stuurinrichting), die uiteraard
aanleiding kunnen geven tot verschillen van mening,
dienen zoveel mogelijk te worden beperkt.
2.6. Met betrekking tot de omvang, de wijze en het
periodieke karakter van de keuringen dient te worden
nagegaan of het wellicht noodzakelijk is, onderscheid
te maken tussen punten die betrekking hebben op de
mechanische staat van de voertuigen en die bijgevolg
rechtstreeks verband houden met de verkeersveiligheid,
en punten die betrekking hebben op het milieu. Dit
wordt in de Gemeenschap reeds gedaan.
2.7. Voorts zou het Comité graag zien dat voor de
volgende gevallen een specifieke technische controle
wordt overwogen:
— particuliere voertuigen, voertuigen voor beroeps-
doeleinden en huurauto's (met een frequentere keu-
ring in de laatste twee gevallen);
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/9
— voertuigen zonder typegoedkeuring voordat zij wor-
den ingeschreven, voertuigen die een periodieke keu-
ring moeten ondergaan en voertuigen die aan een
speciale keuring moeten worden onderworpen door-
dat het eigendom van het voertuig in andere handen
overgaat of na een ongeval.
2.8. Het Comité meent voorts dat tenuitvoerlegging
van deze richtlijn door de Lid-Staten op zichzelf niet
voldoende is: waar het tevens op aankomt is dat deze
richtlijn op identieke wijze wordt toegepast. Dit is
vooral van belang waar het de omvang van de keuring
betreft. Een voertuig dat in een Lid-Staat al dan niet
door de technische keuring is gekomen, dient in alle
overige Lid-Staten op dezelfde wijze te worden behan-
deld.
2.9. Volgens het Comité is de technische keuring een
zaak van de overheid. Het bepalen van de wijze waarop
de technische controle moet worden uitgevoerd, alsook
het toezicht hierop, zijn zaken die aan de Lid-Staten
moeten worden overgelaten. Het Comité is echter
evenals de Commissie (zie artikel 1, lid 3, van het
voorstel) van oordeel dat deze keuring kan worden
gedelegeerd aan erkende centra die over de vereiste
controleapparatuur beschikken, zoals de ervaring in een
aantal Lid-Staten trouwens leert. Daartoe dienen deze
centra onder permanent toezicht van de overheid te
staan.
2.10. In onderhavig voorstel van de Commissie
wordt met geen woord gerept van voertuigen die niet
Gedaan te Brussel, 23 oktober 1986.
door de technische keuring komen. Volgens het Comité
zou men moeten worden verplicht om de betrokken
voertuigen te laten herstellen, in orde te laten maken
of te laten slopen. In dit verband zou het zinvol zijn
om een „automatische keuring" voor te schrijven, zoals
b.v. het geval is in bepaalde Lid-Staten waarin men in
het bezit moet zijn van een bewijs dat men door de
technische keuring is gekomen, ten einde de documen-
ten te verkrijgen die vereist zijn om een voertuig in het
verkeer te mogen brengen.
2.11. Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de
richtlijn (artikel 2 van het voorstel) is het Comité van
oordeel dat de Commissie en de Raad het tijdschema
voor de afwijkingen in lid 3 van artikel 2, waarvan de
data elkaar volgens het Comité te snel opvolgen, zouden
moeten herzien ten behoeve van die Lid-Staten die
momenteel over onvoldoende voorzieningen voor de
technische keuring beschikken.
2.12. Tot slot meent het Comité dat de door de Lid-
Staten aan de Commissie te verstrekken informatie over
de door hen genomen maatregelen (zie artikel 2, lid 2,
van het voorstel van de Commissie) jaarlijks dient plaats
te vinden op basis van door alle Lid-Staten te gebruiken
documenten. Dit zal de nauwkeurigheid, duidelijkheid
en periodiciteit van de te verstrekken informatie ten
goede komen en bijgevolg leiden tot een grotere efficiën-
tie bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de maat-
regelen. De Commissie dient van haar kant op gezette
tijden een verslag te publiceren dat gebaseerd is op de
door de Lid-Staten verstrekte gegevens over de tenuit-
voerlegging van deze richtlijn en dit verslag aan het
Comité toe te zenden.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Full & Egal Universal Law Academy