29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/19
krachtens Richtlijn 72/306/EEG (inzake rook) een nieu-
we typegoedkeuring nodig is.
3.5.1. In dit verband zou het Comité echter graag
zien dat Commissie en Raad ervoor zorgen dat vol-
komen duidelijk wordt dat de Lid-Staten tot en met
30 september 1990:
— de nieuwe emissienormen uitsluitend mogen toe-
passen op voertuigen waarvoor een nieuwe ty-
pegoedkeuring inzake rookgassen wordt aange-
vraagd, doch dat zij
— tijdens de overgangsperiode, voordat de bepalingen
van dit richtlijnvoorstel van kracht worden, voor
Gedaan te Brussel, 26 november 1986.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Tijdens zijn zitting van 14 november 1985 heeft
de Raad conclusies getrokken uit het arrest van het
alle overige voertuigen geen verplichte nationale
emissienormen mogen invoeren.
4. Externe betrekkingen
Het Comité verzoekt de Commissie, met andere Eu-
ropese landen onderhandelingen aan te knopen ten
einde ervoor te zorgen dat de voorgestelde geharmoni-
seerde emissienormen voor dieselmotoren niet beperkt
blijven tot het grondgebied van de Gemeenschap, maar
op zo groot mogelijke schaal — ten minste door alle
Europese landen buiten de Europese Gemeenschap —
worden aanvaard.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Europese Hof van Justitie betreffende zaak 13/83 (]) en
uit de resultaten van de Europese Raad van Milaan van
(>) PB nr, C 144 van 13. 6. 1986, blz. 4.
Advies inzake het voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad betreffende de toegang
tot de markt van het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten
(86/C 333/07)
De Raad heeft op 10 en 11 november 1986 besloten, het Economisch en Sociaal Comité
overeenkomstig de artikelen 75 en 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap te raadplegen inzake het bovengenoemde voorstel.
In afwachting van de komende raadpleging heeft het Bureau van het Comité tijdens zijn
vergadering van 22 oktober 1986 besloten, de Afdeling voor vervoer en communicatie te
belasten met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden. Op 23 oktober heeft
de Afdeling een studiegroep opgericht en de heer L.J. Smith tot rapporteur benoemd.
Aangezien het voorstel van de Commissie onder meer voorziet in een verhoging van het
communautaire contingent met 40% op 1 januari 1987, dient er op zeer korte termijn een
advies van het Comité, ten minste betreffende dit aspect van het voorstel, te worden
uitgebracht. Dit blijkt ook uit het schrijven van de Raad van 14 november 1986, waarin de
Raad het Comité met name verzoekt, in november 1986 een preliminair advies uit te brengen
over artikel 2 van het voorstel voor een verordening. Bovendien is een raadpleging van het
Comité overeenkomstig artikel 75 van het Verdrag verplicht alvorens de Raad een besluit
kan nemen.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van
26 november 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met 87 stemmen vóór en 19 stemmen
tegen, bij 14 onthoudingen is goedgekeurd.
Nr. C 333/20 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
28 en 29 juni 1985 met betrekking tot de ontwikkeling
van het gemeenschappelijk vervoerbeleid, die als volgt
kunnen worden samengevat:
— uiterlijk in 1992 totstandbrenging van een vrije
markt, zonder kwantitatieve beperkingen, in de sec-
tor vervoer;
— geleidelijke aanpassing, op niet discriminerende
grondslag, van de bilaterale contingenten tijdens
de overgangsperiode en gelijktijdige invoering van
communautaire contingenten;
— opheffing van de concurrentiedistorsies tijdens de
overgangsperiode.
1.2. Tijdens zijn zitting van 30 juni 1986 heeft de
Raad zich met betrekking tot de toekomstige vorm van
de intracommunautaire ordening van de markt van
het vervoer van goederen over de weg nog duidelijker
uitgedrukt: „Ten einde tijdens de overgangsfase een
geleidelijke aanpassing aan de uiterlijk 1992 tot stand
te brengen vrije markt mogelijk te maken en de over-
gang naar het nieuwe stelsel zo soepel mogelijk te
laten verlopen, moet de jaarlijkse verhoging van het
communautaire contingent een hoger percentage dan
de huidige 15 % bedragen. Daarom moet deze jaarlijkse
verhoging ingaande 1987 gebracht worden op 40%
(gecumuleerd) tot de invoering van de eindfase.".
2.2. Krachtens artikel 2, lid 2, van het Commis-
sievoorstel dient het totale aantal vergunningen (11 475
l 1.3. Met betrekking tot de mededingingsvoorwaar-
den heeft de Raad het volgende besloten: tijdens de
overgangsperiode dienen de concurrentieverstoringen
volledig te worden geëlimineerd. In dit verband ver-
zocht de Raad de Commissie „zo snel mogelijk, doch
uiterlijk vóór 1 januari 1987, een studie voor te leggen
over de motorrijtuigenbelasting, de brandstofaccijns en
» de tolgelden en hun onderlinge samenhang".
1.4. Het stelsel van bilaterale contingenten blijft tij-
dens de overgangstijd bestaan, hoewel deze niét in
overeenstemming zijn met de uitspraak van het Europe-
se Hof van Justitie.
2. Bijzondere opmerkingen inzake artikel 2 van de
ontwerp-verordening
2.1. Ten einde een beeld te krijgen van de omvang
van de periodieke verhoging van de communautaire
vergunningen, lijkt het allereerst nuttig deze in een
samenvatting weer te geven alvorens nadere opmer-
kingen worden gemaakt:
in 1987) tot 1991 steeds met 40% (gecumuleerd) te
worden verhoogd, waardoor het communautaire con-
België
Denemarken
Duitsland
Griekenland
Frankrijk
Ierland
Italië
Luxemburg
Nederland
Verenigd Koninkrijk
Portugal
Spanje
1984
1
434
305
727
88
656
88
567
111
626
436
4 038
(58)
(436)
4 427
%
2
9,8
6,9
16,4
2,0
14,8
2,0
12,8
2,5
14,1
9,9
1,3
7,5
100
|1985]
V. (EEG)
3621/84
(a)
3
570
469
914
131
801
147
721
179
785
551
5 268
(129)
(443)
5 840
%
4
9,8
8,0
15,7
2,2
13,7
2,5
12,4
3,1
13,4
9,4
100
[1986]
(Beschikking
85/476/EEG
van de
Commissie)
(b)
5
+ 87
+. 112
+ 120
+ 27
+ 89
+ 42
+ 100
+ 48
+ 107
+ 75
+ 803
6
657
581
1034
158
890
189
821
227
888
626
6 071 (e)
[1986]
V. (EEG) nr.
3677/85 (c)
7
707
625
1 112
170
957
204
883
245
955
673
6 531 (f)
233
673
7 437
8
+ 50
+ 44
+ 78
+ 12
+ 67
+ 15
+ 62
+ 18
+ 63
+ 47
+ 456
%
9
9,5
8,4
15,0
2,3
12,9
2,7
11,9
3,3
12,8
9,1
3,1
9,1
100
Beschikking
86/491/EEG (d)
10
+ 101
+ 114
+ 329
+ 60
+ 281
+ 54
+ 295
+ 60
+ 336
+ 87
+ 76
+ 156
1949
11
808
739
1441
230
1238
258
1 178
305
1291
760
309
829
9 386
+ 26,2%
[1987]
Commissie-
voorstel
12
976
929
1735
293
1488
341
1424
404
1553
902
416
1014
11475
+ 22,2%
(a) PB nr. L 333 van 21. 12. 1984, blz. 61.
(b) PB nr. L 284 van 24. 10. 1985, blz. 16.
(c) PB nr. L 354 van 30. 12.1985, blz. 46.
(d) PB nr. L 285 van 8. 10. 1986, blz. 29.
(e) Stijging met 15,2 % ten opzichte van 1985.
(f) Stijging met 24% ten opzichte van 1985 en met 7,6% ten opzichte van de bij Beschikking 85/476/EEG bepaalde percentages.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/21
tingent zich als volgt zou kunnen ontwikkelen:
— 1988: 16 065 vergunningen,
— 1989: 22 491 vergunningen,
— 1990: 31 487 vergunningen,
— 1991: 44 082 vergunningen.
2.3. Het heeft waarschijnlijk geen zin, zich af te
vragen, hoeveel procent van het intracommunautaire
goederenverkeer tijdens de komende jaren via de com-
munautaire resp. bilaterale vergunningen plaats zal vin-
den. Wanneer men er bovendien van uitgaat dat de
verwezenlijking van het vrij verrichten van diensten
(cabotageregeling) naar de mening van de Commissie
binnen een aanvaardbaar tijdsbestek van ongeveer twee
jaar dient plaats te vinden, dan staat het buiten kijf dat
deze massale verhoging van het aanbod haar uitwerking
op de tarieven niet zal missen.
2.4. Daarom is het Comité, evenals de Commissie,
van mening dat de invoering van een nieuwe markt-
ordening niet ten koste van de werknemers in deze
sector mag gaan en dat tijdig maatregelen dienen te
worden getroffen om schadelijke economische en so-
ciale gevolgen te voorkomen.
2.5. Voorts begrijpt het Comité ook niet, waarom
de Commissie er niet voor heeft gezorgd dat haar
standpunt geloofwaardiger overkomt door tegelijk met
het „pakket liberaliseringsmaatregelen" ook een „pak-
ket harmoniseringsmaatregelen" aan de Raad voor te
leggen, zodat deze hierover tegelijkertijd een besluit zou
kunnen nemen.
2.6. Daar het Comité slechts over weinig tijd be-
schikt, kan het het Commissievoorstel niet in zijn geheel
Gedaan te Brussel, 26 november 1986.
onder de loep nemen. Evenmin heeft het Comité — om
dezelfde redenen — de zekerheid gekregen dat zijn
bezwaren tegen een automatische optrekking die niet
op de ontwikkeling van de markt is afgestemd, onge-
grond zijn en dat deze automatische optrekking in
overeenstemming is met de „bijzondere aspecten van
het vervoer".
2.7. Daarom baseert het Comité zich ook ditmaal in
de eerste plaats op zijn van 26 oktober 1983 (*) dateren-
de advies over de nieuwe methode voor de berekening
van het communautaire contingent, dat qua motivering
nog steeds even actueel is.
2.8. Om bovengenoemde redenen is het Comité van
oordeel dat het de Gemeenschap geen afbreuk zou doen
als het voorstel van de Commissie inzake optrekking
van het contingent met 4 0 % , die in wezen slechts
22,2 % zou uitmaken, niet overhaast zou worden goed-
gekeurd en bijgevolg niet per 1 januari 1987 van kracht
zou worden, zonder dit voorstel eerst tevoren grondiger
te bestuderen.
2.9. Daarom stelt het Comité voor, pas akkoord
te gaan met een dergelijke extra optrekking van het
contingent naast de door de Commissie vastgestelde
uitbreiding van het contingent voor 1987 met 26,2%,
nadat kennis is genomen van de harmoniseringsvoor-
stellen.
2.10. Het Comité beschouwt dit advies als prelimi-
naire uitspraak over één aspect van het voorstel van de
Commissie. Het zal met spoed de behandeling van dit
voorstel in zijn geheel voortzetten en hierover begin
1987 een globaal advies opstellen, waarin ook het gelijk-
tijdig plaatsvindende overleg over de verwezenlijking
van het vrije verkeer van diensten in aanmerking kan
worden genomen.
0) PB nr. C 358 van 31. 12. 1983, blz. 28.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Nr. C 333/22 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
BIJLAGE
Het volgende wijzigingsvoorstel werd tijdens de beraadslaging door het Comité verworpen:
Bladzijde 1
Het advies van de Afdeling door het volgende te vervangen:
„Vooruitlopend op een grondige bestudering van het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende
de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten (doe. COM(86) 595 def.),
waarover het Comité kort geleden, namelijk op ... is geraadpleegd, constateert de Afdeling dat artikel 2, lid
2, van dit voorstel, wat 1987 betreft, conform is aan het besluit van de Raad van 30 juni 1986 om het aantal
communautaire vergunningen in de periode 1987 t/m 1991 elk jaar met ten minste 40% te verhogen.
De Afdeling beklemtoont dat dit besluit in overeenstemming is met de conclusies die de Raad heeft getrokken
uit het van 22 mei 1985 daterende arrest van het Europese Hof van Justitie in zaak 13/83 en uit de resultaten
van de Europese Raad van Milaan (28 en 29 juni 1985) met betrekking tot de ontwikkeling van het EG-
vervoerbeleid. Deze conclusies kunnen als volgt worden samengevat:
— uiterlijk in 1992 totstandbrenging van een vrije markt zonder kwantitatieve beperkingen in de vervoer-
sector;
— geleidelijke aanpassing op niet discriminerende grondslag van de bilaterale contingenten tijdens de
overgangsperiode en gelijktijdige uitbreiding van de communautaire contingenten;
— opheffing van de concurrentiedistorsies tijdens de overgangsperiode.
Daarom dringt de Afdeling er bij de Raad op aan vóór 31 december 1986 akkoord te gaan met artikel 2, lid
2, van dit voorstel voor een verordening.
Daarom dringt de Afdeling er bij de Raad op aan om met voorrang de overige onderdelen van onderhavig
voorstel te behandelen, ten einde op korte termijn een besluit te kunnen nemen.
Tot slot wijst de Afdeling erop dat de Raad op 14 november 1985 de Commissie eveneens had verzocht, hem
zo snel mogelijk doch uiterlijk op 1 januari 1987 een studie voor te leggen over de motorrijtuigenbelasting,
de accijns op motorbrandstoffen en over de tolgelden en hun onderlinge samenhang.".
Motivering
Enerzijds is het in het advies van de Afdeling neergelegde standpunt in strijd met de verwezenlijking van een
gemeenschappelijke vervoermarkt, aangezien het de handhaving aanbeveelt van de kwantitatieve beperkingen
van de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in plaats van een volledige harmonisering
van de mededingingsvoorwaarden in het vervoer, en anderzijds is de termijn waarbinnen het Comité zijn
advies moet uitbrengen ontoelaatbaar kort.
Uitslag van de stemming
Vóór: 37, tegen: 74, onthoudingen: 17.
Full & Egal Universal Law Academy