Nr. C 333/12 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
zonder meer tot het daaropvolgende jaar kunnen wor-
den uitgesteld, zulks echter onverlet de toepassing van
een ,,anti-surge"-clausule(*). Hoe het ook zij, de Com-
missie zou de situatie moeten evalueren en tijdig de
betrokken economische en sociale groeperingen moeten
raadplegen.
9. Het Comité neemt met grote belangstelling nota
van het feit dat de Commissie de preferentiële marges
aan de hand van de jongste statistieken betreffende de
reële invoer van de betrokken produkten bijstelt. Dank
zij deze aanpassingen kan in het SAP rekening worden
gehouden met het huidige economische herstel in de
industrielanden.
10. Het Comité vraagt zich af waarom het SAP niet
in het programma van de Commissie wordt vermeld en
betreurt dit des te meer daar de Gemeenschap er zijns
inziens belang bij heeft de verschillende instrumenten
voor ontwikkelingssamenwerking te bundelen en deze
alle ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen in
te zetten.
(*) De „anti-surge"-clausule biedt de mogelijkheid tot maatrege-
len wanneer de markt door een produkt wordt overspoeld.
11. Het Comité is tegen de invoering in het stelsel
van algemene preferenties van bepalingen op grond
waarvan de petrochemische sector een bijzondere be-
handeling ten deel zou vallen. Het Comité is altijd
principieel voorstander geweest van een doorzichtig en
automatisch systeem en meent dat in strijd met dit
beginsel zou worden gehandeld, indien de Commissie
discretionaire bevoegdheden bij de toepassing van het
contingenteringsstelsel zou krijgen.
12. Het Comité wijst er nogmaals op dat de Gemeen-
schap bij haar externe betrekkingen te allen tijde moet
proberen tot de verbetering van de economische en
sociale situatie in de wereld bij te dragen, hetgeen niet
als politieke inmenging in de binnenlandse aangelegen-
heden van derde landen kan worden beschouwd. Het
Comité heeft er in zijn adviezen op het gebied van de
internationale handel (zoals b.v. ten aanzien van de
derde Overeenkomst van Lomé) altijd op gewezen dat
het zeer grote waarde hecht aan de eerbiediging van de
mensenrechten en vooral ook aan de toepassing van
billijke arbeidsnormen, zoals deze door de Internatio-
nale Arbeidsorganisatie zijn vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 26 oktober 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Advies inzake het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het lozen van afval op
zee(!)
(86/C 333/05)
De Raad heeft op 27 augustus 1985 besloten, het Economisch en Sociaal Comité overeenkom-
stig de artikelen 100 en 235 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
Gemeenschap om advies te vragen inzake het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor milieu, volksgezondheid en consumentenvraagstukken, die met de voorbe-
reiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 en
2 september 1986 goedgekeurd. Tot de Afdelingsvergadering van 6 juni 1986 was de heer
Kölble rapporteur. Tijdens deze vergadering werd hij om redenen van gezondheid in deze
functie door de heer Von der Decken opgevolgd.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van
26 november 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met 106 stemmen vóór, bij 4
onthoudingen werd goedgekeurd.
1. Opmerkingen vooraf
1.1. De Commissie stelt voor een richtlijn van de
Raad uit te vaardigen, op grond waarvan het lozen en
het verbranden van afvalstoffen op zee in bepaalde
gevallen worden verboden en in andere gevallen aan een
vergunning worden verbonden en op langere termijn
aanzienlijk worden beperkt dan wel volledig stopgezet.
(J) PB nr. C 245 van 26. 9. 1985, blz. 23.
1.2. Het Comité stemt in beginsel met een dergelijke
regeling in, maar vindt wel dat in het richtlijnvoorstel
een aantal wijzigingen dient te worden aangebracht.
Deze worden in hoofdstuk 3 uiteengezet.
1.3. Een dergelijke regeling strookt met de drie ac-
tieprogramma's van de Europese Gemeenschap inzake
milieu; één van de doelstellingen hiervan is, tot het
voorkomen en het bestrijden van de vervuiling van de
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/13
zee en aldus tot de harmonische economische ontwikke-
ling van de Gemeenschap bij te dragen. De regeling
staat in het bijzonder op één lijn met de Richtlijnen 75/
437/EEG, 75/438/EEG, 78/176/EEG, 82/883/EEG, 76/
51/EEG, 76/464/EEG, 77/585/EEG, 80/686/EEG, 81/
420/EEG, 81/971/EEG, 83/101/EEG en 83/513/EEG
van de Raad.
2. Algemene opmerkingen
2.1. Internationale verdragen ter bestrijding van zee-
ver ontreiniging
2.1.1. De bescherming van het zeemilieu tegen ver-
vuiling is het ontwerp van een reeks ten dele we-
reldomvattende en ten dele regionale internationale ver-
dragen. Deze verdragen geven zowel uit het oogpunt
van geografisch toepassingsgebied, als uit het oogpunt
van feitelijke inhoud, verdragsluitende partijen en
rechtsstatus op een aantal punten aanzienlijke onderlin-
ge verschillen te zien.
2.1.2. Terwijl het later enige malen aangevulde Ver-
drag van Londen van 1972, alsook het eveneens in
Londen ondertekende en later aangevulde Marpol-Ver-
drag van 1973 voor de hele wereld gelden, hebben het
Verdrag van Oslo van 1972 en het Verdrag van Barcelo-
na van 1976, alsook het Verdrag van Helsinki van
1974 en het Verdrag van de Caraïben van 1983 slechts
regionale betekenis.
2.1.3. Het Verdrag van Londen, het Verdrag van
Oslo en het Verdrag van Barcelona bevatten elk z.g.
„zwarte" en „grijze" lijsten van stoffen die niet in zee
mogen worden geloosd resp. op de lozing waarvan een
bijzondere controle wordt uitgeoefend. Het Marpol-
Verdrag, dat in hoofdzaak betrekking heeft op het
verhinderen van zeevervuiling door schepen, heeft daar-
entegen niets te maken met het lozen van afvalstoffen,
maar legt niettemin de verplichting op, dat voor verza-
melplaatsen voor vloeibaar olie-afval wordt gezorgd.
Het Verdrag van Helsinki verbiedt lozing van afval-
stoffen met uitzondering van baggerspecie en het Ver-
drag van de Caraïben omvat nog geen specifieke regelin-
gen betreffende lozing.
2.1.4. Alle genoemde verdragen zijn door de be-
trokken Lid-Staten van de Europese Gemeenschap
ondertekend en/of geratificeerd. De Gemeenschap als
zodanig is uitsluitend bij het Verdrag van Barcelona en
bij het Verdrag van de Caraïben verdragsluitende partij.
De Commissie neemt als waarnemer deel aan de werk-
zaamheden betreffende de Verdragen van Londen en
van Oslo.
2.2. Harmonisering van de rechtsvoor schriften door
het richtlijnvoorstel
Uitvaardiging van een richtlijn zoals door de Commissie
wordt voorgesteld, zou tot gevolg hebben dat de thans
in de Gemeenschap uiteenlopende rechtsbepalingen
door een uniforme regeling zouden worden vervangen.
Via een dergelijke harmonisering is het volgens het
Comité in het algemeen mogelijk, zowel de bescherming
van het zeemilieu tegen verontreiniging te verbeteren,
alsook het functioneren van de gemeenschappelijke
markt te vergemakkelijken.
2.3. Gelijke behandeling van zeegebieden
2.3.1. Het principe van gelijke behandeling van de
verschillende zeegebieden, dat de Commissie op het
stuk van bescherming tegen verontreiniging voor ogen
staat, is uit ecologisch en economisch oogpunt verant-
woord. De afzonderlijke zeegebieden geven in geogra-
fisch opzicht weliswaar aanzienlijke verschillen te zien.
Zo is de Middellandse Zee een binnenzee, terwijl de
Noordzee en de Atlantische Oceaan daarentegen open
zeeën met sterke getijdenverschillen zijn. Deze ver-
schillen mogen echter niet worden aangevoerd als mo-
tief om in de Noordzee en de Atlantische Oceaan een
sterkere vervuiling toe te laten dan in de Middellandse
Zee. De lozing van schadelijke stoffen leidt dikwijls ook
tot ecologisch onverantwoorde schade aan het zeemilieu
in zijn totaliteit indien de schadelijke milieu-invloeden
qua plaats of tijd niet in rechtstreekse samenhang met
de schadelijke gebeurtenis optreden. Dit kan met name
gebeuren bij persistente stoffen, als gevolg van accumu-
latieprocessen of in bijzonder gevoelige levende organis-
men in de zee of biotopen.
2.3.2. Hoewel lozing van specifiek schadelijke
stoffen in het zeemilieu wegens bijzondere omstandighe-
den in een enkel geval bij wijze van uitzondering geen
verdergaande milieuschade behoeft te veroorzaken,
vindt het Comité dat deze omstandigheden in elk indi-
vidueel geval moeten worden aangetoond door de per-
sonen die zich op deze omstandigheden beroepen en op
het feit dat lozing van deze schadelijke stof niet tot
schade aan het zeemilieu leidt.
2.4. Lozing van afval in zee
Het Comité is ingenomen rr ' : in artikel 4 van het
richtlijnvoorstel opgenomen regeling, op grond waar-
van de z.g. „zwarte" en „grijze" lijsten van afvalstoffen
die niet in zee mogen worden geloosd resp. waarvan de
lozing aan een bijzondere vergunning verbonden is (vgl.
§ 2.1), overeenkomstig de meest recente inzichten om-
trent de schadelijkheid van bepaalde stoffen voor het
milieu door opneming van deze stoffen en de verbin-
dingen hiervan op uniforme wijze moeten worden aan-
gevuld en vervolledigd.
2.5. Verbranding van afval op zee
Het Comité merkt op dat de in artikel 5 van het richtlijn-
voorstel beoogde beperking van de verbranding van
afval op zee in overeenstemming is met de inmiddels
door de meeste Lid-Staten geratificeerde aanvullingen
op de Verdragen van Londen en van Oslo en de bevin-
dingen van de internationale conferentie van Bremen
ter bescherming van de Noordzee (1984).
Nr. C 333/14 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
2.6. Terugdringing van de verwijdering van afval op
zee
2.6.1. Het Comité stemt in met het in het richtlijn-
voorstel nagestreefde doel, de vervuiling van de zeeën
door terugdringing van de verwijdering van afval op
zee in fasen te verminderen. Het is daarom voorstander
van het in artikel 10 van het richtlijnvoorstel opgeno-
men saneringsprogramma, op grond waarvan vanaf
1988 geen nieuwe vergunningen voor het lozen of het
verbranden van afval mogen worden verstrekt en de
Lid-Staten verplicht zijn, in de periode 1990-1995 de
toegestane lozingshoeveelheden ten opzichte van 1989
fasegewijs met 50% terug te dringen.
2.6.2. Het Comité beseft dat sommige Lid-Staten van
de Gemeenschap in de komende jaren in een moeilijk
parket kunnen raken, omdat de thans in bedoelde lan-
den aanwezige infrastructuur voor milieuvriendelijke
verwijdering van afval op het land tekortschiet of ge-
schikte installaties voor de verwijdering van afval he-
lemaal ontbreken.
2.6.3. Het Comité wijst in het bijzonder op het pro-
bleem van de verwijdering van rioolslib (zie bijlage I,
deel B, punt 1).
Bij bestudering van het voorstel van de Commissie blijkt
dat elke Lid-Staat discretionaire bevoegdheid heeft met
betrekking tot het verlenen van vergunningen voor het
lozen van niet giftig rioolslib in zee — dit komt in
het voorstel niet duidelijk tot uiting —, maar dat een
dergelijke vergunning afhankelijk is van het algemene
voorschrift dat de afvalverwijdering op zee in de periode
1990-1995 met 10% per jaar dient te worden te-
ruggedrongen.
Volgens het Comité zal deze vermindering alleen maar
praktisch uitvoerbaar zijn indien fasegewijs specifieke
maatregelen worden genomen om voor adequate op-
slagvoorzieningen voor rioolslib op het land te zorgen.
Bovendien kunnen grote saneringsprojecten normaal
niet gefaseerd worden uitgevoerd. Het zou praktischer
zijn te streven naar vermindering van de lozing van
afval op zee met een „gemiddeld" percentage per jaar
of met een streefcijfer aan het eind van een specifieke
periode, dan naar een vermindering van 10% per jaar.
2.6.4. Het Comité is het er echter, in overeen-
stemming met het actieprogramma van de Gemeen-
schap inzake milieu, met de Commissie over eens dat
de verwijdering van afvalstoffen volgens het beginsel
„de vervuiler betaalt" in het algemeen dient te ge-
schieden waar het afval ontstaat, dit wil zeggen op het
vasteland en wel met name indien afval daar zonder
milieuschade (in het bijzonder schade aan bodem of
grondwater) kan worden verwijderd.
2.6.5. De aanleg van geschikte infrastructuur-
installaties op het land voor het milieuvriendelijk ver-
wijderen van afval moet daarom door geschikte maatre-
gelen worden gestimuleerd. Het in het richtlijnvoorstel
genoemde programma inzake geleidelijke vermindering
van de verwijdering van afval op zee lijkt volgens het
Comité een geschikte maatregel om dit doel te bereiken.
Mocht blijken dat zich in een Lid-Staat van de Gemeen-
schap moeilijkheden bij de reglementaire verwijdering
van afval op het land voordoen, dan dient hiervoor
volgens het Comité een overgangsregeling of desnoods
een blijvende uitzonderingsregeling te worden ge-
troffen.
2.6.6. Aangezien er dringend behoefte aan verza-
melplaatsen voor afval is, kan als tijdelijke maatregel
worden gedacht aan het opstellen van olietankers op
strategische plaatsen in havens of buiten de kust waar
vloeibaar olie-afval kan worden gedeponeerd. Het
Comité dringt er daarom bij de Commissie op aan na
te gaan of het gebruik van opgelegde tankers voor het
verzamelen van vloeibaar olie-afval haalbaar is.
2.6.7. Het Comité weet thans nog niet in hoeverre
het technisch mogelijk zal zijn, afval ook op zee zonder
schade aan het zeemilieu te verwijderen. Mocht dit
mogelijk worden, dan dient het richtlijnvoorstel te zij-
ner tijd te worden aangepast..
2.6.8. Het Comité wil er op deze plaats op wijzen
dat de met het richtlijnvoorstel beoogde vermindering
van de zeeverontreiniging (nl. door de verwijdering van
afval op zee terug te dringen) uiteraard alleen maar
mogelijk is indien parallel en stelselmatig ook tegen de
andere oorzaken van zeeverontreiniging (met name dus
tegen de afvoer van onvoldoende gezuiverd huishoude-
lijk en industrieel afvalwater via rivieren en rechtstreeks
vanaf de kust) wordt opgetreden en ook wat wordt
gedaan aan de zeevervuiling door schepen, off-shore-
activiteiten en vanuit de lucht. Het Comité dringt er bij
de Commissie op aan, door middel van richtlijnvoor-
stellen in een hoger tempo naar vermindering van de
verontreiniging van de zee te streven.
2.7. Grensoverschrijdend vervoer
In het richtlijnvoorstel zou verwezen moeten worden
naar Richtlijn 84/631 van 6 december 1984 inzake het
toezicht op en de controle van het grensoverschrijdend
vervoer van gevaarlijke afvalstoffen in de Europese
Gemeenschap. In het bijzonder zou de nadruk moeten
worden gelegd op de verantwoordelijkheid, met name
ten aanzien van de verwijdering van de afvalstoffen
onder bevredigende omstandigheden, van de bij in- en
uitvoer van gevaarlijke stoffen betrokken landen.
3. Bijzondere opmerkingen
3.1. Artikel 3
Het Comité betwijfelt of artikel 3 het toepassingsgebied
van de richtlijn inhoudelijk en geografisch wel ondub-
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/15
belzinnig genoeg vastlegt. Het vestigt de aandacht op
het bijzondere geval van de Kanaaleilanden en het ei-
land Man. Deze eilanden vallen volgens het vigerende
Gemeenschapsrecht niet onder de richtlijn, en het
Comité acht zulks een anomalie.
3.2. Artikel 4, lid 1 (samen met bijlage 1, deel A)
3.2.1. Onder punt 10 van bijlage I, deel A, worden
als afval of andere stoffen die overeenkomstig artikel
4, lid 1, niet in zee mogen worden geloosd, „Boorspoe-
ling op oliebasis en met boorgruis samenhangende olie"
vermeld.
3.2.2. Het Comité wijst erop dat het zoeken naar
olie in de Noordzee en in het algemeen in de zeeën rond
de Gemeenschap en bijgevolg de betalingsbalans van
een of meer Lid-Staten en de energievoorziening van
de Gemeenschap door een dergelijke regeling nadelig
kunnen worden beïnvloed. Het stelt daarom voor, op
een geschikte plaats in de richtlijn een uitzonderings-
bepaling hiervoor op te nemen.
3.3. Bijlage 1, deel B, punt 2
Althans de Duitse en de Engelse versie van deze passage
wijken qua betekenis sterk resp. enigszins van het
Franse origineel af. Het Comité kan zich in de Franse
versie van deze passage vinden.
3.4. Artikel 4, lid 2 (samen met bijlage II)
3.4.1. In artikel 4, lid 2, van het richtlijnvoorstel
wordt uitsluitend bepaald dat lozing van in bijlage II
genoemde afvalstoffen of andere stoffen slechts toege-
staan mag zijn indien tevoren door de bevoegde in-
stanties een bijzondere vergunning is afgegeven. Niet
wordt bepaald, welke uitgangspunten bij de beslissing
over de toekenning van de vergunning moeten worden
gehanteerd. Het Comité vindt dat in artikel 4, lid 2,
van het richtlijnvoorstel, zoals reeds in artikel 5, lid 4,
voor het verlenen van vergunningen voor verbranding
van afval op zee is bepaald, de bepaling dient te worden
opgenomen dat de vergunning slechts wordt afgegeven
indien de verwijdering van afval niet milieuvriendelijk
op het land kan geschieden.
3.4.2. In dit verband zou volgens het Comité moeten
worden nagegaan of het niet aanbeveling verdient, af-
valstoffen uit bijlage II te halen welke bij het normaal
functioneren van schepen, vliegtuigen, platforms en an-
dere op zee vervaardigde constructies ontstaan.
3.5. Artikel 9, lid 1
Het Comité stemt in met de in artikel 9 bedoelde
bevordering van de ontwikkeling van alternatieve me-
thoden voor „verwerking en vernietiging" van afval-
stoffen op het land, alsook met het streven naar vermin-
dering van de hoeveelheid afval en het bevorderen van
hergebruik van afval door toepassing van geschikte
technieken, voordat lozing en verbranding op zee over-
wogen worden.
3.6. Artikel 9, lid 2
3.6.1. Het stemt het Comité ook tot voldoening dat
de Commissie luidens artikel 9, lid 2, vóór 1 januari
1990 van de Lid-Staten gegevens met het oog op de
vaststelling van een termijn voor de stopzetting van de
verbranding van afval op zee moet ontvangen en dat
de Raad verplicht is daarover vóór 1 juni 1991 op
voorstel van de Commissie een besluit te nemen. Het
Comité zou er wel de voorkeur aan geven indien in het
richtlijnvoorstel reeds een datum voor de definitieve
stopzetting van de verbranding van afval op zee wordt
opgenomen.
3.6.2. Aan de andere kant kan het Comité ook op
dit punt vooralsnog niet overzien of de techniek binnen
afzienbare tijd zover zal zijn ontwikkeld dat afval zon-
der waarneembare nadelen voor het zeemilieu op zee
kan worden verbrand. Mocht dit het geval zijn, dan
dient het richtlijnvoorstel op dit punt mogelijk te wor-
den gewijzigd.
3.7. Artikel 10, lid 3
3.7.1. In paragraaf 2.6 was al principieel ingestemd
met de aan artikel 10 van het richtlijnvoorstel ten grond-
slag liggende idee van gefaseerde terugdringing van
lozing of verbranding van afvalstoffen op zee. Wel
zou moeten worden nagegaan of na 1994, wanneer de
toegestane lozingen moeten zijn gehalveerd, niet naar
verdere vermindering dient te worden gestreefd.
3.7.2. In dit verband wijst het Comité erop dat in
bijlage I, deel B, punt 1, weliswaar een uitzondering
van het algemene verbod wordt gemaakt voor afval en
andere stoffen, zoals bijvoorbeeld rioolslib, bag-
gerspecie en boorgruis, die slechts sporen van verontrei-
nigingen van de in de punten 1 t/m 7 aangegeven stoffen
bevatten, maar dat op deze afvalstoffen wel de bijlagen
II en III worden toegepast. Zij zijn daarom ook onder-
worpen aan de uit artikel 10, lid 3, en bijlage II voort-
vloeiende verplichting tot halvering, die in sommige
Lid-Staten van de Gemeenschap mogelijk tot moeilijk-
heden kan leiden. Het Comité verwijst naar zijn algeme-
ne opmerkingen in paragraaf 2.6.3 van dit advies.
3.7.3. Aangezien voor de lozing van bepaalde in de
bijlagen opgesomde stoffen een algemene of bijzondere
vergunning vereist is, zou moeten worden ingegaan op
Nr. C 333/16 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
de kwestie van het bewijs van de onschadelijkheid van
de lozingen.
3.8. Artikel 11
niet zinvol zou zijn, het in artikel 13 gebezigde begrip
„overmacht" duidelijk te definiëren.
3.10. Artikel 19
Het Comité acht de in artikel 11 voorgestelde regeling
van procedurekwesties van grote praktische betekenis
voor de normale uitvoering van de richtlijn.
3.9. Artikel 13
Volgens het Comité dient te worden nagegaan of het
Het Comité is het er met de Commissie over eens dat
de Lid-Staten bij het in artikel 19 bedoelde besluit over
de vaststelling van strengere bepalingen met betrekking
tot de lozing van afval op zee of de verbranding hiervan
op zee niet slechts moeten uitgaan van de bijzondere
omstandigheden van hun land, maar ook van de nood-
zaak dat de gemeenschappelijke markt moet kunnen
functioneren.
Gedaan te Brussel, 26 november 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
BIJLAGE
Het volgende wijzigingsvoorstel werd tijdens het beraad door het Comité verworpen.
Paragraaf 3.2.2.
De volgende passage toevoegen:
„Het Comité wijst er voorts op dat het wetenschappelijk niet goed te verdedigen is, koolwaterstoffen in
boorgruis (afval, cuttings) samen met zeer giftige stoffen als kwik en cadmium in bijlage I op te nemen.
Dit gruis wordt bijzonder goed gespoeld waardoor een geringe koolwaterstoffenconcentratie overblijft die
uit milieu-oogpunt aanvaardbaar is.
Het Comité is daarom van mening dat boorgruis in bijlage II thuishoort.
Als men aan de in het richtlijnvoorstel aangegeven positie van boorgruis wil vasthouden, stelt het Comité ter
wille van de rechtszekerheid bij de toepassing van deel B, punt 2, van bijlage I en om onverantwoorde kosten
voor de aardolie-industrie te vermijden, voor, in bijlage I, deel B, punt 2, een grenswaarde voor de
koolwaterstoffenconcentratie aan te geven die met het ecosysteem van de zee te rijmen valt. Beneden deze
grenswaarde zou het verbod op lozing van materialen in zee dan niet van toepassing zijn.".
Motivering
De aardolie-industrie moet haar onderzoek in bijzonder moeilijke omstandigheden uitvoeren wegens de
huidige tendensen ten aanzien van de prijzen van ruwe aardolie en ook omdat het ernaar uitziet dat de
energiehuishouding van de Gemeenschap nog lange tijd op aardolie aangewezen zal zijn. Om de motieven
voor de op dit gebied noodzakelijke investeringen niet weg te nemen, is het gewenst dat de Gemeenschaps-
wetgeving de kosten niet onnodig opdrijft.
Uitslag van de stemming
Vóór: 6, tegen: meerderheid, onthoudingen: geen.
Full & Egal Universal Law Academy