29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/23
Advies inzake het voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad inzake communautaire
acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur(1)
(86/C 333/08)
De Raad heeft op 2 oktober 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 198
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch
en Sociaal Comité om advies te vragen inzake het bovengenoemde voorstel.
-Het Economisch en Sociaal Comité heeft besloten, de heer Muniz Guardado als algemeen
rapporteur voor de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden aan te wijzen.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van 26
november 1986) het volgende advies uitgebracht, dat zonder stemmen tegen, bij 9 onthou-
dingen is goedgekeurd.
Het Economisch en Sociaal Comité hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie,
maar tekent daarbij het volgende aan.
1. Algemene opmerkingen.
1.1. Het communautaire structuurbeleid in de vis-
serijsector stoelde tot dusverre op Verordening (EEG)
nr. 2908/83, Verordening (EEG) nr. 2909/83, Richtlijn
83/515/EEG en de diverse desbetreffende aanvullingen
en wijzigingen.
1.2. Het onderhavige Commissievoorstel vult een ze-
kere leemte in de communautaire wetgeving op. De
Commissie stelt namelijk voor alle bestaande structuur-
regelingen in één enkele kaderverordening onder te
brengen, gemeenschappelijke criteria vast te stellen en
de uitbouw en verbetering van de visserijstructuur op
een communautaire leest te schoeien. De financiële mid-
delen die zij daarvoor wil uittrekken zijn weliswaar niet
zo omvangrijk als het Comité wel zou willen, maar
maken het toch mogelijk de basis te leggen van een
coherent structuurbeleid. Belangrijk is vooral dat de
Commissie — in het licht van de opgedane ervaring —
de communautaire visserijproblematiek op een rea-
listischere manier aanpakt en dat de voorgestelde pro-
gramma's een periode van tien jaar bestrijken, zodat de
betrokken kringen de toekomst nu met meer ver-
trouwen tegemoet kunnen zien.
1.3. Anderzijds is het Comité echter van oordeel dat
de Commissie in haar voorstel een aantal veel te vage
termen gebruikt („sector", „voldoende", „overheidsin-
stanties", „gegevens", enz.) en op die manier zichzelf te
veel speelruimte laat bij het interpreteren en in praktijk
brengen van haar voorstel.
1.4. Bovendien heeft het Comité tevergeefs gezocht
naar maatregelen die de visserijsector ertoe moeten
aanzetten de nodige aanpassingen door te voeren om
de veiligheid van de bemanning en de levensomstandig-
heden aan boord van de schepen te verbeteren.
(!) PB nr. C 279 van 5. 11. 1986, blz. 3.
1.5. Helaas ontbreken in het voorstel ook sociale
maatregelen. Nu de Commissie voor een belangrijke
verbetering zorgt door alle structuurmaatregelen in één
verordening te bundelen, is het vreemd dat zij niet
met voorstellen komt om ook de regelingen op sociaal
gebied te harmoniseren en te verbeteren.
1.5.1. Het Comité verwijst naar zijn vorige advies
over de visserijsector en dringt er bij de Commissie
op aan, de Raad voorstellen voor te leggen die in
overeenstemming zijn met de artikelen 117 en 118 van
het Verdrag.
1.6. Zeer belangrijk is volgens het Comité artikel 53
van de voorgestelde verordening, omdat daarin wordt
bepaald dat in bijzondere gevallen van een aantal tech-
nische criteria van de vérordening kan worden afge-
weken.
1.7. Indien onderstaande aanbevelingen wegens tijd-
gebrek niet in de definitieve verordening kunnen wor-
den verwerkt, zou het Comité gaarne zien dat de Com-
missie er in ieder geval rekening mee houdt wanneer zij
later concrete voorschriften uitwerkt.
1.8. Overigens behoudt het Comité zich voor later
uitvoeriger op het Commissievoorstel terug te komen.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Titel 1: Meerjarige oriëntatieprogramma's
2.1.1. Het Comité kan zich wel verenigen met de
duur van de programma's, maar vindt daarentegen de
termijn van drie maanden voor het indienen van een
evenwichtig en coherent programma met betrekking tot
de vissersvloot, de aquicultuur en de inrichting van
beschermde kustzones veel te krap.
Nr. C 333/24 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
2.1.2. Verder dringt het erop aan dat de nodige maat-
regelen worden genomen om de vangstcapaciteit van
de vissersvloot aan te passen. Men dient er echter voor
te zorgen dat deze aanpassing zo weinig mogelijk nade-
lige sociaal-economische gevolgen heeft voor gebieden
of regio's die voor hun ontwikkeling volledig van de
visserijsector (voornamelijk de ambachtelijke en de
kustvisserij) afhankelijk zijn.
2.1.3. Ten slotte wijst het erop dat bij het uitwerken
van een programma voor de vissersvloot rekening moet
worden gehouden met de omvang van de visbestanden.
Daarom is het z.i. absoluut noodzakelijk dat naast
structurele maatregelen ook maatregelen worden geno-
men om een snelle, volledige en betrouwbare inventa-
risatie van de communautaire visbestanden mogelijk te
maken.
2.2. Titel II: Herstructurering en vernieuwing van de
vissersvloot
2.2.1. Het Comité is van oordeel dat overeenkomstig
artikel 53 (afwijkingen in bijzondere situaties) ook voor
vaartuigen met een lengte van minder dan 9 of 12 m
steun moet worden verleend indien de uitsluiting van
dergelijke vaartuigen nadelige sociaal-economische ge-
volgen zou hebben voor gebieden of regio's die voor
hun ontwikkeling alleen van dergelijke kleine schepen
afhankelijk zijn.
2.2.2. Overigens zij erop gewezen dat de toepassing
van het criterium „gevoelige regio" bij de tenuitvoerleg-
ging van de communautaire steunregeling ter bevorde-
ring van de vernieuwing en modernisering van de vis-
sersvloot tot concurrentiedistorsies tussen de diverse
regio's leidt, daar de inhoud van het begrip „gevoelige
regio" sterk varieert naarmate men de regio in zijn
geheel dan wel alleen de visserijsector of zelfs alleen
bepaalde takken van de visserijsector beschouwt.
2.2.3. Voorts is het Comité van oordeel dat de steun-
percentages ook bij projecten die de veiligheid van de
bemanning en de levensomstandigheden aan boord van
de schepen aanzienlijk verbeteren met vijf punten moe-
ten worden verhoogd. Het Comité maakt de Commissie
bovendien nog op het volgende attent: in enkele Lid-
staten is het een normaal verschijnsel — vooral in de
ambachtelijke en de kustvisserij — dat een schip aan
drie of meer reders toebehoort en in het le-
vensonderhoud van verschillende gezinnen moet voor-
zien. In de artikelen 8 en 9 moet hiermee rekening
worden gehouden.
Bij een strikte naleving van dit punt van de verordening
zouden de doelstellingen van de voorgestelde veror-
dening niet gerealiseerd kunnen worden.
2.2.4. De Commissie zou nader moeten aangeven
wat zij in artikel 9, lid 2, sub b), precies bedoelt met
„vaartuigen die definitief aan de visserij in de Gemeen-
schap zijn onttrokken": gaat het hier om „commu-
nautaire wateren" dan wel om „communautaire vaar-
tuigen" ?
2.2.5. Bij de vernieuwing van de vloot dient terdege
rekening te worden gehouden met de vangstmogelijkhe-
den (visbestanden — zowel in het algemeen als wat de
diverse soorten betreft — en TAC's) en met de situatie
in de diverse visserijzones (overbevissing, gevoelige re-
gio's).
2.3. Titel III: Modernisering van de vissersvloot
2.3.1. De opmerkingen die in de paragrafen 2.2.1,
2.2.2 en 2.2.3 naar voren zijn gebracht, zijn volgens het
Comité ook volledig van toepassing op artikel 10 van
de voorgestelde verordening.
2.3.2. Het minimale investeringsbedrag waarvoor
communautaire steun kan worden verkregen (30 000
c.q. 15 000 Ecu) zou moeten worden verlaagd omdat
kleinere projecten ten behoeve van het gedeelte van de
vloot dat het meest aan modernisering toe is anders
gedoemd zouden zijn te mislukken.
2.3.3. Een aantal — noodzakelijke — maatregelen
ter verbetering van de veiligheid van de bemanning, van
het visopsporingssysteem, van de staat van het schip en
van de verwerkingsmogelijkheden op het schip zelf zou
niet kunnen worden uitgevoerd omdat het investerings-
bedrag beneden het in de ontwerp-verordening vast-
gestelde minimum zou blijven. Van de door de Commis-
sie nagestreefde modernisering — die vooral voor de
ambachtelijke en de kustvisserij van belang is — zou
dan niets terechtkomen en bovendien zou dit tot gevolg
kunnen hebben dat meer steun wordt gevraagd dan
in werkelijkheid nodig is, waardoor de maatregel een
averechts effect zou hebben.
2.3.4. Het Comité vreest dat de voorgestelde vermin-
dering van de communautaire steun voor de herstructu-
rering, vernieuwing en modernisering van de vissers-
vloot problemen met zich zal brengen in Lid-Staten die
geen lage rentevoeten kennen. Daarom stelt het voor
de steun op het huidige niveau te handhaven.
2.3.5. Verder wijst het erop dat de in artikel 10, lid
3, sub e), vastgestelde limiet (projecten waarvan het
bedrag niet hoger ligt dan 50 % van de waarde van een
nieuw vaartuig) al te restrictief is; op grond van deze
bepaling zou namelijk geen steun kunnen worden ver-
kregen voor sommige schepen met houten romp die nog
lange tijd gebruikt kunnen worden, omdat dergelijke
scheepstypen niet meer gemaakt worden en de schepen
in kwestie bijgevolg slechts een geringe marktwaarde
hebben.
2.4. Titel IV: Ontwikkeling van de aquicultuur en
inrichting van de kustzone
2 AA. Het Comité is van oordeel dat de
steunverlening voor materiële investeringen ten behoeve
van de bouw, uitrusting of modernisering van in-
stallaties niet zou mogen worden beperkt tot projecten
waarmee uitsluitend commerciële doeleinden worden
nagestreefd; ook andere projecten (b.v. projecten om
het bestand van bepaalde vissoorten uit te breiden of
projecten van meer algemeen belang) zouden z.i. voor
financiële steun in aanmerking moeten komen.
2.4.2. Verder zou volgens het Comité ook steun moe-
ten worden verleend voor de aankoop van pootvis.
2.4.3. Het Comité wijst er bovendien op dat het
maximale investeringsbedrag waarvoor steun kan wor-
den verkregen zou moeten worden aangepast aan de
uitvoerbaarheid en het nut van het project in kwestie
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/25
en dat rekening zou moeten worden gehouden met de
omvang van het verrichte onderzoek, met de economi-
sche situatie in het betrokken gebied en met criteria als
rentabiliteit en afzetmogelijkheden binnen de Gemeen-
schap.
2.4.4. Daar de markt voor aquicultuurprodukten
nog in volle ontwikkeling is, dringt het Comité er
bij de Commissie op aan steun te verlenen voor alle
initiatieven die het onderzoek op dit gebied ten goede
komen en leiden tot de oprichting van bedrijven van
dezelfde soort als die welke in derde landen goed blijken
te functioneren. Doet de Commissie dat niet en blijft
de produktiecapaciteit in deze sector beperkt, dan zullen
de communautaire bedrijven al spoedig de concurrentie
van bedrijven in derde landen niet meer aankunnen,
met alle risico's van dien voor het geïnvesteerde geld
en de werkgelegenheid die in deze sector is geschapen.
2.4.5. Verder is het Comité van oordeel dat de Com-
missie zich niet alleen met de ontwikkeling van de
aquicultuur in het algemeen moet bezighouden, maar
ook ernstig de mogelijkheid moet overwegen om via de
vissersorganisaties de vissers ertoe aan te zetten zelf met
behulp van drijvende kooien of met andere middelen
bepaalde soorten pootvis te kweken. De afvalprodukten
en overschotten van de visserij — of in ieder geval een
deel daarvan — zouden dan als voedsel voor dit soort
vissen kunnen worden gebruikt en bijgevolg beter benut
kunnen worden.
Deze maatregel zou de werkgelegenheid ten goede ko-
men en tevens de visserij en de aquicultuur nader tot
elkaar brengen.
2.5. Titel V: Experimentele visserij
2.5.1. Het Comité is van oordeel dat het bedrag van
de aanmoedigingspremie — zowel de bijdrage van de
Gemeenschap als die van de Lid-Staten — in vele geval-
len te gering is. De Commissie zou veel concreter een
bepaald percentage moeten aangeven, daar uit de for-
mulering van lid 1 van artikel 16 („bedraagt ten hoogste
20%") kan worden geconcludeerd dat de premie ook
minder dan 20% kan bedragen.
In ieder geval is het Comité van mening dat de bijdrage
van de Gemeenschap meer dan 20% dient te bedragen.
2.5.2. Volgens het Comité mogen voor de lengte
van de vaartuigen en de duur van de campagnes geen
beperkingen gelden; experimentele visserijcampagnes
moeten z.i. worden uitgevoerd met schepen die geschikt
zijn voor het gebied in kwestie en voor het soort visserij
dat men er wil beoefenen.
2.5.3. Het Comité is van oordeel dat er zowel binnen
als buiten de Gemeenschap gebieden met rijke maar
weinig bekende visgronden voorkomen, zodat geen en-
kele visserijzone mag worden uitgesloten.
2.5.4. Verder vindt het Comité het weinig realistisch
dat men de experimentele visserijcampagnes wil beper-
ken tot de wateren van landen waarmee de Gemeen-
schap een visserijovereenkomst heeft gesloten of over
een dergelijke overeenkomst onderhandelt. Dit zou na-
melijk betekenen dat in de wateren van andere landen,
dit wil zeggen landen waarmee de Gemeenschap geen
visserijovereenkomst heeft gesloten, geen experimentele
visserijcampagnes mogen worden uitgevoerd, hetgeen
een beperking van de vangst- en expansiemogelijkheden
van de communautaire vissersvloot met zich zou
brengen. Daarom zou het Comité graag zien dat de
experimentele visserijcampagnes mogen worden uitge-
voerd in de wateren van alle landen waarmee de Ge-
meenschap betrekkingen onderhoudt.
2.5.5. Het Comité zou ook willen dat de Commissie
en de Lid-Staten bij experimentele visserijcampagnes
van lange duur of in gebieden met zeer ongunstige
klimatologische omstandigheden (koude) het steunper-
centage optrekken zodat ook een arts of een deskundige
aan de campagne kan deelnemen om de levensom-
standigheden aan boord grondig te bestuderen (voe-
ding, kleding, ontspanning, arbeidsomstandigheden,
enz.).
2.5.6. Ook proeven met bepaalde soorten vistuig of
apparatuur zouden volgens het Comité als experimen-
tele visserijcampagnes moeten worden beschouwd.
2.6. Titel VI: Tijdelijke samenwerkingsverbanden
2.6.1. Net als bij de experimentele visserijcampagnes
(paragraaf 2.5.4) zou ook op dit vlak het toepassings-
gebied van de voorgestelde steunregeling moeten wor-
den verruimd: de regeling zou volgens het Comité
eveneens moeten gelden voor tijdelijke samenwerkings-
verbanden met natuurlijke of rechtspersonen uit derde
landen waarmee de Gemeenschap andere dan visserij-
betrekkingen onderhoudt.
2.6.2. Het Comité vindt het goed dat prioriteit wordt
gegeven aan de voorziening van de communautaire
markt, maar acht het tevens van het grootste belang
dat de beschikbare capaciteit volledig wordt benut, ook
al moeten dan vissoorten wórden gevangen die niet zo
zeer voor de communautaire markt als wel voor de
markten buiten de Gemeenschap van belang zijn.
2.7. Titel VII: Aanpassing van de vangstcapaciteit
2.7.1. De regeling inzake tijdelijke stillegging van
vissersvaartuigen moet soepel worden toegepast en tel-
kens opnieuw aan de omstandigheden worden aange-
past.
2.7.2. Het Comité is van oordeel dat al een
stillegpremie zou moeten worden toegekend wanneer
met het vaartuig in kwestie ten minste 100 dagen (i.p.v.
120) is gevist en wanneer het aantal opeenvolgende
stilligdagen het nationale gemiddelde met ten minste
30 dagen overschrijdt.
Nr. C 333/26 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
2.7.3. Verder is het Comité van mening dat de Com-
missie nader zou moeten aangeven wat zij in artikel 25,
lid 1, sub c), bedoelt met „bestemming voor andere
doeleinden, in de wateren van de Gemeenschap, dan
voor de visserij".
2.7.4. Bij schepen met houten romp zou de beëin-
digingspremie volgens het Comité gecombineerd kun-
nen worden met financiële steun uit hoofde van artikel
12, lid 1, sub b) : men zou dergelijke schepen tot zinken
kunnen brengen en ze als biotoop kunnen gebruiken
voor vissoorten waarvan men het bestand wil be-
schermen en vergroten. Deze combinatie van beide
steunvormen zou de eigenaars van dit soort vissersvaar-
tuigen ertoe aanzetten hun schepen definitief stil te
leggen, en zou tevens voor dergelijke schepen een al-
ternatief bieden dat in de lijn ligt van de oplossingen
die de Commissie hiervoor zoekt.
2.7.5. Deze regeling zou alleen gelden voor schepen
van ten hoogste 99 BRT en zou ook kunnen worden
toegepast op schepen met stalen romp van dezelfde
tonnenmaat.
2.8. Titel VIII: Havenuitrusting
2.8.1. Het Comité verzoekt de Commissie te precise-
ren of de in artikel 29, lid 2, sub b), bedoelde „aangewe-
zen instantie" een particuliere organisatie dient te zijn.
2.9. Titel IX: Marktverkenning
2.9.1. Het stemt het Comité tot voldoening dat de
Commissie eindelijk met voorstellen komt om het com-
munautaire verbruik van visserijprodukten te stimule-
ren. De in artikel 31, lid 1, voorgestelde regeling zou
niet alleen een positieve weerslag hebben op het ver-
bruik van visserijprodukten die afkomstig zijn van soor-
ten waaraan een overschot bestaat of waarvan de vangst
zou kunnen worden vergroot, maar zou bovendien ook
het verbruik van nieuwe produkten of bereidingen ten
goede komen.
2.9.2. De Commissie zou ook voor aquicultuur-
produkten waarvan een aanzienlijke produktietoename
mag worden verwacht een financiële bijdrage moeten
toekennen om te trachten de vraag naar deze produkten
— zowel nu als in de toekomst — te stimuleren en de
communautaire markt voor dergelijke produkten te
consolideren.
Gedaan te Brussel, 26 november 1986.
2.10. Titel X: Specifieke maatregelen
2.10.1. Specifieke maatregelen op het vlak van de
visserijstructuur zijn voor de visserijsector een soepel
en interessant instrument; het Comité is echter van
oordeel dat het gebruik van de aanzienlijke begrotings-
middelen die hiervoor beschikbaar zijn niet aan al te
strikte regels mag worden onderworpen.
2.11. Titel XI: Procedure voor onderzoek van de
projecten en verplichtingen van de begun-
stigden
2.11.1. Het Comité dringt er bij de Commissie op
aan dat zij de Lid-Staten aanbeveelt de nodige maatrege-
len te nemen om de voorlichting over deze problematiek
te verbeteren, en dat zij de administratieve procedures
zo veel mogelijk beperkt.
2.11.2. In artikel 39, lid 2, zouden de woorden „kun-
nen in aanmerking worden genomen" moeten worden
vervangen door „dienen in aanmerking te worden ge-
nomen".
2.12. Titel XII: Financiële en algemene bepalingen
2.12.1. Het Comité staat volledig achter de in artikel
45 gespecificeerde vormen van communautaire
steunverlening uit hoofde van de artikelen 7, 10 en 12
(rentesubsidies, kapitaalbijdragen voor de oprichting of
uitbreiding van garantiefondsen, kapitaalsubsidies en
terugvorderbare voorschotten), omdat daaruit blijkt dat
de Commissie het over een andere boeg wil gooien en
een zeer positieve en realistische koers wil gaan volgen.
2.13. Bijlage!
2.13.1. Minimaal in de meerjarige oriëntatieprogram-
ma's te vermelden gegevens. Programma's inza-
ke de vissersvloot
Aangezien in de passages over de bouw en modernise-
ring van vissersvaartuigen de lengte van de vaartuigen
als voornaamste criterium wordt gehanteerd, zou dit
criterium ook in punt 1.2 van deze bijlage — naast
tonnenmaat, vermogen en leeftijd — moeten worden
vermeld.
Verder zou volgens het Comité ook melding moeten
worden gemaakt van het materiaal waaruit de romp is
gemaakt (hout, staal, glasvezel, enz.).
De Voorzitter
van bet Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Full & Egal Universal Law Academy