29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/45
Advies inzake het voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad betreffende het ka-
derprogramma van communautaire werkzaamheden op het gebied van onderzoek en tech-
nologische ontwikkeling (1987-1991)
(86/C 333/12)
De Raad heeft op 12 augustus 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 75
van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap het Economisch
en Sociaal Comité om advies te vragen inzake het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor energie, nucleaire vraagstukken en onderzoek, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 november 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer Roseingrave.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van
27 november 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goed-
gekeurd.
Het Comité is er vast van overtuigd dat het ontwerp-kaderprogramma voor 1987-1991 een
belangrijke stap is op de weg naar een werkelijke Gemeenschap voor wetenschap en technolo-
gie, en zulks niettegenstaande de in onderstaande paragrafen vermelde kanttekeningen,
waaraan terdege aandacht zou moeten worden besteed.
Indien het programma zoals het nu door de Commissie is voorgesteld wordt goedgekeurd,
zal het het resultaat zijn van de politieke wil waarvan de Lid-Staten al herhaaldelijk uiting
hebben gegeven, laatstelijk in de Europese Akte van december 1985, waarin een heel hoofdstuk
aan de totstandbrenging van een Gemeenschap voor technologie is gewijd.
Het Comité is ervan overtuigd dat het tweede kaderprogramma dient bij te dragen tot
versterking van de wetenschappelijke en technologische grondslagen van de Europese industrie
in zowel de kleinere als de grote Lid-Staten; tevens dient het bij te dragen tot verbetering van
het internationale concurrentievermogen van de Gemeenschap, waardoor de levensstandaard
van de burgers verhoogd en de samenhang van de Gemeenschap vergroot kunnen worden.
Het Comité meent evenwel dat de door de Commissie voorgestelde financiële verplichtingen
voor de periode 1987-1991 als een absoluut minimum moeten worden gezien wil men aan de
politieke verlangens tegemoet komen die zo plechtig tot uitdrukking zijn gebracht.
Het Comité dringt er daarom met klem bij de Raad op aan, te voorkomen dat korte-
termijnoverwegingen van financiële aard maatregelen in gevaar brengen die van zo cruciale
betekenis zijn voor de toekomst van de Gemeenschap.
1. Hoofddoelstellingen en strategie van de werkzaam-
heden van de Gemeenschap inzake onderzoek en
technologische ontwikkeling (O & TO)
1.1. Versterking van de wetenschappelijke en tech-
nologische basis van de Europese industrie en verbete-
ring van de internationale concurrentiepositie van deze
sector zijn hoofddoelstellingen van een O & TO-
strategie, maar zijn in feite slechts onderdeel van de
totstandbrenging van een Europa dat zijn burgers meer
te bieden heeft. Daartoe zijn bovenal meer werkgelegen-
heid en een verbeterde kwaliteit van het bestaan voor
de burgers in de Gemeenschap benodigd.
1.2. Het Comité wil de aandacht vestigen op zijn
zienswijze op de O &: O-doelstellingen van de Gemeen-
schap en verwijst daartoe naar de paragrafen 2.4.1 t/m
2.4.6 in het advies inzake „Prioriteiten voor onderzoek -
initiatieven van de Gemeenschap" (*).
(') PBnr. C 160 van 1.7. 1985.
1.3. Er moet een bredere inhoud worden gegeven
aan O &: T O dan de Commissie in haar voorstellen
doet, ten einde de maatschappelijke doelstellingen die
de Gemeenschap zich heeft gesteld te kunnen bereiken,
en omdat verbetering van de concurrentiepositie en
innovatie van meer dan alleen het werk van onderzoe-
kers afhangen. Deze doelstellingen zullen alleen verwe-
zenlijkt kunnen worden indien meer aandacht wordt
besteed aan zeer uiteenlopende elementen, zoals de cul-
turele en menselijke factoren die bij het in de handel
brengen van resultaten meespelen, de wettelijke in-
strumenten, het marktonderzoek en de inschakeling van
werknemers en hun sectoriële belangengroeperingen bij
het plannen en tenuitvoerleggen van O & T O en de
exploitatie van de resultaten ervan.
De Commissie stelt voor, en hiermee is het Comité het
eens, om O & T O in dienst te stellen van de sociale
ontwikkeling, waarbij in het O & TO-programma een
bijzondere plaats dient te worden ingeruimd voor de
sociale dialoog. De Commissie zou haar toezegging
daarom gestand moeten doen en daartoe praktische
Nr. C 333/46 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
voorstellen in de acht „acties" van het nieuwe ka-
derprogramma moeten formuleren.
1.4. In het nieuwe kaderprogramma voor werkzaam-
heden van de Gemeenschap op het gebied van onder-
zoek en technologische ontwikkeling zou een veel groter
gewicht moeten worden toegekend aan de maat-
schappelijke dimensie van de Gemeenschap, aan de
maatschappelijke gevolgen van technologische veran-
deringen en aan het maatschappelijke potentieel van
nieuwe technologie. Deze maatschappelijke factoren
zouden een essentieel bestanddeel moeten zijn van het
programma en een belangrijke rol moeten spelen bij het
bepalen van prioriteiten. In het voorgestelde ka-
derprogramma komt de band tussen O & O en de
maatschappelijke aspecten van technologische veran-
deringen alsmede consumentenvraagstukken onvol-
doende uit de verf.
1.5. De sociaal-economische samenhang van de Ge-
meenschap, een tweede hoofddoel van het nieuwe ka-
derprogramma, zal niet worden verwezenlijkt wanneer
daartoe geen specifieke en nadrukkelijke maatregelen
worden genomen. Doordat hieraan in het voorstel maar
beperkt aandacht wordt geschonken, zouden de ver-
schillen in plaats van kleiner juist nog wel eens groter
kunnen worden.
De fundamentele gedachte die bij de tenuitvoerlegging
van deze maatregelen centraal moet staan, is dat Eu-
ropese eenheid alleen mogelijk is indien de economisch
zwakkere Lid-Staten hun technologische onderzoek-
inspanning zodanig opvoeren dat hun capaciteit dichter
in de buurt komt van die van de sterkere Lid-Staten.
Dit had expliciet vermeld moeten worden in de „Oog-
merken" van de Commissie voor een nieuw ka-
derprogramma.
1.6. Een O & TO-programma dat uitsluitend gericht
is op verbetering van de concurrentiepositie op korte
of op middellange termijn, is niet te verdedigen. Verbe-
tering van de concurrentiepositie draagt uiteraard bij
tot de welvaart van de Gemeenschap via successen op
de wereldmarkt, maar is niet gerechtvaardigd wanneer
dit ten koste van een ander centraal element — de
werkgelegenheid — gaat.
Verbetering van de concurrentiepositie als hoofddoel
van het tweede kaderprogramma behoeft een beredene-
ring: gehoopt wordt dat via toepassing van nieuwe
technologie nieuwe behoeften tegen concurrerende
prijzen kunnen worden bevredigd. Op deze wijze zou
worden bijgedragen tot het ontstaan van nieuwe werk-
gelegenheid. Het belangrijkste doel van het eerste ka-
derprogramma was verbetering van de concurrentiepo-
sitie door kostenmatiging; daarbij heeft procesinnovatie
in vergelijking met produktinnovatie veel aandacht ge-
kregen.
1.7. Ten aanzien van Eureka wil het Comité verwij-
zen naar de langdurige discussie in het informatieve
rapport „Nieuwe technologie — O & O van de Europe-
se Gemeenschap" (CES 851/85) van de Afdeling voor
energie, nucleaire vraagstukken en onderzoek, en naar
de hierin geformuleerde conclusies:
De voorgenomen werkzaamheden in het kader van de
ETG en Eureka moeten met elkaar in overeenstemming
worden gebracht, en moeten elkaar aanvullen. Nu al
blijkt dat de twee programma's elkaar dreigen te over-
lappen. Een gebrek aan adequate coördinatie in de
organisatie van de Europese O & O-werkzaamheden
kan er helaas toe leiden dat het Eureka-programma
ernstige onevenwichtigheden veroorzaakt.
Het Comité wijst er met klem op dat de kleine alsmede
de sectoriële onderzoekinstituten een belangrijke rol
kunnen spelen bij innovatie en het creëren van nieuwe
produkten en procédés.
Hoewel de Gemeenschap inderdaad via de Commissie
vertegenwoordigd is in het coördinerend orgaan van
Eureka, wordt een volledigere coördinatie tussen ETG
en Eureka gewaarborgd door de Commissie ook bij het
functioneren van het Eureka-secretariaat te betrekken.
De Commissie zou volledig bevoegd moeten zijn voor .
de coördinatie van alle O & TO-werkzaamheden op
Europees niveau.
1.8. Om de doelstellingen van haar strategie te ver-
wezenlijken, dient de Gemeenschap:
— volledig gebruik te maken van de „toegevoegde
waarde" die een in Gemeenschapsverband gecoördi-
neerde O & TO-strategie oplevert;
— snel voortgang te maken met de voltooiing van de
binnenmarkt;
— het innovatieproces dat op het precommerciële
onderzoek aansluit, in een stroomversnelling te
brengen.
1.9. Het Comité onderschrijft de door de Commissie
vermelde voordelen die aan de „toegevoegde waarde"
(voortvloeiende uit de communautaire dimensie) vast-
zitten: o.m. kostendeling, spreiding van wetenschappe-
lijke risico's, bereiken van de „kritische massa" wat
financiële middelen en personeel betreft, grotere ef-
ficiëntie, mogelijkheid tot het lanceren van verdere
maatregelen.
1.10. Het O &C TO-budget van de Gemeenschap is
maar bescheiden in vergelijking met het totale O &
TO-budget van de Lid-Staten (ca. 3 % van de algemene
Gemeenschapsbegroting en 2,5 % van de totale uitgaven
van de Lid-Staten voor O & TO). De strategie van de
Gemeenschap op dit gebied heeft dan ook vier belangrij-
ke functies:
— coördinatie van de nationale O & O-inspanningen,
— stimulering van gezamenlijke O & O,
— verspreiding van O & O-resultaten,
— bevordering van innovatie.
1.11. Er zijn twee duidelijk zichtbare belemmeringen
die innovatie in de weg staan en die onmiddellijk zouden
moeten worden weggenomen, namelijk het ontbreken
van een eenvoudig te verkrijgen Gemeenschapsoctrooi
en het geringe aantal Gemeenschapsnormen. Andere
belemmeringen zijn minder zichtbaar, met name het feit
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/47
dat de Lid-Staten ongaarne afstand doen van wat zij
als nationaal belang bestempelen.
1.12. Voor het bereiken van een kritische omvang
wat apparatuur en personeel betreft is men — en dit is
van zeer grote betekenis — niet langer aangewezen op
één enkele geografische lokatie; de nieuwe informatie-
en communicatietechnologieën maken het mogelijk om
de inspanningen te concentreren in een elitecentrum
waarin onderzoekers en „innovatoren" die op ver-
schillende geografische lokaties werken, zijn sa-
mengebracht.
1.13. Het Comité onderschrijft de door de Commis-
sie voorgestelde nieuwe oriëntatie van de mededingings-
voorschriften met betrekking tot O & T O . De mededin-
gingsvoorschriften werden opgesteld in een tijd waarin
Europa nog betrekkelijk gesloten was: tegenwoordig
gaat dit niet meer op en zijn ondernemingen uit de
Gemeenschap op de Europese markt in een concur-
rentiestrijd gewikkeld met de grote Amerikaanse en
Japanse bedrijven. De mededingingsvoorschriften moe-
ten dus worden aangepast om het ondernemingen in de
Gemeenschap niet onmogelijk te maken, als gelijke de
strijd aan te binden met hun Amerikaanse en Japanse
superconcurrenten. Wat heeft het voor zin om op het
gebied van O & T O samenwerking te stimuleren indien
vervolgens belet wordt dat bedrijven een samenwer-
kingsverband aangaan voor de gebruikmaking van
onderzoekresultaten en het op de markt brengen van
nieuwe produkten ?
1.14. De trage en ondoeltreffende omzetting van
O & TO-resultaten in commerciële produkten is een
ernstige tekortkoming in het industriële concurrentie-
vermogen van de Gemeenschap. De Gemeenschap moet
proberen ervoor te zorgen dat sneller van onderzoek-
resultaten gebruik wordt gemaakt. Met name midden-
en kleinbedrijven zouden de mogelijkheid moeten
krijgen om demonstratieprojecten voor te stellen die
niet onder volledig uitgewerkte Gemeenschapsprogram-
ma's vallen.
2. O- &C TO-werkzaamheden
Het Comité stemt in met de criteria waardoor de Com-
missie zich heeft laten leiden bij de keuze van de acht
„acties" die zij in dit voorstel voor een nieuw ka-
derprogramma heeft opgenomen. Het Comité is echter
bezorgd over de manier waarop de Commissie de acties
heeft ingevuld, aangezien hierin volgens hem niet vol-
doende recht wordt gedaan aan voornoemde criteria.
2.1. Kwaliteit van het bestaan
2.1.1. De onder dit hoofd voorgestelde thema's voor
communautair onderzoek zijn van groot belang en zeer
nuttig. Niettemin zijn zij zeer beperkt en wordt hierin
enerzijds geen rekening gehouden met een aantal ba-
sisproblemen van het leven in de Gemeenschap, terwijl
anderzijds de mogelijkheden worden veronachtzaamd
die O & T O in zich dragen om zich op nieuwe produk-
ten en markten te richten en daarmee in te spelen op
/ maatschappelijke behoeften.
De gekozen aanpak schiet in een aantal opzichten ern-
stig tekort, aangezien bij voorbeeld geen gewag wordt
gemaakt van belangrijke onderwerpen, zoals de in om-
vang toenemende problemen voor afhankelijke per-
sonen (langdurig werklozen, geïsoleerde bejaarden), de
noodzaak om de verslechtering van de kwaliteit van het
bestaan in de binnensteden tot staan te brengen, het
zich als gevolg van de technologische ontwikkeling wij-
zigende patroon van vrijetijdsbesteding en de mogelijk-
heid om de kwaliteit van het bestaan te verbeteren door
de mensen te leren aan zelfhulp te doen via samenwer-
king en deelneming aan constructieve activiteiten in hun
eigen buurten en plaatselijke gemeenschappen.
Door de strekking van het hoofdstuk „Kwaliteit van
het bestaan" te beperken tot gezondheid en milieu,
beperkt de Commissie de mogelijkheden om de re-
sultaten van O &c TO toe te passen op gebieden waar
zulks tot het ontstaan van nieuwe produkten kan leiden,
tot bevrediging van nieuwe behoeften en daarmee tot
nieuwe werkgelegenheid. Een dergelijke beperking van
de strekking van dit hoofdstuk is volstrekt onaanvaard-
baar aangezien er op deze wijze geen programma's
komen voor dit essentiële onderdeel van het ka-
derprogramma.
2.1.2. Het in het nieuwe kaderprogramma neergeleg-
de doel, namelijk consolidatie en uitbouw van het „Eu-
ropese model", waarbinnen sociale dialoog, werk- en
leefklimaat en milieubewustzijn een bijzondere plaats
innemen, kan niet worden verwezenlijkt, tenzij de
strekking van dit hoofdstuk wordt verbreed en hiermee
in de andere „acties" voortdurend rekening wordt ge-
houden.
2.1.3. Op verbetering van de kwaliteit van het be-
staan gerichte O &: TO-programma's zouden daarom
een bron van nieuwe produkten en dus ook van nieuwe
marktmogelijkheden voor het bedrijfsleven in de Ge-
meenschap en daarbuiten moeten zijn. Verruiming van
de strekking van dit programmapunt wordt dan ook
gerechtvaardigd door de mogelijke bijdrage ervan tot
de industriële ontwikkeling en daardoor tot opvoering
van de werkgelegenheid.
2.1.4. Het valt toe te juichen dat er een programma
komt dat onder verantwoordelijkheid van Directoraat-
generaal V (Werkgelegenheid, sociale zaken en onder-
wijs) ten uitvoer zal worden gelegd. Dit moet echter
niet worden beschouwd als een factor waarmee de
strekking die in het nieuwe kaderprogramma aan dit
hoofd is gegeven, wordt ingeperkt.
2.1.5. De milieucomponent van dit programmapunt
zou ook onderzoekvoorstellen moeten omvatten met
betrekking tot de transnationale problemen inzake wa-
terverontreiniging.
Tevens zou sterker de nadruk moeten worden gelegd
op een efficiënt beheer van land en water, ten einde
ecologische „rampen", zoals de huidige verwoestijning
in diverse gebieden van de Gemeenschap, te voorkomen.
Het O & TO-werk op dit gebied zou echter geken-
merkt moeten worden door een multidimensionele aan-
pak, aangezien nu duidelijk is (en de Commissie onder-
schrijft dit standpunt in haar nieuwe richtlijnen inzake
het milieubeleid (COM(86) 76 def. van 19 februari
1986) dat dergelijke problemen niet langer in uitsluitend
sectorieel of nationaal verband kunnen worden opge-
Nr. C 333/48 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
lost. Onderzoek en technologische ontwikkeling moeten
daarom worden toegespitst op voorkoming van ver-
plaatsing van verontreiniging van de ene milieusector
naar de andere (water, grond, lucht) welke de kwaliteit
van het bestaan in diverse gebieden in de Gemeenschap
mede aantasten.
2.2. Naar een informatiemaatschappij
2.2.1. De Commissie zegt in haar document heel
weinig over dit programmapunt dat betrekking heeft
op informatietechnologie (IT). Dat is opvallend, omdat
de Commissie voor deze „actie" het grootste bedrag,
namelijk 2,05 miljard Ecu ofte wel 26,5 % van het totale
budget, wil uittrekken.
2.2.2. Ervan uitgaande dat dit programmapunt ook
voortzetting inhoudt van de succesvolle programma's,
waarover het Comité zich reeds in positieve zin heeft
uitgesproken, is het Comité het ermee eens dat grote
bedragen worden gestoken in informatietechnologie.
Wel vestigt het er daarbij de aandacht op dat het geen
zin heeft, zich te sterk te concentreren op hardware in
het streven om „de Europese industrie in staat (te)
stellen in de jaren 1990 opnieuw een stevige concurren-
tiepositie op de wereldmarkt in te nemen".
2.2.3. Het Comité stelt vast dat de betekenis van de
ontwikkeling van de cognitieve wetenschappen voor de
IT er in het voorstel van de Commissie maar bekaaid
af komt. Dit valt te betreuren, niet alleen in verband
met de fundamentele betekenis van de cognitieve weten-
schappen op het gehele gebied van de technologische
ontwikkeling, maar ook in verband met het potentieel
dat deze wetenschappen in zich dragen voor het doen
ontstaan van nieuwe innoverende diensten, en voor het
identificeren van nieuwe behoeften en een nieuwe vraag
die met de nieuwe technologische instrumenten kunnen
worden bevredigd.
2.2.4. De problematiek in verband met de concurren-
tiepositie is wellicht niet alleen dat de resultaten van
O & T O in de Gemeenschap niet op tijd tot in het
marktstadium worden gebracht, maar ook dat de markt
niet goed wordt geïdentificeerd of dat niet snel genoeg
of in onvoldoende mate wordt ingespeeld op een vraag
naar nieuwe diensten.
2.2.5. Het Comité vestigt de aandacht op de grote
betekenis van de opmerkingen van de Afdeling voor
energie, nucleaire vraagstukken en onderzoek in haar
informatieve rapport inzake „Nieuwe technologieën —
O & O van de Europese Gemeenschap". In dit rapport
wordt o.m. gewezen op de potentiële rol die het Iris-
initiatief kan vervullen om de bestaande informatietech-
nologieën op grotere schaal te gebruiken voor het voor-
zien in behoeften waardoor de kwaliteit van het da-
gelijkse leven zou kunnen worden verbeterd en „de
ontwikkelingen beter op nieuwe moderne en aanvaard-
bare waarden en maatschappelijke en individuele be-
hoeften (zouden) aansluiten". Het Comité meent dat in
het voorstel voor een nieuw kaderprogramma voor
O & T O van de Gemeenschap meer aandacht moet
worden besteed aan verwezenlijking van het expliciet
in het programma vermelde doel, namelijk om O &
T O ten dienste van de sociale ontwikkeling te stellen,
dit in verband met de mogelijkheden hiervan om de
totstandbrenging te bevorderen van nieuwe innoveren-
de diensten die in nieuwe behoeften moeten voorzien
en de bijdrage hiervan tot het wegwerken van de huidige
onevenwichtigheid tussen de produktie van nieuwe goe-
deren en diensten enerzijds, en het in een stroomversnel-
ling brengen van de produktieprocédés, met maar al te
vaak verlies van arbeidsplaatsen, anderzijds.
2.2.6. Het Comité herhaalt hier wat in voornoemd
rapport over informatietechnologie is opgemerkt:
„De economische effecten van de veranderende infor-
matiemarkt en de maatschappelijke gevolgen, met name
in arbeidsintensieve takken van industrie, verdienen
dringend aandacht. De factor mens is van uitermate
groot belang op de informatiemarkt en de Gemeenschap
is voor haar welslagen op dit gebied volledig aangewe-
zen op het kwalificatieniveau van jonge Europeanen.
Informatietechnologie en veranderingen op de infor-
matiemarkt hebben belangrijke gevolgen voor de regio-
nale ontwikkeling in de Gemeenschap. Regionale on-
evenwichtigheden kunnen hierdoor worden aange-
scherpt. Met de thans ter beschikking staande infor-
matietechnologie kunnen echter ook uit afstand voort-
vloeiende nadelen worden ondervangen, mits de
besluitvorming hieromtrent op het niveau van de Ge-
meenschap en de Lid-Staten plaatsvindt. Het ac-
tieprogramma dat de Commissie in haar werkprogram-
ma ten behoeve van probleemgebieden voorstelt, dient
met spoed te worden vastgesteld."
2.3. Het „dderstelsel" van de grote interne markt
2.3.1. Het Comité staat er volledig achter dat de
Commissie in haar voorgestelde programma voort wil
gaan met onderzoek op de gebieden waaraan zij de
algemene benaming „Telecommunicatie" enerzijds en
„Integratie van telecommunicatietechnologie, infor-
matietechnologie en audiovisuele technologie in nieuwe
diensten van gemeenschappelijk belang" anderzijds
heeft gegeven.
2.3.2. Het Comité is het eens met de Commissie dat
geavanceerde telecommunicatie, informatie en au-
diovisuele media „niet alleen (...) een essentiële parame-
ter voor het succes van de grote interne markt" zijn,
maar ook als „één van de essentiële troeven in de
concurrentiestrijd op wereldniveau" moeten worden
betiteld. Met het oog op de totstandbrenging van een
goede concurrentiepositie ten opzichte van de andere
grote handelsmogendheden wil het Comité herhalen
wat het heeft gezegd in zijn advies inzake „Prioriteiten
voor onderzoekinitiatieven van de Gemeenschap'^1),
(!) PB nr. C 160 van 1. 7. 1985.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/49
namelijk dat „het zaak (is) dat de resultaten van O,
O & D in de Gemeenschap veel sneller marktrijp wor-
den gemaakt dan thans het geval is. De politieke wil
tot samenwerking en een echte bereidheid om de O,
O & D-resultaten ook over de landsgrenzen heen toe
te passen, zijn voor de inspanning van de Gemeenschap
op O, O & D-gebied van vitaal belang."
Of er voldoende „betaalbare communicatiemiddelen
met groot prestatievermogen", welke luidens het voor-
stel van essentieel belang zijn voor de produktiviteit
en de efficiëntie van verreweg de meeste industriële
activiteiten, zullen komen, is afhankelijk van de vraag of
de politieke bereidheid daartoe ook in de werkelijkheid
wordt vertaald en of bij de overdracht van O & TO-
resultaten in transnationaal verband wordt sa-
mengewerkt.
2.3.3. Het Comité deelt de hoop van de Commissie
dat in de jaren 1990 „geïntegreerde breedband-
communicatie(...) met een brede waaier van diensten"
tot stand komt in de Gemeenschap. Het wijst er echter
op dat de Gemeenschap, in tegenstelling met de Ver-
enigde Staten, rekening moet houden met taalbarrières
bij het invoeren van dergelijke netwerken. Het Comité
wenst opnieuw met nadruk te wijzen op zijn uitspraak
in het advies inzake „Een voorbereidende actie voor
een O & O-programma van de Gemeenschap op het
gebied van telecommunicatietechnologie" (Race) (*),
namelijk dat nu daadwerkelijk maatregelen moeten
worden genomen ter compensatie van de negatieve ef-
fecten van taalbarrières op „de kwalitatieve en
kwantitatieve ontwikkeling van de uitwisseling van in-
formatie over de grenzen heen". De Gemeenschap moet
tevens sterk de nadruk leggen op de aanpak van proble-
men ten aanzien van standaardisering en koppeling bij
de uitwisseling van informatie over de grenzen heen (op.
cit.) indien zij, zoals de Commissie in haar voorstellen
aangeeft, een gestandaardiseerde markt voor telecom-
municatieapparatuur en -diensten tot stand wil brengen.
2.4. Toepassing van nieuwe technieken bij de mo-
dernisering van industriële sectoren
2.4.1. Om haar concurrentiepositie op de internatio-
nale markten te behouden en om een groter marktaan-
deel te veroveren voor nieuwe produkten, is het voor
de Gemeenschap van vitaal belang dat de resultaten
van haar O & TO-werkzaamheden aan de hoogste
produktnormen voldoen en dat de vruchten van het
onderzoek op efficiënte wijze, op grote schaal en snel
in het stadium van commerciële toepassing worden
gebracht. Het Comité meent in dit verband dat het
probleem niet gelegen is in eventuele tekortkomingen
qua kwaliteit van het O & TO-werk van de Gemeen-
schap of in tekortschietende produktnormen (het te-
gendeel wordt wel bewezen door de Europese successen
op het gebied van wetenschap en technologie: Esprit,
Ariane, Brite, Race, Jet, Airbus, enz.), maar in het feit
dat het zo lang duurt voordat de resultaten van O &C
TO in de vorm van nieuwe produkten op de markt
zichtbaar worden.
2.4.2. Zeer opmerkelijk in dit verband is dat de tech-
nologische onderzoekcentra in de Gemeenschap mo-
menteel steeds maar nieuwe instrumenten produceren.
Deze „explosie van nieuwe instrumenten" gaat echter
niet steeds gepaard met beleidsmaatregelen en activi-
teiten die gericht zijn op het snel en doeltreffend identifi-
ceren van marktbehoeften welke met behulp van deze
nieuwe instrumenten en deze nieuwe kennis kunnen
worden bevredigd. De onevenwichtigheid tussen het
aanbod van nieuwe technologische instrumenten en de
vraag naar nieuwe produkten en diensten die met deze
nieuwe instrumenten kunnen worden bevredigd, draagt
in belangrijke mate bij tot de lange tijd die in de
Gemeenschap verloopt voordat O & TO-resultaten tot
in het marktstadium worden gebracht. Voor de Ge-
meenschap betekent dit een significante handicap in
haar concurrentiestrijd met de Verenigde Staten en Ja-
pan op de wereldmarkt.
In dit verband meent het Comité dat de Commissie
zo spoedig mogelijk zou moeten aangeven, op welke
markten ieder programma uiteindelijk gericht is. Daar-
toe is uiteraard een vorm van marktverkenning nodig
(waarbij de term „marktverkenning" begrepen moet
worden zoals deze term in het bedrijfsleven wordt ge-
hanteerd). Deze opmerking geldt ook voor de onder-
zoekprogramma's op het gebied van gezondheidszorg,
welzijn, veiligheid en milieubescherming.
Het voorgestelde programma moet zo mogelijk aan-
sluiten bij de totstandbrenging van de binnenmarkt; dit
betekent dat het nieuwe kaderprogramma als geheel
gericht moet zijn op markten die in de nog ver voor
ons liggende periode 2000-2010 zullen ontstaan, met
dien verstande dat het ontwikkelingsproces van labora-
toriumstadium tot en met het marktstadium wel 10 a
20 jaar kan duren.
De Commissie moet er ook aan denken dat met het
onderzoek voor de produkten die vandaag op de markt
komen in de jaren 1965-1970 een begin is gemaakt.
Wellicht geldt een kortere periode op de gebieden ge-
zondheid, veiligheid en milieubescherming.
2.4.3. In het document „Staatssteun voor onderzoek
en ontwikkeling: een communautair kader"(2) zet de
Commissie de betekenis van O & T O uiteen voor
verbetering van de concurrentiepositie en bevordering
van innoverende concurrentie. Stimulering van onder-
zoek en ontwikkeling in de Gemeenschap is van centraal
belang in de strategie gericht op versterking van de
technologische basis en van de „internationale concur-
rentiepositie" van het Europese bedrijfsleven. Het
Comité onderschrijft deze benadering van staatssteun
voor O & TO-werkzaamheden. De synergie-effecten
die van de gezamenlijke inspanningen van de Gemeen-
schap, de Lid-Staten en de diverse betrokken onderne-
mingen en onderzoekcentra mogen worden verwacht,
kunnen namelijk alleen maar voordelig zijn.
(!) PB nr. C 188 van 29. 7. 1985. (2) PBnr. C83 van 11.4. 1986.
Nr. C 333/50 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
2.4.4. Naarmate wij ons langs de „onderzoekkolom"
van fundamenteel onderzoek naar de industriële toe-
passing en het marktstadium van O & TO-resultaten
verplaatsen, wordt het mededingingsbeleid van de Ge-
meenschap ten aanzien van overheidssteun echter steeds
restrictiever. Doel hiervan is te voorkomen dat de con-
currentieverhoudingen bij de produktie en het op de
markt brengen van goederen die tussen de Lid-Staten
worden verhandeld, worden scheefgetrokken. Het feit
dat ten aanzien van de overheidssteun voor O & T O
restricties gaan gelden naarmate O & T O het markt-
stadium nadert, draagt er uiteraard toe bij dat het
gevaar van concurrentiedistorsies tussen Lid-Staten ge-
ringer wordt. Wel heeft dit tot gevolg dat de Gemeen-
schap, wat de mededinging op de wereldmarkt betreft,
als economische entiteit ernstig benadeeld is, een-
voudigweg omdat zij — in tegenstelling met de Ver-
enigde Staten en Japan — nog geen geünifieerd handels-
blok is. Beperking van overheidssteun voor O & T O
heeft tot gevolg dat de Gemeenschap er, vergeleken met
de Verenigde Staten en Japan, langer dan nodig over
blijft doen om O & TO-resultaten toe te passen. De
ironie wil nu dat het mededingingsbeleid van de Ge-
meenschap weliswaar gericht is op verbetering van de
internationale concurrentiepositie van het bedrijfsleven
in de Gemeenschap, maar dat voorschriften ter voorko-
ming van concurrentiedistorsies tussen de Lid-Staten
juist het tegengestelde kunnen bewerkstelligen.
2.4.5. Er is reeds op gewezen dat er met spoed een
gemakkelijk te verkrijgen Gemeenschapsoctrooi alsook
Gemeenschapsnormen moeten komen.
2.4.6. Het midden- en kleinbedrijf heeft soms behoef-
te aan speciale hulp om de resultaten van O &C TO-
werkzaamheden van de Gemeenschap te kunnen evalue-
ren en exploiteren. Midden- en kleinbedrijven be-
schikken zelf niet altijd over de wetenschappelijke staf
die de relevante O & TO-resultaten kan selecteren en
op hun mogelijkheden kan beoordelen. Er zou steun
moeten worden gegeven aan een programma met proef-
projecten ten einde te onderzoeken hoe doeltreffend
vormen van samenwerking kunnen zijn tussen midden-
en kleinbedrijven en hoger-onderwijsinstellingen, waar-
bij laatstgenoemde niet noodzakelijkerwijs in geografi-
sche zin dicht bij de betrokken midden- en kleinbe-
drijven behoeven te zijn gevestigd. Dit zou zeker vruch-
ten afwerpen. Met deze steun zou het midden- en klein-
bedrijf ongetwijfeld beter gebruik kunnen maken van
de O & TO-resultaten, zoals door sommige midden-
en kleinbedrijven bij de overdracht van technologie al
is bewezen. Onderzocht zou moeten worden hoe op
databases opgeslagen onderzoekresultaten gemakkelij-
ker toegankelijk kunnen worden gemaakt voor midden-
en kleinbedrijven.
2.4.7. Grote bedrijven en kleine en middelgrote be-
drijven vullen elkaar aan. Het grootbedrijf staat voor
macht en het vermogen om grootschalige technieken
tot ontwikkeling te brengen, terwijl het midden- en
kleinbedrijf staat voor flexibiliteit, hoge wendbaarheid
en het vermogen om snel op marktkansen in te spelen.
Midden- en kleinbedrijven mogen niet als anders wor-
den beschouwd en evenmin anders worden behandeld
omdat zij een ander omzetcijfer of een geringer aantal
werknemers hebben. Indien er specifieke maatregelen
worden goedgekeurd, dan moet zulks gebeuren op de
grondslag van de omvang van de projecten en niet van
de omvang van de bedrijven.
2.4.8. Er zou een beleid moeten worden uitgewerkt
dat de financiële instellingen ertoe aanzet, meer nadruk
te leggen op het verstrekken van investeringsgelden voor
O & T O ten behoeve van innovatie door bedrijven.
2.4.9. Het Comité is het eens met de bijzondere aan-
dacht die wordt besteed aan wetenschap en technologie
inzake materialen en grondstoffen. Dit strookt met de
standpunten die het in diverse adviezen al naar voren
heeft gebracht.
2.5. Voortzetting en actualisering van de werkzaamhe-
den op energiegebied
2.5.1. Door het ernstige nucleaire ongeval op
26 april 1986 in Tsjernobyl is op het stuk van de nu-
cleaire veiligheid nu sprake van een „urgentietoestand".
Er moeten fermere voornemens komen om:
— in Gemeenschaps- en in internationaal verband
voorlichtings-, controle- en interventiemaatregelen
uit te werken en toe te passen ten einde kernongeval-
len te voorkomen of zo efficiënt mogelijk te be-
strijden;
— nog intensiever verder te gaan met het onderzoek
inzake nucleaire en technologische veiligheid, en
algemeen geldige veiligheidsnormen op te stellen
voor kerncentrales;
— gezamenlijke normen op te stellen voor het toelaat-
bare stralingsniveau waaraan de bevolking mag
worden blootgesteld.
Daartoe bestaat dringend behoefte aan een analyse van
de inspecties die zijn verricht en van de ervaring die is
opgedaan in diverse landen vóór en na het ongeval van
Tsjernobyl, met het oog op :
— initiatieven en maatregelen tot verbetering van de
veiligheid van momenteel in bedrijf zijnde kern-
centrales,
— maatregelen voor tijdelijke of definitieve stillegging
van oudere of minder veilige centrales,
— een moratorium op de bouw van nieuwe centrales
wanneer deze als onvoldoende veilig worden aange-
merkt of wanneer zij door andere energiebronnen
kunnen worden vervangen,
— energieopties en -beleidsmaatregelen.
2.5.2. Bij het hoofdstuk over fossiele brandstoffen,
nieuwe en vernieuwbare energiebronnen en rationeel
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/51
energiegebruik wil het Comité het volgende aante-
kenen :
a) volgens de voorstellen zal hiervoor in het tweede
kaderprogramma slechts ca. 40% van het bedrag
worden uitgetrokken dat hiervoor in het eerste en
nu nog lopende kaderprogramma is uitgetrokken,
b) dit bedrag is volstrekt onvoldoende gezien de grote
betekenis van de te bestrijken gebieden:
— fossiele brandstoffen zullen nog lange tijd de basis
vormen van onze energievoorziening en het is dan
ook noodzakelijk dat nieuwe procédés — met name
procédés die minder schadelijk zijn voor het milieu
— worden ontwikkeld, zelfs indien de olieprijzen
op korte termijn betrekkelijk laag blijven;
— O & T O inzake nieuwe en vernieuwbare energie-
bronnen moet continu worden voortgezet ten einde
maximaal gebruik van dit energiepotentieel te ma-
ken. In het onderhavige voorstel wordt maar een
bedrag van 210 miljoen Ecu voor O & T O op dit
gebied uitgetrokken, terwijl de Commissie aanvan-
kelijk in haar „Oogmerken" een bedrag van 300
miljoen Ecu in het vooruitzicht had gesteld. Het
Comité spreekt zijn verbazing uit over deze vermin-
dering, vooral ook in verband met het feit dat deze
„Oogmerken" meer dan een maand vóór de ramp
in de kerncentrale van Tsjernobyl werden gepu-
bliceerd.
Volgens het Comité onderstreept de in het jongste voor-
stel vermelde toewijzing van begrotingsgelden opnieuw
het toch al onaanvaardbare gebrek aan evenwicht in de
verdeling van deze gelden over resp. nucleaire en niet
nucleaire energie. De Commissie zelf zegt dat de daling
van de olieprijs wel van kortstondige aard moet zijn
en de Gemeenschap er niet toe mag verleiden haar
inspanningen te verminderen, maar juist aanleiding zou
moeten zijn om de inspanningen met betrekking tot niet
nucleaire energiebronnen op te voeren. Deze zienswijze
wordt echter gelogenstraft door de voorgestelde verde-
ling van begrotingsgelden voor niet nucleaire O &c T O
(11 % van het totaal voor dit programmapunt).
Het ongeval van Tsjernobyl zal zeker aanleiding geven
tot bepaalde accentverschuivingen binnen het O & O-
programma, zowel wat de verhouding O & O op
nucleair/niet nucleair gebied als wat de accenten binnen
elk van deze terreinen betreft.
Wat O & O in de nucleaire sector aangaat, verwijst
het Comité tevens naar de nog aan de gang zijnde
discussie betreffende het ongeval in Tsjernobyl.
2.6. Biotechnologie: een nieuwe cruciale technologie
2.6.1. De Gemeenschap zou er goed aan doen om
haar betrekkelijk sterke positie inzake basisonderzoek
op het gebied van biotechnologie te consolideren.
2.6.2. Het Comité is het in dit verband eens met de
Commissie dat „bij het formuleren van de doelstellingen
(...) de Gemeenschap beslist rekening (zal) houden met
de sociale, ethische en sociaal-culturele implicaties van
de ontwikkeling van de kennis op dit gebied".
2.6.3. In dit verband herhaalt het Comité wat het in
zijn advies inzake „Prioriteiten voor onderzoekini-
tiatieven van de Gemeenschap" (*) heeft verklaard:
„Hogere prioriteit verdient O, O & D met betrekking
tot landgebruik (b.v. het lange-termijneffect van inten-
sieve toepassing van chemicaliën in de landbouw en de
problemen in verband met de hieruit voortvloeiende
uitputting van de grond), O, O & D in de bosbouw
(b.v. biomassa bij snelle aanplantrotatie), O, O & D
op het terrein van de veeartsenijkunde (b.v. problemen
in verband met besmettelijke ziekten bij in- en uitvoer
van fokdieren en voedingsmiddelen). Afgezien van de
intrinsieke waarde kan dit ook gevolgen voor de hervor-
ming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
hebben."
2.6.4. O & T O op het gebied van landgebruik, bos-
bouw en diergeneeskunde is van intrinsieke waarde
voor de ontwikkeling en het concurrentievermogen van
de landbouwsector: tevens is O & T O op deze gebieden
van belang voor het uitstippelen van nieuwe be-
leidsmaatregelen in het kader van de hervorming van
het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
2.6.5. Het is van groot belang dat de op ontwik-
kelingslanden gerichte O & TO-werkzaamheden van
Europese onderzoekinstituten worden gehandhaafd.
Steun van de Gemeenschap op dit gebied kan van
vitale betekenis worden indien de Lid-Staten hun steun
verminderen.
2.6.6. Op de behoeften van minder ontwikkelde re-
gio's van de Gemeenschap gericht onderzoek is in begin-
sel van bijzondere betekenis voor de ontwikkelingslan-
den; bij de planning van deze werkzaamheden zou
daarmee dan ook rekening moeten worden gehouden.
2.6.7. Het Comité staat volkomen achter het voorne-
men om het accent meer te leggen op het verbeteren
van bestaande of het creëren van nieuwe eigen O &
TO-capaciteit in ontwikkelingslanden.
2.6.8. Afgezien van een opmerking onder het hoofd
„Beheer van de agrarische hulpbronnen" over het feit
dat de O & O-werkzaamheden onder meer geconcen-
treerd zullen worden op de „doeltreffendheid van man-
kracht en financiële middelen", lijkt de Commissie maar
heel weinig aandacht te besteden aan de factor mens,
die echter van essentiële betekenis is voor de verbetering
vari de landbouwproduktie.
2.7. Diepzeeonderzoek en exploitatie van de aldaar
aanwezige hulpbronnen
2.7.1. Het Comité is ingenomen met het feit dat de
Commissie nu eindelijk de aangekondigde Gemeen-
schapsmaatregelen inzake zeeonderzoek in het ka-
derprogramma heeft opgenomen.
(J) PB nr. C 160 van 1. 7. 1985.
Nr. C 333/52 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
2.7.2. De O & TO-werkzaamheden op dit gebied
zouden gericht moeten zijn op voorkoming van aan-
tasting van het zeemilieu door verontreinigende stoffen
uit welke bron dan ook (o.m. chemicaliën, afval,
olielozingen, uitworp en lozing van radioactieve stof-
fen). Het gevaar van aantasting van het zeemilieu is het
grootst in de Middellandse Zee.
2.7.3. Er zou door de Gemeenschap meer aandacht
moeten worden besteed aan O & O met betrekking
tot de waterhuishouding dan wordt voorgesteld. Dit
programma zou tevens aan bod moeten komen in het
programmapunt Kwaliteit van het bestaan (Milieu-
bescherming).
2.7.4. Waterbeheer zou ook een belangrijk onder-
werp voor O & TO kunnen zijn in het programmapunt
Wetenschap en technologie ten dienste van de ontwik-
keling; beide programmapunten zouden moeten worden
gecoördineerd. In Zuid-Europa is het verwoestijnings-
proces net als in de ontwikkelingslanden een actueel
probleem.
2.8. Het Europa van de onderzoekers
2.8.1. De voorstellen gericht op de totstandbrenging
van een „Europa van de onderzoekers" zijn te vergelij-
ken met soortgelijke voorstellen waarmee het
Economisch en Sociaal Comité reeds heeft ingestemd
en zijn dan ook toe te juichen. Het Comité vestigt de
aandacht op de juridische problemen die de mobiliteit
beperken en op de noodzaak om het voor we-
tenschappers die een aantal jaren lang onderzoek heb-
ben gedaan, gemakkelijker te maken om hun werkkring
te verlaten en het bedrijfsleven in te gaan. De voorstellen
als zodanig zijn echter bevredigend te noemen.
2.8.2. Het Comité heeft tot zijn verbazing gecon-
stateerd dat onderwerpen als „Prognoses en evaluatie
op het gebied van wetenschap en technologie" (Fast),
„Evaluatie", „Statistische instrumenten" en „Toe-
passing van O & TO-resultaten" zijn ondergebracht in
de voorgestelde achtste actie „Totstandbrenging van
het Europa van de onderzoekers".
Dit zijn namelijk vitale en onafhankelijke elementen
van een gecontroleerd ontwikkelingsproces naar een
Europese Gemeenschap voor wetenschap en technolo-
gie; in de mededeling inzake de „Oogmerken" hadden
deze elementen een veel geschiktere plaats gekregen in
een apart hoofdpunt „Algemene steun voor we-
tenschappelijk en technisch ontwikkelingswerk".
Het Economisch en Sociaal Comité heeft er sterk de
nadruk op gelegd hoe belangrijk het is dat op grotere
schaal gebruik wordt gemaakt van de resultaten van
door de Gemeenschap gefinancierde O & O-werkzaam-
heden(1) en heeft positief advies uitgebracht over het
Fast-programma (2).
Het Comité stelt tevens tot zijn teleurstelling en verba-
zing vast dat, terwijl in de „Oogmerken" nog een
bedrag tussen 660 en 865 miljoen Ecu was uitgetrokken
voor de activiteiten die nu zijn ondergebracht in „Actie"
8 (werkzaamheden met betrekking tot het Europa van
de onderzoekers), hiervoor slechts een bedrag van 460
(!) PB nr. C 23 van 25. 1. 1985.
(2) PB nr. C 211 van 8. 8. 1983.
miljoen Ecu wordt voorgesteld. Het Comité betreurt de
kennelijke devaluatie van deze activiteiten ten zeerste.
2.8.3. Activiteiten op het gebied van innovatie en
exploitatie van de resultaten van Gemeenschapsonder-
zoek zijn van zo grote betekenis dat hierop meer de
nadruk moet worden gelegd. Zo zijn ook prognostica
en evaluatie op lange termijn van vitaal belang voor
toekomstplanning; de werkzaamheden op dit gebied
moeten worden geïntensiveerd.
3. Een efficiënt beheer
3.1. Voor het Comité is een efficiënt beheer van
doorslaggevende betekenis voor het welslagen van de
O & TO-werkzaamheden van de Gemeenschap. De in
het Commissievoorstel geschetste controle- en evalua-
tieprocedures zijn bijzonder toe te juichen.
3.2. Met het oog op een doelmatige communicatie
tussen de betrokken partijen moet zorgvuldig aandacht
worden besteed aan de verspreiding van alle nuttige
informatie over de programma's en voorstellen.
3.3. Het Comité heeft tot zijn tevredenheid vast-
gesteld dat ook aandacht zal worden besteed aan het
midden- en kleinbedrijf. Er dient niet alleen in alle O &
TO-programma's met de specifieke behoeften van het
midden- en kleinbedrijf rekening te worden gehouden,
er moet ook onderzoek worden gedaan naar de behoef-
ten van het midden- en kleinbedrijf indien men wil
dat deze bedrijfscategorie volledig kan meedelen in de
exploitatie van de resultaten van O & T O van de
Gemeenschap.
3.4. Het Comité kan zich volledig vinden in de beoor-
deling van de Commissie van de taak van het midden-
en kleinbedrijf in de „Oogmerken":
„De Gemeenschap voor wetenschap en technologie zal
immers rekening moeten houden met het feit dat de
geavanceerde industriële economieën zich thans in een
fase bevinden waarin zich grote technologische omwen-
telingen voordoen tijdens welke het midden- en kleinbe-
drijf zich nog het gemakkelijkst kan aanpassen en door
innovatie een sterke concurrentiepositie kan hand-
haven. Innoverende kleine bedrijven houden voor Eu-
ropa de garantie in dat voor ons werelddeel een redelijke
taak is weggelegd bij de nieuwe internationale verdeling
van de arbeid en de verspreiding van technologische
kennis. De Gemeenschap zal dan ook een open oog
hebben voor het instandhouden van een milieu dat
gunstig is voor de ontwikkeling van een net van gezon-.
de, dynamische en innoverende kleine en middelgrote
bedrijven in Europa. Binnenkort zal de Commissie een
speciaal op dit type maatregelen toegesneden medede-
ling aan de Raad voorleggen.".
3.5. Het is verbazend dat de rol van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek, die ook in dit
document werd behandeld, geen belangrijk punt is in
het huidige voorstel voor een kaderprogramma.
3.6. Een uiterst belangrijk punt met betrekking tot
de verwezenlijking van de Gemeenschap voor weten-
schap en technologie was de paragraaf „Flankerende
maatregelen" in de „Oogmerken" van de Commissie.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/53
Deze maatregelen moesten het volgende omvatten: 4. Begrotingsbepalingen
— een gunstige behandeling, vanuit het oogpunt van de
concurrentievoorschriften, van overheidssteun voor
O & T O ;
— een evenwichtige ontwikkeling van alle Lid-Staten
en regio's in de Gemeenschap, door de tenuitvoer-
legging van specifieke activiteiten die van bijzonder
belang zijn voor die landen of regio's die gezien hun
wetenschappelijke en technische ontwikkeling in het
bijzonder aanspraak kunnen maken op een speciale
inspanning;
— speciale aandacht voor het midden- en kleinbedrijf:
a) bij het Europees Regionaal Fonds en de ge-
integreerde mediterrane programma's (PIM's),
gekoppeld aan invoering van nieuwe financiële
regelingen die infrastructuurprojecten zouden
kunnen ondersteunen en tegelijkertijd in de be-
hoeften van het midden- en kleinbedrijf zouden
kunnen voorzien;
b) bij de tenuitvoerlegging van maatregelen om
het midden- en kleinbedrijf te betrekken bij de
vooruitgang in de Gemeenschap en deze bedrijfs-
categorie ten volle te laten meeprofiteren van
het grote marktpotentieel dat de Gemeenschap
biedt;
— andere voorstellen die al door de Commissie zijn
ingediend en door de Raad zijn goedgekeurd, o.m.
het programma met betrekking tot de ontwikkeling
• van bepaalde minder begunstigde regio's in de Ge-
meenschap ter verbetering van hun toegang tot ge-
avanceerde telecommunicatiediensten (Star-pro-
gramma). De diensten van de Commissie bestuderen
in het kader van actieprogramma's voor O & O
voor gezamenlijke rekening modaliteiten om onder-
zoekinstellingen en ondernemingen in minder be-
gunstigde regio's stelselmatig te associëren met O &
O-instituten in de op het gebied van wetenschap
en technologie meest geavanceerde landen van de
Gemeenschap, en wel op gebieden waar dergelijke
associaties tot een nuttige kruisbevruchting kunnen
leiden;
— meer steun voor opleiding en herscholing van we-
tenschappelijk personeel.
Deze „flankerende maatregelen" worden hier vrij uit-
voerig herhaald omdat zij volgens het Comité van zeer
groot belang zijn. De maatregelen zijn onvervangbare
ingrediënten van een O & TO-beleid van de Gemeen-
schap. Maatregelen die daadwerkelijke deelneming van
het midden- en kleinbedrijf aan onderzoekprogramma's
garanderen, zouden wel eens bepalend kunnen zijn voor
het welslagen ervan wat een succesvolle aanpassing aan
de zich in snel tempo wijzigende technologieën en het
behoud van de concurrentiepositie ten aanzien van in-
noverende produkten betreft.
4.1. Het Comité is van oordeel dat de in de „Oog-
merken" van de Commissie aangegeven substantiële
opvoering van de begrotingsmiddelen gerechtvaardigd
was op grond van de O & TO-werkzaamheden die in
de komende vijf jaar moeten worden uitgevoerd. Dit
moest met name worden gezien tegen de achtergrond
van de nieuwe politieke en juridische grondslag die de
wetenschappelijke en technische werkzaamheden van
de Gemeenschap met de ondertekening van de Europese
Akte in december 1985 hadden gekregen. In het huidige
voorstel voor een tweede kaderprogramma (1987-1991)
wordt echter een vermindering voorgesteld van 9 mil-
jard Ecu (plus een reserve van 15% = 1,3 miljard Ecu)
tot 7,735 miljard Ecu, met als extra voorwaarde dat er
tijdens de looptijd van het programma een mogelijkheid
van herziening komt. Deze significante vermindering
kan men alleen maar als teleurstellend bestempelen
en zij getuigt van een te omzichtige houding van de
Commissie jegens de Raad.
4.2. De Commissie legt heel taktisch een in haar ogen
voor de Raad aanvaardbaar programma met de daaruit
voortvloeiende begrotingsverplichtingen voor.
Volgens het Comité zou de Commissie de juiste aanpak
volgen door een van kostenschattingen voorzien O &
TO-programma voor te leggen dat door haar als het
minimum wordt beschouwd dat nodig is om een opti-
male sociaal-economische ontwikkeling van de Ge-
meenschap in de komende vijf jaar te waarborgen. De
verantwoordelijkheid voor besnoeiing op welk deel van
het programma dan ook zou dan bij de Raad komen
te berusten.
Indien de Commissie in dit stadium al een verwaterd
kaderprogramma zou voorleggen, zou dit tot gevolg
hebben dat de Raad een nog geringer bedrag zal toe-
kennen; daarbij zou de Raad het argument hanteren
dat de Commissie enkele maanden geleden nog beweer-
de dat zij 9 miljard Ecu (+ 15% reserve) nodig had,
terwijl zij nu zegt met 7,735 miljard Ecu te kunnen
volstaan.
4.3. De O & TO-inspanning van de Gemeenschap
zal er ernstig onder te lijden hebben indien voor de
uitgaven ieder jaar een niet vaststaand bedrag wordt
toegewezen. Er dient voor de gehele looptijd van het
nieuw kaderprogramma een vast minimumbedrag te
worden bepaald; dit bedrag kan, indien nieuwe om-
standigheden dat absoluut vereisen, in de jaarlijkse
begroting worden gewijzigd. Het is zeer ongewenst dat,
in welk jaar dan ook, op O & T O wordt besnoeid. Het
Comité pleit hiervoor in het advies inzake „Prioriteiten
voor onderzoekinitiatieven van de Gemeenschap". De
voornemens van de Gemeenschap ten aanzien van O &
TO zoals die in de Europese Akte zijn vastgelegd,
pleiten evenmin voor een lichtvaardige behandeling van
de O & TO-begroting van de Gemeenschap.
4.4. Indien uiteindelijk echter minder middelen wor-
den toegewezen dan de Commissie nu voorstelt, mag
zulks niet leiden tot een lineaire besnoeiing op alle
Nr. C 333/54 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
„Acties". Bepaalde „Acties" waarvoor toch al weinig meer levensvatbaar zijn indien hierop op deze wijze zou
middelen zijn uitgetrokken, zullen waarschijnlijk niet worden besnoeid.
Gedaan te Brussel, 27 november 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad tot herziening voor het jaar
1987 van het door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek voor de Europese
Gemeenschap voor Atoomenergie en voor de Europese Economische Gemeenschap uit te
voeren onderzoekprogramma (1984-1987)
(86/C 333/13)
De Raad heeft op 12 augustus 1986 besloten, overeenkomstig artikel 198 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 170 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Economisch en Sociaal
Comité om advies te vragen over het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor energie, nucleaire vraagstukken en onderzoek, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 november 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer Vercellino.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van 27 no-
vember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Inleiding
1.1. Na uitvoerige voorbereidende besprekingen over
de toekomst van het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek aan de hand van bovengenoemde medede-
ling van de Commissie werd het Comité om advies
gevraagd inzake een concreet voorstel voor een besluit
van de Raad waarbij in het programma voor 1987 van
het huidige meerjarenprogramma van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek 1984-1987 een
aantal veranderingen wordt aangebracht voordat vol-
gend jaar het volgende meerjarenprogramma van het
Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek wordt
uitgewerkt.
De Commissie wijst er overigens op dat zij bij het
formuleren van het volgende meerjarenprogramma van
het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek zal
afgaan op de zowel door het Europese Parlement en
het Economische en Sociaal Comité als door andere
adviesorganen in 1987 uit te brengen adviezen over het
Gemeenschapsonderzoek in het algemeen.
1.2. De gevolgde procedure en het vroegtijdig op
gang brengen hiervan verdienen alleen maar lof, omdat
aldus onmiddellijk invloed kan worden uitgeoefend op
de herziening van het programma voor 1987 waarmee
de activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek — zij het slechts ten dele — worden
aangepast:
— aan de richtsnoeren en de doelstellingen van de
Europese Technologische Gemeenschap en de Eu-
ropese Akte, die het Verdrag op dit punt wijzigt, en
aan de nieuwe vormen van onderzoek waarmee in
de Gemeenschap ervaring wordt opgedaan, incl.
onderzoek voor gezamenlijke rekening, Eureka-pro-
jecten en andere;
— aan de eerste belangrijke discussies en correcties,
beleidskeuzes en dringende maatregelen die nodig
zijn in verband met de schok en de ontstellende
gevolgen die de nucleaire ramp van Tsjernobyl in
het technisch-wetenschappelijke, ecologische en
maatschappelijke vlak ook buiten de grenzen van
de Sovjetunie heeft veroorzaakt.
1.3. Bij het opstellen van zijn advies over het.nieuwe
programma voor 1987 is het Comité aandachtig inge-
gaan op de situatie bij de verschillende vestigingsplaat-
sen van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onder-
zoek, heeft het de centra te Ispra en Geel bezocht en
de onderzoek- en de organisatorische problemen met
Full & Egal Universal Law Academy