Nr. C 333/54 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
„Acties". Bepaalde „Acties" waarvoor toch al weinig meer levensvatbaar zijn indien hierop op deze wijze zou
middelen zijn uitgetrokken, zullen waarschijnlijk niet worden besnoeid.
Gedaan te Brussel, 27 november 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Advies inzake het voorstel voor een besluit van de Raad tot herziening voor het jaar
1987 van het door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek voor de Europese
Gemeenschap voor Atoomenergie en voor de Europese Economische Gemeenschap uit te
voeren onderzoekprogramma (1984-1987)
(86/C 333/13)
De Raad heeft op 12 augustus 1986 besloten, overeenkomstig artikel 198 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 170 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Economisch en Sociaal
Comité om advies te vragen over het bovengenoemde voorstel.
De Afdeling voor energie, nucleaire vraagstukken en onderzoek, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 november 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer Vercellino.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van 27 no-
vember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Inleiding
1.1. Na uitvoerige voorbereidende besprekingen over
de toekomst van het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek aan de hand van bovengenoemde medede-
ling van de Commissie werd het Comité om advies
gevraagd inzake een concreet voorstel voor een besluit
van de Raad waarbij in het programma voor 1987 van
het huidige meerjarenprogramma van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek 1984-1987 een
aantal veranderingen wordt aangebracht voordat vol-
gend jaar het volgende meerjarenprogramma van het
Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek wordt
uitgewerkt.
De Commissie wijst er overigens op dat zij bij het
formuleren van het volgende meerjarenprogramma van
het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek zal
afgaan op de zowel door het Europese Parlement en
het Economische en Sociaal Comité als door andere
adviesorganen in 1987 uit te brengen adviezen over het
Gemeenschapsonderzoek in het algemeen.
1.2. De gevolgde procedure en het vroegtijdig op
gang brengen hiervan verdienen alleen maar lof, omdat
aldus onmiddellijk invloed kan worden uitgeoefend op
de herziening van het programma voor 1987 waarmee
de activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek — zij het slechts ten dele — worden
aangepast:
— aan de richtsnoeren en de doelstellingen van de
Europese Technologische Gemeenschap en de Eu-
ropese Akte, die het Verdrag op dit punt wijzigt, en
aan de nieuwe vormen van onderzoek waarmee in
de Gemeenschap ervaring wordt opgedaan, incl.
onderzoek voor gezamenlijke rekening, Eureka-pro-
jecten en andere;
— aan de eerste belangrijke discussies en correcties,
beleidskeuzes en dringende maatregelen die nodig
zijn in verband met de schok en de ontstellende
gevolgen die de nucleaire ramp van Tsjernobyl in
het technisch-wetenschappelijke, ecologische en
maatschappelijke vlak ook buiten de grenzen van
de Sovjetunie heeft veroorzaakt.
1.3. Bij het opstellen van zijn advies over het.nieuwe
programma voor 1987 is het Comité aandachtig inge-
gaan op de situatie bij de verschillende vestigingsplaat-
sen van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onder-
zoek, heeft het de centra te Ispra en Geel bezocht en
de onderzoek- en de organisatorische problemen met
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/55
directie en personeel doorgesproken. Zo heeft het zich
voorzien van de informatie en documentatie die nodig
zijn om zijn opmerkingen en voorstellen voor 1987 te
kunnen onderbouwen. Het heeft deze afgestemd op de
nieuwe situatie en op langere termijn rekening gehouden
met de hieruit voortvloeiende gevolgen voor het volgen-
de meerjarenprogramma van het Gemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek (waaraan thans wordt ge-
werkt) en het kaderprogramma 1987-1991 voor O &
TO, waarnaar het ontwerp-programma voor het als
overgangsfase bedoelde jaar 1987 bij herhaling verwijst
waar het gaat om fundamentele tendensen, keuzen,
doelstellingen en prioriteiten.
1.4. Dit advies moet worden beschouwd als een eer-
ste uitspraak van het Comité, die te gelegener tijd,
namelijk wanneer de voorstellen van de Commissie over
het programma voor de jaren na 1987 bekend zijn, door
een vervolgadvies zal worden gevolgd.
1.5. Om deze en andere redenen wordt in het advies
uitsluitend ingegaan op de belangrijkste onderdelen van
het programma en op de enkele aspecten van de organi-
satie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onder-
zoek. Voor de meer specifieke en technisch-we-
tenschappelijke vraagstukken en aspecten wordt naar
het rapport verwezen.
1.6. Tot slot wordt in het advies slechts ingegaan op
een deel van de uit het ongeluk te Tsjernobyl voort-
vloeiende problemen, namelijk voor zover zij een raak-
vlak hebben met de onderzoekwerkzaamheden van het
Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek. Het
Comité heeft namelijk een subcomité voor dit onder-
werp opgericht dat aandachtiger en uitvoeriger ingaat
op de conclusies en de maatregelen die geboden zijn na
de ramp van Tsjernobyl. Bij dit onderwerp gaat het
niet alleen om zaken als de veiligheid van de bevolking
en het milieu, de feitelijke plaats en het beheer van
kernenergie en de beleidskeuzen op energiegebied, maar
komen ook andere onderwerpen aan de orde die thans
en in de toekomst voor onze samenlevingen en de gehele
mensheid van levensbelang zijn.
2. Algemene opmerkingen
2.1. Het Comité kan zich vinden in de aanpak van
de Commissie. Zo kan op bepaalde voorwaarden het
werkprogramma voor 1987 worden herzien en gefi-
nancierd en kan de weg voor het daaropvolgende pro-
gramma worden gebaand, dat dan beter op de nieuwe
omstandigheden kan worden afgestemd. Wel vindt het
dat
— de snelle opeenvolging van de gebeurtenissen duide-
lijke beleidslijnen en adequate keuzen vanaf 1987
vereist en dat niet kan worden volstaan met mar-
ginale veranderingen van de inhoud of formele aan-
passingen aan begrotingsvereisten;
— het volgende meerjarenprogramma van het Ge-
meenschappelijk Centrum voor Onderzoek, althans
op hoofdpunten, met spoed dient te worden uitge-
werkt; de noodzakelijke voorwaarden hiervoor zijn
aanwezig.
2.2. Reeds bij het begin wil het Comité zijn
standpunt inzake drie fundamentele zaken aangeven
die aan de basis van de hierna volgende algemene en
bijzondere opmerkingen liggen:
a) de wijze waarop de activiteit en de bereikte re-
sultaten van het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek moeten worden beoordeeld en de in
het Verdrag vastgelegde rol hiervan moet worden
bevestigd en uitgebouwd;
b) de noodzaak om aan nucleaire veiligheid de juiste
plaats toe te kennen, evenals de op dit gebied te
nemen maatregelen in het licht van de nieuwe be-
hoeften en eerdere verzoeken en voorstellen van het
Comité;
c) algemene beoordeling van de inhoud en de hoofdlij-
nen van het herziene programma van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek voor 1987,
d.w.z. van de sterke en de zwakke punten van de
overgangsfase.
2.2.1. Taak en vooruitzichten van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek
Met betrekking tot de taak van het Gemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek neemt het Comité kennis van
het algemene positieve oordeel van de Commissie en de
andere bevoegde instanties (zie bijlagen I en II van doe.
COM(86) 145 def. over het werk en de centrale plaats
van het Centrum en de vestigingsplaatsen hiervan te
Ispra, Karlsruhe, Geel en Petten). Het wijst erop dat
het Centrum een competent en neutraal referentiepunt
is geworden dat door het bedrijfsleven wordt erkend.
Ook wordt opgemerkt dat het goed is uitgerust en dat
hieraan een centrale rol is toebedeeld in de onderzoek-
strategie van de Gemeenschap die activiteiten omvat in
verband met zaken van algemeen transnationaal belang.
Het Comité stemt evenwel in met de uitspraak dat de
tijd gekomen is, het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek opnieuw aan een onbevooroordeeld onder-
zoek te onderwerpen. Dit betekent dat vanuit een func-
tionele en pragmatische invalshoek te werk moet wor-
den gegaan in twee richtingen: in de eerste plaats moe-
ten de activiteiten van het Centrum overeenkomstig de
hierna vermelde richtsnoeren worden geconsolideerd in
de geavanceerde sectoren; in de tweede plaats moeten
de zwakke punten in zijn activiteiten en de functionele
tekortkomingen zonder terughoudendheid worden op-
gespoord en dienen deze zo spoedig mogelijk te worden
bijgestuurd. De betrokken sectoren dienen inspraak te
krijgen bij de evaluatie van de werkzaamheden op het
terrein van verbetering van het concurrentievermogen
van de industrie. Zeker in de huidige situatie mogen
deze tekortkomingen niet worden verzwegen of geba-
gatelliseerd of als motief dienen om bezuinigingen door
te voeren die elders mogelijk zijn en al helemaal niet
om het Centrum uit te hollen door het gemeenschappe-
lijk en rechtstreeks geavanceerd onderzoek van de Ge-
meenschap drastisch terug te dringen.
Tegelijkertijd moet ervoor worden gezorgd dat elke
uitgegeven Ecu de Commissie optimale resultaten ople-
vert en dat de projecten een communautaire dimensie
hebben en in het belang van de Gemeenschap zijn. De
Commissie dient hiertoe een systeem te ontwerpen om
Nr. C 333/56 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
de doeltreffendheid van de door haar te financieren
activiteiten beter te kunnen beoordelen.
Zo kan voor het ontwikkelen van directe onderzoeks-
activiteiten door de Commissie en het Gemeenschappe-
lijk Centrum voor Onderzoek aan de volgende be-
leidslijnen worden gedacht:
— deze werkzaamheden kunnen niet beter of doelmati-
ger door afzonderlijke Lid-Staten worden uitge-
voerd;
— de Lid-Staten slagen er niet in een voor de Gemeen-
schap nuttig en belangwekkend doel na te streven;
— de Commissie dient als onafhankelijk referentiepunt
te functioneren;
— het Centrum kan ook op het gebied van onderzoek
voor gezamenlijke rekening een stimulerende en
coördinerende rol vervullen.
2.2.2. He t Economisch en Sociaal C o m i t é en nu-
cleai re vei l igheid
De activiteit van het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek op het gebied van nucleaire veiligheid mag
in geen geval worden onderschat en dient in de huidige
situatie daarentegen overeenkomstig de letter en de
geest van de Verdragen (met name hoofdstuk III van
het Euratom-Verdrag) met spoed te worden versterkt.
De Commissie en de Raad worden er in dit verband
aan herinnerd dat het Comité de hoogste Gemeen-
schapsinstellingen en de Lid-Staten in overeenstemming
met dit Verdrag bij herhaling (o.m. in 1977 en 1979, na
het ongeluk in Harrisburg) heeft gewaarschuwd voor
nucleaire risico's, waarbij het de aandacht heeft ge-
vestigd op de veiligheid van de centrales en de bescher-
ming van het personeel hiervan en van de bevolking.
In een op 29 mei 1975 uitgebracht advies over technolo-
gische vraagstukken in verband met de veiligheid van
kerninstallaties heeft het Comité er bij de Commissie
op aangedrongen „niet slechts algemene aanbevelingen
(...) te doen uitgaan, maar ook de voorwaarden te
scheppen voor de uitvaardiging van richtlijnen en veror-
deningen op dit gebied, waarin zij minimumnormen
voor alle in de Gemeenschap gevestigde nucleaire in-
stallaties kan vastleggen".
Twee jaar later, namelijk in april 1977, heeft het Comité
er in een studie inzake een nucleaire veiligheidscode van
de Gemeenschap op gewezen dat bij de technische en
economische keuze op nucleair gebied „het criterium
van de veiligheid op de eerste plaats dient te staan.
Zowel ten behoeve van de werknemers als ten behoeve
van de bevolking dienen tevens de invloed op het milieu
en de hinder op lange termijn te worden nagegaan".
Het Comité heeft destijds voorgesteld een echte nucleai-
re veiligheidscode uit te werken waarin „de minimum-
veiligheidseisen op het gebied van zowel de stralingsbe-
scherming van werknemers en bevolking als de nucleai-
re installaties (moeten) zijn opgenomen".
2.2.3. Pos i t ieve en nega t ieve k a n t e n van het p r o -
g r a m m a van het G e m e e n s c h a p p e l i j k Cen-
t r u m voor O n d e r z o e k voor 1987
Het herziene programma van het Gemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek voor 1987 vormt als overgang
tussen twee meerjarenprogramma's een eerste bijdrage
om de activiteit van het Centrum op de nieuwe situatie
af te stemmen. Het is als partieel compromis tussen
diverse vereisten echter onvolledig. Zo worden enige
niet te onderschatten veranderingen aangebracht als
herijking van de werkzaamheden van het Centrum inza-
ke onder meer nucleaire veiligheid en stralingscontrole,
alsook afstemming van de structuur van het Centrum
op de nieuwe omstandigheden. Daar staat echter een
aantal zwakke punten en tekortkomingen tegenover,
die zo spoedig mogelijk, d.w.z. nog in het programma
voor 1987 en in ieder geval in het daaropvolgende
meerjarenprogramma, dienen te worden gecorrigeerd.
Hierbij wordt in het bijzonder gedoeld op de inkrimping
van de werkzaamheden met betrekking tot niet nucleai-
re energie, het ontbreken van plannen voor investerin-
gen in belangrijke wetenschappelijke installaties, de ge-
ringe duidelijkheid van de steun aan de industrie op het
gebied van materialen en structuren, de besparingen als
gevolg van beheersing van de personeelsomvang en
een personeelsstop, onvoldoende aanwijzingen omtrent
aard en draagwijdte van de herstructureringen enz. Op
deze punten zal verderop dieper worden ingegaan. Met
andere woorden, het herziene programma voor 1987
kan worden beschouwd als een bruikbare en nuttige
brug tussen de twee meerjarenprogramma's, die echter
nog te smal en te zwak is om de weg te effenen voor
een al lange tijd gewenste grootse nieuwe start van het
door het Centrum verrichte onderzoek voor rekening
van de Gemeenschap.
Het Comité is van mening dat een groot gedeelte van
de trends en de inhoud van het herziene programma
voor 1987 thans coherenter en concreter is geformuleerd
en beter op de huidige situatie is afgestemd dan het
discussiestuk over het Centrum en het nieuwe voorstel
voor een kaderprogramma van de Gemeenschap op het
gebied van O & T O voor de periode 1987-1991.
3. Activiteiten en initiatieven van het Gemeenschappe-
lijk Centrum voor Onderzoek na Tsjernobyl
De Commissie houdt rekening met het feit dat haar
instrumenten op O & O-gebied niet uitsluitend of
voornamelijk op de markt gericht kunnen zijn, maar
dat hiervan een aan kracht toenemende stimulans moet
uitgaan op de integratie en de uitbreiding van de tech-
nologische ontwikkeling voor civiele doeleinden.
Gelet op deze uitgangspunten komen de in het docu-
ment neergelegde voorstellen het Comité te schuchter
voor en lijken zij ten opzichte van de door de Commissie
geuite verontrusting en de huidige behoeften tekort te
schieten. Het met gemeenschappelijke middelen voor
rekening van de Gemeenschap verrichte rechtstreekse
onderzoek van het Centrum lijkt niet voldoende uit de
verf te komen.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/57
3.1. Veiligheid, milieu, normen en standaarden
3.1.1. In de discussienota van de Commissie over de
toekomst van het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek kan de tendens worden vastgesteld om het
project „Stimulering van de industrie", dat al ten grond-
slag ligt aan de Gemeenschapsactiviteiten in het ka-
derprogramma, naar het Centrum over te hevelen. In
het voorstel tot herziening voor 1987 wordt getracht
deze tendens te bestendigen door enkele aanpassingen
in de lopende programma's (zonne-energie, industriële
risico's) en de geplande activiteiten op het gebied van
geavanceerde materialen en betrouwbaarheid van struc-
turen.
3.1.2. Daarom is het zaak deze nieuwe activiteiten
niet tegenover de door het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek geleverde onafhankelijke openbare
dienstverlening op het terrein van veiligheid en milieu
te plaatsen alsof er een onderlinge tegenstrijdigheid
zou zifn. Met name na Tsjernobyl is een dergelijke
handelwijze onaanvaardbaar: de prioritaire of de te
intensiveren activiteiten moeten nauwkeurig worden
vastgelegd en hiervoor dienen de nodige faciliteiten en
middelen te worden toegewezen.
3.1.3. De Commissie wijst terecht op het onderzoek
van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek,
dat zich beweegt in de fase die aan de normalisatie
voorafgaat, en op het onderzoek dat gericht is op de
verwezenlijking van een grotere Europese markt. Er
moet echter ook meer aandacht worden besteed aan
het fundamentele aspect dat het Centrum een geschikt
instrument is voor onderzoek dat plaatsvindt in de
aan concurrentie voorafgaande fase, maar niettemin de
latere industriële ontwikkeling vergemakkelijkt. In-
schakeling van het Centrum in die fase is juist daarom
zo gewenst omdat de Commissie er in haar beleid inzake
industriële stimulering naar streeft, de verschillen tussen
de Europese landen en tussen sterke en zwakke be-
drijfstakken niet nog aan te scherpen, maar het in de
Verdragen vastgelegde doel, namelijk totstandbrenging
van evenwicht tussen volkshuishoudingen, te bereiken.
Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek dient
in elk geval aandacht te blijven besteden aan de fase
na de eigenlijke industriële ontwikkeling, ten einde de
milieugevolgen van technologieën te ondervangen en de
kwaliteit van het bestaan te garanderen.
3.2. Nucleaire veiligheid
3.2.1. Het ernstige ongeluk dat op 26 april 1986 in
Tsjernobyl plaatsvond, heeft een „noodsituatie" met
betrekking tot nucleaire veiligheid gecreëerd. Naar aan-
leiding daarvan heeft de voorzitter van het Comité er
tijdens de 237e zitting (21 mei 1986) op gewezen dat de
veiligheid van de bevolking in het denken en handelen
van de verantwoordelijke politici voorop moet staan.
Zijns inziens moet er al het mogelijke aan worden
gedaan om te verhinderen dat een dergelijke ramp zich
in de Gemeenschap voltrekt en dient tijdig en eensgezind
te worden opgetreden indien een dergelijke ramp zich
buiten de Gemeenschap zou voordoen.
Terwijl in de technisch-wetenschappelijke sfeer en in
de samenleving de serieuze discussies en studies in Eu-
ropa en de rest van de wereld over de gevolgen van de
ramp van Tsjernobyl en de hieruit te trekken conclusies
worden voortgezet, werken onderzoekers en het Ge-
meenschappelijk Centrum voor Onderzoek thans onder
meer reeds aan de volgende onderwerpen en taken:
— vaststelling en uitvoering van de op het niveau van
de Gemeenschap en in internationaal verband te
nemen maatregelen als voorlichting, controle en
interventie om nucleaire ongelukken te voorkomen
of hiertegen op de meest doeltreffende en betrouw-
bare wijze op te treden;
— het uitbouwen van research op het gebied van nu-
cleaire en technische veiligheid en in het algemeen
vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsnor-
men voor kerncentrales;
Van buitengewone betekenis zijn in dit verband de
reeds aangevangen bestudering en vergelijking van de
waarnemingen en ervaringen die in de verschillende
Lid-Staten vóór en na de ramp zijn verricht/opgedaan
met betrekking tot:
a) initiatieven en maatregelen om de veiligheid van
functionerende kerncentrales te verhogen;
b) eventuele maatregelen als tijdelijke of definitieve
sluiting van centrales die niet veilig genoeg zijn;
c). eventuele opschorting of inkrimping van de bouw-
programma's voor nieuwe centrales die niet veilig
genoeg worden geacht of indien kernenergie ade-
quaat door andere energiebronnen kan worden ver-
vangen;
d) bijsturing van de beleidskeuzen t.a.v. energie.
In het onderzoek moet vandaag de dag rekening worden
gehouden met het feit dat er tussen de extreme, haaks
op elkaar staande standpunten van voor- en tegenstan-
ders van een vreedzaam gebruik van kernenergie een
heel palet van realistischer zienswijzen waar te nemen
is die aan de hand van de verschillende vereisten en
mogelijkheden opteren voor onder meer verhoging van
de veiligheid van nucleaire installaties voor mens en
milieu, intensivering van het streven naar energiebespa-
ring en toepassing van alternatieve energie, een meer
beheerste en beperkt gebruik van kernenergie, het gelei-
delijk afstappen van kernenergie, beperking van de ri-
sico's en van de produktie van nucleair materiaal voor
militaire doeleinden.
3.2.2. Zoals reeds door de Top van industrielanden
te Tokio werd voorgesteld, dient er op korte termijn
een internationaal verdrag te worden uitgewerkt dat de
betrokken landen ertoe verplicht in geval van gevaar of
ongelukken informatie uit te wisselen en maatregelen
— invoering van gemeenschappelijke normen voor de
stralenbelasting van de bevolking.
Nr. C 333/58 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
te coördineren. Dit dient in nauwere samenwerking met
het IAEA te geschieden.
3.2.3. De Europese Gemeenschap heeft op grond van
het Euratom-Verdrag geen regelgevende bevoegdheid
met betrekking tot de veiligheid van nucleaire in-
stallaties en de ervaring heeft geleerd dat de Lid-Staten
dit onderwerp volledig in eigen beheer wensen te
houden.
Gezien de enorme omvang van de door de Lid-Staten
te verrichten inspanningen op het gebied van nucleaire
veiligheid en het feit dat de internationale gemeenschap
betrokken is bij de gevolgen van ongelukken, schrijft
het Verdrag echter wel voor dat volledige informatie
moet worden uitgewisseld en dat de normen voor de
toegestane hoeveelheden straling en de veiligheidssyste-
men dienen te worden geharmoniseerd. Hiertoe heeft
de Commissie een aanzienlijke hoeveelheid know-how
en instrumenten in het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek samengebracht.
3.2.4. Na Tsjernobyl staat de Commissie niets meer
in de weg o m d o o r exploitatie en reorganisatie van de
capaciteit waarover het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek reeds beschikt, weer vaart te zetten
achter de studies en de harmonisering hiervan met
betrekking tot de veiligheid van nucleaire installaties
(planning, bouw, functioneren en onderhoud) en de
preventie en de prognostiek van de gevolgen van onge-
lukken en het optreden hiertegen.
3.2.5. De tot dusverre opgetreden ongelukken heb-
ben bevestigd dat de risicoanalyses met betrekking tot
de zeer complexe gevolgen en de betekenis van de factor
mens en de internationale gevolgen tekort schieten.
Een door de Commissie te verwezenlijken verbetering
van de risicoanalyse zou de Lid-Staten in staat stellen
doeltreffender normen vlotter over te nemen en in acht
te nemen.
3.2.6. Het is van groot belang, het verzamelen van
gegevens over de gevolgen van ongelukken, het voor-
spellen van stralingsgevolgen voor het menselijke or-
ganisme en het onderzoek naar de verspreiding en de
concentratie van radionucleïden in het milieu na het
ongeluk met meer energie ter hand te nemen.
3.2.7. Tevens is het gewenst dat de Commissie voor-
stelt, in het kader van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek, zoals in het Euratom-Verdrag (hoofd-
stuk III, artikel 39) wordt bepaald, een afdeling voor
vraagstukken in verband met de bescherming van de
volksgezondheid tegen straling op te richten. De taken
van deze afdeling worden al voldoende in het Verdrag
vastgelegd (artikelen 30 t/m 38) en de know-how kan
grotendeels al in het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek worden aangetroffen.
3.2.8. Het Comité neemt met voldoening kennis van
de in het onderhavige document opgenomen opmerking
over het nieuwe REM-programma (evaluatie van en
controle op bestraling). Het is benieuwd naar de details
van deze activiteiten en de coördinatie hiervan met de
andere internationale initiatieven in 1987 en de daarop-
volgende jaren.
Aan de andere kant wekt het verbazing dat in het
programma „Kernsplijting" het zwaartepunt is ver-
schoven van de typisch technisch-wetenschappelijke
werkzaamheden naar het verzamelen en het beheren
van gegevens.
Met betrekking tot de reorganisatie van het programma
„veilligheid van snelle kweekreactoren" is het Comité
van mening dat de Commissie eerst haar algemene
strategie inzake de ontwikkeling van deze reactoren
dient te verduidelijken voordat zij enigerlei activiteit in
de onderzoeksector lanceert.
3.3. Alternatieve energie en energiebesparing
Energiebesparing en alternatieve energie dienen te wor-
den gerekend tot de middellange-termijnproblematiek
met betrekking tot de beheersing van de vraag naar
energie. Aan alle thans gebruikte energiebronnen kleven
maatschappelijke bezwaren in de sfeer van milieu-
vervuiling op korte en op lange termijn, bedrijfsveilig-
heid en bevoorradingscontinuïteit.
De Commissie heeft onlangs als realistisch en
strategisch doel voor het einde van deze eeuw voorge-
steld het energieverbruik in de Europese landen met
25 % terug te dringen door ontwikkeling van technieken
waarmee energie efficiënter kan worden aangewend.
Na de ramp van Tsjernobyl is er alle reden voor een
„grote wetenschappelijke mobilisering" ten einde niet
^ alleen het onderzoek naar veilige technieken en op het
terrein van milieubescherming, maar ook het onderzoek
naar energiebesparing en alternatieve energie te inten-
siveren. In de huidige situatie kan niet worden inge-
stemd met het gedeeltelijk opgeven van de activiteiten
op dit gebied. Deze activiteiten dienen in de fase van
industriële stimulering juist opnieuw te worden gelan-
ceerd en te worden geconcretiseerd.
3.4. Technologie en veiligheid van kernfusie
De Gemeenschap werkt aan een groot O & O-program-
ma, dat onder het coördinerend en stimulerend oog van
de Commissie in verscheidene nationale laboratoria
wordt uitgevoerd.
De Gemeenschap heeft de uitvoering van talrijke expe-
rimenten op het terrein van kernfusie en plasmafysica
gestimuleerd. Het belangrijkste experiment is het JET-
project, dat te Culham (Verenigd Koninkrijk) met Eu-
ropees personeel wordt gerealiseerd.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/59
Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek le-
vert al ruim tien jaar een aanzienlijke technologische
bijdrage op drie gebieden:
— samenwerking met de NET-groep te Garching bij
het ontwerpen van de NET-installatie;
— experimenteel materiaalonderzoek;
— onderzoek op het terrein van veiligheid en kernfusie.
Van bijzondere betekenis is het in juli 1985 door de
Raad genomen besluit, in Ispra een tritiumlaboratorium
voor onderzoek naar de veiligheid en het milieu-effect
van deze isotoop tot stand te brengen. Volgens plan
moet dit laboratorium in 1990 in bedrijf zijn.
De ontwikkeling van kernfusie vereist een aantal nu-
cleaire experimenten, waarbij onderzoek moet worden
verricht naar het gedrag van plasma's en van bestraalde
materialen. Vanwege de verzamelde kennis en zijn ken-
merken beschikt het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek over nucleaire centra in de Gemeenschap
die geschikt zijn om aan deze experimenten, met name
aan installaties als Ignitor en de krachtige neutronen-
bron, onderdak te verlenen. Tot slot is het zinvol na te
gaan of, zoals door tal van deskundigen wordt betoogd,
een concentratie van de inspanningen op dit terrein
ertoe kan leiden dat de ontwikkeling van deze energie-
bronnen waarschijnlijk veel minder tijd vergt.
4. Conclusies
4.1. Programmakeuzes
Het Comité is van oordeel dat voor de Gemeenschaps-
uitgaven op de volgende gebieden ruimschoots ar-
gumenten kunnen worden aangevoerd:
— bescherming van de gezondheid en veiligheid;
— bescherming van het milieu en verbetering van de
kwaliteit van het bestaan;
— de in het Verdrag genoemde activiteiten;
— totstandbrenging en handhaving van een gemeen-
schappelijke interne markt (in het bijzonder O, O &
D op technologisch gebied ter voorbereiding van
normen);
— verbetering van het concurrentievermogen van de
industrie, inclusief in sommige gevallen de
energiebevoorrading en het energieverbruik van de
industrie.
Op grond van deze beoordeling is het Comité van
oordeel dat de Gemeenschap momenteel behoefte heeft
aan een krachtig en actief Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek dat voor de hele wereld een voorbeeld
is. Dit dient daarom als instrument voor onderzoek ten
dienste van de Gemeenschap en de Lid-Staten zo
spoedig mogelijk te worden geactiveerd en geherstruc-
tureerd.
Met de bereikte resultaten, de kwaliteit van zijn me-
dewerkers en de opgedane ervaring als draagvlak kan
het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek in
1987 en de daaropvolgende jaren zijn bijdrage tot het
verwezenlijken van het gestelde doel vergroten. Bo-
vendien hebben de leden van de studiegroep op de
bezochte plaatsen kunnen vaststellen dat de grootste
moeilijkheden waarmee het Centrum in zijn functione-
ren werd geconfronteerd, vooral aan de volgende facto-
ren moeten worden toegeschreven: onzekerheid om-
trent en uitblijven van de besluitvorming in de Gemeen-
schap, onvoldoende onafhankelijkheid en eigen verant-
woordelijkheid van het Centrum, herhaalde en somtijds
tegenstrijdige ombuigingen in de door het Centrum te
verwezenlijken doelstellingen, overmaat aan ambtelijke
controle,op het wetenschappelijk en administratief be-
leid, gebrek aan mobiliteit en onvoldoende of onjuiste
inschakeling en aanwending van het personeel en tekort
schieten van de ter beschikking gestelde middelen.
Volgens het Comité komt de Commissie met haar voor-
stellen slechts ten dele tegemoet aan de al beschreven
noodzaak van adequate inschakeling van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek als gemeen-
schappelijk instrument van rechtstreeks onderzoek. In
het bijzonder kan het instemmen met de herijking van
de werkzaamheden inzake veiligheid van kernsplijting
en de start van een nieuw programma met betrekking
tot evaluatie van en controle op straling (REM, zie
paragraaf 3 van dit advies).
Negatief is daarentegen het begin van inkrimping van
de werkzaamheden op het gebied van niet nucleaire
energie en het afzien van enigerlei planning van achter-
eenvolgende investeringen in belangrijke we-
tenschappelijk-technische installaties (zie boven) voor
de bestudering van kernfusie.
Hiervoor kan stellig niet als argument worden aange-
voerd dat 1987 een overgangsjaar is. Dit wekt de indruk
van een mogelijke nieuwe ontwikkeling.
Tot slot komt de steun voor de industrie, die voorname-
lijk verbonden is met het programma „materialen en
constructies", onvoldoende uit de verf.
4.2. Rol van bet directe onderzoek
De tendens tot kwantitatieve beperking van de werk-
zaamheden van het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek moet worden omgebogen, daar die in te-
genspraak is met de toewijzing van nieuwe taken en
met de bevestiging en de uitbreiding van eerdere en
traditionele taken.
Daartoe wordt voorgesteld de tendens tot marginalise-
ring van de directe onderzoekactiviteiten ten opzichte
van het totale onderzoek van de Gemeenschap om
te buigen. Volgens de in het document voorgestelde
richtsnoeren zou deze onderzoekcategorie van 30 % van
het totaal vanaf 1987 tot 15 % worden teruggedrongen.
De tendens tot inkrimping van het Gemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek wordt ook bevestigd in de
paragraaf over het personeelsbeleid. Hierin komt het
voornemen van de Commissie tot uiting, een aantal
banen te reserveren voor medewerkers met de garantie
van een „retourkaartje" naar hun nationale instelling
na een tijd in het Centrum te hebben gewerkt. Ook
wordt gedacht aan vertraging van een deel van de
Nr. C 333/60 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
aanwervingen die nodig zijn om de reeds door de Raad
vastgestelde (maar overigens nooit bereikte) personeels-
sterkte te bereiken ten einde in twee jaar tijds een bedrag
van 3 miljoen Ecu te besparen.
Deze plannen worden in het herziene programma voor
1987 niet ontkend. Het Comité acht in de huidige
situatie en nu de Gemeenschap zich tot taak heeft
gesteld het Europese onderzoek op energieke wijze
nieuw leven in te blazen, besparingen door middel van
een personeelsstop onaanvaardbaar.
Niets moet daarentegen worden nagelaten om de mo-
biliteit van het personeel en zijn contacten met nationale
instanties en het bedrijfsleven te bevorderen, waarbij de
verlangens van het personeel in acht dienen te worden
genomen. Daarom dienen met het oog op de uitbreiding
van de Gemeenschap van tien naar twaalf leden de
nieuwe Lid-Staten nauw bij het Gemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek te worden betrokken en ver-
dienen zij een voorkeursbehandeling indien aan een
nieuwe vestigingsplaats niet te ontkomen valt.
Algemeen gezegd, het Comité verwacht van de Commis-
sie dat zij mede via het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek een beleid inzake samenwerking op
wetenschappelijk gebied met derde landen uitstippelt.
4.3. Coördinatie van de activiteiten van het Gemeen-
schappelijk Centrum voor Onderzoek
Eén van de belangrijkste doelstellingen in deze fase is
een betere aansluiting van de werkzaamheden van het
Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op de
onderzoekactiviteiten van de Lid-Staten en van het be-
drijfsleven.
Dit is echter zeker niet mogelijk zonder duidelijke vast-
legging van de voorwaarden voor en de wijze van
samenwerking of door inkrimping van personeel dat
met onderzoek van de Gemeenschap is belast, en door
het ontbreken van garanties met betrekking tot de rech-
ten en de supranationale status van de onderzoeker.
Bij dit laatste moet worden gedacht aan de specifieke
kwalificatie en de erkenning van de arbeidsvoorwaar-
den van de onderzoekmedewerkers van het Centrum,
die de ontplooiing van hun scheppende vermogen en
hun geografische en beroepsmobiliteit bevorderen, met
alle hierbij behorende rechten en plichten, zoals de
mogelijkheid van herplaatsing in hun oorspronkelijke
werkkring.
Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan zouden
de gemeenschappelijke inspanningen, alsook de mate,
de kwaliteit en de doeltreffendheid van de coördinatie
en de supranationale samenwerking worden onder-
mijnd.
Een effectieve versterking en een adequate herstructure-
ring van het Centrum kunnen worden verwezenlijkt
door te streven naar een rationeler gebruik van de reeds
aanwezige medewerkers en correctie van de functionele
tekortkomingen, alsook door opvoering van dé per-
soneelssterkte op de onderzoekgebieden waar zulks no-
dig is, en door garanties ten aanzien van de rechten van
de onderzoekmedewerkers.
Verhoging van de mobiliteit van het onderzoek-
personeel is één van de doelstellingen die moeten wor-
den nagestreefd ter verhoging van de doeltreffendheid
van het Centrum. Men mag echter niet uit het oog
verliezen, of hieraan te weinig gewicht toekennen, dat
de aan het ontbreken van een echte markt toe te
schrijven matige sociale zekerheid één van de fundamen-
tele oorzaken van de starheid is. Daarom dient het
voorstel voor een Europa van onderzoekers nader te
worden uitgewerkt en te worden gekwantificeerd als
fundamenteel referentiekader voor de mobiliteit van het
wetenschappelijk personeel en voor verbetering van de
onderzoek- en de arbeidsvoorwaarden.
4.4. Structuur van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek
Hoewel de structurering van haar eigen organen een
interne aangelegenheid van de Commissie is, wordt
het door het Comité gewenst geacht dat de structuren
worden herzien om het initiatief van de onderzoekers
aan te moedigen en de verantwoordelijkheid en de
belangstelling voor de uitvoering van het opgedragen
wetenschappelijke werk te vergroten door indeling in
adequate en flexibele werkeenheden.
Hiertoe adviseert het Comité de Commissie en de Raad
een meer samenhangende en gestroomlijnde structuur
tot stand te brengen die er in hoofdlijnen als volgt zou
kunnen uitzien:
— Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek en
directie;
— nauwkeurig aangeduide onderzoekinstellingen voor
de voornaamste werkterreinen, waarbij elke vorm
van isolering wordt vermeden en de onderlinge sa-
menwerking wordt bevorderd;
— gemeenschappelijke installaties of vestigingen die
voor zover mogelijk over verscheidene landen zijn
gespreid, met name in landen die onlangs tot de
Gemeenschap zijn toegetreden;
— flexibele werkeenheden voor de belangrijkste onder-
werpen, inclusief functioneel onderzoek voor de
uitvoering van belangrijke projecten;
— gespecialiseerde dienst om door oprichting van een
voor iedereen toegankelijke gegevensbank de con-
tacten en de scholing te ontwikkelen, alsook de
uitwisseling van informatie en ervaringen met natio-
nale onderzoekcentra, de nationale en Europese so-
ciaal-economische kringen, de publieke opinie en
andere instanties die hiervan de spreekbuis zijn.
Deze activiteiten moeten ertoe leiden dat gebruik
wordt gemaakt van de prestaties van een goed
functionerend Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek.
Voor dit doel is het gewenst het Centrum te structureren
in functionele eenheden met een nauwkeurige identiteit
en functie, een goed afgebakend doel en een doorzichtig
financieel beheer.
Elke eenheid moet een specifiek onderdeel van de door
de Gemeenschap gefinancierde O, O & D-werkzaamhe-
den bestrijken: gezondheid en veiligheid, bescherming
van het milieu, Verdrag, activiteiten ter versterking van
de interne markt, en wellicht andere activiteiten, als
bevordering van het concurrentievermogen van de in-
dustrie, en onder leiding van een competente en verant-
woordelijke persoon staan.
Hoewel in het programma voor 1987 het voornemen tot
herstructurering van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek en met name van het Centrum te Ispra
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/61
wordt bevestigd, komt onvoldoende uit de verf of deze
herstructurering in de hierboven aangegeven richting
gaat. In elk geval lijkt het streven naar een beter
evenwicht tussen het beheer van de projecten en het
beheer van de wetenschappelijke afdelingen en een bete-
re samenwerking tussen de centra een aantrekkelijk
voorstel.
4.5. Bijzondere suggesties
Het Comité wenst tot slot nog een aantal suggesties en
aanbevelingen naar voren te brengen om een efficiënt en
rationeel werken van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek en van de Commissie en een goede
timing van hun activiteiten op dit gebied te bevorderen.
Deze kunnen als volgt worden samengevat:
Herstructurering
Met spoed dienen de nodige besluiten te worden geno-
men om het Gemeenschappelijk Centrum voor Onder-
zoek institutioneel en functioneel grondig te herstruc-
tureren: niet als centrum met twee moeilijk verenigbare
„zielen" (namelijk nucleair en niet nucleair), maar als
onafhankelijk centrum van de Gemeenschap, waar-
onder diverse complementaire instellingen ressorteren.
De kenmerken en omvang hiervan kunnen per geval en
naar gelang van de behoeften van het ogenblik variëren.
Controle
Er dient te worden beseft dat de door de Commissie
ingevoerde controleprocedures dikwijls leiden tot ver-
spilling van middelen en tot frustraties bij het personeel.
Het zou gewenst zijn deze procedures te vervangen door
taakuitbreiding van de hoofden van de onderzoekeenhe-
den, waarbij achtereenvolgende controles zullen plaats-
vinden.
Onderzoekuitgaven en budget
Het is aanvaardbaar en haalbaar een alternatief voor
de geplande besparingen ten koste van de aanwervingen
te zoeken. Daartoe zou — wanneer de Raad nieuwe,
onder meer structurele richtsnoeren worden voorgelegd
— gewenst zijn, het budget van hetCiemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek op te splitsen. Zoals ook bij
andere Gemeenschapsactiviteiten gebeurt, zouden de
kosten van het vaste personeel van de specifieke onder -
zoekkredieten kunnen worden afgesplitst en onder de
algemene huishoudelijke uitgaven van de Commissie
kunnen worden opgenomen. Zij mogen in geen geval
als rechtstreekse onderzoekkosten worden beschouwd.
Bovendien moet het detacheren van bij nationale in-
Gedaan te Brussel, 27 november 1986.
stanties werkzaam personeel bij het Gemeenschappelijk
Centrum voor Onderzoek worden gestimuleerd, zodat
voor een dynamische wisselwerking tussen het Centrum
en deze instanties wordt gezorgd.
Exploitatie van onderzoekresultaten
De resultaten van onderzoekwerkzaamheden en begelei-
dende activiteiten, zoals assistentie aan de directoraten-
generaal van de Commissie en nationale onderzoek-
centra, samenwerking met en assistentie van landen
en industriële ondernemingen, dienen beter te worden
geëxploiteerd en hieraan dient grotere bekendheid te
worden gegeven. Ook moet de planning met betrekking
tot public relations, die thans te veel tijd van de leidende
functionarissen opeist, worden verbeterd. Voor het ver-
vullen van deze taken dienen de bevoegde structuren te
worden aangepast.
Personeel en sociale problemen
Er dient een permanente en doeltreffende band tussen
het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek en
het Comité en zijn Afdelingen, de sociale kringen en
partners in de Gemeenschap tot stand te worden ge-
bracht om van gedachten te wisselen over de pro-
gramma's, zeer actuele onderwerpen en de problemen
die met de structuur van het Centrum samenhangen.
Ontwerp-besluit
Het Comité merkt op dat het ontwerp-besluit van de
Raad met betrekking tot het programma voor 1987
vooral algemene en bestuurlijke argumenten aangeeft,
zoals bij de voorgaande programma's ook al het geval
was; het ontwerp berust onvoldoende op de meest
recente beleidskeuzes van de Gemeenschap en de
dringende behoeften die voortvloeien uit zeer relevante
feiten en nieuwe ontwikkelingen zoals de Europese
Technologische Gemeenschap, Eureka, onderzoek voor
gezamenlijke rekening, de noodzaak van toepassing van
artikel 3 van het EGA-Verdrag en van verhoging van
de nucleaire veiligheid, de bepalingen van de Europese
Akte met betrekking tot onderzoek, de gevolgen en de
lessen die uit de ramp van Tsjernobyl en andere nucleai-
re incidenten moeten worden getrokken, enz.
Het Comité wil niet op de stoel van de besluitvormings-
organen gaan zitten en beseft dat de Europese Akte
moeilijk kan worden geciteerd zolang deze nog niet
door alle Lid-Staten is geratificeerd. Daarom stelt zij
deze problematiek slechts aan de orde in de overtuiging
dat de Commissie erin zal slagen, het ontwerp-besluit
bij te stellen en beter te funderen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Full & Egal Universal Law Academy