29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/29
Advies inzake het Economisch Jaarverslag 1986-1987 van de Commissie
(86/C 333/10)
De Raad heeft op 6 november 1986 besloten, overeenkomstig zijn Beschikking 74/120/EEG
van 18 februari 1974 betreffende de verwezenlijking van een hoge mate van convergentie van
de economische politiek van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap (1),
gewijzigd bij Beschikking 75/787/EEG(2), met name artikel 4 daarvan, het Economisch en
Sociaal Gomité om advies te vragen inzake het Economisch Jaarverslag 1986-1987 van de
Commissie.
De Afdeling voor economische, financiële en monetaire vraagstukken, die met de voorberei-
ding van de desbetreffende werkzaamheden belast was, heeft haar advies op 18 november
1986 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Geuenich.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van 27 no-
vember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met 92 stemmen vóór en 37 stemmen
tegen (11 onthoudingen) is goedgekeurd.
1. Inleiding
Het Comité acht het noodzakelijk, in hoofdstuk 2 van
dit advies kort verslag te doen van de analyse van de
Commissie met betrekking tot de economische situatie
en de desbetreffende vooruitzichten. Op de grondslag
hiervan geeft het Comité in hoofdstuk 4 een evaluatie
van de door de Commissie voorgestelde economische
beleidsmaatregelen. Tevens wil het dan in hoofdstuk 3
enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij de analyse
van de economische situatie door de Commissie.
2. Analyse van de economische situatie door de Com-
missie
2.1. Ontwikkelingen in de wereldeconomie
2.1.1. De buitengewone en qua omvang onverwachte
daling van de aardolieprijzen heeft haar stempel op de
ontwikkeling van de wereldeconomie in 1986 gedrukt.
Deze daling betekende een onverhoopte meevaller
voor de inflatieontwikkeling en de betalingsbalans-
problematiek in de Gemeenschap. Het effect van het
inzakken van de olieprijzen werd door de duidelijke
waardedaling van de Amerikaanse dollar — de tweede
markante ontwikkeling — nog versterkt. Aan de andere
kant heeft deze pariteitsverschuiving echter tot gevolg
gehad dat de afzetmogelijkheden van de Gemeenschap
in de dollarzone aanmerkelijk geringer zijn geworden.
De daling van de rente is de derde internationale factor
die het economische klimaat heeft veranderd.
2.1.2. Deze drie ontwikkelingen bieden per saldo op
middellange termijn gunstigere vooruitzichten voor een
krachtigere groei van de wereldeconomie. Desondanks
wordt voor de OESO-zone voor 1986 en voor 1987
slechts een groei van ca. .2 ,5% verwacht, een lichte
daling ten opzichte van de groei in 1985.
(>) PB nr. L 63 van 5. 3. 1974, blz. 16.
(2) PB nr. L 330 van 24. 12. 1975, blz. 52.
2.1.3. De daling van de olieprijs met ongeveer twee
derde (in Ecu uitgedrukt) betekent voor de ver-
bruikerslanden een ontlasting zonder weerga. De olie-
invoer kost de Gemeenschap hierdoor in totaal ca.
1,8% van het BBP minder. Wel moet erop worden
gerekend dat het olieverbruik door deze prijsdaling
duidelijk zal aantrekken en dat het aanbod van de niet-
OPEC-landen zal teruglopen, wat uiteindelijk tot een
hernieuwde stijging van de olieprijs kan leiden.
2.1.4. Het inzakken van de olieprijs heeft het inflatie-
tempo duidelijk gedrukt, waardoor het ook gemakkelij-
ker werd om de nominale rente te verlagen. De reële
rente ligt echter nog altijd op een relatief hoog peil. Een
lagere rente en geringere energiekosten leiden tot een
stijging van de rentabiliteit en kunnen zo de investe-
ringsactiviteit versterken, indien tegelijkertijd althans
een adequate vraagontwikkeling verzekerd is.
2.1.5. Gigantische tekorten op de lopende rekening
en op de begroting kenmerken de economische situatie
in de Verenigde Staten. Ondanks de daling van de
dollarkoers mag voor 1986 en voor 1987 niet op een
wezenlijke verbetering van het handelsbalanstekort
worden gerekend, daar de invoeruitgaven vooralsnog
sneller toenemen dan de exportopbrengsten. Voorts
betekenen de rentebetalingen in verband met de groeien-
de buitenlandse schuld van de Verenigde Staten een
belasting voor de lopende rekening van de betalings-
balans.
Ook het streven naar vermindering van het be-
grotingstekort heeft tot nog toe maar weinig zoden aan
de dijk gezet; het ziet er dan ook naar uit dat de
Verenigde Staten de komende jaren een restrictief fi-
nancieel beleid zullen moeten voeren.
2.1.6. De internationale handel in industrie-
produkten zal in 1987 naar verwachting een gematigde
groei te zien geven. Daar de invoer in niet-EG-landen
waarschijnlijk maar zeer langzaam zal toenemen, zal
de groei van de handel vooral door de expansie in
Europa worden bepaald.
Nr. C 333/30 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
2.1.7. Risicofactoren voor de internationale econo-
mie in 1987 zijn vooral een eventueel verder afvlakken
van de groei in de Verenigde Staten, het mogelijk weer
aantrekken van de olieprijs en de nog steeds onopge-
loste, netelige problemen waarvoor een aantal landen
met een zeer grote schuldenlast zich geplaatst ziet.
2.2. Economische situatie in de Gemeenschap en
vooruitzichten
2.2.1. De geschetste veranderingen in de internatio-
nale economische gegevens hebben de mogelijkheden
voor een krachtigere groei in de Gemeenschap op mid-
dellange termijn deels verbeterd. Deze gunstigere om-
standigheden hebben hun neerslag echter vooralsnog
niet in duidelijk hogere groeicijfers gevonden. In 1986
zal de groei maar weinig boven die in 1985 liggen
en ook voor 1987 wordt, bij ongewijzigd economisch
beleid, een groei verwacht die maar enkele tienden
procentpunten boven die van 1986 zal liggen. Met ge-
middeld 2 ,8% voor de Gemeenschap ligt de voor 1987
voorspelde groei daarmee belangrijk beneden de groei
waarop in het kader van de samenwerkingsstrategie,
namelijk gemiddeld 3,5% voor de periode 1986-1990,
wordt gemikt.
2.2.2. Voor de economische situatie in de Gemeen-
schap is voorts van belang dat de groeitempi van de
volkshuishoudingen van de diverse Lid-Staten onderling
aanzienlijk uiteenlopen. Voor 1987 wordt voor Italië,
Portugal, de Bondsrepubliek Duitsland en Ierland èen
groei van meer dan 3 % voorspeld, voor Spanje 3,0%,
en voor het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg en Frank-
rijk ca. 2 ,5%, terwijl de groei in de resterende Lid-
Staten beneden de 2 % zal liggen. In Griekenland zou
het reële BBP zelfs kunnen dalen.
2.2.3. Een van de oorzaken van de relatief onbevredi-
gende economische groei is de negatieve impulswerking
van de buitenlandse handel, die voor 1986 op meer dan
één procentpunt minus en voor 1987 op 0,8 procentpunt
minus van het BBP wordt geschat. Hieraan zijn vooral
de snel teruggelopen vraag van de olieproducerende
landen en de verandering in de muntpariteiten debet.
Deze exportdaling werd met name gedurende het eerste
halfjaar van 1986 niet door een opleving van de interne
vraag gecompenseerd.
2.2.4. Er zijn echter tekenen die erop wijzen dat de
daling van de energieprijzen het consumptieklimaat in
toenemende mate ten goede komt. Het particuliere ver-
bruik wordt daardoor een belangrijke factor voor de
economische groei ( + 3,7% reëel in 1986 en + 3,5%
reëel in 1987).
2.2.5. Ook de investeringen leveren een wezenlijke
bijdrage tot de groei. Hierbij spelen vooral de investerin-
gen in outillage een rol ( + 6 , 1 % reëel in 1986 en 4-
6,9% reëel in 1987), terwijl de bouwinvesteringen zich
weliswaar hersteld hebben, maar geen groot dynamisme
aan de dag leggen. Alles te zamen genomen mag men
echter niet over het hoofd zien dat de groei van de
investeringen duidelijk achterblijft bij die tijdens con-
juncturele expansiefases in het verleden. Krachtigere
investeringsinspanningen blijven daarom geboden.
2.2.6. De bijdrage van de overheidsconsumptie tot
de toeneming van de interne vraag, die voor 1986 op
3,8 % reëel en voor 1987 op 3,5 % reëel wordt geschat,
zal, evenals in het verleden, relatief gering zijn.
2.2.7. De stijging van de consumptieprijzen is te-
ruggelopen tot een niveau dat de afgelopen twintig
jaar niet meer werd bereikt: gemiddeld 3,7% in de
Gemeenschap in 1986. Wel bestaan er nog steeds aan-
zienlijke verschillen tussen de prijsontwikkelingen in de
diverse Lid-Staten. Vooral Griekenland en Portugal,
maar ook — zij het in mindere mate — Spanje en Italië
worden in 1986 nog met een relatief hoog inflatietempo
geconfronteerd. In 1987 mag echter een verdere daling
van de gemiddelde prijsstijging tot 3,0% worden ver-
wacht, aangezien de situatie zich met name in de ge-
noemde landen verder zal verbeteren.
2.2.8. Deze gunstige ontwikkeling van de consump-
tieprijzen en de verbetering van de ruilvoet hebben,
gepaard gaande met een gematigde stijging van de no-
minale lonen, tot een uitzonderlijke situatie geleid: de
verhoging van de reële lonen met 2,3 % en de daarmee
verbonden koopkrachtstijging leveren geen stijging van
de reële arbeidskosten per capita op. Voor 1987 mag
echter niet op een herhaling van deze constellatie wor-
den gerekend.
2.2.9. Zowel voor 1986 als voor 1987 wordt de
stijging van het aantal werkenden op 0,8% geschat.
Deze cijfers vertegenwoordigen op lange termijn gezien
weliswaar een groei van het aantal werkenden boven
het gemiddelde, maar de toeneming komt deels voor
rekening van specifieke maatregelen die in het kader
van het arbeidsmarktbeleid zijn genomen. Daar de be-
roepsbevolking in het bijzonder door de stijging van
de participatiegraad bij vrouwen nog verder toeneemt,
blijft de werkloosheid zich op een onveranderd extreem
hoog niveau bewegen: voor de Gemeenschap als geheel
(EUR 12) gemiddeld 11,9% in 1986 en 11,7% in 1987.
2.2.10. Ten aanzien van de opbouw van de werkloos-
heid zij opgemerkt dat vooral het toenemende per-
centage langdurig werklozen zorgen baart: ca. 40%
van de werklozen is al meer dan een jaar zonder werk.
Ook de werkloosheid onder de jongeren blijft aanzien-
lijk, hoewel in dit opzicht eerste tekenen van een verbe-
tering te bespeuren zijn.
2.2.11. De economische vooruitzichten voor 1987
wettigen de verwachting dat de bescheiden expansie
wellicht nog zal aanhouden. Of een verdere groei moge-
lijk is, hangt echter vooral af van binnenlandse factoren,
terwijl op de uitvoer geen hoop mag worden gevestigd.
De onaanvaardbare omvang van de werkloosheid zal
echter niet significant kunnen worden teruggebracht.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/31
3. Kanttekeningen bij de analyse van de economische
situatie
3.1. Het Comité neemt kennis van de analyse die de
Commissie van de internationale economische ontwik-
keling heeft gemaakt. Het wenst echter de nadruk op
het volgende te vestigen:
— de problemen waarmee de Verenigde Staten op de
lopende rekening te maken hebben, zullen wellicht
ook na 1987 nog niet zijn opgelost; indien de Ver-
enigde Staten proberen, deze problemen via een
restrictief financieel beleid op te lossen, zou de ver-
zwakking van de groei in dat land in een recessie
kunnen uitmonden;
-— een verdere daling van de dollarkoers zou net zo
gevaarlijk kunnen zijn;
— de groei van de Europese economie zal in de toe-
komst naar alle waarschijnlijkheid zeer negatief
worden beïnvloed door de economische ontwikke-
ling in de Verenigde Staten en de wereldwijde uit-
straling daarvan;
— de risico's voor de wereldhandel zijn over het geheel
genomen nog omvangrijker en ernstiger; het protec-
tionisme neemt toe, terwijl onvoorspelbare en
grillige wisselkoersschommelingen de onzekerheid
nog in de hand kunnen werken.
3.2. Het Comité wil ten aanzien van de evaluatie
van de economische situatie in de Gemeenschap het
volgende opmerken:
— of het gemiddelde stijgingspercentage van de con-
sumptieprijzen in 1987 inderdaad verder zal dalen,
is nog een volkomen open vraag;
— de particuliere consumptie zou dynamischer kunnen
zijn indien het loonaandeel in het nationaal inkomen
niet verder zou teruglopen;
— de voor bepaalde landen, b.v. de Bondsrepubliek
Duitsland, verwachte groei van het BBP is wellicht
te optimistisch ingeschat;
— vooral in de verwerkende sector en op het gebied
van nieuwe technologie zijn grotere investerings-
inspanningen noodzakelijk;
— het is de vraag of de voorspelde groei op zich
toereikend zal zijn om de werkloosheid in de ko-
mende jaren terug te dringen, zolang de door de
Lid-Staten vastgelegde streefcijfers met betrekking
tot de werkgelegenheid niet duidelijker dan tot dus-
ver in economische beleidsmaatregelen worden ver-
taald. Daarom juicht het Comité het zeer toe dat de
Commissie in haar betoog een centrale plaats toe-
kent aan het verminderen van de werkloosheid in
een dynamischere Europese volkshuishouding.
4. Verwezenlijking van de samenwerkingsstrategie
voor meer groei
4.1. Algemene problemen bij een dergelijke strategie
4.1.1. Uit de beschikbare cijfers voor 1986 en 1987,
vooral uit de cijfers betreffende economische groei en
werkgelegenheid in de Gemeenschap, blijkt dat de
ontwikkeling van de economie nog lang niet van dien
aard is dat de doelstellingen van de samenwerkingsstra-
tegie voor meer groei kunnen worden verwezenlijkt.
Wat in het bijzonder bedenkelijk is, is het feit dat de
groei in 1986 betrekkelijk laag is uitgevallen, hoewel
door de enorme daling van de invoerprijzen, vooral bij
grondstoffen, en de daarmee gepaard gaande positieve
effecten op de ruilvoet, een zeer gunstige uitgangssitua-
tie ontstond voor een sterkere groei van de produktie
en de werkgelegenheid.
4.1.2. Op grond hiervan mag worden geconcludeerd
dat gunstige of althans verbeterde randvoorwaarden op
het vlak van de prijsontwikkeling, produktiekosten,
ondernemingswinsten, saldi op de lopende rekeningen
en begrotingstekorten van de diverse Lid-Staten kenne-
lijk niet automatisch een aanmerkelijke versnelling van
de economische groei teweegbrengen. Veeleer is het zo
dat de verbeterde randvoorwaarden alleen maar een
kans bieden op een betere ontwikkeling van produktie
en werkgelegenheid, welke kans dan nog wel in het
economische beleid moet worden waargenomen.
4.1.3. Verwezenlijking van de samenwerkingsstrate-
gie voor meer groei zou inhouden dat deze kans zou
worden benut. Immers, deze groeistrategie is ambitieus
van opzet en omvat vrij vergaande doelstellingen. De
mogelijkheden voor een dergelijke groeistrategie zijn
tot dusver echter veeleer verbeterd doordat zich op de
markt veranderingen op het vlak van de prijzen hebben
voltrokken. Op politiek vlak is er tot nog toe slechts
weinig gebeurd, wat de tenuitvoerlegging van de samen-
werkingsstrategie waarschijnlijker maakt. Het in de-
cember 1985 door de Raad genomen besluit en de
discussies tussen de Instellingen van de Europese Ge-
meenschappen en de sociale partners op Europees ni-
veau — zelfs al werden deze gekenmerkt door een ruime
mate van overeenstemming over de doelstellingen van
deze strategie en de middelen om de strategie te verwe-
zenlijken — hebben immers nog geen wezenlijk effect
op het gedrag van de betrokken groepen in eigen land
en evenmin op de coördinatie van het economische
beleid van de Lid-Staten gehad.
4.1.4. Daarom lijkt het zaak, een aantal principiële
overwegingen naar voren te brengen aangaande de mo-
gelijkheden voor.een op samenwerking gebaseerd ge-
drag van de ca.o.-partners en de instanties die zich in
de afzonderlijke landen met het economische beleid
bezighouden.
4.1.5. Ook de meer of minder op de verzorgingsstaat
georiënteerde volkshuishoudingen van West-Europa
worden van oudsher gekenmerkt door op individuele
en bijzondere groepsbelangen berustende economische
planning en besluitvorming. Verschillende regeringen
voeren zelfs een weloverwogen beleid om ervoor te
zorgen dat dit beginsel opnieuw wordt ingevoerd dan
wel nog meer gewicht krijgt, en zelfs in de samenwer-
kingsstrategie voor meer groei van de, Commissie is
voor dit beginsel tot op zekere hoogte plaats ingeruimd.
Een op samenwerking gebaseerd gedrag gaat evenwel
verder dan individuele en bijzondere groepsbelangen,
aangezien men daartoe, rekening houdend met de belan-
gen van anderen, bij de behartiging van zijn eigen
belangen concessies moet doen. Daarom is een op sa-
Nr. C 333/32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
menwerking gebaseerd gedrag alleen maar onder be-
paalde omstandigheden zinvol, bij voorbeeld in het
geval waarin de eigen opofferingen anderen tot offers
bewegen of dwingen; alleen op die wijze kan een econo-
mische situatie worden gecreëerd waarin allen voorde-
len genieten en die beter is dan een situatie die men
mag verwachten wanneer men louter zijn eigen belang
op het oog heeft. Kortom, opofferingen moeten de
moeite waard zijn. Zij leveren echter gewoonlijk alleen
maar iets op, als de andere partijen zich ook aan het
samenwerkingsprincipe houden.
4.1.6. Tegenover dit gemeenschappelijke op samen-
werking gebaseerde gedrag staat echter weer het ei-
genbelang. Immers, men creëert een voor zichzelf zo
gunstig mogelijke situatie wanneer de ander zich aan
de samenwerking houdt en zich dienovereenkomstig
gedraagt terwijl men zelf uitsluitend zijn eigen belang
behartigt. Dit zou weliswaar door de ander kunnen
worden geconstateerd en ertoe kunnen leiden dat deze
zich niet langer coöperatief opstelt. Niet elke situatie
van niet coöperatief gedrag kan evenwel worden gecon-
stateerd, bij voorbeeld in het geval dat duidelijke criteria
voor een coöperatief gedrag ontbreken of wanneer —
zoals bij de kleine Lid-Staten het geval zou kunnen zijn
— het aandeel van de afzonderlijke Lid-Staat in het
totaal verhoudingsgewijs gering is. Tevens is een niet
coöperatieve opstelling, ondanks de kans dat de anderen
zich dan ook niet meer coöperatief opstellen, voor de
hand liggend als zelfs slechts op korte termijn een
voordeel te verwachten is dan wel dit voordeel voldoen-
de lijkt en er geen tegenmaatregelen tegen een niet
coöperatief gedrag te verwachten zijn.
4.1.7. Aan bovenstaande overwegingen kan de con-
clusie worden verbonden dat de mogelijkheden om
de samenwerkingsstrategie voor meer groei te doen
aanvaarden, nog kunnen worden vergroot als het vol-
gende wordt gedaan:
a) de Commissie dient duidelijke criteria uit te werken
voor een op samenwerking gebaseerd gedrag van de
betrokken groepen en Lid-Staten;
b) de Commissie dient duidelijk te maken dat het om
een op langere termijn noodzakelijke strategie gaat,
die ook na 1990 moet worden voortgezet; gebeurt
dit niet, dan zou te vroeg een einde kunnen komen
aan het coöperatieve gedrag;
c) de Commissie dient in het oog te houden, in welke
mate alle Lid-Staten het hunne bijdragen tot het
welslagen van de gemeenschappelijke strategie;
d) de Commissie dient haar gedachten te laten gaan
over de conclusies die moeten worden getrokken
wanneer een geval van niet coöperatief gedrag
wordt geconstateerd;
e) de Commissie dient elke maatschappelijke groep
er nog meer van te doordringen, welke voordelen
opofferingen van eigen kant kunnen opleveren.
4.2. Monetair beleid
4.2.1. De doelstellingen op het gebied van het mo-
netaire beleid waren in 1986 vrij gemakkelijk te verwe-
zenlijken, aangezien alleen al door de sterke daling van
de invoerprijzen de stijging van de consumentenprijzen
duidelijk is afgenomen. Gemiddeld kon daarom de uit-
zetting van de geldhoeveelheid in de Europese landen
worden verminderd, zonder dat daardoor de groei-
mogelijkheden werden beperkt.
4.2.2. In 1987 zal het moeilijker worden om de doel-
stellingen op het gebied van het monetaire beleid
te halen, aangezien het niet waarschijnlijk is dat de
invoerprijzen zullen blijven dalen. Het is zaak dat de
bij de bestrijding van de inflatie geboekte successen
worden gecontinueerd. Dit is niet gemakkelijk wanneer
men bedenkt dat de gemiddelde prijsstijging van 3,5%
mede te danken is aan een aantal landen waarin de
stijging van de prijzen zeer gering is of de prijzen
absoluut gezien zelfs dalen. Deze situatie zal in die
landen nauwelijks kunnen worden gestabiliseerd, het-
geen ook niet per se gewenst is.
4.2.3. Wil men bereiken dat de gemiddelde inflatie
in de Gemeenschap zich stabiliseert, dan moeten bijge-
volg de prijsstijgingspercentages in de Lid-Staten waarin
de inflatie hoger ligt dan het gemiddelde, verder worden
teruggebracht. Met het monetaire beleid kan dit in
principe alleen maar worden verwezenlijkt zonder de
groei te belemmeren indien de stijging van de kosten
navenant wordt verminderd. De mogelijkheden om dit
te bereiken zijn gunstig, aangezien de geringere inflatie
ook voorlopig nog in de te sluiten ca .o . ' s in aanmerking
kan worden genomen. Op die manier zou tevens een
onderlinge aanpassing van de percentages van de
prijsstijgingen in de afzonderlijke landen plaatsvinden,
waardoor tegelijkertijd een convergentie van en cohe-
rentie bij de uitzetting van de geldhoeveelheid mogelijk
wordt, zonder dat het monetaire beleid de groei belem-
mert.
4.2.4. De Commissie wijst er nog eens op dat het
monetaire beleid ook tot taak heeft, de nodige financiële
armslag voor de reële groei te bieden. Wat moet echter
worden verstaan onder het bieden van de nodige fi-
nanciële armslag in de context van de op samenwerking
gebaseerde groeistrategie ? Volgens het Comité mag in
dit verband niet van de huidige groei in de diverse
Lid-Staten worden uitgegaan. De streefcijfers voor de
geldhoeveelheid dienen veeleer rekening te houden met
een geringe onvermijdelijke prijsstijging en moeten de
verschillende landen — afhankelijk van hun groeimoge-
lijkheden — zoveel reële speelruimte voor de groei
bieden dat de 3,5 % groei jaarlijks waarop in de Ge-
meenschapsstrategie tot 1990 wordt gemikt, ook moge-
lijk wordt. Er bestaat geen gevaar van een weer aanwak-
kerende inflatie zolang het loonbeleid door sociaal over-
leg tot stand komt; hierop heeft het Comité reeds in
zijn advies over de „Economische situatie medio 1986"
gewezen.
4.2.5. De ontwikkeling van de dollarkoers zou, zoals
de Commissie terecht constateert, een flexibele aanpas-
sing van de rentetarieven voor kortlopend geld in Eu-
ropa noodzakelijk kunnen maken. Daarbij kan worden
voorkomen dat de geldhoeveelheid in een sneller tempo
gaat groeien.
4.2.6. De voorgenomen liberalisering van het ka-
pitaalverkeer en de consolidatie en uitbouw van het
EMS zijn van grote betekenis voor meer convergentie
van het geld- en wisselkoersbeleid van de Gemeenschap
en daarmee ook voor daadwerkelijk gezamenlijk op-
treden van de Lid-Staten.
4.3. Speelruimte in de financiële politiek
4.3.1. De Commissie heeft de ontwikkelingen en ma-
noeuvreermogelijkheden in het financiële beleid van de
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/33
overheden zeer uitvoerig geanalyseerd, aangezien zij
vaststelt dat voor het financiële beleid een rol van
wezenlijke betekenis bij de tenuitvoerlegging van de
samenwerkingsstrategie voor meer groei is weggelegd.
Het Comité vindt dat de financiële politiek zelfs een rol
van sleutelbetekenis moet gaan spelen nu de ontwikke-
ling van de particuliere investeringen tot nog toe geen
gelijke tred heeft gehouden met de verbeterde aanbods-
situatie, met name de toegenomen rentabiliteit.
4.3.2. Kennelijk moeten er afgezien van de verbeterde
rentabiliteit ook betere afzetverwachtingen komen
voordat de investeringen weer aantrekken. In de over-
heidsbegrotingen is dit aspect in het verleden naar het
tweede plan verschoven om plaats te maken voor de
gewenste terugdringing van het financieringstekort. In-
middels is op deze weg al heel wat vooruitgang geboekt,
hoewel nog niet alle landen reeds een gezonde verhou-
ding tussen de toeneming van de nationale schuld en
de stijging van het BBP hebben bereikt. Verheugend is
echter dat met name enkele grotere landen aan ma-
noeuvreerruimte gewonnen hebben.
In de Bondsrepubliek Duitsland is het begrotingstekort
van de overheid intussen zover teruggebracht dat het
financiële beleid een belangrijkere rol met het oog op
de vraagontwikkeling kan worden toebedeeld. Het be-
leid is er zelfs op gericht — hoewel daartoe geen
noodzaak is — het tekort in 1987 nog verder terug te
dringen. De Commissie wijst er terecht op dat, indien
een in onderling overleg overeengekomen expansief be-
leid zou worden gevoerd, waaraan de Bondsrepubliek
Duitsland zou moeten deelnemen, ook Frankrijk en
Groot-Brittannië de beschikking zouden krijgen over
speelruimte voor een expansiever begrotingsgedrag. In
dit verband dient men tevens oog te hebben voor de
overschotpositie van Denemarken en Luxemburg.
Niet alleen de ontwikkeling van de begrotingssaldi le-
vert thans speelruimte op voor de financiële politiek.
Het Comité ziet ook aanzienlijke mogelijkheden om
groei en werkgelegenheid te stimuleren door verbetering
van de inkomsten- en uitgavenstruktuur.
4.3.3. Van centraal belang is de vraag, waarvoor de
beschikbare speelruimte benut moet worden. Volgens
het Comité moeten er vooral meer infrastructuurinves-
teringen worden gedaan, inclusief meer uitgaven voor
milieubescherming en stadsvernieuwing, aangezien
vooral de overheidsinvesteringen het de afgelopen tien
jaar hebben moeten ontgelden. In dit verband moet ook
worden gedacht aan intensivering van de inspanningen
op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, alsook
met betrekking tot beroepsopleidingen en gerichte scho-
ling van langdurig werklozen. De bijzondere betekenis
van overheidsinvesteringen ligt niet alleen in het feit dat
hierdoor vraag en werkgelegenheid worden gecreëerd,
maar ook dat deze investeringen complementair zijn
aan particuliere investeringen en de kans op succes
daarvan vergroten. Overigens zouden rendabele inves-
teringen, zoals voor de Kanaaltunnel, in ieder geval ten
dele met particulier kapitaal moeten kunnen worden
gefinancierd.
4.3.4. Het is zeer de vraag of er daarnaast nog ruimte
overblijft voor belastingverlaging of voor vermindering
van andere lasten, met name de sociale premies. Door
het dichten van mazen in de belastingwetgeving en door
het gefaseerd afschaffen van subsidies ontstaan wellicht
mogelijkheden om de belastingtarieven te verlagen.
Aangezien de verschillende Lid-Staten uiteenlopende
belastingstelsels kennen, dient daarenboven te worden
nagegaan, hoe deze stelsels een meer werkgelegenheids-
scheppend effect kan worden verleend.
4.3.5. Pogingen om de belastingstelsels te hervormen,
dienen voornamelijk op vereenvoudiging ervan te zijn
gericht. Dit kan bereikt worden door velen die een laag
inkomen genieten geen belasting meer te laten betalen
en tegelijkertijd de overdrachtsbetalingen aan deze per-
sonen stop te zetten. In beginsel zouden uitgaven voor
sociale doeleinden alleen dan beknot of in hun expansie
afgeremd mogen worden wanneer niet langer van een
sociale noodsituatie sprake is. Het Comité gaat ervan
uit dat het betoog van de Commissie ten aanzien van
dit punt inderdaad betrekking heeft op dit geval. Maat-
regelen die het aanbod van arbeidskrachten, door ver-
mindering van de sociale uitkeringen, vergroten, zijn
voorlopig overbodig.
4.4. Verwezenlijking van de binnenmarkt en actieve
structuurpolitiek
4.4.1. In zijn advies over de „Economische situatie
medio 1986" is het Comité al uitvoerig ingegaan op het
verband tussen de doeltreffendheid van de samenwer-
kingsstrategie voor meer groei en de verwezenlijking
van de Europese binnenmarkt. In dit advies werd
nadrukkelijk gesteld dat vergroting van de mark-
ten en intensivering van de concurrentie groei-impulsen
tot gevolg kunnen hebben. Wel moet er in dat verband
op worden toegezien dat de voordelen van de binnen-
markt ook de consument ten goede komen. De veran-
deringen in de marktstructuur zullen het noodzakelijk
maken dat meer voor de consument wordt gedaan, o.m.
een op de consument toegespitst voorlichtingsbeleid en
kwaliteitscontrole. Overigens zou de Commissie inder-
daad meer aandacht moeten besteden aan de belangen
van de consument. Het Comité zal in zijn adviezen en
rapporten onderzoeken of dit gebeurt, zoals het ook zal
nagaan of daarbij adequaat rekening is gehouden met
andere belangen. Tevens werd in het advies over de
economische situatie medio 1986 gewezen op de bete-
kenis van de met de verwezenlijking van de binnen-
markt samenhangende regionale en sectorale structuur-
veranderingen en werd erop aangedrongen, deze aan-
passingsprocessen met structuurpolitieke maatregelen
te begeleiden.
4.4.2. Het verheugt het Comité daarom zeer dat ook
de Commissie, wat de eigen aanbodsmaatregelen van
de Gemeenschap aangaat, een verband ziet tussen de
opening van de markten en maatregelen inzake de
structuur- en de regionale politiek.
4.4.3. Vastgesteld moet worden dat het proces van
„reële convergentie", namelijk vermindering van de
verschillen tussen de reële inkomens per capita en de
werkloosheidscijfers in de diverse landen en regio's in
de Gemeenschap, sedert het midden van de jaren '70 is
gaan haperen en dat de verschillen zelfs zijn toegeno-
men. Door de uitbreiding van de Gemeenschap en het
feit dat het voortdurende proces van structuurverande-
ringen in een stroomversnelling is geraakt, krijgt het
streven naar „reële convergentie" een groter gewicht.
Nr. C 333/34 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
4.4.4. De tenuitvoerlegging van de samenwerkings-
strategie zal bijdragen tot het creëren van een gunstig
macro-economisch klimaat voor een dynamische econo-
mische groei. Wil men echter het proces van reële con-
vergentie in de Gemeenschap onmiddellijk nieuw leven
inblazen, dan dienen de meest benadeelde regio's een
economische groei te verwezenlijken die boven het ge-
middelde van de Gemeenschap ligt. Daarom is het voor
de Gemeenschap nu meer dan ooit tevoren zaak, haar
instrumenten van de sociale, regionale en
structuurpolitiek aan te wenden en de efficiëntie van
dit instrumentarium op te voeren door een betere coör-
dinatie tussen de Gemeenschapsfondsen onderling en
tussen deze fondsen en de andere financiële in-
strumenten van de Gemeenschap. Het Comité verwijst
in dit verband naar de adviezen inzake het vijftiende
verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid
en over het witboek van de Commissie over de vol-
tooiing van de binnenmarkt; in deze adviezen wordt
gewezen op het verband tussen een doeltreffend me-
dedingingsbeleid, de verwezenlijking van de binnen-
markt en de totstandbrenging van een Europese sociale
ruimte. Volgens het Comité kan de voltooiing van de
binnenmarkt alleen maar een feit worden indien tegelij-
kertijd ook de sociale dimensie in aanmerking wordt
genomen in het Gemeenschapsbeleid. Dit veronderstelt
dat de Commissie diepgaand onderzoekt, welke gevol-
gen de totstandbrenging van de binnenmarkt voor de
werknemers zal hebben.
4.4.5. De sociale, regionale en structuurpolitiek kun-
nen echter alleen dan het gewenste succes opleveren
indien de maatregelen op gecoördineerde wijze worden
genomen en deze op de grondslag van analyses van de
ontwikkelingsvooruitzichten in de diverse economische
sectoren worden bepaald. Hierbij moet erop worden
toegezien dat — zoals ook de Commissie in haar ver-
slagen over het mededingingsbeleid opmerkt — intern
protectionisme wordt afgebroken en een subsidiewed-
loop wordt voorkomen.
4.5. Loonpolitiek
4.5.1. De Commissie gaat in de samenwerkingsstra-
tegie uit van een gemiddelde stijging van de reële loon-
kosten per capita met 1,0% en van een gemiddelde
toeneming van de reële lonen per capita met 1,1 % voor
de periode 1986-1990. Voorts rekent zij voor dezelfde
periode op een gemiddelde verbetering van de produk-
tiviteit per werkende met 2,3 %. Gezien de in alle landen
— met uitzondering van Luxemburg — abnormaal
hoge werkloosheidscijfers kant het Comité zich mo-
menteel niet tegen het voorstel om de stijging van
de reële loonkosten en van de reële lonen te laten
achterblijven bij de produktiviteitsverbetering, indien
tegelijkertijd ook de andere elementen van de groeistra-
tegie ten uitvoer worden gelegd, de investeringsactiviteit
krachtiger aantrekt en extra arbeidsplaatsen worden
gecreëerd. Het Comité wil hierbij echter wel aantekenen
dat het nagestreefde verschil tussen de stijging van de
reële loonkosten en van de reële lonen, enerzijds, en de
toeneming van de produktiviteit, anderzijds, aanzienlijk
is. Het wijst er tevens met nadruk op dat de reële
lonen tegelijkertijd verder moeten toenemen en dat, hoe
positiever het effect van de samenwerkingsstrategie op
de ontwikkeling van de werkgelegenheid is, des te aan-
vaardbaarder een matiging bij de stijging van de reële
lonen kan zijn.
4.5.2. Luiderfs het Economisch Jaarverslag 1986-
1987 (tabel 21) zullen de reële loonkosten per eenheid
produkt (verschil tussen de stijging van de reële loon-
kosten per capita en de verbetering van de arbeidspro-
duktiviteit per werkende) in de Gemeenschap (EUR 12)
in 1987 waarschijnlijk met 0,7% dalen, terwijl de reële
loonkosten per eenheid produkt ook in 1986, mede in
verband met de gedaalde invoerprijzen, zullen dalen en
wel met 1,8 %. Voorts zullen in 1987 de reële loonkosten
per capita in diverse Lid-Staten waarschijnlijk met 2
a 3 % toenemen. De Commissie adviseert de sociale
partners in deze landen, bij de loononderhandelingen
rekening te houden met de ontwikkeling van de werkge-
legenheid en de omvang van de werkloosheid.
4.5.3. De Commissie gaat er dus mee akkoord dat
in de loonpolitiek rekening wordt gehouden met ver-
schillen in de ontwikkeling van de werkgelegenheids-
situatie en in de werkloosheidscijfers. Volgens het
Comité dient men in dit verband echter ook oog te
hebben voor de aanpassingen die tot nog toe in de reële
loonkosten per eenheid produkt (tabel 21) en in de
rentabiliteit hebben plaatsgevonden; deze grootheden
laten namelijk zien, welke investerings- en werkgele-
genheidsmogelijkheden er voor de toekomst al bestaan.
4.5.4. Met betrekking tot het in de toekomst te voe-
ren loonbeleid dringt de Commissie aan op de naleving
van de volgende beginselen:
Enerzijds stelt zij voor, in ca .o. ' s de mogelijkheid op te
nemen om op veranderingen in de ruilvoet te reageren.
Concreter gezegd gaat het erom, in het loonbeleid on-
derscheid te maken tussen „eigen" inflatie en ingevoer-
de inflatie. Het Comité stelt vast dat dit vooral van
belang kan zijn in geval van een nieuwe aanzienlijke
verslechtering van de ruilvoet. Voorkomen moet wor-
den dat extern bepaalde inflatie vrijwel automatisch in
de ontwikkeling van de intern bepaalde kosten tot uiting
komt.
4.5.5. Andere voorstellen van de Commissie, name-
lijk regionale differentiëring van de lonen, algemene
matiging bij de loonstijging ook in welvarende sectoren,
contracten voor bepaalde duur en salariëring afhanke-
lijk van de winst, impliceren deels zeer ingrijpende
maatregelen. Er zal eerst zeer intensief overleg tussen
de ca.o.-partners moeten worden gevoerd voordat op
dit gebied afwijkingen van de huidige praktijk te ver-
wachten zijn; maatregelen ter bescherming van de werk-
gelegenheid moeten zoveel mogelijk worden gehand-
haafd. Daarenboven is van belang dat rekening wordt
gehouden met de gevolgen hiervan voor de regionale
politiek, ten einde de doelstellingen van het regionale
beleid van de Gemeenschap niet te dwarsbomen.
4.6. Aanpassing van de arbeidsmarkt en beleid inzake
werktijden
4.6.1. In het kader van de samenwerkingsstrategie
voor meer groei noemt de Commissie, naast de macro-
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/35
economische factoren die de werkgelegenheid bepalen,
een groot aantal micro-economische instrumenten
waarmee de bereidheid van de bedrijven om nieuwe
werknemers aan te werven, kan worden opgevoerd:
— reorganisatie en verkorting van de werktijden,
— regelingen voor het garanderen van arbeidsplaatsen,
— scholings- en herscholingsmogelijkheden,
— starthulp voor kleine ondernemingen, zelfstandigen
en coöperaties,
— maatregelen ten gunste van langdurig werklozen.
4.6.2. Het gaat er hierbij om, meer werkgelegen-
heidsimpulsen van de groei te laten uitgaan. Hiertoe
kunnen ook reorganisatie en verkorting van de werk-
tijd, voor zover hierdoor het kostenniveau macro-
economisch niet wordt beïnvloed, bijdragen. Gezien de
huidige situatie, met name de teleurstellende resultaten
bij de werkloosheidsbestrijding in 1986 en de vooruit-
zichten voor 1987, meent het Comité dat in de samen-
werkingsstrategie sterker de nadruk moet worden ge-
legd op reorganisatie en verkorting van de werktijd,
waarbij mede rekening moet worden gehouden met het
specifieke karakter van iedere sector. Voorts valt op
dat de Commissie werktijdverkorting altijd uitsluitend
in samenhang met en na reorganisatie van de werktijd
noemt. De mogelijkheid van werktijdverkorting lijkt
voor de Commissie uit een reorganisatie van de werktijd
voort te komen. Het Comité is daarentegen van mening
dat werktijdverkorting een autonoom instrument van
het werkgelegenheidsbeleid is. Werktijdverkorting kan
het juist noodzakelijk maken dat de werktijden worden
gereorganiseerd, met het doel de in totaal gepresteerde
werktijd over meer personen te verdelen.
4.6.3. Werktijdverkorting mag binnen een samen-
werkingsstrategie niet beperkt blijven tot het honoreren
van individuele verlangens met betrekking tot de werk-
tijden; daarmee zou men de werklozen namelijk tekort
doen. Met de belangen van de ondernemers moet ook
rekening worden gehouden, namelijk door ervoor t,e
zorgen dat deze het kostenniveau macro-economisch
niet beïnvloeden. De Commissie merkt terecht op dat
dit bereikt kan worden door de bedrijfstijd op te voeren.
Verlenging van de bedrijfstijd maakt het dikwijls nood-
zakelijk dat de arbeidskrachten op flexibelere wijze
worden ingezet. Binnen het sociaal overleg moeten hier-
voor door de partners acceptabele formules worden
gevonden.
4.6.4. Wat de problematiek van garanties voor de
continuïteit van arbeidsplaatsen betreft, streeft de Com-
missie er niet in het bijzonder naar, deregulering als
zodanig te stimuleren. Wel meent zij dat de in vele
landen geldende ontslagregelingen de werkgelegenheid
schaden. Deze kwestie kan echter pas uitvoerig worden
besproken wanneer een overzicht beschikbaar is van de
gevolgen van deze als storend bestempelde regelingen.
In het algemeen kan men stellen dat garanties aangaan-
de de continuïteit van arbeidsplaatsen voor de werkne-
mer van groot belang zijn in tijden van omvangrijke
werkloosheid. De werknemers hebben ook behoefte aan
deze sociale zekerheid om zich te kunnen indekken
tegen het risico van inkomensderving als gevolg van het
beleid van individuele en algemene werktijdverkorting.
4.6.5. Het Comité is het zonder meer eens met de
voorgenomen stimulering van scholings- en herscho-
lingsmogelijkheden. Het proces van structuurverande-
ringen in het algemeen en de specifiekere problemen in
verband met de herplaatsing van werklozen, waartoe
zoals bekend naar verhouding veel ongeschoolde werk-
nemers behoren, zouden hierbij zeker gebaat zijn. De
aandacht dient voorts in het bijzonder uit te gaan naar
de problemen van de langdurig werklozen.
4.6.6. Het Comité schaart zich achter het initiatief
van de Commissie, overbodige of distorsies veroorza-
kende regelingen die de oprichting of uitbreiding van
kleine en middelgrote ondernemingen in de weg staan,
door te lichten en een beleid uit te werken waarmee
dergelijke belemmeringen uit de weg kunnen worden
geruimd.
4.7. Internationale coördinatie van de economische
politiek
4.7.1. In verband met de zeer uiteenlopende saldi op
de lopende rekeningen van de betalingsbalansen van de
Lïd-Staten moet de economische politiek in internatio-
naal verband beter worden gecoördineerd, daar on-
evenwichtigheden de internationale handel negatief be-
ïnvloeden. De Commissie heeft een zeer leerzame analy-
se opgesteld van de inkomenselasticiteiten van de in-
en uitvoer van de betrokken landen. Zij pleit ervoor dat
met name Japan en ook de Bondsrepubliek Duitsland de
interne vraag krachtig aanzwengelen. Er is echter geen
sprake van dat de Bondsrepubliek Duitsland een „lo-
komotieffunctie" voor de wereldeconomie kan vervul-
len. De noodzakelijke vertraging in de groei van de
reële inkomens in de Verenigde Staten lijkt al op gang te
zijn gekomen; er zouden geen contractieve maatregelen
moeten worden genomen, om de groei van de wereld-
handel niet nog eens extra in gevaar te brengen.
4.7.2. Tegen deze achtergrond gezien zouden de
schuldenproblemen van vele ontwikkelingslanden weer
acuut worden indien Europa en Japan geen krachtigere
economische groei zouden weten te bereiken en zo een
actievere rol in de wereldhandel zouden gaan vervullen.
Ondanks een aanzienlijke verslechtering van de lopende
rekening van de Gemeenschap als gevolg van de tenuit-
voerlegging van de samenwerkingsstrategie, mag hier-
van niet worden afgezien. Tekorten op de lopende
rekening zijn namelijk de noodzakelijke tegenhanger
van overschotten op de lopende rekeningen van de
ontwikkelingslanden, die hun veel te zware schulden-
last, indien deze niet wordt kwijtgescholden, alleen via
overschotten op de lopende rekening kunnen te-
rugbrengen.
4.7.3. Het is te hopen dat de resultaten van de nieuwe
GATT-ronde het streven naar meer evenwicht in de
Nr. C 333/36 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
internationale handel ten goede zullen komen. In dat
verband moet steeds weer de nadruk worden gelegd
op een grondbeginsel van de internationale handel:
protectionisme moet principieel worden bestreden. Zo-
wel in GATT-verband als in bilaterale onderhandelin-
gen moet bij voorrang worden gestreefd naar afbraak
van de bestaande protectionistische regelingen.
4.8. Meer sociaal overleg
4.8.1. De Commissie is zich er zeer wel van bewust
hoe belangrijk het is dat er meer sociaal overleg komt.
Zij analyseert zeer juist hoe gebrekkig sociaal overleg
in het verleden tot het ontstaan van de huidige proble-
men heeft bijgedragen. Het belang van sociaal overleg
ligt in het feit dat hiermee een sfeer van vertrouwen in
stand wordt gehouden, zodat iedereen zelf actief in
plaats van defensief kan optreden.
4.8.2. In beginsel dient het social overleg alle be-
leidsterreinen van de samenwerkingsstrategie voor meer
groei te bestrijken; het dient voorts niet alleen op ma-
croniveau, maar ook op sectorniveau te worden ge-
voerd. Het Economisch en Sociaal Comité, dat in de
EG-oprichtingsverdragen genoemd wordt als ad-
viesorgaan voor de andere Gemeenschapsinstellingen
en dat daarmee het belangrijkste forum is voor sociaal
overleg, wil bereiken dat er op alle niveaus en in alle
configuraties een sociale dialoog wordt gevoerd.
4.8.3. De Commissie merkt terecht op dat er ook op
Europees niveau nog meningsverschillen bestaan tussen
de sociale partners. De rol van de overheid ten aanzien
van de stabilisering van de economische kringloop be-
hoeft echter niet omstreden te zijn: in een marktecono-
mie waarin decentraal over produktie en werkgelegen-
heid beslist wordt, kan de afzonderlijke ondernemer
immers niet de verantwoordelijkheid op zich nemen
Gedaan te Brussel, 27 november 1986.
voor de macro-economische kringloop. Zijn mogelijk-
heden om zich als eenling via zijn investeringsactiviteit
een coöperatief gedrag aan te meten, zijn maar zeer
beperkt, daar hij doorgaans met andere bedrijven moet
concurreren. Op het investeringsgedrag van de andere
ondernemingen en dus ook op hun vraagontwikkeling
kan hij echter niet afgaan. De overheid heeft in het
kader van een samenwerkingsstrategie daarom de taak,
middels haar beleid een stabiliserende invloed uit te
oefenen op de afzetverwachtingen.
4.8.4. De Commissie zou zich er niet toe moeten
beperken, het sociale overleg alleen op Europees niveau
te stimuleren. Zij zou juist regelingen moeten uitwerken
waarmee zij de tenuitvoerlegging van de samenwer-
kingsstrategie ook op nationaal niveau op de voet kan
volgen en zo ook kan bevorderen.
Het Comité is namelijk met de Commissie van oordeel
dat er tussen de potentiële en de in werkelijkheid gerea-
liseerde groeicijfers nog een afstand bestaat die wellicht
mede aan een tekortschietende tenuitvoerlegging van
de samenwerkingsstrategie voor meer groei kan worden
toegeschreven. Men moet echter bedenken dat deze
samenwerkingsstrategie pas in december 1985 is vast-
gesteld, zodat hiervan ook om deze reden in 1986 nog
maar nauwelijks impulsen mochten worden verwacht,
maar toch wordt het inmiddels dringend zaak, meer
vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van de sa-
menwerkingsstrategie voor meer groei.
Het Comité meent daarom dat de voor juli 1987 in het
vooruitzicht gestelde tussenbalans inzake de tenuitvoer-
legging van de Gemeenschapsstrategie beslist noodzake-
lijk is. Het is te hopen dat de Regeringen van de Lid-
Staten gevolg zullen geven aan het verzoek van de
Commissie, over de tenuitvoerlegging van de Gemeen-
schapsstrategie te rapporteren.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
AlfonsMARGOT
29. 12. 86 Amatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/37
BIJLAGE
De volgende wijzigingsvoorstellen zijn tijdens de discussie verworpen.
— Paragraaf 4.3.3 als volgt te lezen:
„Van centraal belang is de vraag, waarvoor de beschikbare speelruimte benut moet worden. Afgezien
van de noodzaak van vermindering van de lasten der ondernemingen, waarop later in dit advies wordt
teruggekomen, moeten er volgens het Comité vooral meer infrastructuurinvesteringen worden gedaan,
inclusief meer uitgaven voor milieubescherming en stadsvernieuwing, aangezien vooral de overheidsin-
vesteringen het de afgelopen tien jaar hebben moeten ontgelden. In dit verband moet ook worden gedacht
aan intensivering van de inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, alsook met betrekking
tot beroepsopleidingen en gerichte scholing van langdurig werklozen. De bijzondere betekenis van
overheidsinvesteringen ligt niet alleen in het feit dat hierdoor vraag en werkgelegenheid worden gecreëerd,
maar ook dat deze investeringen complementair zijn aan particuliere investeringen en de kans op succes
daarvan vergroten.".
Motivering
Er worden geen verminderingen van belastingen en van sociale lasten voorgesteld, zulks terwijl de fiscale
en sociale lasten van de ondernemingen in Europa in vergelijking met de lasten van Amerikaanse en
Japanse ondernemingen ondragelijk zijn.
Uitslag van de stemming
Vóór: 53, tegen: 71, onthoudingen: 8.
— Paragraaf 4.3.4 als volgt te lezen :
„Wellicht blijft er daarnaast nog voldoende ruimte over voor belastingverlaging of voor vermindering
van andere lasten, met name de sociale premies. Zo is het beslist noodzakelijk dat de fiscale en sociale
lasten van de Europese ondernemingen — die deze ten opzichte van hun concurrenten in de andere OESO-
landen in een nadelige positie brengen — worden verlaagd. Ook door het dichten van mazen in de
belastingwetgeving en door het gefaseerd afschaffen van subsidies ontstaan wellicht mogelijkheden om
de belastingtarieven te verlagen. Aangezien de verschillende Lid-Staten uiteenlopende belastingstelsels
kennen, dient daarenboven te worden nagegaan, hoe deze stelsels een meer werkgelegenheidsscheppend
effect kan worden verleend.".
Motivering
Er worden geen verminderingen van belastingen en van sociale lasten voorgesteld, zulks terwijl de fiscale
en sociale lasten van de ondernemingen in Europa in vergelijking met de lasten van Amerikaanse en
Japanse ondernemingen ondragelijk zijn.
Uitslag van de stemming
Vóór: 57, tegen: 75, onthoudingen: 5.
— Paragraaf 4.3.5 vanaf „In beginsel ..." te schrappen en door de volgende tekst te vervangen:
„De stijging van de uitgaven voor sociale doeleinden dient, overeenkomstig de wens van de Commissie,
te worden afgeremd. Het is geen goede zaak wanneer steeds maar gekort wordt op het beschikbare
inkomen van de gezinshuishoudingen om de stijging van de overdrachtsbetalingen voor sociale doeleinden
te kunnen financieren. Voorts hebben de bedrijven in de Gemeenschap met een naar verhouding zwaardere
premiedruk te maken dan hun Amerikaanse en Japanse concurrenten. Blijft deze situatie voortduren, dan
kan dit de concurrentiepositie van de Europese volkshuishouding alleen maar verzwakken, wat uiteindelijk
weer ten koste van de werkgelegenheid gaat.".
Motivering
De formulering van paragraaf 4.3.5 is niet bevredigend: er wordt gerefereerd aan het moment waarop
niet langer „van een sociale noodsituatie sprake is". Dit zou echter betekenen dat men de oplossing van
de werkelijke problematiek steeds maar voor zich uit blijft schuiven.
Nr. C 333/38 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
De veronderstelling dat het advies conform zou zijn aan de verklaringen van de Commissie, staat haaks
op de tekst van het Jaarverslag van de Commissie (blz. 115).
De laatste zin betekent niets. Bij de huidige werkloosheid is er geen regering die maatregelen overweegt
welke het aanbod van arbeidskrachten vergroten (wellicht moet hier worden gelezen „de vraag naar
arbeidskrachten").
De werkelijke problematiek is echter gelegen in de steeds maar toenemende sociale lasten, die moeten
worden opgebracht door het bedrijfsleven en de werknemers en die de concurrentiepositie van de
Gemeenschap verzwakken en daarmee bijdragen tot de werkloosheid.
Aan vermindering van de sociale premiedruk valt niet te ontkomen; het is echter vooral zaak dat daarbij
het streven naar verbetering van de werkgelegenheidssituatie centraal staat, zodat op dit gebied een sociaal
akkoord tot stand kan komen.
Uitslag van de stemming
Vóór: 49, tegen: 79, onthoudingen: 9.
— Paragraaf 4.3.5 als volgt te lezen:
„4.3.5. Pogingen om de belastingstelsels te hervormen, dienen tevens op vereenvoudiging ervan en op
lastenverlaging voor het bedrijfsleven te zijn gericht. Dit kan bereikt worden door in de eerste plaats
velen die een laag inkomen genieten, geen belasting meer te laten betalen en tegelijkertijd de overdrachtsbe-
talingen aan deze personen stop te zetten. Daarnaast zou voorzichtig moeten worden getracht een deel
van de directe lasten van de ondernemingen over te hevelen naar de indirecte lasten (behalve bij ingevoerde
goederen zou dit geen gevolgen voor het prijsniveau hebben). In beginsel zouden uitgaven voor sociale
doeleinden alleen dan beknot of in hun expansie afgeremd mogen worden wanneer niet langer van een
sociale noodsituatie sprake is. Het Comité gaat ervan uit dat het betoog van de Commissie ten aanzien
van dit punt inderdaad betrekking heeft op dit geval. Wel zou echter moeten worden getracht de kosten
van de sociale zekerheidsstelsels te verlagen zonder deze stelsels aan te tasten.".
Motivering
Er worden geen verminderingen van belastingen en van sociale lasten voorgesteld, zulks terwijl de fiscale
en sociale lasten van de ondernemingen in Europa in vergelijking met de lasten van Amerikaanse en
Japanse ondernemingen ondragelijk zijn.
Uitslag van de stemming
Vóór: 63, tegen: 66, onthoudingen: 7.
— Paragraaf 4.6.2
De laatste twee zinnen van deze paragraaf te schrappen.
Motivering
Het Comité voert te weinig argumenten en bewijzen aan om deze stelling te staven, zodat dit criterium
niet zonder meer kan worden aanvaard.
Wegens het ontbreken van de nodige argumenten en bewijzen heeft de door het Comité naar voren
gebrachte stelling niet de minste waarde, noch als alleen onder bepaalde voorwaarden of alleen voor
bepaalde gevallen geldende hypothese noch als algemeen geldend principe. Het Comité stelt de zaken
namelijk veel te simplistisch voor; zij houdt geen rekening met de complexiteit van de situatie en met de
diverse directe en indirecte gevolgen die de toepassing van dit criterium met zich zou brengen.
Uitslag van de stemming
Vóór: 49, tegen: 76, onthoudingen: 13.
Full & Egal Universal Law Academy