Nr. C 328/20 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een richtlijn van de
Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake
drukvaten van eenvoudige vorm (*)
(86/C 328/09)
De Raad heeft op 20 maart 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 100 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor industrie, handel, ambacht en dienstverlening, die met de voorbereiding
van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 september 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer Flum.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 17 sep-
tember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met 100 stemmen vóór bij 7 onthoudingen
is goedgekeurd.
Het Economisch en Sociaal Comité spreekt zijn vol-
doening uit over dit richtlijnvoorstel, doch tekent hierbij
het volgende aan.
1. Inleiding
1.1. Op 25 april 1985 (2) heeft het Comité globaal
ingestemd met de nieuwe aanpak op het gebied van de
technische harmonisatie en normalisatie, aangezien het
hoopte dat hierdoor verdere vooruitgang zou kunnen
worden geboekt bij de opheffing van de aan nationale
wettelijke voorschriften en technische normen te wijten
handelsbelemmeringen. Hierbij wordt in het bijzonder
beoogd, in de toekomst met een geringer aantal natio-
nale afzonderlijke regelingen voor bepaalde produkt-
groepen op doelmatige wijze een echte binnenmarkt te
verwezenlijken. Het feit dat bij de verwezenlijking van
dit doel tot dusver bepaald niet de nodige spoed is
betracht, moet worden bekritiseerd.
1.2. Dit voorstel betreffende drukvaten van een-
voudige vorm is het eerste voorstel dat is ingediend na
de resolutie van de Raad van 7 mei 1985, waarin de
grondslagen van deze nieuwe aanpak zijn vastgelegd.
Daarom verdient dit voorstel bijzondere aandacht.
1.2.1. Bijgevolg geldt de poging om een onderlinge
aanpassing van de voorschriften van de Lid-Staten inza-
ke drukvaten van eenvoudige vorm tot stand te brengen,
als model voor andere onderlinge aanpassingen. De van
7 mei 1985 daterende resolutie van de Raad is er vooral
op gericht, een duidelijke aanpak bij de onderlinge
aanpassing van de op het gebied van de veiligheid te
verwezenlijken doelstellingen uit te werken. Er moet
vooral naar worden gestreefd dat de zaken controleer-
baar worden en er rechtszekerheid komt.
1.3. Dit eerste voorstel betreffende technische har-
monisatie en normalisatie op een concreet gebied dient
niet alleen te worden beschouwd als een belangrijke
poging om het vrije verkeer op de binnenmarkt van de
Gemeenschap te verwezenlijken, maar is ook van belang
voor alle voorstellen op andere technische gebieden. In
het bijzonder dient men oog te hebben voor de factoren
„veiligheid van de gebruikers en de consumenten" en
voor het voorkomen van obstakels waardoor de techni-
sche ontwikkeling wordt belemmerd.
(!) PB nr. C 89 van 15. 4. 1986, blz. 2.
(2) PB nr. C 169 van 8. 7. 1985, blz. 15.
1.3.1. De techniek vormt een dynamisch onderdeel
van het beleid ten aanzien van de samenleving. Vei-
ligheidsnormen moeten een belangrijke functie vervul-
len bij het te bereiken evenwicht tussen economische
en sociale belangen (onder meer bescherming van de
gezondheid). Dit vergt medewerking en inschakeling
van de maatschappelijke groeperingen.
1.3.2. Wil men bereiken dat er evenwicht bestaat
tussen de belangen van producenten en consumenten
van produkten, dan moeten de technische regels op EG-
niveau onderling worden aangepast en geharmoniseerd.
Hierdoor kunnen technische belemmeringen uit de weg
worden geruimd, terwijl het vereiste veiligheidsniveau
wordt gewaarborgd.
1.3.3. Een essentieel criterium bij de invoering van
de „nieuwe methode" op EG-niveau is dat onderscheid
wordt gemaakt tussen functionele „veiligheidsver-
eisten" en „ specificaties betreffende vervaardiging van
produkten".
Het Comité gaat ervan uit dat door dit onderscheid de
gedetailleerde discussie van deskundigen over de „oude
methode" in een ander forum kan plaatsvinden dan de
Raad, namelijk bij het CEN of de Cenelec, zodat de
Raad zich bezig kan houden met de beslist belangrijkere
problematiek van de verwezenlijking van een vrije
markt en met het waarborgen van de veiligheid voor
alle burgers.
1.3.4. Het is niet altijd gemakkelijk om een duidelijke
scheidslijn te trekken tussen veiligheidsvereisten en pro-
duktspecificaties. Daarom krijgen de controlenormen
een bijzonder gewicht. Derhalve is het absoluut noodza-
kelijk dat producenten, overheid, consumenten en
werknemers hierbij worden betrokken.
1.3.5. Zoals de ervaring van verscheidene decennia
leert, is het buitengewoon moeilijk om een harmonise-
ring van de afmetingen en gewichten in Europa tot stand
te brengen. De problemen om het toepassingsgebied van
de normalisatie uit te breiden met multidisciplinaire
begrippen als „veiligheid van produkten" zijn nog aan-
zienlijk groter en vergen een bijzonder zorgvuldig uitge-
werkte aanpak.
1.3.6. Volgens het Comité is het vooral zaak dat het
toepassingsgebied van de richtlijn voldoende nauwkeu-
rig wordt omschreven. Vermeden moet worden dat een
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/21
buitensporig groot aantal richtlijnen voor individuele
produkten wordt vastgesteld, aangezien de nieuwe aan-
pak anders in het geheel geen zin meer zou hebben.
Ondanks deze problemen moet met spoed naar een
uniforme regeling in de Gemeenschap worden gestreefd,
aangezien een dergelijke regeling mede een voorwaarde
is om een vrije concurrentie op een uniforme Europese
markt tot stand te kunnen brengen.
2. Algemene opmerkingen
2.1. Titel van de richtlijn
Volgens de Toelichting wordt met dit voorstel beoogd,
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake
drukvaten van eenvoudige vorm onderling aan te pas-
sen. Het is zeer te betwijfelen of er in bepaalde Lid-
staten voldoende gedetailleerde, wettelijk bindende
voorschriften zijn. Normen die door particuliere organi-
saties worden opgesteld, reiken gewoonlijk niet verder
dan een beschrijving van de technische eisen waaraan
bij de vervaardiging van produkten moet worden vol-
daan. Er bestaat in dit verband geen verantwoordelijk-
heid om doelstellingen op het gebied van veiligheid en
volksgezondheid te definiëren. Dit is een taak van de
overheid in samenwerking met producenten, werk-
nemers en consumenten.
2.2. Artikel 1
De omschrijving van het toepassingsgebied is onvol-
ledig :
— Wat ontbreekt, is een algeheel concept met betrek-
king tot de „essentiële veiligheidseisen". Er dient
zowel onderscheid te worden gemaakt tussen een-
voudige en samengestelde (dan wel meer risico's
inhoudende) drukvaten, als te worden aangegeven,
in welke mate consumenten gedupeerd zijn in geval
van schade. Bovendien moet duidelijk onderscheid
worden gemaakt tussen het preciseren van de te
beschermen zaken en de uiteenlopende technische
procédés ter verwezenlijking van deze doel-
stellingen.
— Het beginsel dat veiligheidseisen worden opgesteld
en dat sancties worden opgelegd ingeval niet aan
deze eisen wordt voldaan, maakt het volgens het
Comité noodzakelijk dat het toepassingsgebied van
de richtlijn zo duidelijk wordt omschreven. Tevens
zal hierdoor kunnen worden voorkomen dat de
procedure met betrekking tot de drukvaten van
eenvoudige vorm vertraging ondervindt op grond
van de aan drukvaten van complexe vorm inherente
strengere controlemaatregelen.
— Voorgesteld wordt om geen opsomming van de
materialen voor drukvaten te geven. Hierdoor
wordt het volgende voorkomen.
a) Problemen bij de aanpassing aan de vooruitgang
van de techniek. Aangezien het vrijwel ondoenlijk
is om telkens als nieuwe materialen zijn ontwikkeld
bij de Raad een voorstel voor een beschikking inzake
uitbreiding van het toepassingsgebied van de richt-
lijn in te dienen, dient volgens het Comité te worden
nagegaan of het niet mogelijk is om de Commissie
de bevoegdheid te verlenen om zelf de keuze van de
bij drukvaten te gebruiken materialen te regelen
zonder dat de Raad hierover een besluit moet
nemen.
b) Concurrentiedistorsies tussen „geharmoniseerde"
en „niet geharmoniseerde drukvaten". Om te voor-
komen dat zich op de markt dergelijke problemen
voordoen, dringt het Comité er met klem op aan
om op korte termijn nieuwe voorstellen betreffende
samengestelde drukvaten met andere gevarenklas-
sen in te dienen, ten einde te komen tot een zo
overzichtelijk mogelijke regeling voor de sector
„drukvaten" in zijn geheel.
2.3. Mocht het zo zijn — zoals in het richtlijnvoorstel
wordt geconstateerd — dat de in acht te nemen voor-
schriften niet ertoe leiden dat de mate van veiligheid
per Lid-Staat verschilt, doch dat niettemin door de
uiteenlopende vorm van deze voorschriften de handel
tussen de Lid-Staten wordt belemmerd, dan vraagt het
Comité zich af of overgangsmaatregelen wel noodzake-
lijk zijn.
2.3.1. Volgens het Comité is het gevaar aanwezig dat
tijdens de overgangsperiode in feite aan de normen te
wijten gevallen van discriminatie kunnen voorkomen,
zoals het geval is in de sector die valt onder het toe-
passingsgebied van de zogenoemde „lage spannings-
richtlijn". Tegelijkertijd zou in dat geval bij de wèl
met normen werkende landen ook geen drijfveer meer
bestaan om Europese normen op te stellen. In de sector
„drukvaten" is het namelijk zo dat sommige landen
uitgaan van vrijwillige normen, terwijl andere zich base-
ren op wettelijk bindende technische voorschriften.
Aangezien er geen duidelijke wettelijke klassificatie van
de voorschriften bestaat, valt te voorspellen dat ver-
schillende Lid-Staten voor problemen zullen komen te
staan. Voor deze Lid-Staten zou namelijk bij het van
kracht worden van de richtlijn een soort „vacuum-
toestand" ontstaan, voordat de Europese normen zou-
den worden vastgesteld. In een dergelijke situatie zou
de Commissie dan weer genoodzaakt zijn om andere
overgangsregelingen voor deze Lid-Staten uit te werken,
ten einde te voorkomen dat een zekere discriminatie
plaatsvindt van landen die wèl normen hanteren ten
opzichte van landen die dit niet doen.
2.3.2. Daarom stelt het Comité voor om de over-
gangsperiode te laten vervallen en alles in het werk te
stellen om te bereiken dat op korte termijn Europese
normen worden opgesteld. Het Comité doet een beroep
op de Commissie om overeenkomstig de resolutie van
de Raad van 7 mei 1985 in samenwerking met het CEN
en de Cenelec een tijdschema op te stellen, zodat de
betrokkenen ervan op de hoogte zijn vanaf welk tijdstip
Europese normen van kracht zijn.
2.4. Het Comité heeft er reeds in zijn van 25 april
1985 daterend advies over de „nieuwe aanpak" op
gewezen dat de Raad als uitvloeisel daarvan de richtlijn
inzake „produktaansprakelijkheid" (Richtlijn 85/374/
EEG) moet vaststellen. Het Comité doet een beroep op
de Commissie om na te gaan welke gevolgen onderhavig
richtlijnvoorstel zowel voor de consument als voor de
producent met zich zal brengen, vooral waar het artikel
7, sub d), van de richtlijn „produktaansprakelijkheid"
betreft, in welk artikel de aansprakelijkheid bij door
de overheid afgekondigde onjuiste voorschriften niet
duidelijk is geregeld.
2.5. Deze richtlijn zou zowel van toepassing moeten
zijn op de essentiële veiligheidseisen als op de controle
Nr. C 328/22 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
op de vaten. De essentiële veiligheidseisen in dit richt-
lijnvoorstel zijn echter tot nog toe in hoofdzaak afge-
stemd op de vervaardiging van drukvaten; de met de
veiligheid verband houdende aspecten bij het in gebruik
nemen, installeren, gebruik en onderhoud van
drukvaten komen onvoldoende aan bod (zie bijlage I,
hoofdstuk 4) en dienen naar het oordeel van het Comité
duidelijker te worden omschreven. Gebeurt dit niet,
dan vreest het Comité dat dit ertoe zou kunnen leiden
dat de taak van de met de inspectie belaste diensten en
die van het Comité voor veiligheid zouden kunnen
worden beperkt. Volgens het Comité zou het evenmin
zinvol zijn, wanneer men zou pogen dit probleem door
middel van een afzonderlijke richtlijn op te lossen. Dit
zou geen positief voorbeeld zijn voor nog komende
richtlijnen.
3. Bijzondere opmerkingen
3.1. Artikelen 1 en 3
In deze artikelen worden de grenswaarden aangegeven
voor de berekeningsdruk van het vat en voor het pro-
dukt van deze druk en de inhoud van het vat (20/10 000
bar/l) alsmede voor de bedrijfstemperaturen:
— De gekozen energielimieten van 10 000 bar/l en 20
bar/l lijken te ambitieus; in geen enkel vei-
ligheidssysteem wordt met deze waarden gewerkt.
In de Lid-Staten van de Gemeenschap lopen de
denkbeelden over druk en inhoud van de vaten
uiteen en worden verschillende beproevingsnormen
gehanteerd.
— Het Comité adviseert de Commissie om een op de
praktijk afgestemde opsomming van bedrijfs-
kenmerken en gebruiksmogelijkheden voor druk-
vaten van eenvoudige vorm uit te werken. Aan
de hand daarvan dient een veiligheidsconcept te
worden uitgewerkt.
In dat verband dient onder meer het volgende in het
oog te worden gehouden:
— maximale en minimale bedrijfstemperatuur;
— druklimieten;
— beveiliging tegen breuken;
— instandhouding van de kwaliteit tijdens de gebruiks-
duur van de vaten, vooral uit het oogpunt van
roesten.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
3.2. Artikel 6
In dit artikel is bepaald dat zowel de Lid-Staten als
de Commissie zich tot het bij Richtlijn 83/189/EEG
ingestelde Permanent Comité kunnen wenden, wanneer
het gaat om interpretatie van de richtlijn. Hierover
moet dit Comité met spoed advies uitbrengen.
Volgens het Economisch en Sociaal Comité mag dit
Permanent Comité pas over normalisatievraagstukken
wórden geraadpleegd zodra het in het bezit is van de
door de Commissie en de Raad te formuleren grond-
beginselen betreffende veiligheidseisen. Bovendien moet
ervoor worden gezorgd dat deze veiligheidseisen niet
door particuliere instanties worden opgesteld.
3.3. Artikelen 8, 10 en 11
Bij het EG-type-onderzoek zijn de opzet en structuur
van de keuringsinstanties en de bij de keuring te hante-
ren criteria onduidelijk. Certificatiesysteem, veiligheids-
limieten van de druk en de te verrichten keuringen
moeten nog op elkaar worden afgestemd.
3.4. Artikelen 12 t/m 16
In deze artikelen worden de veiligheidsaspecten en het
EG-merkteken behandeld. Het Comité constateert in
dit verband dat betrouwbaarheid en het storingsvrij zijn
van drukvaten worden gegarandeerd door middel van
een uitgebalanceerd kwaliteitsbewakingssysteem bij de
planning, produktie, het gebruik en de keuringen van
deze vaten. Een EG-merkteken is pas een waarborg
van veiligheid, wanneer een dergelijk kwaliteits-
bewakingssysteem verplicht is gesteld en hierop nauw-
keurig toezicht kan worden uitgeoefend. Het Comité
dringt er bij de Commissie op aan om hieraan in het
bijzonder aandacht te besteden.
3.5. Bijlage
Volgens het Comité dient de Commissie de mogelijk-
heid te worden geboden om de bijlage van dit richtlijn-
voorstel af te stemmen op de jongste stand van de
techniek (b.v. keuze van het materiaal voor drukvaten),
zonder dat de Raad genoodzaakt is om een officiële
wijzigingsprocedure op gang te brengen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Full & Egal Universal Law Academy