22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/23
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake de mededeling van de Commissie aan de
Raad en het Europees Parlement, getiteld „Voltooiing van de interne markt : communautaire
wetgeving inzake levensmiddelen"
(86/C 328/10)
De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft op 20 november 1985 het Economisch
en Sociaal Comité om advies gevraagd inzake haar mededeling aan de Raad en het Europees
Parlement, getiteld „Voltooiing van de interne markt: communautaire wetgeving inzake
levensmiddelen".
De Afdeling voor milieu, volksgezondheid en consumptie, die met de voorbereiding van de
desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 en 2 september 1976
goedgekeurd. Rapporteur was de heer Hilkens.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 17
september 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met meerderheid van stemmen (2
stemmen tegen bij 9 onthoudingen) is goedgekeurd.
1. Algemeen
1.1. Het Comité stemt in met het voornemen van de
Commissie het tot stand brengen van één interne markt
voor levensmiddelen te bespoedigen. Dit is in overeen-
stemming met het eerder door het Comité uitgebrachte
advies inzake de voltooiing van de interne markt(*).
Het Comité betreurt het dat het niet eerder gelukt
is, in de Gemeenschap tot een coherent beleid inzake
levensmiddelen te komen.
1.2. Het Comité is het met de Commissie eens dat
zich bij de totstandbrenging van de gemeenschappelijke
levensmiddelenmarkt specifieke problemen voordoen,
die bijzondere maatregelen noodzakelijk maken.
1.2.1. Zo dient er met name voor te worden gezorgd
dat dit proces geen negatieve gevolgen heeft voor de
gezondheid van de burgers en voor de bestaande ver-
wachtingen ten aanzien van de kwaliteit van de levens-
middelen.
1.2.2. Daartoe zal bij de harmonisatie van de wette-
lijke bepalingen inzake levensmiddelen een hoog be-
schermingsniveau in acht genomen moeten worden,
waarbij men zich naar de meest vooruitstrevende norm
dient te richten.
1.2.3. Het Comité heeft zich reeds meermalen in
adviezen uitgesproken over het verband tussen gezond-
heid en voeding, bij voorbeeld in het advies over het
actieprogramma inzake preventie van kanker (PB nr.
C 101 van 28. 4. 1986, blz. 22 e.v.).
1.2.4. De Commissie gaat in haar mededeling ten
aanzien van de gezondheid en de kwaliteit van de ver-
onderstelling uit dat de levensmiddelenwetgevingen van
de Lid-Staten reeds bevredigend functioneren.
1.2.4.1. Gezien de grote verschillen in levens-
middelenwetgeving tussen de diverse Lid-Staten, is het
Comité van mening dat het onmogelijk is een uitspraak
te doen over de vraag of het beschermingsniveau gelijk-
waardig genoemd kan worden. Zo zijn er bij voorbeeld
op het gebied van de controle op de naleving van de
wetgevingen al zeer grote verschillen geconstateerd, die
natuurlijk ook grote invloed hebben op het feitelijke
beschermingsniveau. Derhalve acht het Comité het
noodzakelijk dat de Commissie een vergelijkend onder-
zoek instelt, ten einde de verschillen in voorschriften
inzake levensmiddelen aan het licht te brengen.
(!) PB nr. C 344 van 31. 12. 1985.
2. Gezondheid en veiligheid
2.1. Het Comité heeft met instemming kennis geno-
men van het voornemen van de Commissie om met
betrekking tot de bescherming van de gezondheid en de
veiligheid te komen tot communautaire wetgeving.
Het Comité is van oordeel dat hiertoe een commu-
nautaire richtlijn dient te worden uitgevaardigd, waarin
de eisen worden geformuleerd waaraan deze bescher-
ming van de gezondheid en de veiligheid moet voldoen.
Op deze wijze kan ook worden bereikt dat mogelijke
handelsbelemmeringen uit de weg worden geruimd.
Zonder afdoende duidelijkheid op het terrein van de
gezondheid en de veiligheid is het niet mogelijk de
interne markt voor levensmiddelen tot stand te brengen.
2.2. Additieven
Het Comité kan in beginsel instemmen met het plan
van de Commissie, de positieve lijsten van toegestane
additieven aan te vullen. Het wijst erop dat deze lijsten
ook in de toekomst moeten kunnen worden aangepast.
De op de positieve lijsten voorkomende additieven zou-
den alleen in levensmiddelen mogen worden gebruikt
wanneer er uit het oogpunt van de gezondheid van
de burgers geen bezwaar tegen is en deze additieven
technisch noodzakelijk zijn.
2.3. Plantenbestrijdingsmiddelen en diergenees-
middelen
Het Comité vestigt er de aandacht op dat residuen van
plantenbestrijdingsmiddelen (b.v. DDT) en diergenees-
kundige preparaten (zoals hormonen of antibiotica) in
levensmiddelen een bedreiging vormen voor de gezond-
heid. Hiervoor zouden strenge regels moeten gelden en
het Comité betreurt het dan ook dat de Commissie op
dit punt niet is ingegaan.
2.4. Voorschriften met betrekking tot hygiëne
Het Comité betreurt dat de Commissie niet voornemens
is met verdere voorstellen te komen ter harmonisering
van de voorschriften inzake hygiëne met betrekking tot
levensmiddelen, één van de belangrijkste problemen in
verband met de gezondheid van de burgers.
Nr. C 328/24 Publikatieblad van de
3. Consumentenbescherming en etikettering
3.1. Het Comité juicht het voornemen van de Com-
missie toe de bestaande richtlijn inzake etikettering,
presentatie en reclame verder aan te vullen. Het Comité
wil hier met name benadrukken dat een effectief systeem
van informatieve etikettering in combinatie met
systematische scholing van de consument absoluut
noodzakelijke voorwaarden zijn, wil de voorgestelde
benadering van de interne markt voor levensmiddelen
niet ten koste gaan van de consument.
3.2. In een richtlijn inzake etikettering dient een dui-
delijk en begrijpelijk model voor etiketten te worden
gegeven, dat in de gehele Gemeenschap verplicht zal
worden toegepast, ten einde te voorkomen dat de aan-
duiding op het etiket de consument misleidt.
4. Mededinging en levensmiddelenkwaliteit
4.1. Indien men ervan uitgaat dat de consumptie
binnen de Gemeenschap gelijk blijft, zal de totstand-
brenging van de interne markt voor levensmiddelen
door de toename van de concurrentie kunnen leiden tot
een verschuiving in de afzetpatronen van de onderschei-
den aanbieders. Een dergelijke structurele wijziging van
het aanbod bergt daarnaast het gevaar in zich van
concurrentievervalsing en kwaliteitsvermindering.
4.2. Het Comité wijst erop dat de bestaande natio-
nale wetgeving onder druk zal komen te staan, indien de
plaatselijke industrie aan strengere (nationale) normen
gebonden is dan de in het land invoerende firma's.
4.3. Wil de kwaliteit van levensmiddelen gewaar-
borgd worden en concurrentievervalsing voorkomen
worden, dan kan waarschijnlijk niet worden ontkomen
aan minimumnormen. Te denken valt aan richtlijnen
betreffende de samenstelling van groepen produkten en
van ouds bekende specialiteiten, alsmede aan
kwaliteitsstempels, kwaliteitsaanduidingen en duidelij-
ke aanduiding van imitaties. Ook verdient het overwe-
ging te denken aan gedragscodes, die in onderling over-
leg tussen industrie en consumentenorganisaties worden
opgesteld.
4.4. Het Comité is van oordeel dat er niet aan kan
worden ontkomen, ook in de toekomst in een beperkt
aantal gevallen vertikale raamrichtlijnen op het terrein
van de levensmiddelen tot stand te brengen. Het heeft
met instemming kennis genomen van de mededeling van
de zijde van de Commissie dat de bestaande vertikale
richtlijnen gehandhaafd blijven.
4.5. Om plaatselijke en regionale kwaliteitsproduk-
ten te behouden, is een betere controle op de concur-
rentievoorwaarden noodzakelijk. Hierbij valt te over-
wegen om zowel door kwaliteitseisen als door verplich-
te minimumnormen de controle op en de beteugeling
van de concurrentievervalsing te vergemakkelijken.
4.6. In dit verband is de constatering van de Commis-
sie dat zij kwaliteitseisen niet wettelijk hoeft vast te
leggen, bij nauwkeurige bestudering van de uitspraken
van het Europese Hof van Justitie, waarop de Commis-
sie zich baseert, niet geheel begrijpelijk. Het Europese
ropese Gemeenschappen 22. 12. 86
Hof heeft namelijk in zaak 120/78 en in de daaropvol-
gende arresten waarin het zich heeft beziggehouden met
de interpretatie van artikel 30 e.v. van het EEG-Verdrag,
uitdrukkelijk en steeds duidelijker gesteld dat de Lid-
staten nationale maatregelen die een beperking inhou-
den van het vrije verkeer in de Gemeenschap, kunnen
handhaven, wanneer deze noodzakelijk zijn om te vol-
doen aan dwingende eisen, waartoe ook eerlijke concur-
sentie en billijke bescherming van de consument be-
horen.
5. Officiële controle
5.1. Het Comité is het met de Commissie eens dat
overheidscontroles met het oog op de bescherming van
de gezondheid uiteraard tot de onderwerpen behoren
die wettelijk moeten worden geregeld. Het wijst op de
noodzaak de nationale controlemaatregelen te har-
moniseren.
5.2. Het Comité adviseert de Commissie in het ge-
plande nieuwe richtlijnvoorstel te bepalen dat op alle
relevante punten in het proces controle moet kunnen
worden uitgeoefend (met name bij produktie en teelt,
in de verwerkende industrie en in de groot- en de
detailhandel).
5.3. Ten einde de controle-instanties in staat te
stellen de eigenlijke producent rechtstreeks aan te pak-
ken, dient de oorsprong van de produkten, ten minste
door middel van een codenummer op de verpakking —
en bij bulkartikelen op de bak, het vat enz. — te worden
aangegeven. Niet alleen de producent zelf dient te wor-
den gecontroleerd en aansprakelijk te zijn, maar ook
de verwerkende bedrijven.
5.4. Er dient te worden gezorgd voor directe uitwis-
seling van informatie tussen de controle-instanties van
de Lid-Staten met gebruikmaking van moderne infor-
matietechnologieën (Iris-programma van de Commis-
sie). Zo moeten plaatselijke autoriteiten zonder ambte-
lijke omwegen van elkaar kunnen vernemen of het
„buitenlandse" produkt aan de voorschriften van het
eigen land voldoet. Verder zou het mogelijk moeten
worden dat onderzoekresultaten met betrekking tot
bestanddelen van reeds geanalyseerde levensmiddelen
worden uitgewisseld.
5.5. Het Comité stelt bovendien voor, dat gedacht
wordt aan een zodanige taakverdeling en samenwerking
tussen de nationale overheden, dat het mogelijk wordt :
— beslissingen die in een door een Lid-Staat officieel
erkend laboratorium worden genomen, ook te doen
gelden in de andere Lid-Staten; dit kan het risico
van dubbel werk bij grenscontroles verminderen;
— specialisatie bij de verschillende overheden te stimu-
leren.
5.6. Verder stelt het Comité voor een commu-
nautaire inspectie tot stand te brengen, die belast zal
worden met de, steekproefsgewijze, controle op levens-
middelen op de verkooppunten waar de consument
koopt.
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/25
6. Verdeling van de wetgevende bevoegdheid tussen
de Raad en de Commissie: de nieuwe procedure
6.1. Het Comité stemt in met het voorstel van de
Commissie een snellere en vereenvoudigde procedure
tot stand te brengen voor de goedkeuring van richtlijnen
inzake levensmiddelen in het kader van de voltooiing
van de interne markt tegen 1992, maar het plaatst
daarbij de volgende kanttekeningen.
6.2. Het Comité merkt op dat het oorspronkelijke
Commissievoorstel (COM(85) 603 def.), waarover het
is geraadpleegd, gewijzigd is ingevolge de „Europese
Akte".
63. Terwijl de kaderrichtlijnen inzake levens-
middelen ook voortaan steeds aan de Raad zullen wor-
den voorgelegd, zou de Commissie ingevolge de nieuwe
raadplegingsprocedure de bevoegdheid krijgen speci-
fieke uitvoeringsrichtlijnen vast te stellen na raadple-
ging van het Wetenschappelijk Comité voor de menselij-
ke voeding bij gezondheidsvraagstukken en van het
Raadgevend Comité en het Permanent Comité voor
levensmiddelen in alle gevallen, zonder dat het Per-
manent Comité voor levensmiddelen erover moet
stemmen, zoals tot nog toe het geval was. De Commissie
kan, zoals voorheen, ook het Raadgevend Comité voor
levensmiddelen om advies vragen.
6.4. Het Comité is het niet eens met de invoering
van de hierboven omschreven nieuwe procedure, omdat
de Commissie daardoor te veel bevoegdheden zou
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
krijgen zonder dat sprake is van adequate advisering.
Een dergelijke procedure is niet voldoende transparant.
6.5. Het Comité stelt in dit verband tot zijn spijt
vast dat de Commissie in haar voorstellen onvoldoende
duidelijk heeft gemaakt welke taken de verschillende
comités op levensmiddelengebied vervullen en op welke
wijze zij functioneren.
6.6.1. Het Comité staat erop dat het in de toekomst
door de Commissie wordt geraadpleegd. In dit verband
wenst het Comité dat voorstellen van de Commissie
publiek gemaakt worden. De adviezen die ingewonnen
moeten worden bij het Raadgevend Comité voor levens-
middelen (in alle gevallen) en bij het Wetenschappelijk
Comité voor de menselijke voeding (inzake gezond-
heidsvraagstukken), dienen bij de adviesaanvraag aan
het Economisch en Sociaal Comité te worden gevoegd.
6.6.2. Volgens het Comité moet vastgehouden wor-
den aan het beginsel dat het Permanent Comité voor
levensmiddelen stemt over een voorstel. In het belang
van een snelle verwezenlijking van de interne markt
stelt het Comité voor, dat het Permanent Comité voor
levensmiddelen met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen besluit.
6.7. Ten slotte is het Comité van oordeel dat de
Commissie elk jaar ter attentie van het Europees Parle-
ment een verslag over de uitvoeringsrichtlijnen dient op
te stellen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
^ r . C h ^ A ^ ^nbli^ricbl^d^^ndcLurooc^cC^cmc^n^ch^nr^cn ^ 1 ^ . ^
Oe volgende wiizigingsvoorstellenziin door het Gomité in de loop van het dehat verworpen.
rena is volgt luidende paragraaf t . t r^s in te voegend
„Oe Gommissie maakt in haar voorstel een,,algemene halans^opvan de stand van de harmonisatie inzake
levensmiddelen.
Oezehalans is onvolledig, en hierin wordt hiivoorheeld niet gesproken over de volgende richtliinen^
— koolzaadolies
^geconserveerde melk ^ i c h t l i i n ^ m t ^ ^ G ^
— residuen van hestriidingsmiddelen^groenten^
— vlees^voor de consumptie ongewenste residuen ^hormonen,antihioticaenz.^
— watergehalte in vlees van pluimveen
— verhod op ioniserende behandelingen ^vlees^
— etikettering van wiin^
— etikettering van groenten en fruit ^kwaliteitsnormen^
— etikettering van eieren ^versheid,kaliher,verpakkingsdatum^
— gehalte van hotervet^
— verse melk ^vetgehalte enz.^.
Gezien deze lacunes kan men zich afvragen hoe ver het door de Gommissie gevraagde mandaat in feite gaat
en wat het toepassingsgebied van het richtliinvoorstel inzake etikettering precies hehelst.
Gaat het om harmonisatie voor alle levensmiddelen, voor sommige levensmiddelen, gaat het om etikettering
van alle levensmiddelen ofvan een deel daarvan en, zo ia, welke levensmiddelen^
Toekenning van bevoegdheden aan de Gommissie is niet hespreekhaar, indien de draagwijdte ervan zo
onduideliik is en zoveel rechtsonzekerheid schept.^
Oitwiizigingsvoorstel, dat zowel indestudiegroep als i n d e Afdelingdoorderapporteur wasaanvaard,
spreekt voor zichzelf.
V ó ó r ^ ^ , t e g e n ^ ^ , onthoudingen^^.
Full & Egal Universal Law Academy