22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/15
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake de ontwikkeling van de sociale toestand
in de Gemeenschap in 1985
(86/C 328/08)
De Commissie heeft op 23 juni 1986 besloten het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen
inzake de ontwikkeling van de sociale toestand in de Gemeenschap in 1985.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft besloten de heer De Bruyn als algemeen rapporteur
te belasten met de voorbereiding van de werkzaamheden.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 17 sep-
tember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met meerderheid van stemmen (2 stemmen
tegen, bij 15 onthoudingen) is goedgekeurd.
1. Inleiding
1.1. Het Comité stelt vast dat de Gemeenschap in
1985 positieve economische resultaten te zien heeft gege-
ven: de groei lag 1 % hoger dan het jaar voordien, het
BBP is met 2,2 % gestegen ten opzichte van 1984 en het
gemiddelde inflatiepercentage (5,2%) lag 1 % lager dan
in 1984. De produktiviteit en de winsten hebben ook
verder een zekere stijging te zien gegeven. Voorts merkt
het Comité op dat de investeringen in de periode 1983-
1985 met 2,2 % zijn gestegen, waarbij de achteruitgang
in de daaraan voorafgaande tweejarige periode is goed-
gemaakt. De investeringen komen daarmee grosso
modo op het peil van 1980, dat echter nog 15 % onder
het peil van 1974 ligt i1).
1.2. In sociaal opzicht is de loonmatiging in de Ge-
meenschap als geheel ten opzichte van de inflatie gelijk
gebleven. De werkloosheid is echter verder gestegen.
Zij bedroeg in de Gemeenschap van de Tien meer dan
13 miljoen personen, d.i. 11 ,1% van de beroepsbevol-
king. Door de uitbreiding is dit cijfer opgelopen tot 16
miljoen (12%). Tegen deze achtergrond is de totstand-
koming van 200 000 nieuwe arbeidsplaatsen, met een
toename van de totale werkgelegenheid met 0,4 %, wel
positief, maar toch nog ruimschoots onvoldoende.
1.3. Wat de sociale uitgaven betreft, verwijst het
Comité naar de opmerkingen in haar advies van 1983.
De aangepaste cijfers die de Commissie in 1986 heeft
gepubliceerd, bevestigen de toen vastgestelde tendens
dat de sociale uitgaven veel minder snel stijgen dan het
BBP. Bovendien wijzen ramingen van de Commissie uit
dat deze uitgaven reëel zelfs zullen dalen.
Het Comité betreurt een en ander des te meer daar in
de meeste Lid-Staten de tendens wordt vastgesteld, de
sociale bescherming terug te schroeven en tegelijk de
bijdragen van ondernemingen en werknemers te verho-
gen om de financieringsproblemen op te lossen waarmee
de sociale-zekerheidstelsels te kampen hebben.
1.3.1. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat door
de onsamenhangende ontwikkeling en het uiteenlopen-
(!) Bron: Commissie van de Europese Gemeenschappen en
OESO; zie ook het advies van het Economisch en Sociaal
Comité inzake de economische situatie in de Gemeenschap.
de sociale beleid in de verschillende Lid-Staten de kloof
tussen hoge en lage lonen groter wordt. Het aantal
armen neemt toe en de conflictsituaties worden tal-
rijker. Subversieve activiteiten en pogingen om door
geweld en misdadige handelingen het maatschappelijke
bestel te ontwrichten steken opnieuw de kop op, evenals
uitingen van racisme en vreemdelingenhaat.
2. De gevolgen van de werkloosheid
2.2. Ongelijkmatige verdeling van de werkloosheid
2.1.1. Waar de werkloosheid ook toeslaat, de per-
soonlijke, maatschappelijke en economische kosten er-
van zijn hoog(2). Het Comité merkt echter op dat
algemene werkloosheidscijfers al te gemakkelijk kunnen
maskeren dat bepaalde gebieden en bepaalde groepen,
zoals migrerende werknemers, onevenredig en abnor-
maal zwaar getroffen worden (3). Het Comité is van
mening dat een beleid gericht op de bestrijding van de
werkloosheid voldoende rekening dient te houden met
de uiteenlopende behoeften van verschillende regio's en
groepen.
2.2. Regionale spreiding van de werkloosheid
2.2.1. Er bestaan voldoende analyses van de ongelijk-
matige geografische spreiding van de werkloosheid,
waarop hier niet opnieuw dient te worden ingegaan.
Men mag echter niet uit het oog verliezen dat zelfs
binnen de grenzen van een regio het werkloosheidsper-
centage sterk uiteen kan lopen. Het werkloos-
heidsvraagstuk is met name actueel in bepaalde
stadsagglomeraties waar achteruitgang van nijverheid
en handel geleid heeft tot sociaal verval en gebieden
zonder economische bedrijvigheid die langzaam maar
zeker verloederen. Sociale onrust, dikwijls met een
alarmerende raciale ondertoon, neemt toe. Daarbij
dient niet het hoge percentage werklozen in bepaalde
plattelandsgebieden uit het oog te worden verloren.
(2) Zie het advies van het Economisch en Sociaal Comité over
de ontwikkeling van de sociale toestand in de Gemeenschap
in 1982 (PB nr. C 286 van 24. 10. 1983).
(3) Zie het advies van het Economisch en Sociaal Comité over
de migrerende werknemers (PB nr. C 343 van 25. 12. 1984).
Nr. C 328/16 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
2.3. Jeugdwerkloosheid
2.3.1. Het officiële percentage (gebaseerd op aan de
hand van verschillende criteria door de Lid-Staten ver-
strekte gegevens) werkloze jongeren onder 25 in de
gehele Gemeenschap (37,1 % tegen 38,3 % in 1984) blijft
onrustbarend. Deze situatie dient alle Lid-Staten en de
Gemeenschap als geheel aan te sporen tot het nemen
van extra maatregelen om dit vraagstuk op te lossen (x).
De uitdaging is des te groter nu er met de toetreding
van Spanje en Portugal nog eens meer dan 1,5 miljoen
werkloze jongeren bijkomen.
2.3.2. Het Comité stelt bezorgd vast dat zich naast
de algemene werkgelegenheidsproblemen waarmee jon-
geren met kwalificaties en diploma's te kampen hebben,
nog het probleem voordoet dat talrijke jongeren niet
over de benodigde kwalificaties of beroepsopleiding
beschikken om op de arbeidsmarkt te kunnen wed-
ijveren.
2.3.3. Het Comité heeft waardering voor het besluit
van de Raad van 17 oktober 1983 om vanaf 1984 75 %
van de middelen van het Sociaal Fonds te besteden aan
de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering
van de kansen op werk voor jongeren onder 25 jaar.
Dit heeft met name tot gevolg dat in bepaalde Lid-
Staten extra maatregelen worden getroffen om jongeren
de kans te bieden werkervaring op te doen, waardoor
hun vooruitzichten op de arbeidsmarkt worden verbe-
terd. Het doet het Comité derhalve genoegen dat de
Commissie momenteel probeert, de bestaande maatre-
gelen te verbeteren. Daardoor kan de databank met
nieuwe gegevens worden uitgebreid en kan uitwisseling
van informatie en ervaring worden gestimuleerd. Te-
vens kan dan worden bevorderd dat de regelingen die
doeltreffend geacht worden, overal in de Gemeenschap
worden ingevoerd. Het verzoekt de Commissie deze
studie vergezeld te doen gaan van een resolutie die een
aanpassing vormt van die van 1984 (2) in het kader van
een gecoördineerde actie.
2.3.4. Het Comité merkt in dit verband op dat een
aantal initiatieven op sociaal gebied meer vruchten zou-
den kunnen afwerpen, indien zij gebaseerd werden op
een geregeld samen met de sociale partners te maken
analyse van de trends in de afzonderlijke Lid-Staten.
Het Comité meent dan ook dat het nuttig zou zijn
een systeem in te voeren om dergelijke informatie te
verzamelen.
2.4. Vrouwen en werkloosheid
2AA. Het Comité merkt op dat de werkloosheid
onder vrouwen in december 1985 is gestegen tot 12,1 %,
terwijl deze in december 1984 11,7% bedroeg. Dit is
overwegend het gevolg van het toenemende aantal
vrouwen dat zich in veel Lid-Staten als werkzoekenden
laat inschrijven. Vrouwen vormen echter slechts 3 7 %
van de totale in loondienst werkzame beroepsbevolking
in de gehele Gemeenschap (in de Verenigde Staten is
(*) Zie het advies van het Economisch en Sociaal Comité over
jeugdwerkloosheid (PB nr. C 211 van 8. 8. 1983).
(2) Resolutie van de Raad van 23 januari 1984 inzake de bevorde-
ring van de werkgelegenheid voor jongeren (PB nr. C 29 van
4. 2. 1984).
dit 43%) . Het Comité heeft onlangs het volgende ver-
klaard :
„Daarom moeten (op Gemeenschapsniveau) positieve
maatregelen ten behoeve van vrouwen worden geno-
men. In de huidige situatie waarin de vrouwenwerkloos-
heid blijft stijgen, moeten dergelijke positieve maatrege-
len eerder een algemeen dan een specifiek karakter
dragen. Serieus moet worden getracht een algemene
analyse te maken van de situatie van de vrouw op de
arbeidsmarkt en een werkgelegenheidsbeleid te voeren
dat bewust niet discrimineert en daardoor een ob-
jectieve impuls geeft aan de vrouwenwerkgelegen-
heid."(3).
2.5. Gehandicapten en werkloosheid
2.5.1. Gehandicapten maken ca. 10% van de bevol-
king van de Gemeenschap uit en vormen derhalve een
belangrijk produktiepotentieel. In een aantal Lid-Staten
hebben de gehandicapten meer te lijden gehad van de
gevolgen van de mondiale recessie dan andere minder
begunstigde categorieën. Er dienen dan ook nieuwe
maatregelen te worden genomen ten behoeve van de
integratie van lichamelijk en geestelijk gehandicapten
in het sociaal-economische leven (4).
2.6. Ouderen en werkloosheid
2.6.1. Het Comité is zich bewust van de moelijkhe-
den die de oudere beroepsbevolking ondervindt om
weer aan de slag te komen nadat zij werkloos geworden
is, en van de gevolgen hiervan, niet alleen voor het
werkloosheidscijfer, maar ook voor het gezins- en so-
ciale leven van deze mensen. Het Comité vindt dat moet
worden nagegaan hoe de vaardigheden en de kennis
van deze werknemers doeltreffender kunnen worden
benut en aan de huidige behoeften aangepast om hun
kansen op het vinden van een baan te vergroten.
2.7. Stelsels van sociale zekerheid
2.7.1. Het Comité stelt vast dat in talrijke Lid-Staten
voorstellen worden bestudeerd voor de hervorming van
de sociale zekerheid, ten einde de stelsels aan te passen
aan de nieuwe economische, sociale en demografische
tendensen, waarbij rekening dient te worden gehouden
met de huidige moeilijke begrotingssituatie, die voor
een groot deel het gevolg is van de werkloosheid.
2.7.2. In dit verband wijst het Comité er nogmaals
op dat de stelsels van sociale zekerheid gebaseerd zijn op
het beginsel van solidariteit. Dit komt tot uitdrukking in
het bijdragestelsel en kan ook tot uitdrukking komen
via het belastingstelsel. Hiervan uitgaande treft men in
(3) Advies van het Economisch en Sociaal Comité over gelijke
kansen voor de vrouw — communautair programma op
middellange termijn — 1986-1990 (PB nr. C 189 van
28. 7. 1986, blz. 31, paragraaf 3.3.2.).
(4) Zie het advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake
werkgelegenheid voor gehandicapten (PB nr. C 189 van
28. 7. 1986, blz. 10).
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/17
bepaalde Lid-Staten een stelsel aan waarbij degenen die
onder de sociale zekerheid vallen premies betalen naar
gelang van hun loon, terwijl bij de berekening van
de uitkeringen aan een bepaald maximumloon wordt
vastgehouden. Zij die zich willen verzekeren van een
extra-uitkering kunnen dit doen hetzij via een onderlin-
ge waarborgmaatschappij, hetzij via een verzekering.
Niettemin acht het Comité het volstrekt noodzakelijk
dat een collectieve sociale verantwoordelijkheid ten
aanzien van de zwakkere groepen in stand wordt gehou-
den, daar dit de hoeksteen van de maatschappelijke
samenhang en solidariteit vormt.
2.7.3. Zoals reeds in het Comité is opgemerkt, mag
de sociale bescherming niet uitsluitend gezien worden
als een last voor de economie. Zij kan ook een voor-
waarde vormen voor de instandhouding van een hoog
niveau van validiteit, doelmatigheid en motivatie in het
economische leven in Europa. Daar komt bij dat de
geheven bedragen niet uit het economische circuit ver-
dwijnen: zij worden daarin teruggevoerd in de vorm
van uitkeringen en verstrekkingen die een belangrijke
rol spelen bij de ondersteuning van de economische
bedrijvigheid en zo een nog ernstigere verslechtering
helpen voorkomen (1).
3. Voorrang voor de bestrijding van de werkloosheid
3.1. Daar het noodzakelijk is in het kader van de
communautaire activiteiten werkelijke voorrang te ver-
lenen aan het werkgelegenheidsbeleid, dient een algeme-
ne strategie, gebaseerd op de onderlinge verwevenheid
van het economische en sociale beleid, te worden uitge-
werkt en dienen de voorwaarden te worden geschapen
voor de tenuitvoerlegging ervan.
3.1.1. Meer dan 13 miljoen werklozen in de Gemeen-
schap in 1985 nopen ertoe de werkloosheid als het
allerbelangrijkste vraagstuk te beschouwen, waarvan
de oplossing met name afhankelijk is van de bestaande
mogelijkheden voor economische groei en van een
steeds groter concurrentievermogen van de onderne-
mingen. Het is echter nu wel duidelijk dat het markt-
mechanisme alleen niet volstaat om een economische
groei te bewerkstelligen die krachtig genoeg is om de
werkgelegenheidssituatie echt gunstig te beïnvloeden.
3.2. Belangrijke punten zijn bijgevolg de kwaliteit
van de economische groei, de politieke keuzen die eraan
ten grondslag liggen en het tempo waarin deze groei
zich ontwikkelt, ten einde deze zoveel mogelijk op de
beschikbare werkgelegenheid te kunnen afstemmen.
3.2.1. Het zijn immers steeds politieke keuzen die
de verhouding bepalen tussen het financiële en het
investerings- en kredietverleningsbeleid, tussen over-
heidsuitgaven (waaronder ook sociale uitgaven) en in-
vesteringen enerzijds en fiscaal beleid anderzijds, tussen
fiscale druk en behoud van het concurrentievermogen
voor de bedrijven en van de koopkracht voor de werk-
nemers, tussen vraag en aanbod (in kwalitatief opzicht)
(') Zie het advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake
de problematiek van de sociale zekerheid in de Lid-Staten van
de EG (PB nr. C 343 van 24. 12. 1984, blz. 14, paragraaf 29).
op de arbeidsmarkt, tussen produktiviteit en aanpassing
van de arbeidstijd, en tussen kwalitatief uiteenlopende
soorten onderzoek en de ontwikkeling ervan, en de
gevolgen hiervan voor produktie en dienstverlening.
3.2.2. Met het oog op de verwezenlijking van één
interne markt waarbij de verschillende aspecten van
vraag en aanbod in aanmerking worden genomen, bena-
drukt het Comité de noodzaak de politieke keuzen een
sociale en communautaire dimensie te geven om ervoor
te zorgen dat inkomsten uit kapitaal en uit arbeid billijk
worden verdeeld.
4. Het sociale beleid en een Europese strategie ter
bestrijding van de werkloosheid
4.1. Rol van het sociale beleid van de Gemeenschap
4.1.1. Onder verwijzing naar de drie adviezen der
laatste jaren (2), wijst het Comité opnieuw op de onder-
linge verwevenheid van het economische en het sociale
beleid, en met name op de noodzaak maatschappelijke
samenhang en solidariteit veilig te stellen als essentiële
elementen voor een blijvende economische groei die
werkgelegenheid schept en op constructieve wijze bij-
draagt tot vermindering van ongelijke levensomstandig-
heden.
4.1.2. Ingrijpende veranderingen op technologisch
gebied, verbetering van concurrentievermogen en
prestaties der ondernemingen, voltooiing van de interne
markt, begrotingsvraagstukken, belasting- en loonpro-
blematiek, besteding van winsten voor investeringen
die werkgelegenheid scheppen, alsmede een flexibele
arbeidsmarkt, aanpassing van arbeidsomstandigheden,
opleiding en omscholing zijn alle zaken die verband
houden met een werkgelegenheidsstrategie: zij moeten
alle worden ingepast in een sociaal kader en afhankelijk
worden gemaakt van een sociale ethiek waardoor een
soepele, op onderlinge overeenstemmming gebaseerde,
en daardoor doeltreffende aanpak wordt gegarandeerd.
In het kader van deze algemene aanpak heeft de Raad
zich twee jaar geleden uitgesproken voor het „geleide-
lijk geven van een sociale dimensie aan Europa" en
daarbij het volgende verklaard:
„De Gemeenschap zal haar economische eenheid te-
genover de internationale concurrentie niet kunnen ver-
sterken als zij niet tegelijkertijd ook haar sociale eenheid
versterkt. Het sociale beleid moet derhalve worden
ontwikkeld op het niveau van de Gemeenschap, evenals
het economische, monetaire en industriële beleid (...).
De Gemeenschap moet bijdragen tot een nauwere sa-
menhang tussen economisch en sociaal beleid om haar
concurrentiepositie en haar solidariteit tegenover de
buitenwereld te versterken. Een geslaagd economisch
beleid is een essentiële voorwaarde voor de tenuitvoer-
legging van een adequaat sociaal beleid. Een doeltref-
(2) Adviezen over de ontwikkeling van de sociale toestand in
de Gemeenschap in 1982, 1983 en 1984 (PB nr. C 286 van
24. 10. 1983, PB nr. C 307 van 9. 11. 1984 en PB nr. C 218
van 29. 8. 1985).
Nr. C 328/18 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
fend sociaal beleid is een noodzakelijke steunpilaar voor
het economische beleid. De veranderingen die door de
technologische omwenteling teweeg worden gebracht,
dienen te worden ondersteund door een beleid inzake
opvoeding en beroepsopleiding, een arbeidsmarktbeleid
en een sociaal beleid ten einde een snelle en geslaagde
aanpassing mogelijk te maken en te begunstigen." (l)
Het Comité is het volledig met deze verklaring eens en
spreekt de wens uit dat zij spoedig deel uitmaakt van
het beleid van de Gemeenschap.
4.2. Het instrumentarium van de Gemeenschap
Een dergelijk sociaal beleid kan door de Gemeenschap
worden bevorderd via:
— wetgeving en actieprogramma's;
— structurele fondsen;
— sociaal overleg.
4.2.1. Op sociaal gebied zijn ook in 1985 met de
communautaire wetgeving geen beduidende vorderin-
gen gemaakt. De ontwerp-richtlijn inzake de voorlich-
ting en raadpleging van de werknemers wacht nog
steeds op een besluit van de Raad; hetzelfde geldt voor
andere richtlijnen betreffende deeltijdwerk, ouderverlof
enz. Ook de „aanbeveling" inzake de herverdeling en
de verkorting van de werktijd ligt nog bij de Raad op
tafel. Via collectieve onderhandelingen op verschillende
niveaus zou hierdoor niettemin de werkgelegenheid
kunnen worden gestimuleerd zonder dat de kosten per
eenheid produkt noodzakelijkerwijs oplopen.
4.2.1.1. Ook zijn de belangrijke richtsnoeren die het
Permanent Comité voor arbeidsmarktvraagstukken in
mei 1985 heeft uitgegeven inzake de bestrijding van de
werkloosheid, niet opgevolgd, terwijl uit het werk-
programma van de Commissie voor 1986 geen algemene
beleidsvisie spreekt welke op deze richtsnoeren is geba-
seerd.
4.2.1.2. Terwijl in dit programma namelijk wordt
gesteld dat het scheppen van een economische en sociale
ruimte in Europa hand in hand gaat met de harmonisa-
tie van de levens- en arbeidsomstandigheden, met ar-
beidsveiligheid en -hygiëne, met opleiding en bijscho-
ling, wordt niet aangegeven hoe de coördinatie zou
kunnen worden bevorderd van de maatregelen en re-
gelingen in het vlak van de sociale zekerheid, welke in
de Lid-Staten op het gebied van het economische bestel
doorwerken.
4.2.1.3. Het Comité moet er bovendien op wijzen dat
de Commissie in haar programma weer in traditionele
bewoordingen maatregelen ter bevordering van de
werkgelegenheid voorstelt, voor zover het niet om een
herhaling van beginselen gaat, en dat de plannen voor
rationalisatie van de structurele fondsen wel zeer vaag
(J) Conclusies van de Raad van 22 juni 1984 betreffende een
sociaal actieprogramma van de Gemeenschap op middellange
termijn (PB nr. C 175 van 4. 7. 1984, blz. 1).
zijn, terwijl mede vanwege de uitbreiding van de Ge-
meenschap op korte termijn meer en betere middelen
beschikbaar zouden moeten worden gesteld.
4.2.1.4. Het Comité beseft heel goed hoe moeilijk
het voor de Commissie is, iets concreets te ondernemen
in een situatie waarin de Regeringen van de Lid-Staten
vaak wel dezelfde politieke wil aan de dag leggen met
betrekking tot de grote lijnen van het te voeren beleid,
maar het allesbehalve met elkaar eens zijn over de
specifieke toepassing ervan.
4.2.2. Het Comité heeft adviezen uitgebracht over de
herziening van de belangrijkste structurele Fondsen en
daarin benadrukt dat de communautaire steun niet
doeltreffender kan worden gemaakt door eenvoudigweg
de huidige,, ontoereikende middelen te herverdelen (2).
4.2.2.1. Het Europees Sociaal Fonds krijgt bijzondere
betekenis omdat het een sleutelrol speelt in het beleid
gericht op de verwezenlijking van de institutionele her-
structurering, met het doel de onderwijs- en beroeps-
opleidingsstelsels op positievere wijze af te stemmen op
de behoeften van het bedrijfsleven aan meer geschoolde
arbeidskrachten die beter in staat zijn zich aan de
technologische wijzigingen aan te passen. Het Comité
constateert dat de opleidingsmogelijkheden voor jonge-
ren dank zij het beleid van het Sociaal Fonds verbeterd
zijn en in vele gevallen uitzicht geven op meer duurzaam
werk. Het betuigt zijn instemming met de nieuwe richt-
lijnen voor het beheer van het Fonds zelf waarbij voor-
rang wordt gegeven aan beroepsopleidingsprogramma's
die met de invoering van nieuwe technologie rekening
houden. Het stemt tevens in met communautaire pro-
gramma's als Comett, dat gericht is op de bevordering
van de samenwerking tussen universiteit en industrie
op het gebied van de voortgezette beroepsopleiding
inzake nieuwe technologie. Het Comité herhaalt het in
de laatste drie adviezen geformuleerde verzoek om op
de communautaire begroting meer middelen voor het
Sociaal Fonds uit te trekken.
4.2.2.2. Het Comité meent dat niet alleen de bestaan-
de communautaire fondsen moeten worden geherstruc-
tureerd, zonder dat aan de middelen van deze fondsen
wordt getornd, maar dat daarnaast de oprichting van
een Europees Fonds voor de werkgelegenheid overwo-
gen zou moeten worden, waarin zou kunnen worden
samengewerkt ten behoeve van groei en werkgelegen-
heid en dat tot taak zou hebben te helpen bij het
beheersen en verzachten van de gevolgen van de mo-
dernisering in de produktiesectoren en afzonderlijke
bedrijven en grote infrastructuurprojecten zou kunnen
bevorderen.
4.2.2.3. Het Comité verzoekt de Commissie, te za-
men met de Europese Investeringsbank, na te gaan of
het haalbaar is een dergelijk communautair werkgele-
genheidsfonds in te stellen, dat — met name ten behoeve
van het midden- en kleinbedrijf — nieuwe faciliteiten
voor werkgelegenheidscheppende investeringskredie-
ten zal bieden.
4.2.3. Met betrekking tot de sociale dialoog in de
Gemeenschap, merkt het Comité op dat de Raad van
mening is dat „de tenuitvoerlegging van een sociaal
(2) Zie adviezen inzake de sociale toestand op. cit. en het advies
inzake de herziening van het Europees Sociaal Fonds (PB nr.
C 124 van 9. 5. 1983).
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/19
beleid en van industriële strategieën van de Gemeen-
schap impliceert dat de dialoog tussen de sociale part-
ners op communautair niveau wordt voortgezet en ont-
wikkeld'^1).
4.2.3.1. Het Comité hecht groot belang aan de so-
ciale dialoog van de Gemeenschap, maar meent dat
deze zich alleen positief zal ontwikkelen als er voldoen-
de ruimte en de nodige middelen voor ter beschikking
worden gesteld.
4.2.3.2. Overigens zouden de in het werkprogramma
van de Commissie geplande communautaire initiatieven
in de sociale sector — zoals de uitbreiding van de
werkingssfeer van het tweede programma ter bestrij-
ding van de armoede, het actieprogramma ter bevorde-
ring van de sociale integratie van gehandicapten, de
acties op het terrein van de gezondheid en de veiligheid,
en die op het gebied van het migratiebeleid — beter
aan hun doel kunnen beantwoorden en doeltreffender
kunnen zijn als bij de planning ervan rekening werd
gehouden met regelmatig samen met de sociale partners
te maken analyses van de ontwikkeling van de sociale
toestand in de afzonderlijke landen.
(!) PB nr. C 175 van 4. 7. 1984, blz. 3.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
4.2.3.3. In het licht van het bovenstaande acht het
Comité het dringend noodzakelijk dat een systeem voor
de verzameling van gegevens wordt opgezet ten einde
de kwaliteit te verbeteren van de in het werkprogramma
van de Commissie aangekondigde „Mededelingen"
over de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden,
het toekomstgerichte arbeidsmarktbeleid en de prog-
noses op middellange termijn van de ontvangsten en
uitgaven op sociaal gebied. Voorts herinnert het Comité
eraan, dat het de wens heeft uitgesproken dat er een
harmonisatie tot stand komt van de sociale statistieken,
met name met betrekking tot de werkloosheid.
5. Conclusies
5.1. De communautaire initiatieven op sociaal ter-
rein en de sociale dialoog zullen in de praktijk maar
weinig concrete vruchten kunnen afwerpen als ze geen
deel uitmaken van een meer algemeen strategisch plan
voor de geleidelijke verwezenlijking van de belangrijkste
doeleinden van de Gemeenschap.
5.2. De Europese Gemeenschap is namelijk opgericht
om de burgers te verenigen in een op cohesie en sa-
menwerking gericht streven en de recente „Europese
Akte" heeft de fundamentele waarden van de Gemeen-
schap bevestigd en opnieuw in het licht gesteld. Deze
nieuwe actie dient te worden aangemoedigd, ten einde
te komen tot een werkelijke Europese politieke, sociale
en economische unie, waardoor de ernstige internatio-
nale vraagstukken die thans het economische en sociale
leven in de gehele Gemeenschap verstoren, beter kunnen
worden opgelost.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Full & Egal Universal Law Academy