22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/27
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een richtlijn van de
Raad tot wijziging van Richtlijn 79/112/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd
voor de eindverbruiker, alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (})
(86/C 328/11)
Op 29 april 1986 heeft de Raad, overeenkomstig het bepaalde in artikel 100 van het Verdrag
tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, besloten het Economisch en
Sociaal Comité te raadplegen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor milieu, volksgezondheid en consumptie, die met de voorbereiding van de
desbetreffende werkzaamheden belast was, heeft haar advies op 1 en 2 september 1986
opgesteld. Rapporteur was mevrouw Dore.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van
17 september 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met meerderheid van stemmen bij
4 onthoudingen is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Enerzijds moet met deze ontwerp-richtlijn de
totstandbrenging van de interne markt een stap dich-
terbij worden gebracht en anderzijds moet worden bij-
gedragen tot een betere en gelijke voorlichting van alle
consumenten in de Gemeenschap; tevens moet een einde
worden gemaakt aan de door Richtlijn 79/112/EEG
geboden mogelijkheden tot nationale afwijkingen van
de etiketteringsvoorschriften en worden nieuwe ho-
rizontale etiketteringsbepalingen, die door technische,
economische of sociale ontwikkelingen noodzakelijk
zijn geworden, vastgesteld.
1.2. Bij de totstandbrenging van een communautaire
interne markt behoren namelijk ook een goede voorlich-
ting (zodat de consument weet welke produkten hij
moet kiezen) en een eerlijke concurrentie tussen produ-
centen.
1.3. Het richtlijnvoorstel voorziet voorts in een uit-
breiding van het aantal gevallen waarin volgens een
vereenvoudigde procedure etiketteringsmaatregelen
kunnen worden vastgesteld. Naast de in Richtlijn 79/
112/EEG bedoelde gevallen (artikel 6, lid 4, sub d);
artikel 6, lid 5, sub b), tweede streepje; artikel 7, lid 1,
derde alinea; artikel 8, lid 4, laatste alinea; artikel 9, lid
4, laatste alinea; artikel 16, punt 2, laatste alinea en
artikel 19) zijn er nu ook de in artikel 1, punten 3, 6,
8, 9, 11, 15 en 17, van het onderhavige richtlijnvoorstel
genoemde gevallen.
1.4. Volgens het Comité wordt de uitbreiding van
het aantal etiketteringsmaatregelen dat met behulp van
een vereenvoudigde procedure kan worden vastgesteld,
gerechtvaardigd door het technische karakter van de
maatregelen in kwestie, alsmede door de noodzaak de
harmonisatie sneller te doen verlopen. Toch ziet het
Comité geen heil in de in artikel 1, punt 20, van de
onderhavige richtlijn bedoelde nieuwe vereenvoudigde
procedure en verwijst het desbetreffend naar de opmer-
kingen die worden gemaakt in de paragrafen 3 t/m 6
van het voorontwerp van rapport van de Afdeling voor
(!) PB nr. C 124 van 23. 5. 1986, blz. 5.
milieu, volksgezondheid en consumptie inzake de me-
dedeling van de Commissie aan de Raad en het Europees
Parlement, getiteld „Voltooiing van de interne markt:
communautaire wetgeving inzake levensmiddelen".
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Artikel 1, punt 1 (uitbreiding van het toe-
passingsgebied tot restaurants, ziekenhuizen, kantines
en soortgelijke instellingen)
2.1.1. Het Comité staat gunstig tegenover punt 1 van
artikel 1, waarmee de communautaire voorschriften
voor etikettering en aanbiedingsvorm ook van toe-
passing worden op levensmiddelen die in restaurants,
ziekenhuizen, kantines e.d. worden gebruikt. Dit voor-
schrift draagt namelijk bij tot een duidelijke voorlich-
ting met betrekking tot voedingsmiddelen in een steeds
belangrijker wordende sector.
2.1.2. Gezien het feit dat er steeds meer buitenshuis
wordt gegeten, zou het Comité gaarne zien dat er in
de nabije toekomst beginselen en gemeenschappelijke
voorschriften worden vastgesteld voor de voorlichting
van de consument over de door horecabedrijven, zie-
kenhuizen e.d. geserveerde maaltijden.
2.2. Artikel 1, punten 4 en 5 (verplichte vermelding
van de behandeling voor levensmiddelen „van de eerste
generatie" welke aan ioniserende straling zijn
blootgesteld)
2.2.1. Het Comité ziet het belang in van de door de
Commissie voorgestelde bepaling die het de consument
mogelijk moet maken met ioniserende straling (X-
stralen, Y-stralen of versnelde elektronenbundels) be-
handelde levensmiddelen als zodanig te herkennen.
2.2.2. Aangezien het momenteel ontbreekt aan com-
munautaire voorschriften waarbij deze behandelings-
wijze is toegestaan en met het oog op de verschillen
tussen de nationale wetgevingen, meent het Comité dat
de zevende considerans van het voorstel als volgt moet
worden geredigeerd:
Nr. C 328/28 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
„Overwegende dat het in verscheidene landen van de
Europese Economische Gemeenschap toegestaan is be-
paalde levensmiddelen met ioniserende stralen te behan-
delen en dat de consument over deze behandelingswijze
dient te worden ingelicht,".
2.2.2.1. Bijgevolg dient artikel 6, lid 5, sub b), van
de basisrichtlijn, in tegenstelling met hetgeen de Com-
missie in artikel 1, punt 5, sub b), van haar ontwerp-
richtlijn voorstelt, niet veranderd te worden.
2.2.3. Het Comité zou gaarne zien dat er in commu-
nautair verband een gemeenschappelijke formulering of
beschrijving voor dit type behandeling kan worden
vastgesteld; hiermee zouden de belangen van zowel
consumenten als beroepsgebruikers gediend zijn.
2.3. Artikel 1, punten 7 en 23 (schrapping van de
mogelijkheid om geur- of smaakstoffen in overeen-
stemming met de nationale bepalingen aan te duiden
en invoering van een categorie „aroma's" in bijlage 1)
2.3.1. Het Comité is voorstander van één enkele
communautaire regel voor de aanduiding van aroma's.
2.3.2. Punt 23 van artikel 1 zou duidelijker moeten
worden gesteld. Het blijkt namelijk dat de gekozen
formulering („Deze vermelding kan eventueel nader
worden omschreven met de aanduiding van de plantaar-
dige of dierlijke oorsprong van de gebruikte aromatise-
rende stoffen") niet geheel bevredigend is. Bij de vast-
stelling van aanvullende vermeldingen ter verdere om-
schrijving van „aroma's" zou vooral rekening moeten
worden gehouden met het werk dat momenteel wordt
gedaan met betrekking tot de vaststelling van catego-
rieën aroma's.
2.4. Artikel 1, punt 10 (opheffing van de verplichting
onder 5 g de nettohoeveelheid gebruikte specerijen en
kruiden aan te geven)
2.4.1. Het Comité meent dat deze maatregel gerecht-
vaardigd wordt door de praktische moeilijkheden die
worden ondervonden.
2.4.2. Het Comité zou gaarne zien dat men zeer snel
de mogelijkheid gaat onderzoeken om deze grens naar
een grotere hoeveelheid dan 5 g te verleggen.
2.5. Artikel 1, punt 12 (opheffing van de mogelijkheid
om bij bepaalde uit microbiologisch oogpunt zeer be-
derfelijke levensmiddelen de vermelding „te gebruiken
tot ..."op het etiket te plaatsen)
2.5.1. De vermelding „te gebruiken tot ..." waarmee
de minimale houdbaarheid van uit microbiologisch
oogpunt zeer bederfelijke levensmiddelen wordt aange-
geven, is verreweg door de meeste Lid-Staten overge-
nomen.
2.5.2. Het gebruik van deze vermelding blijkt name-
lijk een aantal voordelen voor consument, beroeps-
gebruikers en controlediensten te hebben. Wat de con-
sument betreft, heeft deze vorm een dwingender ka-
rakter dan de aanduiding „ten minste houdbaar to t . . . " ,
waardoor de consument zich ook beter bewust wordt
van het bederfelijke karakter van bepaalde levens-
middelen. Beroepsgebruikers hebben van deze formule-
ring geen bijzondere praktijkproblemen ondervonden,
terwijl het tevens gemakkelijker is geworden nauwkeu-
rig toezicht te houden op produkten die gezondheids-
problemen kunnen opleveren. Wat ten slotte het werk
van de controlediensten betreft, is deze manier om de
minimale houdbaarheidsdatum aan te geven restrictief
genoeg om na het verstrijken van de termijn de handel
in het produkt te kunnen verbieden.
2.5.3. Hier kan het volgende worden opgemerkt.
Aangezien, zoals in de toelichting wordt gesteld, beide
manieren om de houdbaarheidsdatum aan te geven
(enerzijds „te gebruiken to t . . . " en anderzijds „ten min-
ste houdbaar tot . . .") voor het merendeel van de consu-
menten dezelfde betekenis hebben, zou voor een oplos-
sing kunnen worden gekozen waarbij uitsluitend de
formulering „te gebruiken tot ..." wordt gehanteerd.
Deze oplossing zou echter bepaalde vervelende nevenef-
fecten kunnen hebben:
— men zou ertoe kunnen worden gebracht de minimale
houdbaarheidsduur van bepaalde produkten te ver-
lengen;
— het zou erg lastig kunnen worden produkten waar-
van de minimale houdbaarheidsdatum is overschre-
den, maar die nog uitstekend bruikbaar zijn, af te
zetten, en dit zou tot ernstige verspilling leiden.
2.5.4. Het verdienstelijke van het Commissievoorstel
is dus dat hier één enkele communautaire regel voor
de aanduiding van de minimale houdbaarheid wordt
gegeven, maar geheel bevredigend is dit nog niet.
2.5.5. Het Comité stelt daarom voor, de mogelijk-
heid tot gebruik van de vermelding „te gebruiken tot
..." in het geval van uit microbiologisch oogpunt zeer
bederfelijke produkten open te houden. Tegelijkertijd
zouden met op korte termijn goed te keuren commu-
nautaire bepalingen de voorwaarden voor het gebruik
van deze aanduiding (lijst van levensmiddelen in kwestie
— vaststelling van de termijn) kunnen worden gelijk-
getrokken, met het drievoudige doel de consument beter
voor te lichten over etiketteksten die voor de gezondheid
van belang kunnen zijn, een betere juridische bescher-
ming te bieden en het handelsverkeer te vergemak-
kelijken.
2.6. Artikel 1, punt 13 (opheffing van de mogelijkheid
de minimale houdbaarheidsduur van een levensmiddel
op een andere wijze dan door vermelding van de mi-
nimale houdbaarheidsdatum aan te geven)
2.6.1. Dit voorstel van de Commissie moet, gezien
het voorgaande voorstel om de vermelding „te ge-
bruiken tot ..." in het geval van uit microbiologisch
oogpunt zeer bederfelijke levensmiddelen te handhaven,
juist worden geacht.
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/29
2.7. Artikel 1, punten 14 en 22 (opstellen van één
enkele lijst van voedingsmiddelen waarvoor geen houd-
baarheidsdata behoeven te worden opgegeven)
2.7\1. Het Comité is ingenomen met het voorstel van
de Commissie om één enkele lijst aan te leggen van
voedingsmiddelen waarvoor geen houdbaarheidsdata
behoeven te worden opgegeven. Zij beschouwt deze
regeling, waardoor nationale vrijstellingen onmogelijk
worden gemaakt, als de beste oplossing voor de consu-
ment, die scherp op de aangegeven datum let, alsmede
voor beroepsgebruikers, die aldus één enkele juridische
regeling zouden krijgen, waardoor de handel wordt
vergemakkelijkt.
2.7.2. Niettemin kunnen er praktische problemen rij-
zen voor bedrijven in de Lid-Staten die in eigen land
waren vrijgesteld van de verplichting een verbruiks-
datum op te geven voor alle soorten consumptie-ijs,
voor voedingsmiddelen met een minimale houdbaarheid
van meer dan 18 maanden en voor diepvriesprodukten.
Deze consumptie-artikelen zullen in de nieuwe veror-
dening niet langer vrijgesteld zijn van de verplichting
een verbruikstermijn aan te geven, behalve waar het
consumptie-ijs in portieverpakkingen betreft.
2.7.3. Het Comité meent daarom dat er bijzondere
uitvoeringstermijnen zouden kunnen worden vast-
gesteld voor de toepassing van deze bepaling, waar
het ijs, voedingsmiddelen die langer dan 18 maanden
houdbaar zijn en diepvriesprodukten betreft. Deze aan-
passingstermijnen kunnen worden bepaald aan de hand
van nauwkeurige studies, waarbij vooral ook rekening
wordt gehouden met de praktische ervaringen in Lid-
Staten die de vermelding van verbruiksdata voor deze
drie types produkten verplicht stellen.
2.8. Artikel 1, punt 16 (mogelijkheid om in het geval
van voorverpakte produkten die in een stadium vóór
de verkoop aan de eindverbruiker worden verhandeld,
de voorgeschreven vermeldingen slechts in de handels-
documenten op te nemen)
2.8.1. Het Comité vraagt zich af wat de praktische
gevolgen zouden zijn van de toepassing van artikel 1,
punt 16, op grond waarvan de voorgeschreven vermel-
dingen niet op het etiket, maar slechts op de bij de
levensmiddelen behorende handelsdocumenten behoe-
ven voor te komen. Door deze nieuwe mogelijkheid zou
het bij voorbeeld gemakkelijker moeten worden het
etiketteren zelf van de produktie- naar de distributiefase
over te brengen.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
2.8.2. Deze bepaling schijnt van toepassing te moeten
zijn op voorverpakte levensmiddelen die in een stadium
vóór de verkoop aan de eindverbruiker worden verhan-
deld; dit roept de volgende twee problemen op :
— het begrip „eindverbruiker" is niet gedefinieerd;
— wat voor etiketteringsregeling zou voor voorverpak-
te levensmiddelen die naar horecabedrijven, zie-
kenhuizen e.d. toegaan, moeten worden vast-
gesteld ?
2.8.3. Door deze maatregel zou het in theorie moge-
lijk moeten worden overal in de Gemeenschap voorver-
pakte levensmiddelen, als conserven, diepvries-
produkten enz., te verhandelen, zonder dat op de voor-
verpakkingen ook maar één enkele van de in Richtlijn
79/112/EEG bedoelde voorgeschreven vermeldingen
voorkomt. Dit zou gevaarlijk kunnen worden. Het kan
voorkomen dat een controledienst een ongeëtiketteerd
levensmiddel niet kan identificeren, terwijl vastgesteld
is dat een bepaald, aan het etiket te herkennen levens-
middel gevaren voor de gezondheid oplevert. Evenzo
bestaat het gevaar dat handelsdocumenten met voorge-
schreven vermeldingen verloren gaan, terwijl het vooral
ook moeilijk kan zijn vermeldingen, zoals de datum,
welke op de handelsdocumenten voorkomen, op een
partij niet geëtiketteerde levensmiddelen aan te brengen.
2.8.4. Het Comité meent dat artikel 1, punt 16, niet
ver genoeg gaat en op de volgende drie punten zou
moeten worden aangevuld:
— aangegeven zou moeten worden welke etiket-
teringsvoorschriften voor aan horecabedrijven, kan-
tines, ziekenhuizen e.d. te leveren voedingsmiddelen
zullen gelden;
— vereist zal moeten zijn dat de handelsdocumenten
waarop alle voorgeschreven aanduidingen voorko-
men de levensmiddelen in kwestie dienen te verge-
zellen;
— ten einde controles in een stadium vóór de verjcoop
aan de eindverbruiker mogelijk te maken en te waar-
borgen dat de handelstransacties in goede orde ver-
lopen, moet er een betrouwbare en gemakkelijke
manier worden uitgewerkt om de handelsdocu-
menten met de verplichte vermeldingen en de voor-
verpakte levensmiddelen in kwestie bij elkaar te
houden.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Full & Egal Universal Law Academy