Nr. C 328/34 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een verordening van
de Raad tot vaststelling van de voorwaarden waaronder in een Lid-Staat niet woonachtige
vervoerondernemers aldaar tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de bin-
nenwateren worden toegelaten (*)
(86/C 328/13)
De Raad heeft op 18 december 1985 besloten, overeenkomstig artikel 75 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité
om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor vervoer- en communicatiewezen, die met de voorbereiding van de desbetref-
fende werkzaamheden was belast, heeft haar advies tijdens haar 170e vergadering op 16 juli
1986 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Fortuyn.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van
18 september 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met 91 stemmen vóór en 10 stemmen
tegen bij 3 onthoudingen is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Zoals de toelichting van de Commissie op het
bovengenoemde voorstel aangeeft, moet dit voorstel
worden bezien tegen de achtergrond van het arrest
van 22 mei 1985 van het Europese Hof van Justitie in
zaak 13/83 van het Europese Parlement tegen de Raad,
als ook in het kader van de beoogde voltooiing van de
interne markt waarover het Witboek van de Commissie
handelt, dat in juni 1985 aan de Europese Raad is
voorgelegd en door deze is aanvaard.
1.2. In dit zogenaamde nalatigheidsarrest heeft het
Hof van Justitie zich er duidelijk over uitgesproken, dat
krachtens de beginselen, doelstellingen en dwingende
bepalingen van het Verdrag de vrijheid van dienst-
verlening ook op het gebied van het vervoer, en derhalve
ook in de binnenvaart, als een onderdeel van het ge-
meenschappelijk vervoerbeleid moet worden gerea-
liseerd, in die zin, dat het vervoerondernemers moet
zijn toegestaan hun diensten ook aan te bieden en uit
te voeren in het binnenlands vervoer van Lid-Staten
waarin zij niet gevestigd zijn. In het Witboek wordt in
de over het vervoer handelende passages (de paragrafen
108 tot en met 112) aangegeven, dat de daartoe nodige
maatregelen in 1989 in werking dienen te treden.
1.3. De voorgestelde verordening heeft vooral bete-
kenis voor de binnenvaart in vijf Lid-Staten, de Bonds-
republiek Duitsland, Frankrijk en de drie Bene-
luxlanden. In deze regio wordt, dank zij het daar be-
schikbare, uitgebreide net van rivieren en kanalen, een
aanmerkelijk deel van het vervoer zowel in het bin-
nenlandse als in het grensoverschrijdende verkeer over
water afgewikkeld. Doordat de waterwegen in deze
regio onderling met elkaar in verbinding staan, kunnen
binnenschepen rechtstreeks van de ene Lid-Staat naar
de andere varen en derhalve hun diensten ook aanbieden
in Lid-Staten waar zij niet gevestigd zijn.
1.4. Het vrije verkeer van de binnenvaartdiensten is
in een deel van deze regio en met name op de Rijn en
(!) PB nr. C 331 van 20. 12. 1985, blz. 2.
zijn zijrivieren onder vigeur van de Akte van Mannheim
reeds lang gerealiseerd. Voor enkele deelmarkten be-
staan echter nog nationale voorschriften die de vrije
toegang tot die markten bepéiken.
1.5. Het Comité erkent dat thans in het kader van
de voltooiing van de interne markt en als onderdeel van
het gemeenschappelijke vervoerbeleid de nog bestaande
beperkingen op het vrij verrichten van diensten in de
binnenvaart moeten worden opgeheven. Het kan der-
halve instemmen met de hoofdlijnen van de door de
Commissie voorgestelde verordening waarin de voor-
waarden worden vastgesteld, waaronder vervoers-
ondernemers worden toegelaten tot het binnenlands
goederen- en personenvervoer over de binnenwateren
in de Lid-Staten waar zij niet gevestigd zijn, maar is
van mening dat het voorstel op een aantal punten
niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en brengt
derhalve de volgende opmerkingen onder de aandacht
van Raad en Commissie.
1.6. Het is het Comité opgevallen dat de Commissie
in de toelichting op haar voorstel geen aandacht heeft
besteed aan het voor de binnenvaart zo belangrijke
vraagstuk van structurele overcapaciteit aan
scheepstonnage. Oplossing van dit vraagstuk zal kun-
nen bijdragen tot gezonde marktverhoudingen met een
minimum aan interventie van overheidswege. Het
Comité dringt er daarom op aan, dat door de Commis-
sie in overleg met de Lid-Staten krachtig wordt mee-
gewerkt aan het wegwerken van deze overcapaciteit
door een goede coördinatie van sloopcampagnes en
begeleidende maatregelen van sociale aard.
1.7. Door de bepaling in artikel 3 van de voorgestel-
de verordening, dat het binnenlandse vervoer, ook in-
dien'dit door een niet in die Lid-Staat gevestigde ver-
voerder wordt verricht, onder de in die Lid-Staat gel-
dende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen valt,
wordt de indruk gewekt dat het naast elkaar blijven
voortbestaan van door onderling verschillende natio-
nale voorschriften beheerste deelmarkten wordt aan-
vaard.
1.8. Het Comité betreurt het, dat de Commissie dit
artikel slechts summier heeft toegelicht en niet aan de
hand van een analyse van de nationale voorschriften en
een vergelijking van de verschillen tussen deze voor-
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/35
schriften is toegekomen aan de vraag, of en in hoeverre
het wenselijk zou zijn een harmonisatie van deze natio-
nale voorschriften te bevorderen in het kader van het
gemeenschappelijke vervoerbeleid. Hierbij moet een on-
derscheid worden gemaakt tussen verschillende catego-
rieën voorschriften.
1.9. Het Comité ts onder verwijzing naar artikel 1
van de voorgestelde verordening van mening, dat de
vervoerondernemer ten aanzien van voorschriften inza-
ke vestiging, toegang tot het beroep en winstbelasting,
technische voorschriften en registratiegelden voor de
vaartuigen van de onderneming, voorschriften van so-
ciale aard ten aanzien van de aan het bedrijf verbonden
werknemers en schippersdiploma's uitsluitend onder-
worpen is aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepa-
lingen van het land waar hij gevestigd is. Derhalve
beveelt het Comité aan om de harmonisatie van de
nationale voorschriften in studie te nemen. Hierbij zij
aangetekend, dat door de samenwerking van de be-
trokken Lid-Staten in de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart de nationale voorschriften ter zake van de
vaart op de Rijn reeds op elkaar zijn afgestemd. Voorts
mag worden herinnerd aan de in 1983 voorgestelde
maar nog niet aanvaarde richtlijn inzake de toegang tot
het beroep van ondernemer voor nationaal en inter-
nationaal goederenvervoer over de binnenwateren en
inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certifi-
caten en andere titels (PB nr. C 351 van 24. 12. 1983)
en het Comité bepleit een spoedige afhandeling van dit
voorstel.
1.10. Een tweede categorie voorschriften wordt ge-
vormd door bepalingen ter regulering van nationale of
regionale deelmarkten, zoals tariefvoorschriften, voor-
schriften betreffende de toegang tot een bepaalde
marktsector (wel te onderscheiden van de algemene
voorschriften inzake de toegang tot het beroep), voor-
schriften inzake bevrachtingsbeurzen en toerbeurt-
stelsels alsook fiscale voorschriften inzake indirecte be-
lastingen, zoals BTW. Voor deze categorie van voor-
schriften zijn de binnenvaartondernemers, ongeacht
hun nationaliteit, onderworpen aan de bepalingen
geldende in de Lid-Staat waar de vervoerdiensten wor-
den aangeboden en uitgevoerd. Ook voor deze categorie
acht het Comité van belang, dat de harmonisatie van
onderling afwijkende regelingen in studie wordt geno-
men, opdat het de vervoerondernemers mogelijk zal
zijn onder vergelijkbare omstandigheden hun diensten
ook aan te bieden op de binnenlandse vervoermarkten
van Lid-Staten waar zij niet gevestigd zijn; in de Bonds-
republiek Duitsland bij voorbeeld kunnen vervoerders
met inachtneming van tariefvoorschriften rechtstreeks
met de verlader vervoercontracten afsluiten, terwijl in
België, Frankrijk en Nederland de bevrachtingen meest-
al via bevrachtingsbeurzen en een stelsel van evenredige
vrachtverdeling tot stand komen.
1.11. Zonder volledigheid na te streven kunnen als
derde categorie worden genoemd verkeersvoorschriften
ter bevordering van een veilige vaart, het in goede
staat houden van de vaarwegen (b.v. diepgangs- en
snelheidsbeperkingen), de heffing van kanaal-, sluis-,
brug- en meergelden. Dergelijke voorschriften — afge-
stemd als zij zijn op de omstandigheden ter plaatse —
dienen uiteraard door alle deelnemers aan het verkeer
over de waterwegen, ongeacht hun nationaliteit, te wor-
den nageleefd.
1.12. Hoewel zich niet laat aanzien dat het opheffen
van de nog bestaande beperkingen op de vrijheid van
dienstverlening aanmerkelijke veranderingen op de bin-
nenvaartmarkten teweeg zal brengen, blijft een zorg-
vuldige observatie van de marktontwikkelingen ge-
wenst, ten einde in maatschappelijk en sociaal opzicht
begeleidende maatregelen te kunnen nemen.
2. Bijzondere opmerkingen over de artikelen
2.1. Artikel 1
2.1.1. Onder verwijzing naar de algemene opmer-
kingen in paragraaf 2.3 stelt het Comité vast, dat er
momenteel voor de binnenvaart geen algemene voor-
schriften bestaan inzake de toelating tot het beroep en
er derhalve ook geen onderscheid is gemaakt tussen
toelating tot nationaal resp. internationaal vervoer. Zo-
lang de in 1983 voorgestelde richtlijn nog niet tot stand
is gekomen, zal derhalve de toelating tot het internatio-
nale vervoer moeten worden vastgesteld door middel
van door de Lid-Staten af te geven machtigingen, bij
voorkeur op analoge wijze als zulks voor de Rijnvaart
is geregeld.
2.1.2. Het Comité is van mening, dat de bepaling dat
een vervoerondernemer slechts tijdelijk zijn activiteiten
mag verrichten in een Lid-Staat waar hij niet gevestigd
is, niet voldoende duidelijk is en tot verschillen van
interpretatie zou kunnen leiden.
Op de vervoermarkten waar nu ook cabotage is toege-
staan gelden geen tijdsbeperkingen.
2.2. Artikel 2
2.2.1. Met dit artikel wordt beoogd bescherming te
bieden tegen mogelijke „deloyale" concurrentie van
„extracommunautaire" ondernemingen, die weliswaar
formeel in een Lid-Staat een vestiging hebben, echter
zonder dat er een zogenaamde „reële band" bestaat.
2.2.2. Door in deze verordening een daartoe
strekkende bepaling op te nemen wordt naar de mening
van het Comité dit oogmerk slechts zeer ten dele bereikt,
namelijk alleen ingeval dergelijke ondernemingen ge-
bruik zouden maken van het cabotagerecht; zij kunnen
echter wel zonder beperking deelnemen aan het vervoer
in de Lid-Staten, waar zij een vestiging hebben alsook
aan het grensoverschrijdend vervoer.
Nr. C 328/36 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
2.2.3. Daarom verdient het aanbeveling een dergelij-
ke bepaling niet alleen op te nemen in de voorgestelde
cabotageverordening, maar een algemene regeling tot
stand te brengen met het oogmerk de gehele binnenvaart
in de Gemeenschap af te schermen tegen „deloyale"
concurrentie. Wel zal een dergelijke kaderregeling met
de nodige terughoudendheid moeten worden toegepast,
zodat het vrije kapitaalverkeer met landen die een met
de Gemeenschap vergelijkbare economische orde heb-
ben niet onnodig wordt beperkt.
2.2.4. Voor de Rijnvaart is reeds een soortgelijke
regeling tot stand gekomen (zie PB nr. L 280 van 22. 10.
1985, blz. 4: Protocol van ondertekening bij aanvullend
Protocol nr. 2 bij de herziene Rijnvaartakte en het daar-
bij behorende toepassingsreglement).
2.2.5. Het Comité constateert met genoegen, dat de
thans door de Commissie voorgestelde bepaling op
gelijke leest is geschoeid, zodat beide regelingen goed
op elkaar aansluiten.
2.3. Artikel 3
2.3.1. Met verwijzing naar de algemene opmerkingen
vervat in de paragrafen 1.7 tot en met 1.12 merkt het
Comité op, dat het voor allen die betrokken zijn bij de
praktijk van de binnenvaart nuttig zou zijn, indien een
summier, maar duidelijk overzicht ter beschikking zou
Gedaan te Brussel, 18 september 1986.
worden gesteld van de nationale bepalingen die in acht
moeten worden genomen indien van het cabotagerecht
gebruik wordt gemaakt, zulks, enerzijds, om — onverlet
de eigen verantwoordelijkheid van de vervoer-
ondernemer — misverstanden en fouten uit onwetend-
heid te voorkomen en, anderzijds, om te kunnen beoor-
delen in hoeverre het wenselijk zou zijn de nationale
voorschriften te harmoniseren en aldus een Europese
ordening van de binnenvaartmarkt nader bij te brengen.
2.3.2. Tijdstip van in werking treden
Gezien de bovenstaande opmerkingen en aangezien
overeenkomstig artikel 4 van de voorgestelde veror-
dening de Lid-Staten maatregelen moeten vaststellen
die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de veror-
dening, is het Comité van mening dat de in artikel 1
genoemde ingangsdatum van 1 januari 1988 te krap is
bemeten. In het Witboek van de Commissie inzake de
voltooiing van de interne markt is als tijdstip voor het
van kracht worden van de vrijheid van dienstverlening
het jaar 1989 genoemd, terwijl gestreefd wordt naar
een algehele voltooiing van de interne markt in 1992.
Derhalve beveelt het Comité aan voor het van kracht
worden van de verordening een ruimere marge aan te
houden.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
26. 5. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/37
BIJLAGE
Het onderstaande wijzigingsvoorstel is tijdens de beraadslagingen door het Comité verworpen:
Paragraaf 2.2.
Na paragraaf 2.2.5 de volgende nieuwe paragraaf 2.2.6 invoegen:
„Het Comité wil de aandacht vestigen op de lopende discussie bij de Raad met betrekking tot de vrijheid tot
het verlenen van diensten in het zeevervoer, waarbij het gaat om de vraag of „onder de vlag van een Lid-
Staat varende schepen" als een in te voeren alternatief criterium voor de toepassing van bovengenoemde
vrijheid kunnen worden beschouwd. Het Comité verwijst hier naar zijn advies over een gemeenschappelijk
beleid inzake zeevervoer (CES 1023/85), dat op 27 november 1985 werd goedgekeurd (1). Hierin werd bedoeld
criterium aanvaard en werd gelijke behandeling van de beide wijzen van vervoer voorgesteld."
Motivering
Voor dit wijzigingsvoorstel zijn twee motieven aan te voeren:
1. Dit voorstel ligt in het verlengde van het advies van het Comité over een gemeenschappelijk beleid
inzake zeevervoer (CES 1023/85), waarbij in de bijlagen II.1, II.2 en II.6 de vlag van een Lid-Staat als
alternatief criterium wordt erkend.
2. In het internationale recht geldt naast de nationaliteit van natuurlijke personen ook de nationaliteit van
het schip als grondbeginsel. Schepen hebben dan de nationaliteit van de Lid-Staat onder wiens vlag zij varen.
Een en ander wordt onder meer in de volgende internationale verdragen uitdrukkelijk bepaald:
a) VN-Verdrag inzake de volle zee 1958 (artikel 6);
b) VN-Zeerechtverdrag 1984 (artikel 92);
c) VN-Verdrag inzake de voorwaarden met betrekking tot de registratie van schepen 1986 (artikel 4, lid 2).
Uitslag van de stemming
Vóór: 29, tegen: 29, onthoudingen: 48.
(!) PB nr. C 344 van 31. 12. 1985, blz. 31.
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een verordening
(EEG) van de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 797/85, nr. 270/79, nr.
1360/78 en nr. 355/77 met betrekking tot de landbouwstructuur, de aanpassing van de
landbouw aan de nieuwe marktsituatie en het behoud van het agrarisch landschap
(86/C 328/14)
De Raad heeft op 7 mei 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 43 en
198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap het
Economisch en Sociaal Comité om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor de landbouw, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamhe-
den was belast, heeft haar advies op 10 juli 1986 goedgekeurd. Rapporteur was de heer
Zinkin, die het advies mondeling heeft toegelicht.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 18 sep-
tember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Inleiding
1.1. Het Comité heeft reeds in verschillende adviezen
zijn standpunt ten aanzien van bepaalde aspecten van
het sociaal-structurele beleid naar voren gebracht: ad-
vies inzake het voorstel voor een verordening van de
Raad betreffende de verbetering van de landbouwstruc-
tuur; advies inzake de perspectieven voor het gemeen-
Full & Egal Universal Law Academy