22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/5
2.15.2. Wel wijst het Comité er nogmaals op dat de
statistische diensten van de Gemeenschap het toe-
ristenbedrijf en de hierin werkzame bedrijven beter
dienen te bestuderen en te analyseren om homogene
basisgegevens voor een betrouwbaar beleid te ver-
krijgen.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
2.16. Bijlage UI
Het Comité stemt, zoals aan het begin van de tekst al
werd gesteld, met de drie voorstellen van de Commissie
in onder voorbehoud van de hierboven opgenomen
opmerkingen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een richtlijn van
de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake
levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden
gebruikt (x)
(86/C 328/02)
De Raad heeft op 29 april 1986 besloten, overeenkomstig artikel 100 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité
om advies te vragen inzake bovengenoemd voorstel.
De Afdeling voor milieu, volksgezondheid en consumptie, die met de voorbereiding van de
desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 en 2 september 1986
goedgekeurd. Rapporteur was de heer De Grave.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 17 sep-
tember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen
1.1. Tot dusverre konden in EG-verband slechts vier
lijsten met additieven worden geharmoniseerd. Al sedert
meer dan 12 jaar, d.w.z. sinds de goedkeuring van
Richtlijn 74/329/EEG (2), heeft de Raad, afgezien van
wijzigingen op de vier bestaande richtlijnen, geen enkele
richtlijn inzake additieven uitgevaardigd. Evenmin is in
deze vier richtlijnen vooruitgang geboekt met betrek-
king tot de voorwaarden voor het gebruik.
1.2. Dit toont aan dat een soepeler procedure nodig
is. Het Economisch en Sociaal Comité heeft er meer
dan eens voor gepleit dat richtlijnen met meerderheid
van stemmen en niet met algemene stemmen worden
goedgekeurd.
1.3. Gedurende deze tijd heeft de Commissie zelf
maar weinig nieuwe voorstellen kunnen indienen aange-
zien het hier om een complexe materie gaat en zij
maar over een gering aantal medewerkers beschikt. Het
Comité vreest dat de Commissie niet in staat is, meer
(!) PB nr. C 116 van 16. 5. 1986, blz. 2.
(2) PB nr. L 189 van 12. 7. 1974.
vaart te zetten achter haar werkzaamheden ten einde het
door haar vastgestelde programma te kunnen uitvoeren.
Deze bespoediging mag overigens niet ten koste gaan
van de aandacht die deze moeilijke materie vereist.
1.4. De voorgestelde nieuwe procedure zou dus wel
eens grote moeilijkheden kunnen veroorzaken op een
zo gevoelig liggend gebied als additieven.
1.5. De in bijlage II samengevatte algemene criteria
voor het gebruik van levensmiddelenadditieven zouden
tot het volgende moeten worden teruggebracht:
— eventuele gevolgen voor de volksgezondheid (giftig-
heid, voedingsaspecten, overgevoeligheid enz.);
— technische noodzaak.
Hieraan dient het criterium „fair trade" te worden
toegevoegd.
Wil men dat aan al deze aspecten recht wordt gedaan,
dan dient in het richtlijnvoorstel een verplichting te
worden opgenomen tot raadpleging van
— het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke
voeding, en in een later stadium
— het Raadgevend Comité voor levensmiddelen.
Nr. C 328/6 Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
1.6. De adviezen van deze beide Comités dienen be-
kend te worden gemaakt.
1.7. Bij een moeilijke en vaak controversiële materie,
niet alleen voor consumenten en producenten, maar
ook voor de producenten onderling en zelfs voor de
wetenschap, dient te worden gezorgd voor maximale
garanties met betrekking tot raadpleging en voorlich-
ting van de betrokken kringen.
Het Comité stelt de Commissie daarom voor, haar
richtlijnvoorstel publiek te maken door het Economisch
en Sociaal Comité te raadplegen voordat het voorstel ter
stemming aan het Permanent Comité wordt voorgelegd.
Het Comité zou dan de betrokken kringen een uitspraak
kunnen laten doen op een gebied waaraan door produ-
centen en consumenten steeds grote aandacht wordt
besteed.
1.8. Bovendien stelt het Comité als mogelijkheid
voor, tijdens de voorbereidende werkzaamheden van
het Permanent Comité voor levensmiddelen waar-
nemers uit de betrokken kringen voor de werkzaamhe-
den te laten uitnodigen, zoals bij cosmetica het geval
is.
2. Bijzondere opmerkingen
2.1. Het Comité acht het beslist noodzakelijk dat
de materie waarvoor de Commissie overdracht van
bevoegdheden ontvangt, beter wordt afgebakend om
elke rechtsonzekerheid weg te nemen.
Sommige stoffen kunnen namelijk in het grensvlak lig-
gen van
— additieven en levensmiddelen;
— additieven en bestrijdingsmiddelen;
— al dan niet onder deze richtlijn vallende additieven;
— additieven en technologische hulpstoffen.
Dit is bijvoorbeeld het geval met ethyleenoxide, saf-
fraan, sorbitol, enzymen, gemodificeerd zetmeel, uit
levensmiddelen geëxtraheerde stoffen (concentraat van
sojaproteïnen, caseïne, gelatine, vezels, albumine enz.).
Voorts worden produkten waarmee levensmiddelen na
de oogst worden behandeld, nu eens als additieven
beschouwd en dan weer als bestrijdingsmiddelen: rij-
pingsprodukten, kiemdodende middelen, schimmel-
werende middelen enz. Sommige bij citrusvruchten toe-
gepaste schimmelwerende stoffen zijn op de additie-
venlijst opgenomen (b.v. difenyl), maar worden in an-
dere levensmiddelen als bestrijdingsmiddel beschouwd.
Voorts worden als substituut voor difenyl gebruikte
schimmelbestrijders zelf ook als bestrijdingsmiddel ge-
klasseerd (b.v. benomyl).
Alle produkten waarmee plantaardige gewassen na de
oogst worden behandeld, dienen in één additievenlijst
te worden gehergroepeerd.
2.2. Artikel 2, lid 2
2.2.1. Additieven die voor velerlei doeleinden wor-
den gebruikt, dienen op multipele additievenlijsten te
blijven staan.
2.3. Artikel 3, lid 2
2.3.1. Volgens het Comité mogen de bestaande bij-
zondere richtlijnen alleen maar worden gewijzigd op
het stuk van additieven die op één van de vier commu-
nautaire lijsten voorkomen; deze mogelijkheid is er dus
niet voor categorieën additieven die nog onder het
nationale recht vallen en nog niet in EG-verband zijn
beoordeeld.
2.4. Artikel 3, lid 3
2AA. Hieraan dient een punt g) te worden toege-
voegd met de inhoud van artikel 5, lid 1, sub d) (ge-
bruiksaanwijzingen).
2.4.2. Voorts moet in de laatste zin de verplichting
worden opgenomen om zowel het Wetenschappelijk
Comité voor de menselijke voeding als het Raadgevend
Comité voor levensmiddelen verplicht te raadplegen.
2.5. Artikel 4
2.5.1. Hier dient dezelfde raadplegingsprocedure te
worden toegepast als in artikel 3.
2.6. Artikel 5, lid 1, sub c)
2.6.1. Dit lid dient als volgt te worden geformuleerd:
„alle bijzonderheden over de opslag en/of het gebruik".
2.7. Artikel 5, lid 1, sub d)
2.7.1. Dit punt dient als volgt te worden gefor-
muleerd :
„gebruiksaanwijzingen".
2.7.2. Additieven kunnen door talrijke onderne-
mingen, met inbegrip van kleine en middelgrote, wor-
den toegepast die niet altijd met dé gebruiksvoorwaar-
den vertrouwd zijn.
2.8. Artikel 9
2.8.1. Het Comité verwijst naar de hierboven opge-
nomen algemene opmerkingen en naar zijn advies over
de „Voltooiing van de interne markt: communautaire
wetgeving inzake levensmiddelen".
2.9. Bijlage I
2.9.1. De naam van deze lijst zou moeten luiden
„Categorieën technische functies van levensmidde-
lenadditieven". Deze titel komt beter overeen met arti-
kel 2, lid 1, waarin staat dat in bijlage I de technische
functies worden omschreven.
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/7
2.9.2. Op deze lijst wordt een aantal categorieën
toevoegingen vermeld die in de meeste Lid-Staten niet
zijn toegestaan. Volgens het Comité betekent dit niet
dat deze stoffen niet in een later stadium zullen worden
toegestaan (b.v. verstevigingsmiddelen en meelverbete-
raars). Eventueel zouden deze additieven bij overdracht
van bevoegdheid aan de Commissie moeten worden
uitgesloten.
2.9.3. Het Comité wijst voorts op een aantal bui-
tengewoon gevaarlijke stoffen voor de gezondheid van
kinderen en adolescenten. De Commissie zou moeten
aangeven of zij onder „sequestreermiddelen" hetzelfde
verstaat als onder „chelaatvormende stoffen".
2.9.4. De term „zoetstof" dient in twee categorieën te
worden gesplitst, namelijk kunstmatige en natuurlijke
zoetstoffen.
2.9.5. De uitdrukking „meelverbeteraar" dient te
worden vervangen door de vermelding van een of meer
technische functies om niet alles toe te staan (b.v. bleek-
middelen).
2.9.6. Evenzo dient uit bijlage I de categorie enzymen
te worden geschrapt, die op zich geen technische functie
zijn, en dienen de als additief gebruikte enzymen te
worden opgenomen in de categorie waartoe zij behoren
(anti-oxidant, stabilisator enz.).
2.9.7. Het bevreemdt het Comité dat het begrip
„smeltzouten" ontbreekt, welke categorie wel in de
etiketteringsrichtlijn voorkomt.
2.9.8. De categorieën.„schuimstabilisator" en „anti-
schuimmiddel" komen in de verschillende taalversies
niet met elkaar overeen. Hetzelfde kan trouwens in het
algemeen worden gezegd van de versies van de bijlage
in de verschillende talen.
2.9.9. Het Comité vraagt zich af of het niet beter zou
zijn elke functiecategorie van deze bijlage te definiëren
om misverstanden te vermijden.
2.10. Bijlagell
2.10.1. Het Comité heeft begrepen dat deze bijlage
de samenvatting van andere teksten is. Aangezien het
hier om een juridische tekst gaat, geeft het er de 'voor-
keur aan dat de volledige tekst in de bijlage wordt
opgenomen en niet slechts een samenvatting.
Gedaan te Brussel, 17 september 1986.
2.10.2. Het Comité stelt vast dat in punt 1 wordt
gesproken van de toxicologische beoordeling (te ver-
richten door het Wetenschappelijk Comité) en de beoor-
deling van de technische noodzaak (te verrichten door
met name het Raadgevend Comité voor levens-
middelen). Zeer specifieke uitzonderingen daargelaten
vindt het dat het niet de taak is van het Wetenschappe-
lijk Comité om zich uit te spreken over de wenselijkheid
van een bepaald additief in een bepaald levensmiddel.
Het dringt er daarom op aan, beide aspecten in punt 1
niet door elkaar te halen.
2.10.3. Bovendien komen de verschillende aspecten
betreffende de gezondheid (giftigheid, overgevoeligheid,
voedingsaspecten) op verschillende plaatsen (punten 1,
5 a), enz.) van bijlage II aan de orde.
2.10.4. Deze bijlage moet daarom worden her-
schreven en daarbij moeten de gezondheid en de techni-
sche noodzaak gescheiden worden behandeld.
2.10.5. Er dient meer aandacht te worden besteed
aan een derde criterium waarover producenten en con-
sumenten het al geruime tijd eens zijn, namelijk de „fair
trade".
2.10.6. Het begin van punt 2 moet als volgt luiden:
„Alleen die levensmiddelenadditieven kunnen worden
toegestaan die, ...". De huidige formulering is dub-
belzinnig en houdt geen rekening met het criterium
„technisch nut". Eventueel zou punt 2 zelfs kunnen
vervallen, omdat het samenvalt met punt 1. Wordt
dit punt toch gehandhaafd, dan moet de formulering
worden gewijzigd in die zin dat een toevoeging niet
kan worden toegelaten indien „de thans beschikbare
toxicologische informatie" onvoldoende is.
2.10.7. Het Comité verzoekt ook om wijziging van
punt 5 a), dat overigens in tegenspraak lijkt te zijn met
punt 5 c): een additief kan de voedingswaarde van
het levensmiddel namelijk niet verminderen, tenzij het
additief noodzakelijk is voor de produktie van levens-
middelen die bestemd zijn voor consumenten met bij-
zondere voedingsbehoeften.
2.10.8. In punt 6 c) moeten de woorden „zoveel
mogelijk" worden geschrapt. Het begrip „aanvaard-
bare dagelijkse opname" heeft totaal geen betekenis
indien dit vergezeld gaat van de beperking „zoveel
mogelijk".
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Full & Egal Universal Law Academy